CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB 25 111 Bijlage 3 Natuurinclusief Plantoetsingskader

Forum Stad 13 januari 2026, gemeente RijswijkBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken: vaststelling wijze van afdoening9.794 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Plantoetsingskader en Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen Introductie, Systematiek en Doelstellingen Introductie De gemeente Rijswijk wil dat ieder project bijdraagt aan het realiseren en behouden van een natuurinclusieve en biodiverse leefomgeving. Bij bouwprojecten en herinrichtingen is het daarom verplicht om natuurinclusief te bouwen en te ontwikkelen. Dit plantoetsingskader helpt de ontwikkelaar om de juiste maatregelen te kiezen en helpt de gemeente om deze maatregelen op effectiviteit te beoordelen. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning dient dit ingevulde plantoetsingskader met puntensysteem te worden bijgevoegd. Hiermee wordt aangetoond dat aan de doelstellingen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen wordt voldaan door het nemen van voldoende, ecologisch waardevolle maatregelen.

Systematiek Voor elk project is er keuze in maatregelen. Voorwaarde is wel dat de gekozen maatregelen samen voldoende punten opleveren en goed op elkaar aansluiten om gezamenlijk een geschikt leefgebied te vormen voor doelsoorten. Zo zorgen we ervoor dat er voedsel, veiligheid, verblijfplaatsen, verbinding met de omgeving en voldoende variatie is voor verschillende diersoorten (de 5 V's). De specieke doelsoorten hangen af van de buurt waar het project plaats vindt. De doelsoorten kunnen worden teruggevonden op het tabblad 'Doelsoorten per buurt", of in de Natuurwaardenkaart in het Groenbeleid. Het systeem werkt schaalbaar: hoe groter het plangebied van een project, hoe meer oppervlak natuurinclusief moet worden ingericht. En hoe groter de footprint van het gebouw, hoe meer nest- en verblijfplaatsen er moeten komen. Dit gebeurt altijd in dezelfde verhouding, zodat de opgave om samen te zorgen voor natuur in onze gemeente eerlijk wordt verdeeld. Alle maatregelen hebben een puntenaantal. Dit puntenaantal is gebaseerd op de ecologische waarde en wenselijkheid van de betreffende maatregel. Punten worden toegekend per 100 m² of een deel/veelvoud daarvan. Het inrichten met een maatregel van 6 punten per 100 m² levert bij 150 m² van die maatregel 9 punten op, en bij 25 m² 1,5 punt. Bij de puntentotalen wordt het puntenaantal steeds statistisch afgerond.

Naast het te behalen puntenaantal zijn er ook andere doelstellingen en minimumeisen gesteld om ervoor te zorgen dat de genomen maatregelen ecologisch daadwerkelijk effectief worden toegepast.

Doelstellingen Biodiversiteit en Natuurinclusief Bouwen & Ontwikkelen Ecologische kwaliteit behouden of realiseren De belangrijkste doelstelling van de beleidsregels is dat elke (bouw)ontwikkeling voldoende waarde oplevert voor stadsnatuur (ecologische kwaliteit), zodat de bebouwde leefomgeving voldoende ruimte biedt aan algemene stedelijke soorten, zoals de huismus of vleermuis. Daarmee dragen deze ontwikkelingen bij aan een gezonde, groene en natuurvriendelijke stad. De nieuwe inrichting van een bouwontwikkeling moet ten minste voldoen aan de ecologische minimumeisen (zie verderop). Om zo goed mogelijk bij te dragen aan de stadsnatuur, leiden de volgende stappen vaak tot de beste kwaliteit en ook tot de eenvoudigste en minst kostbare oplossingen:

• Bepaal eerst welke natuurkwaliteiten al aanwezig zijn (bijv. struiken, bomen, watergangen) en probeer deze waar mogelijk te behouden. Laat onderzoeken of er beschermde soorten aanwezig zijn en neem wettelijk verplichte maatregelen mee in het ontwerp; • Bepaal welke ecologische doelstellingen je hebt en welke doelsoorten je een plek wilt en kunt geven in het project – en zorg dat hiermee ten minste de ecologische minimumeisen worden gehaald. Let op: per buurt is een voorselectie gemaakt van passende soorten (zie hiervoor het tabblad en de tabel ‘Doelsoorten per buurt’); • Werk de doelstellingen uit in een ontwerp, en betrek waar mogelijk een ecoloog bij de uitwerking; • Als er ecologische doelstellingen binnen het project worden nagestreefd die niet zijn opgenomen in de tabellen met inrichtingsmaatregelen en nest- en verblijfplaatsen, of wanneer maatwerk nodig is, kan contact worden opgenomen met de gemeente om vooraf te bepalen in welke mate de maatregelen kunnen meetellen; • Door de verschillende tabbladen van dit document in te vullen kan inzicht worden verkregen of aan de minimumeisen wordt voldaan. Voor het definitieve ontwerp vul je de genomen inrichtingskeuzes in en lever je deze met de bijbehorende uitwerkingen in bij de vergunningaanvraag.

Verbinding met de omgeving Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht. De inpassing van de nieuwe (bouw)ontwikkeling sluit zo veel mogelijk aan bij de natuurlijke omgeving rondom het plangebied. Daarbij moet rekening worden gehouden met het voorkomen van onnodige verstoring. Ook is het goed om, indien aanwezig, de belangrijkste verbindende structuren voor diersoorten – zoals rijen bomen, mantelzomen, bermstructuren en watergangen met natuurvriendelijke oevers – zo veel mogelijk te behouden of te compenseren. De voorwaarden voor de doelsoorten kunnen hierbij helpen (zie ‘Checklist per doelsoort’).

