CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 23-011 Bijlage C Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving (aangepast versie)

Raadsvergadering 21 maart 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving (RV 23-011)3.523 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING OMGEVINGSRECHT Rijswijk 2023 Tekst van de regeling

De raad van de gemeente Rijswijk;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 07-02-2023 nummer 23.008852; gelet op de artikelen 5.4, eerste lid, onder b en artikel 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende: -

Dat gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke diensten die in naam van gemeenten en provincies (zoals daar bijvoorbeeld zijn: omgevingsdiensten) de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het omgevingsrecht (VTH-taken) uitvoeren zijn verantwoordelijk om in landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoering en handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelen;

-

en dat het met het oog daarop wenselijk is om regels vast te stellen hoe de kwaliteit van die VTHtaken te bevorderen, te borgen en te beoordelen voor in ieder geval de VTH-taken die namens de gemeente Rijswijk worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst Haaglanden, maar dat het evenzo wenselijk is om ons als gemeente in onze eigen uitvoering van de VHT-taken ook naar deze zelfde regels te richten

-

Dat het uitgangspunt voor de kwaliteitsborging in ieder geval de in landelijke samenwerking opgestelde en vigerende kwaliteitscriteria 2.3 en daarop volgende wijzigingen zullen zijn.

-

Dat – conform landelijke opvattingen en zoals ook bij het tot stand komen van voornoemde kwaliteitscriteria is bepaald - de Omgevingsdienst en de gemeente Rijswijk in de uitoefening van de VTH-taken de kwaliteit ook op een andere wijze dan is bepaald in de kwaliteitscriteria mag organiseren. In dat geval dient dat gemotiveerd te geschieden.

-

Dat het college jaarlijks aan de gemeenteraad verantwoording zal afleggen over hoe door de gemeente Rijswijk en door de Omgevingsdienst Haaglanden namens de gemeente Rijswijk de kwaliteit van de VTH-taken vorm is gegeven. Bij een voornoemde kwaliteitsborging op een andere wijze vormgeven dan volgens de hierbij als richtlijnen geldende kwaliteitscriteria, zal dit expliciet worden gemotiveerd.

besluit: Gehoord de gemeenteraad van Rijswijk, besluiten vast te stellen: De Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Rijswijk 2023. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -

basistaken: Vergunningverlening, toezicht en handhaving milieutaken van de gemeente met een bovenlokale dimensie die verplicht door de Omgevingsdienst Haaglanden moeten worden uitgevoerd;

-

betrokken wetten: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is;

-

kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;

-

wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2. Reikwijdte Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders.

Paragraaf 2. Kwaliteit Artikel 3. Betrokkenheid van de raad De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de VTH-taken binnen het omgevingsrecht. De gemeenteraad geeft met onderhavige verordening daartoe het kader waarbinnen burgemeester en wethouders deze taken uitvoeren..

Artikel 4. Kwaliteitsdoelen 1. Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de VTHtaken binnen het omgevingsrecht in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht vastgesteld VTH-beleid met daarin gestelde doelen. 2. De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de VTH-taken hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b. de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; c. de financiën. Artikel 5. Kwaliteitsborging 1. Op de uitvoering en handhaving van de VTH-taken binnen het omgevingsrecht betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de kwaliteitscriteria van toepassing. 2. Over de naleving van de kwaliteitscriteria leggen burgemeester en wethouders jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraad. 3. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd opgave. In dat geval wordt aangegeven hoe de kwaliteit op desbetreffende onderdelen van de VTH-taken anderszins is geborgd. Paragraaf 3. Slotbepalingen Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking. 2.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Rijswijk 2023. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Rijswijk 21 maart 2023.

Voorzitter

Griffier

H. Sahin

J. Massaar

TOELICHTING Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Omgevingsrecht Rijswijk ALGEMEEN Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het college van burgemeester en wethouders uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel van deze toelichting beschrijft kort de achtergrond en aanleiding van deze verordening, licht de reikwijdte daarvan toe en schetst de hoofdlijnen van de inhoud van de verordening. 1. Achtergrond en aanleiding Het vaststellen van de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht is een wettelijke verplichting op grond van de wet VTH, thans onderdeel van de Wabo en in de toekomst onderdeel van de Omgevingswet. De gemeenteraad is bevoegd tot het vaststellen van de verordening. Met deze verordening (modelverordening van de VNG) spreekt de gemeente zich uit dat zij in de uitoefening van de VTH-taken voor de Wabo, straks Omgevingswet, een voldoende kwaliteit zal borgen en dat zij dat zal doen door zich te richten op de kwaliteitscriteria 2.3. De kwaliteitscriteria zien op kennis, ervaring en massa. Deze dienen te worden behaald of er dient te worden uitgelegd waarom deze niet worden gehaald / anders worden gehaald. “Comply or explain”.