Doelsoorten stimuleren Het aantal doelsoorten waarvoor een leefgebied moet worden ingericht hangt af van de grootte van het plangebied. Voor elke doelsoort moet aan minimaal vier voorwaarden worden voldaan, zoals beschreven in het tabblad ‘Checklist per doelsoort’: o Klein project: Voor plangebieden tot 500 m² moet voor minimaal 1 doelsoort een leefgebied worden ingericht. o Middelgroot project:oor plangebieden tussen 500 m² en 2.000 m² moet voor minimaal 2 doelsoorten een leefgebied worden ingericht. o Groot project: Voor plangebieden vanaf 2.000 m² moet voor minimaal 3 doelsoorten een leefgebied worden ingericht. Op de pagina 'Checklist per doelsoort' is te zien welke maatregelen minimaal nodig zijn voor het creëren van een habitat van de verschillende doelsoorten. Voor een echt effectieve inrichting kan er overigens meer gedaan worden, zie daarvoor de hulpmiddelen die bij elke doelsoorten worden aangeboden. Daarnaast zijn er voor een aantal voorwaarden van het leefgebied van soorten voorwaarden gesteld voor o.a. verbindingen waarvoor aangegeven moet worden of hieraan voldaan wordt. Nest- en/of verblijfplaatsen realiseren Per 100 m² gebouwoppervlak (footprint) moet één nest- of verblijfplaats worden gerealiseerd. Voor gebouwen (of gebouwdelen) hoger dan 15 meter moeten dit twee verblijfplaatsen zijn.

Voor middelgrote projecten moeten verblijfplaatsen voor minimaal twee verschillende soorten worden gerealiseerd (dit mogen ook andere gebouwbewonende soorten zijn dan de doelsoorten). Voor grote projecten moet voor minimaal drie soorten nest- of verblijfplaatsen worden gerealiseerd. Gelaagdheid in natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen Per 100 m² plangebied moeten bij nieuwbouw- en (her)inrichtingsprojecten 2 punten voor natuurinclusieve maatregelen worden behaald. Bij renovatie is dit 1 punt per 100 m² plangebied. Gelaagdheid in beplanting wordt extra beloond: wanneer de kronen van bomen over struiken hangen, mag deze struiklaag ook meetellen voor punten. Hiervoor is een aparte inrichtingsmaatregel toegevoegd (Inrichtingsmaatregel 3.5). De vierkante meters tellen niet dubbel, maar de punten mogen wel beide worden geteld.

Plantoetsingskader en Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen Projectoverzicht Toelichting Vul in en selecteer in de gele velden wat van toepassing is in het project. Je ziet na het invullen van de grootte van het plangebied, het gebouwopppervlak en de bouwhoogte welke doelstellingen je moet behalen. Na selectie van natuurinclusieve maatregelen uit de tabel op de volgende pagina's, zie je in dit projectoverzicht of deze keuze voldoende punten en een compleet leefgebied voor de doelsoorten oplevert. Een rood kruis geeft aan dat de doelstelling nog niet behaald is. Een groen vinkje geeft aan dat het doel behaald wordt. vul deze velden in

Projectinformatie Projectnaam: Ontwikkelaar (bedrijfsnaam en contactpersoon): Ecologisch adviseur (indien van toepassing): Locatie plangebied (adres): Buurt plangebied: Grootte van het plangebied:

m2

<< vul de grootte van het plangebied in.

Bebouwd oppervlak (footprint gebouwen):

m2

<< vul het bebouwd oppervlak in.

Bebouwd oppervlak met bouwhoogte >15 meter:

m2

<< vul in hoeveel vierkante meter bebouwd oppervlak een bouwhoogte van 15 meter of hoger heeft.

Projectcategorie:

Plangebied: >> Klein project < 500m2 ; Middelgroot project 500-2.000m2 ; Groot project > 2.000m2

nieuwbouw

Type project:

Kwantitatieve doelstellingen

Doel:

Behaald:

Doel behaald? Dan verschijnt hier een groen vinkje.

-

-

Per 100m2 plangebied: minimaal 2 punten voor natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen bij nieuwbouw en (her)inrichting. Minimaal 1 punt per 100m2 bij renovatie.

Minimaal aantal doelsoorten:

-

-

Klein project (vanaf 50 m2 plangebied): 1 soort; Middelgroot project: 2 soorten; Groot project: 3 doelsoorten.

Compleet leefgebied voor de doelsoorten:

-

-

Op de pagina 'Checklist per doelsoort' wordt getoond voor welke soorten een compleet leefgebied wordt gerealiseerd met de genomen maatregelen. Bij de keuze voor 'andere doelsoort' werkt deze check niet.

Aantal verblijfplaatsen:

-

-

Per 100m2 gebouwoppervlak: 1 verblijf, 2 verblijven voor gebouw(del)en hoger dan 15 meter.

Minimaal te behalen natuurinclusieve punten:

Doelsoorten Zie de tabel met doelsoorten per buurt welke soorten gekozen kunnen worden voor het plangebied. Voor de beoordeling of het leefgebied voor de doelsoorten compleet is, zie tabblad 'Checklist per doelsoort'

Schrijf eventueel een toelichting:

Doelsoort 1:

selecteer..

-

Doelsoort 2:

selecteer..

-

Doelsoort 3:

selecteer..

-

Overzicht per natuurtype

Toelichting (optioneel):

2. Kruiden- en bloemrijk grasland

-

m2

%

3. Struweel: heesters/struiken, heggen, hagen

-

m2

%

4. Bomen (boomkroonbedekking)

-

m2

%

5. Natuurvriendelijke oevers, poelen, wadi's en muurplanten

-

m2

%

6. Geveltuin en particuliere tuinen

-

m2

%

7. Groendaken en water op daken

-

m2

%

8. Gazon en onverharde paden

-

m2

%

9. Overig groen en blauw in het plangebied

-

m2

%

Aandeel groen (%) van totaal plangebied (indicatief)

-

m2

%

Kwalitatieve doelen Dit is verplicht voor grote projecten.