2. Reikwijdte: een brede verantwoordelijkheid voor kwaliteit Deze verordening gaat uit van een brede verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpunt wordt genomen dat alle taken van het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wabo en de betrokken wetten, onderwerp van de verordening vormen. Het gaat dan om thuistaken, die het college “in eigen huis” verricht, en om de taken die, al dan niet krachtens de wet, in opdracht van het college door omgevingsdiensten worden verricht. De eisen die op grond van deze verordening aan de gemeente, alsmede aan de Omgevingsdienst Haaglanden werkend namens de gemeente worden gesteld berusten op het vertrekpunt van de kwaliteitscriteria 2.3 waarvoor een dynamische begripsbepaling is opgenomen in artikel 1 van de verordening en die toegepast dient te worden volgens de regel comply or explain (zie daarover verder artikelsgewijs toelichting bij artikel 5). Deze verordening stelt eensluidende regels. In alle gevallen zal het college van burgemeester en wethouders als Wabo-bevoegd gezag, op grond van artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht beleid moeten voeren over de kwaliteit. Deze verordening regelt waarover de doelen van dit beleid ten minste moeten gaan.

Deze verordening regelt bovendien dat de verrichtingen van de Omgevingsdienst Haaglanden, waar het de VTH-taken betreft, in het licht van die doelen worden beoordeeld. Tot slot regelt deze verordening dat de gemeenteraad in het kader van het horizontale toezicht, inhoudelijk debat voert over de hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door het college wordt gevoerd.

3. Samenhang met veiligheid Onderwerpen die tot het bereik van deze verordening behoren, kunnen onderdeel blijven uitmaken van andere thema's dan die van de fysieke leefomgeving alleen. De verordening belemmert bijvoorbeeld niet dat onderwerpen met betrekking tot fysieke veiligheid ook aan de orde kunnen komen in beoordelingen of rapportages op andere domeinen, zoals dat van de openbare orde en veiligheid binnen gemeenten, waar raakvlakken bestaan tussen bijvoorbeeld de Wabo en de Drank- en Horecawet, Bibob en andere bijzondere wetten. 4. Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de VTH-taken binnen het omgevingsrecht door de gemeente en in opdracht daarvan handelende Omgevingsdienst Haaglanden. Met het vaststellen van de verordening stelt de gemeenteraad de kaders vast voor de kwaliteit die bij de uitvoering moet worden nagestreefd. De verordening verbindt daarmee inhoudelijke ambities voor kwaliteit aan bestaande, deels in ontwikkeling zijnde, andere kaders die door procedurele of inhoudelijke normering van vergunningverlening, toezicht en handhaving bijdragen aan deze kwaliteit.

Denk bijvoorbeeld aan de Gemeentewet, de Provinciewet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet gemeenschappelijke regelingen. Op basis van deze verordening wordt op het benodigde niveau verbinding gemaakt met deze kaders. In de praktijk zijn verschillende kaders gebruikelijk voor het beoordelen van de kwaliteit door de Omgevingsdienst Haaglanden, door burgemeester en wethouders van Rijswijk en tot slot door de gemeenteraad ven Rijswijk. Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria 2.3 (die zijn verankerd in artikel 1 en artikel 5, zie voor een toelichting het artikelsgewijs deel) en andere standaarden en methoden die door het bevoegde gezag worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en te bevorderen. Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door het college van burgemeester en wethouders. Hiervoor is input nodig van de Omgevingsdienst Haaglanden en van de interne gemeentelijke organisatie. Het college van burgemeester en wethouders beoordelen "of het goed gaat" op basis van geformuleerde beleidsdoelen voor de dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en de financiën.

Uiteindelijk zal het college van burgemeester en wethouders hierover verantwoording afleggen aan de gemeenteraad. De leden van de gemeenteraad vormen ook een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De kaders voor de beoordeling door de gemeenteraad worden overgelaten aan het politieke debat over kwaliteit. Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders competentie: -

De organisaties, werken onder leiding van hun directie overeenkomstig de kwaliteitscriteria 2.3 met betrekking tot deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan het college van burgemeester en wethouders die hiervoor verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.

-

Het college is, als bevoegde bestuursorganen belast met het stellen van beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en handhaving, overeenkomstig de procesregels van het Besluit omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval over dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van besluiten en financiën.

-

De gemeenteraad oefent horizontaal toezicht uit op het college en gebruikt waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving.

5. Doelen voor kwaliteit en kwaliteitscriteria Binnen een systeem van kwaliteit in het omgevingsrecht kan onderscheid gemaakt worden tussen inputcriteria, throughputcriteria, outputcriteria en outcomecriteria. Deze criteria zijn cyclisch met elkaar verbonden en hebben allemaal invloed op elkaar. Om bij de laatste te beginnen: outcome-criteria zeggen iets over de omgevingskwaliteit, de veiligheid en gezondheid van de fysieke leefomgeving, etc. Het gaat om het maatschappelijke effect van beleid (dus het maatschappelijke effect van de geleverde VTHdiensten, niet van het materiële beleid dat de normen stelt waaraan bij de uitvoer van de VTH-diensten wordt getoetst/beoordeeld). Deze criteria/doelstellingen moeten bepaald worden in samenspel tussen bestuur en ambtelijke organisatie. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders stellen kaders. Bijvoorbeeld op basis van het collegeakkoord of het handhavingsplan. Outputcriteria zeggen iets over concrete prestaties die geleverd worden om het beleidsdoel te realiseren. In dit geval gaat het om aan de samenleving geleverde Wabo-diensten, bijvoorbeeld het aantal vergunningen, het aantal toezichtsacties, voorlichtingen, etc. De throughputcriteria, ofwel procescriteria, beschrijft de processen die moeten leiden tot producten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Inputcriteria gaan over middelen, mensen en tijd. Voor outputcriteria en outcomecriteria zijn tot op heden nog geen concrete voorbeelden beschikbaar in tegenstelling tot throughputcriteria en inputcriteria die in kwaliteitscriteria 2.3 zijn beschreven. Het is aan elke organisatie zelf om output- en outcomecriteria te bepalen. Deze lijst onderwerpen is uiteraard niet limitatief, maar is een lijst waar men in bovengenoemde sessies op uit is gekomen: -

Dienstverlening: de manier waarop (in communicatie, snelheid, service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers, omgeving klagers, etc.) omgaat.

-

Uitvoeringskwaliteit van producten en diensten: de mate waarin een product voldoet aan de juridische doelen (zoals geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen. Ook wel aangeduid als de inhoudelijke kwaliteit.

-

Financiën: de inzet van middelen in relatie tot de kwaliteit van de geleverde diensten/producten.

6. Impact van deze verordening: meer dan regels alleen Deze verordening is een blijvend kader voor het bevorderen, beoordelen en borgen van de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Blijvende goede verrichtingen in dit kader vergen meer dan regels alleen. Zo zullen de bestaande kwaliteitscriteria 2.3 na verloop van tijd, gelet op wijzigingen in de omringende wetgeving en met het oog op de brede reikwijdte die ze krijgen met deze verordening, een levend instrument blijven. Dat betekent dat ze op termijn in brede samenwerking met andere gemeenten, provincies en omgevingsdiensten geactualiseerd moeten worden. Hetzelfde geldt voor de doelen en de daarvoor gehanteerde indicatoren, die door bevoegde gezagen worden gebruikt. 7. Interbestuurlijke regeldruk, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande rapportage en informatiestromen, op basis van het Besluit omgevingsrecht en de organieke wetgeving en introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen maar vereist wel extra input voor bestaande rapportages.

Daarbij is het van groot belang te beseffen dat een tijdige en transparante uitvoering van bestaande verplichtingen bijdragen aan de mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, de bevoegde colleges en de politiek-bestuurlijke overwegingen van de [gemeenteraad om ieders rol in de kwaliteitsketen te kunnen spelen. De verordening is vanuit deze bestaande competentieverdeling gericht op horizontaal toezicht. Van regeldruk voor burgers en bedrijven is geen sprake.