Omschrijf de kwalitatieve doelen van het project: Is er in het plangebied ecologisch waardevolle natuur? Blijft deze natuur behouden?

Behoud en bescherming

Zijn er beschermde soorten aangetroffen (of benoemd vanuit een soortmanagementplan) waarvoor een habitat in stand gehouden dient te worden? Zijn er bestaande groenstructuren aangeduid in of aangrenzend aan het plangebied?

Groenblauwe structuren

Zijn er gewenste groenstructuren aangeduid in of aangrenzend aan het plangebied?

Zijn er barrières die moeten worden opgelost in het gebied?

Natuur als oplossing

Onderzoek welke aanvullende opgaven er spelen waar de natuur in de ontwikkeling een positieve bijdrage aan kan leveren, zoals vanuit klimaatadaptatie en gezondheid. Bepaal wat dit betekent voor de natuurinclusieve maatregelen die er gekozen zouden moeten worden.

Randvoorwaarden Ecologisch inrichtingsplan

Vermeld hier de naam van de bijlage en eventueel de paginanummers waarin het ecologisch (inrichtings)plan te vinden is:

Deze voorwaarde is alleen verplicht voor grote projecten (projectgebied groter dan 2000 m2) of als het om andere redenen, zoals vanuit wettelijke natuurbescherming, wordt voorgeschreven.

Er is een ecologisch inrichtingsplan opgesteld met hulp van een ecoloog.

nee

▽

Beheerplan

Benoem wie de toekomstige beheerder van de natuurinclusieve maatregelen zal zijn er welke afspraken er op hooflijnen zijn gemaakt:

Deze voorwaarde is altijd verplicht.

Er is een beheerplan opgesteld en afgestemd met de toekomstige beheerder.

nee

▽

Verlichtingsplan Deze voorwaarde is alleen verplicht voor grote projecten of als er een doelsoort is gekozen waarvoor een verlichtingsplan een randvoorwaarde is (zie 'Checklist per doelsoort).

Er is een natuurvriendelijk verlichtingsplan opgesteld.

nee

Deel de naam van de bijlage waarin het verlichtingsplan te vinden is: ▽

Vogelvriendelijke beglazing

Geef aan in welk bestand en op welke pagina informatie te vinden is over waar vogelvriendelijke beglazing wordt toegepast en welke oplossing dit zal zijn (producttype of ontwerpprincipe):

Deze voorwaarde is alleen verplicht voor hoogbouw (bouwhoogte van boven de 15 m).

Vogelvriendelijke beglazing is toegepast in het ontwerp.

nee

▽

Plantoetsingskader en Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen Nest- en verblijfplaatsen Toelichting Vul in de gele velden de aantallen verblijfplaatsen in die in de gebouwen worden meegenomen. De verblijfplaatsen en nestvoorzieningen moeten voldoen aan de eisen zoals gesteld voor permanente verblijfplaatsen in de Kennisdocumenten van BIJ12 voor de betreffende soorten (bij12.nl/kennisdocumenten) tenzij anders vermeld. Sommige typen tellen voor meerdere verblijfplaatsen mee zoals beschreven in de beschrijving. In principe moeten nest en verblijfplaatsen (behalve voor insecten bij 1.8) ingebouwd worden in de muur. Losse kasten tellen alleen mee als wordt onderbouwd waarom er geen alternatief mogelijk is. Op de website www.natuurinclusiefontwikkelen.nl zijn ontwerprichtlijnen per soort en meer informatie over de habitat te vinden.

1. Nest- en verblijfplaatsen

Aantal

Bepalingsmethode en richtlijnen

1.1 Nestvoorzieningen en broedplaatsen voor de huismus

Tel het aantal broedplaatsen. Realiseer er minimaal 5, ook in kleine projecten. Een standaard ingebouwde nestkast of neststeen telt als 1 plek. Tel 1 plek per 50cm breedte van een toegankelijke dakgoot.

1.2 Nestvoorzieningen en broedplaatsen voor de gierzwaluw

Tel het aantal broedplaatsen. Realiseer er minimaal 5, ook in kleine projecten. Maximaal 3 kasten tegen elkaar aan op minimaal 3 m hoogte. Een standaard nestkast of neststeen telt als 1 plek.

1.3 Nestvoorzieningen en broedplaatsen voor de ijsvogel

Tel het aantal broedplaatsen. Realiseer er 1, per 500 m aan oeverlengte. Een geschikte broedplaats bestaat uit een steile zandige oever, een grote wortelkluit van een omgevallen boom of een speciaal aangelegde ijsvogelwand. De broedplaatsen hebben een minimale hoogte van 1,5 meter, en een minimale breedte van 1 meter. De nestplaats is aan de achterzijde beschut met struweel en bomen.

1.4 Nestvoorziening en broedplaatsen voor de zwarte roodstaart

Nestkasten maximaal 2 bij elkaar. Kieren en spleten in architectuur van ca. 60mm x 130mm. Zangpost nabij nestplaatsen van 20m of hoger.

1.5 Broedplaatsen voor andere (gebouw-bewonende) vogels

Alleen soorten die volgens een ecologisch deskundige passen bij de planlocatie en het omliggende gebied kunnen gekozen worden. Tel het aantal broedplaatsen, bijvoorbeeld het aantal neststenen voor holenbroeders en dakbroeders, zoals de zwarte roodstaart, spreeuw etc.

1.6 Zomer- en paarverblijven voor de gewone dwergvleermuis

Maak spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen; 0,1m2 ruimte geldt als 1 plek. Bij voorkeur geen ingebouwde vleermuiskasten, liever open spouwmuren. Is dit de enige optie? Dan telt een standaard zomerverblijf, zoals een inbouwkast met twee lagen, als 1 plek. Losse kasten op de gevel tellen niet.

1.7 Kraamverblijven voor de gewone dwergvleermuis

Bij voorkeur altijd meenemen vanaf middelgrote bouwprojecten. Maak spouwmuren en de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. Er kan met 1 plek per 0,1m2 oppervlak gerekend worden. Voor kraamverblijven moet het oppervlak minimaal 1m2 zijn. Bij voorkeur geen inbouw- of losse kraamkasten. Wanneer dit de enige optie is, dan een standaard kraamverblijf tellen als 2 plekken per laag.

1.8 Massawinterverblijven voor de gewone dwergvleermuis

Bij voorkeur winterverblijven altijd meenemen in hoogbouw. Maak kelders, spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. Voor winterverblijven moet het oppervlak minimaal 1 m2 zijn. Er kan met 1 plek per 50 cm2 oppervlak gerekend worden.

1.9 Verblijven voor andere gebouw-bewonende vleermuizen, zoals de laatvlieger en meervleermuis

Maak spouwmuren, dakruimten en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor andere soorten vleermuizen. Er kan met 1 plek per 50 cm2 oppervlak gerekend worden. Bij voorkeur geen inbouwkasten, liever ruimte in de spouw, daken of achter gevelbetimmering. Dan telt een standaard zomerverblijf voor de specifieke soort, zoals een inbouwkast met twee lagen, als 1 plek. Losse kasten op de gevel tellen niet. Voor vleermuissoorten waarvoor geen kennisdocument voorhanden is, tellen enkel voorzieningen uitgevoerd volgens aanwijzing van een ecologisch deskundige mee.

1.10 Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout.

Meer natuurlijke maatregelen zoals zandhopen, dood hout of steilwanden voor bijen hebben de voorkeur. Voor een houtstapel, boomstam en/of zandhoop en bijenburcht geldt: minimaal 1 m2 horizontaal oppervlak; tel hierbij 2 verblijven per m2 oppervlak. Een ingebouwde insectensteen geldt 1 verblijfplaats. Voor een insectenhotel en/of steilwand geldt dat deze minimaal 1 m2 verticaal oppervlak moeten hebben, waarmee per m2 2 verblijven mogen worden gerekend. Realiseer de verblijfplaatsen voor insecten op maximaal 2 meter hoogte vanaf maaiveld of de daktuin en bij inheemse beplanting. Voor een houtstapel, boomstam en/of zandhoop en bijenburcht geldt: minimaal 1 m2 horizontaal oppervlak; tel hierbij 2 verblijven per m2 oppervlak.

1.11 Overige verblijfplaatsen voor andere (doel)soorten

Voor soorten die niet benoemd zijn als doelsoort: Overleg met de gemeente welke maatregelen je kunt toepassen. Alleen met de gemeente afgesproken voorzieningen tellen mee.

Totaal aantal nest- en verblijfplaatsen:

-

👉 Vul eerst het aantal vierkante meters plangebied en bebouwd oppervlak in op de pagina met het Projectoverzicht.

Plantoetsingskader en Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen Natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen Toelichting Vul in de gele velden het aantal vierkante meters natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen en het aantal bomen in die in het ontwerp van het project worden meegenomen. Het aantal meter met natuurinclusieve maatregelen onder boomkronen mag niet dubbel geteld worden. Voor een struiklaag als onderbegroeiing is er een aparte maatregel (3.5). Op de pagina met 'Projectinformatie' worden de totalen getoetst aan de kwantitatieve doelstellingen. Met behulp van de pagina 'Checklist soorten' kan bepaald worden welke combinaties passen bij de doelsoorten. Het is de bedoeling dat alle voorwaarden voor het leefgebied van de gekozen doelsoorten worden ingevuld met passende maatregelen en dat aan de additionele randvoorwarden voor de doelsoorten wordt voldaan. Er wrodt verwezen naar de voorkeurslijsten van beplanting in Rijswijk. Deze zijn terug te vinden in het Programma van Eisen (PvE) 1.6.

Natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen 2. Kruiden- en bloemrijk grasland

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie

2.2 Vaste planten

3. Struweel: heesters/struiken, heggen, hagen

Selectie voor het plangebied Eenheid

Totaal aantal m2

- m2

Punten per 100m2 inrichting met de maatregel

Aantal behaalde punten

Richtlijnen

-

m2

-

6

-

Kies er bij voorkeur voor om spontaan kruidenrijk grasland te laten ontstaan wanneer er bloemrijk grasland met lokale, gewenste soorten in de buurt aanwezig zijn.

m2

-

3

-

Nectar- en stuifmeel-leverende vaste planten. Bij voorkeur biologische planten uit de voorkeurslijst Vaste Planten.

- m2

-

3.1 Heesters van 1 soort

m2

-

8

-

Kies uit de voorkeurslijst Heesters en Hagen, bij voorkeur een inheemse soort. Clusters van 15 m2 of meer, met een goede groeiplaats onder en boven de grond. Houd rekening met hoe groot een heester kan worden zonder beheer, zodat deze extensief beheerd kan worden.

3.2 Heesters in meerdere soorten

m2

-

12

-

Cluster van drie of meer inheemse soorten uit de voorkeurslijst, anders telt bovenstaande maatregel (3.1), met een goede groeiplaats onder en boven de grond. Houd rekening met hoe groot een heester kan worden zonder beheer, zodat deze extensief beheerd kan worden. Indien mogelijk kan gekozen worden voor een combinatie met bomen en dan geldt maatregel 3.5 in combinatie met de juiste bomen in sectie 4.

3.3 Heggen en hagen van 1 soort of een groene erfafscheiding

m2

-

8

-

Bij voorkeur een inheemse soort uit de voorkeurslijst Heesters en Hagen. Minimaal 150 cm hoog bij aanplant. Ook een groene tuinafscheiding of een takkenril levert punten op. Reken met 50 cm breedte om het oppervlak in vierkante meters te berekenen.