Bijlage 1 bij de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Rijswijk 2023 TOELICHTING ARTIKELSGEWIJS Artikel 1 In dit artikel zijn slechts begrippen opgenomen die niet al met een begripsbepaling zijn gedefinieerd in de Wabo. Als betrokken wetten worden aangemerkt de Wabo zelf, en de wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is. Op de uitvoering of handhaving van een geheel andere wet, zoals bijvoorbeeld de Drank- en Horecawet, is deze verordening niet van toepassing (wat onverlet laat dat over overlappende onderwerpen elders wordt gerapporteerd, zie het algemeen deel van de toelichting). De wetten waarom het krachtens artikel 5.1 Wabo om kan gaan zijn: de Flora- en faunawet, de Kernenergiewet, de Monumentenwet 1998, de Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet bescherming Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening, de Waterwet en de Woningwet. Verder heeft in de definitie van dit begrip een belangrijke beperking plaatsgevonden met betrekking tot de reikwijdte van deze verordening toeziet op de uitvoering van de taken door een regionale uitvoeringsdienst, op dit moment de Omgevingsdienst Haaglanden.

Een belangrijk begrip in deze verordening is kwaliteitscriteria. Het gaat om de kwaliteitscriteria 2.3 voor VTH, die in brede samenwerking met de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld. De kwaliteits- criteria 2.3 borgen de kwaliteit van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving op het gebied van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.3 op te volgen. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is in de begripsbepaling een dynamische verwijzing opgenomen, zodat bij de ontwikkeling en beschikbaarstelling van een volgende versie van de kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de verordening hoeft te worden overgegaan. Met deze begripsbepaling en de verankering in artikel 5 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria 2.3 aan de basis van deze verordening. Voor het begrip omgevingsdienst is aangesloten bij de omgevingsdiensten waarvan melding wordt gemaakt in artikel 5.3 van de Wabo. Artikel 2 De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en een afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of handhaving van de betrokken wetten.

De terminologie “uitvoering en handhaving” is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt ook gehanteerd in het Besluit omgevingsrecht zoals dat op grond van het wetsvoorstel zal worden gewijzigd. “Uitvoering en

handhaving” betekent dan vergunningverlening, toezicht en handhaving van de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo.

Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of handhaving van de genoemde wetten die in opdracht van het college van burgemeester en wethouders door de Omgevingsdienst Haaglanden worden verricht. Artikel 3 Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van het Besluit omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: het college van burgemeester en wethouders. Bezien vanuit de Gemeentewet, is kaderstelling juist de taak van de gemeenteraad. De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van deze verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met het Besluit omgevingsrecht, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat de gemeenteraad vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken zijn bij het beleid en zullen toezien op de continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren. Het horizontale toezicht door de gemeenteraad op het (regionale) uitvoerings- en handhavingsbeleid door het college van burgemeester en wethouders zal daarom plaatsvinden in het licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3 richt zich tot de gemeenteraad.

Indirect is het eveneens van belang voor het college van burgemeester en wethouders en de omgevingsdienst Haaglanden die in hun opdracht werkt, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die de organieke wetgeving hen biedt. Voor deze rol is het van belang dat het college van burgemeester en wethouders de gemeenteraad daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stelt. Dat daarvoor eveneens informatie van de Omgevingsdienst Haaglanden van belang kan zijn, spreekt voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de opdrachten aan de omgevingsdienst voldoende gewaarborgd. Artikel 4 Artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht het college van burgemeester en wethouders om beleid te formuleren voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. Dit geldt voor handhaving en vergunningverlening. Er is dan sprake van een uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming plaats dient te vinden tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de omgevingsdienst Haaglanden. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Besluit omgevingsrecht inhoudelijk open. Dit artikel strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te geven aan de procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen.

Er wordt voorgeschreven dat het college van burgemeester en wethouders naar de kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisaties. Het gaat dan in ieder geval om dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en om financiën. Er is voor gekozen in deze verordening geen voorschriften te geven over de te gebruiken indicatoren.

Artikel 5 Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.3 en de opvolgers daarvan (zie ook de toelichting bij artikel 1, waarin een begripsbepaling voor kwaliteitscriteria is opgenomen). Het strekt ertoe te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers om criteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door de betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze criteria relevante input leveren voor de kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen die door het college zijn gesteld op grond van artikel 3 ook zonder meer in alle gevallen worden gehaald. Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan de gemeenteraad. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond van het Besluit omgevingsrecht op te stellen documenten. Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle relevante taken worden toegepast, dat de kwaliteit per definitie te wensen zal overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom de criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde kwaliteit wordt gezorgd.

De kwaliteitscriteria 2.3 zijn derhalve een cruciaal richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”. Artikel 6 Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Het is, gelet op de aard van de gestelde regels, niet nodig om deze verordening in overgangsrecht te voorzien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=be8b9a1f-0d00-4029-bcaa-76f3b0ba1d8b