3.4 Heggen en hagen in meerdere soorten

m2

-

10

-

Drie of meer (bij voorkeur) inheemse soorten uit de voorkeurslijst. Minimaal 150 cm hoog bij aanplant. Reken met 50 cm breedte om het oppervlak in vierkante meters te berekenen.

3.5 Struiklaag als onderbegroeiing van bomen

m2

-

8

-

Wanneer boomkronen over struiken groeien, mogen beide lagen meegenomen worden in de puntenberekening. Let op: deze maatregel telt niet mee voor het aantal vierkante meters groen, wel voor het aantal punten. Als het oppervlak aan struiken in het specifieke gebied groter is dan het gerekende boomkroonvolume kan het resterende deel meegenomen worden in maatregel 3.2.

4. Bomen en bosschages

- stuk(s)

-

4.1 Behoud van bomen: 1e grootte

stuk(s)

-

15

-

Bomen van minimaal 12 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 35m3). Er wordt voor de punten gerekend met 35 m2 per behouden boom.

4.2 Nieuwe aanplant van bomen: 1e grootte

stuk(s)

-

10

-

Bomen die minimaal 12 meter hoog worden. De stam moet bij aanplant minimaal een omtrek van 18 cm hebben en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35 m3). Er wordt gerekend met 35 m2 per nieuw aangeplante boom. Kies uit de voorkeurslijst Bomen.

4.3 Behoud van bomen: 2e grootte

stuk(s)

-

15

-

Bomen van minimaal 8 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 20 m3). Er wordt gerekend met 20 m2 per behouden boom.

4.4 Nieuwe aanplant van bomen: 2e grootte

stuk(s)

-

10

-

Bomen die minimaal 8 meter tot 12 meter hoog worden. De stam moet bij aanplant minimaal een omtrek van 18 cm hebben en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35 m3). Er wordt gerekend met 20 m2 per nieuw aangeplante boom. Kies uit de voorkeurslijst Bomen.

4.5 Behoud van bomen: 3e grootte

stuk(s)

-

7

-

Bomen tot 6 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 15 m3). Er wordt gerekend met 15 m2 per boom.

4.6 Nieuwe aanplant van bomen: 3e grootte

stuk(s)

-

5

-

Bomen die tot 6 meter hoog worden na 30-40 jaar. De stam moet bij aanplant minimaal een omtrek van 18 cm hebben en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35 m3). Er wordt gerekend met 15 m2 per nieuw aangeplante boom. Kies uit de voorkeurslijst Bomen.

5. Natuurvriendelijke oevers, poelen, wadi's en muurplanten

- m2

-

5.1 Ecologische wadi

m2

-

8

-

Wadi met een ecologische inrichting (natuurlijke vegetatie, zoals vochtig grasland of stuweel, en bijvoorbeeld blokken dood hout) en ecologisch beheer. Kies uit de voorkeurslijsten Heesters en Hagen en Vaste Planten.

5.2 Amfibieënpoel

m2

-

12

-

Niet verbonden, visvrije waterpartij met een diepte van maximaal 1 meter onder de laagste grondwaterstand en een minimale diameter van 5 meter (bij voorkeur 10 meter). Minimaal 50% van de oever heeft veel zon en een flauw talud, flauwer of gelijk aan een hellingshoek van 1:3, en ingericht als plasdras-gebied. Een natuurvriendelijke oever kan bij maatregel 5.3 worden meegenomen.

5.3 Natuurvriendelijke oevers

m2

-

12

-

Natuurvriendelijke oever aan de rand van open water of een poel voorzien van onverharde en onbeschoeide oevers met een talud van 1:3 of flauwer. Bij een onverharde inrichting zonder of tot de beschoeiing (als voorverdediging toegestaan) telt het gedeelte onder water tot 1 meter diepte mee, en boven de waterlijn tot 10 cm met een maximum van 1 meter. Vul het aantal vierkante meters dat hieraan voldoet in bij de selectie voor het plangebied.

5.4 Overige natuurinclusieve watermaatregelen

m2

-

9

-

Denk aan maatregelen als drijvende oevers, onderwaterriffen of zogenaamde vissenbossen. Als op basis van onderzoek er een bewezen positief effect is voor het (inheemse) onderwaterleven kunnen ze worden toegepast. Zonder bewezen effect kan in overleg met de gemeente de maatregel worden toegepast mits er wordt bijgedragen aan onderzoek naar de effectiviteit.

5.5 Muurplanten op (kade)muren

m2

-

12

-

Muurplanten hebben geschikt gesteente nodig dat water kan vasthouden met voldoende structuur/reliëf om zich aan te hechten. Dit stimuleert spontane vegetatie. Aanplanten is niet gewenst, eventueel wel het verplaatsen van muurvegetatie die anders verloren gaat. Bij voorkeur wordt minimaal een lengte van minimaal 15 meter geschikte muur gerealiseerd. Reken met 0.5m2 plangebied per strekkende meter. Bij renovatie rekening houden met aanwezige muurbeplanting.

6. Geveltuin en particuliere tuinen

- m2

-

6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten

m2

-

12

-

Berekening van het aantal vierkante meters: de lengte (op maaiveld; niet de hoogte) van het gedeelte van de gevel met klimplanten x 50cm breedte. Gevelbeplanting moet bestaan uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie en voldoende ruimte om tot minimaal 3 meter door te kunnen groeien. Bij voorkeur een selectie van in Nederland en Europa van nature voorkomende soorten.

6.2 Particuliere tuinen en geveltuinen met alleen grond opgeleverd

m2

-

2

-

Alleen de vierkante meters met grond tellen mee. Bij gebruik van tuinaarde dient dit turfvrij te zijn. Tuinen met schuttingen zonder doorgangen voor grondgebonden soorten zoals de egel tellen niet. Tuinen opgeleverd met (bouw)zand tellen ook niet.

2

-

Substraatlaag van minimaal 5 cm, maar aanpassen aan type beplanting. Pakketdikte van minimaal 10cm. Minimaal begroeid met sedum.

7. Groendaken en water op daken inclusief garagedaken en geïntegreerde balkonbakken. Alleen begroeide delen tellen mee.

7.1 Groen dak (5 - 7 cm substraatlaag) met sedumplanten

- m2

m2

-

-

7.2 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 7 cm) met sedum, grassen en kruiden

m2

-

4

-

Substraatlaag van minimaal 7 cm, maar aanpassen aan type beplanting. Beplanting van sedum, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting met in ieder geval kruiden of grassen wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.

7.3 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 15cm) met grassen, kruiden en lage beplanting

m2

-

6

-

Substraatlaag van minimaal 15 cm, maar aanpassen aan type beplanting. Beplanting van lage planten en struiken, grassen en kruiden. Geen sedumplanten. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.

7.4 Intensief groen dak (substraatlaag van minimaal 30cm) met grassen, kruiden en heesters

m2

-

8

-

Substraatlaag van minimaal 30 cm, maar aanpassen aan type beplanting. Beplanting van (dwerg)heesters, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.

7.5 Intensief (substraatlaag van minimaal 50cm) groen dak met struiken, grassen, kruiden en/of bomen

m2

-

10

-

Substraatlaag van minimaal 50 cm en voldoende ruimte als groeiplaats voor struiken en bomen. Wanneer zowel de substraatlaag en de struiken en/of bomen worden gerealiseerd, worden de punten toegekend.

7.6 Bruin dak

m2

-

6

-

Een dak met een laag van minimaal 7 cm bestaande uit lokale grond, stenen, zand en houtblokken.

7.7 Schelpendak

m3

-

2

-

Een dak met een laag van minimaal 7 cm bestaande uit schelpen.

7.8 Natuurlijk waterdak met open water en waterplanten

m2

-

8

-

Minimaal 5 m2 oppervlak, voldoende draagkracht van het dak.

8. Gazon en onverharde paden

- m2

-

8.1 Gazon

m2

-

2

-

Grasvelden zonder ecologisch beheer. Kunstgras telt niet mee.

8.2 Onverharde paden

m2

-

2

-

Onverharde paden van bijvoorbeeld schelpen, houtsnippers, grind en zand.

9. Overig groen en blauw in het plangebied

- m2

-

9.1 Overige maatregelen

m2

-

0

-

Overleg met de gemeente welke overige maatregelen toegestaan zijn en of hieraan eventueel punten kunnen worden toegekend.

9.2 Braakliggend terrein en kale grond

m2

-

2

-

Zorg voor een gezonde bodem met goede grond. Hierop kan lokale vegetatie spontaan opkomen. Ga vervolgens over op ecologisch beheer of laat het gebied met rust. Deze grond is ook tijdens het bouwproces vrij van werkzaamheden.

Totaal:

-

0 punten behaald 0 punten

Plantoetsingskader en Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen Checklist: leefgebied per doelsoort Toelichting: In deze checklist worden per leefgebiedvoorwaarde de gekozen hoeveelheden natuurinclusieve maatregelen bij elkaar opgeteld en ingevuld. Ook wordt er gecheckt of de andere voorwaarden van de leefomgeving van de soort, zoals voor verbinding, met "ja" zijn beantwoord. Iedere voorwaarde moet ingevuld zijn om de soort te voorzien in alle habitatvoorwaarden en moet minimaal 1 punt aan natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen per voorwaarde opleveren. Wanneer dit het geval is, verschijnt er een groen vinkje naast de soortnaam (in plaats van een rood kruis). Stuur de gevraagde bijlagen mee voor plantoetsing. Op basis van deze bijlagen wordt beogrootteeld of er werkelijk voldaan wordt aan de voorwaarden per soort zoals hieronder benoemd.

Huismus

Voorwaarden leefgebied

Bijpassende maatregelen uit toetsingsfomulier: kies minimaal één maatregel per habitatvoorwaarde.

Hoeveelheid of antwoord:

Punten (=>1):

Verblijfplaats en voortplanting: Cluster 5 of meer broedplaatsen bij elkaar per gevel. Bij grotere gebouwen kunnen meer clusters per gevel.

1.1 Nestvoorzieningen en broedplaatsen huismus 1.2 Nestvoorzieningen en broedplaatsen voor de gierzwaluw

- stuks

Voedsel: Voedselplanten, zoals bes-dragende heesters, meidoornstruiken en grassen. Ook zijn gras, zand en water binnen 100m van de verblijven belangrijk.

2.1 Bloemrijk en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 3.2 Heesters in meerdere soorten 3.4 Heggen en hagen meerdere soorten 3.5 Struiklaag als onderbegroeiing van bomen 7.2 - 7.5 Groene daken, exclusief sedumdaken

- m2

-

3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing Veiligheid: 4.3 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen: 2 en 3e grootte Klimmend groen van minimaal 2-3 meter hoog, lage bomen 6.1 en 6.2 Geveltuin en particuliere tuin en groenblijvende of stekelige struiken. 7.4 - 7.5 Groen dak met struiken en/of bomen

- m2

-

Verbinding: Alle maatregelen realiseren binnen 100m van de broedplaatsen. En andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid (binnen 300m) voor uitwisseling en groei van de populatie.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Afwisseling tussen dicht struikgewas in de directe nabijheid van broedplaatsen. En open plekken met 5m2 los zand binnen 50m van de nestplaats voor zandbaden, en een permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Verschillende soorten verblijfplaatsen, bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Bij het plaatsen van meerdere verblijfsplaatsen, verschillende oriëntaties gebruiken.

1.6 Zomer-/paar-, kraam- en winterverblijven dwergvleermuis 1.7 Kraamverblijven dwergvleermuis 1.8 Massawinterverblijven dwergvleermuis

- stuks

Voedsel: Vleermuizen eten veel insecten. Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

2.1 Bloemrijk en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 4.1 - 4.6 Behoud of aanplant bomen 5.1 - 5.3 Wadi, amfibieënpoel en natuurvriendelijke oevers 6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten 7.2 - 7.6 en 7.8 Groene en waterdaken, excl. sedumdaken

- m2

Veiligheid: Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding: Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving (binnen een straal van 100 m). De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Variatie in verblijfplaatsen en afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Nestelt in, insectstenen, heuvels van leemzand, dood hout, composthopen, holtes in stengels en stenenstapels in de nabhijheid van nectarplanten.

1.10 Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout.

- stuks

Gewone dwergvleermuis

-

Weidehommel

Voedsel: 2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie Nectar- en stuifmeelplanten met bloeiperiodes van het 2.2 Vaste planten vroege voorjaar tot najaar. Een aaneengesloten 6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten foerageergebied van in totaal 400m2, dat bestaat uit goed verbonden vlakken van minimaal 100m2.

- m2

Veiligheid: Zonnige plekken die uit de wind liggen, in de nabijheid van greppels, heggen of houtwallen.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Is aan deze voorwaarden voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Zo veel mogelijk variatie toe in gelaagdheid, plantentypen en -soorten.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Structuurrijke, gelaagde beplanting van o.a. groene tuinen en struiken.

3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing 6.1 en 6.2 Geveltuin en particuliere tuin

- m2

-

Voedsel: Een egel eet o.a. slakken. Een groot gebied met diverse beplanting, zorgt voor veel bodemleven en kleine dieren als voedsel.

2.1 Bloemrijk en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing 5.1 Ecologische wadi

- m2

-

Veiligheid: Leg faunapassages aan voor grondgebonden soorten en zorg voor voldoende donkerte in het plangebied. Dichtbegroeide struikvegetatie vormt een belangrijke schuilplaats.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

Verbinding: Bijenlinten door bloemrijke bermen aan te leggen. Verbind verschillende vlakken met elkaar via een bloeiende strook. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.

-

Egel

nee

Verbinding: Een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied zonder (drukke) wegen en met gelaagdheid in de beplanting. Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor Maak water makkelijk toegankelijk, met een talud van onderbouwing in het ontwikkelplan. minimaal 1:1 of een uitklimvoorziening. Zorg ook dat de egel zich van tuin naar tuin kan bewegen. Voorkom abrupte hoogteverschillen van 20 centimeter of hoger.

-

nee

Variatie Een afwisselend, kleinschalig landschap met zachte overgangen tussen open en (dicht) begroeide plekken. Het Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor leefgebied bestaat uit verschillende vlakken van minimaal onderbouwing in het ontwikkelplan. 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

-

nee

Merel Verblijfplaats en voortplanting: Dichte houtachtige beplanting waarin gebroed kan worden. Bij voorkeur verschillende soorten.

3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen 4.3 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen: 2 en 3e grootte 6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten 7.4 Intensief groendak met heesters 7.5 Intensief groendak met heesters en bomen

- m2

-

Voedsel: 2.1 Bloemrijk en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie Grasvelden om naar insecten te zoeken. Laatbloeiende 8.1 Gazon nectarplanten, bes-dragende struiken en kleine fruitbomen.

- m2

-

Veiligheid: Inheemse, doornige struiken in de buurt van broedplaats of foerageergebied.

3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing

- m2

-

Verbinding: Door verschillende dichtbegroeide bomen, struiken, hagen en klimplanten ontstaat een veilige verbinding tussen broedlocatie en foerageergebied.

3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing 4.1 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen 7.4 Intensief groendak met heesters 7.5 Intensief groendak met heesters en bomen

- m2

-

Variatie Afwisseling van dichtbegroeide bomen, struweel, hagen en klimplanten om een keuzemogelijkheid in nestlocatie te bieden. Variatie aan soorten bes-dragende struiken.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

Verblijfplaats en voortplanting: Bomen waar spleten en holtes in zijn ontstaan. Bij het ontbreken van oude of grotere bomen, bolle houtbetonnen nestkasten.

1.11 Overige verblijfplaatsen voor andere (doel)soorten 4.1 Behoud bomen: 1e grootte 4.3 Behoud bomen: 2e grootte

- m2

-

Voedsel: Vleermuizen eten veel insecten. Plant daarom veel insectenrijke beplanting binnen 200m van verblijfplaatsen, in de nabijheid van bomen en andere opgaande vegetatie.

2.1 Bloemrijk en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 4.1 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen 5.1 - 5.2 Wadi en amfibieënpoel 6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten 7.2 - 7.5 Groene daken, exclusief sedumdaken

- m2

-

Veiligheid: Geen licht, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding: Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of waterlijnen in de omgeving (binnen een straal van 100 m).

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Rijke diversiteit aan boomsoorten- en leeftijden.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting Cluster maximaal 2 broedplaatsen voor holenbroeders bij elkaar.

1.4 Nestvoorziening en broedplaatsen voor de zwarte roodstaart

- stuks

Voedsel Bruine daken of braak-liggend land met weinig begroeiing en veel zon. Nectarrijke bloemen en besdragende struiken in de omgeving van braakliggend land voor voldoende insecten.

3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten 7.6 Bruin dak 9.2 Braakliggend terrein en kale grond

- m2

Veiligheid: Zangpost nabij nestplaatsen van 20m of hoger.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding Open gebieden met losse gebouwen, torens of schuttingen Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor als uitkijkpost. Binnen 1,5 hectare van een broedplaats onderbouwing in het ontwikkelplan. moeten alle voorzieningen aanwezig zijn.

-

nee

Variatie Binnen 1,5 hectare een aanbod van verschillende voedselbronnen.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Grinddak of bruindak om op te broeden.

7.6 Bruin dak 7.7 Schelpendak

- m2

-

Voedsel: Graslandjes nabij de verblijfplaatsen waar naar wormen gezocht kan worden. Extensieve groendaken waar insecten op af komen. En plaats een waterbak op het dak.

7.2 Natuurdak met sedum, grassen en kruiden 7.6 Bruin dak 8.1 Gazon

- m2

-

Veiligheid: Schuilmogelijkheden en veiligheid voor eieren en jongen. Denk aan kleine rioolbuizen, pallets of een ander afdakje op het dak. Maak regenpijpen ontoegankelijk.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

Verbinding: Grasland in de buurt van de bruine of grinddaken.

8.1 Gazon

- m2

Variatie Varieer in typen voedselgebieden en grinddaken.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

Verblijfplaats en voortplanting Randen en overgangszones van minimaal 3m breed met dekking van struwelen, zomen, heggen, begroeide greppels of houtstapels en steenhopen.

2.1 Zoomvegetatie 3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing

- m2

nee

Rosse vleermuis

Zwarte roodstaart

-

Scholekster

Hermelijn

nee

-

nee

-

Voedsel Ruiger begroeide natuurvriendelijke oevers of (gras)land in de nabijheid van dekking.

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 5.3 Natuurvriendelijke oevers 9.2 Braakliggend terrein en kale grond

- m2

Veiligheid Faunapassages onder (spoor)wegen door.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding Lijnvormige landschapselementen zoals, houtwallen, heggen en houtkanten of bermen en oevers met kruidenrijke vegetatie als verbindingszone.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Veel afwisseling tussen landschapselementen, waardoor randzones ontstaan met voldoende dekking, schuilplekken en voedsel.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Waterpartijen met ruige oevervegetatie op natuurvriendelijke oevers, drijvende oeverconstructies of kleine natuureilanden in het water.

5.3 Natuurvriendelijke oevers 5.4 Overige natuurinclusieve watermaatregelen

- m2

-

Voedsel: Voldoende (onder)watervegetatie en (kruidenrijk) grasland nabij het water.

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland 8.1 Gazon

- m2

-

Veiligheid: Voldoende schuil- en uittreedplaatsen langs het water, zoals oevers of drijvende elementen.

5.3 Natuurvriendelijke oevers 5.4 Overige natuurinclusieve watermaatregelen

- m2

-

-

Meerkoet

Variatie Verschillende verblijfplaatsmogelijkheden, en afwisseling in Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor waterdiepte. Bij voorkeur een lengte van 200 meter of meer onderbouwing in het ontwikkelplan. aan ruige oevervegetatie, langs of op het water.

-

Verblijfplaats en voortplanting: Dicht en goed ontwikkeld struikgewas tussen of in de nabijheid van loofbossen en duinstruwelen op natte gronden.

3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten 3.5 Struiklaag als onderbegroeiing van bomen

- m2

-

Voedsel: Ecologisch waardevolle struwelen, die bessen dragen en open plaatsen tussen het struweel of in de nabijheid van water.

3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten 9.2 Braakliggend terrein en kale grond

- m2

-

Veiligheid: Beschutting door struiken, hoge vegetatie en houtwallen.

3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten 3.5 Struiklaag als onderbegroeiing van bomen

- m2

-

Verbinding: Bosranden, struwelen en bosschages die gebieden verbinden.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Diversiteit aan dicht en grillig groeiende struiksoorten met open plekken en een rijke strooisellaag.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Rietmoerassen, moerasbossen en gebieden met dichte vegetatie zoals rietkragen, en enkele hoge struiken of kleine bomen.

3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten 4.5 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen: 3e grootte 5.3 Natuurvriendelijke oevers

- m2

-

Voedsel: Aanwezigheid van plekken met een kale grond met modder (slikkige oevers, opgedroogde plassen of gemaaide delen in het rietland) en natuurvriendelijke oevers.

2.1 Bloemrijk grasland 5.3 Natuurvriendelijke oevers 9.2 Kale grond nabij water

- m2

-

Veiligheid: Beschutting door riet, struiken en andere dichte vegetatie.

3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten 4.5 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen: 3e grootte 5.3 Natuurvriendelijke oevers

- m2

-

nee

Nachtegaal

Blauwborst

Verbinding: Verbonden rietkragen en moerasgebieden die zorgen voor Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor een continuïteit van leefgebieden. Met een afstand van onderbouwing in het ontwikkelplan. maximaal 50 m tussen afzonderlijke delen van het leefgebied.

-

nee

Variatie Zorg voor variatie in open gebied, dichte ruigte en opgaande begroeiing.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Plaats of behoud bij voorkeur dichte naaldbomen zoals coniferen, hulst of spar maar andere beschutte bomen kunnen ook voldoen. In bos of parkachtige volstaan nestmanden ook, op een minimale afstand van 100m uit elkaar en 4 meter hoog.

1.5 Broedplaatsen voor andere soorten vogels 4.1 - 4.4 Behoud of aanplant van bomen: 1e en 2e grootte

- m2

-

- m2

-

Ransuil

Voedsel: De ransuil heeft een open terrein nodig om te jagen, zoals kruidenrijke graslanden. Pas ook elementen toe die muizen aantrekken zoals fruitboomgaarden of muizenruiters.

Meervleermuis

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 4.5 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen: 3e grootte 9.1 Overige maatregelen

Veiligheid: Geen lichtuitstraling in een straal van 15- 25m rondom de broed- of roestplaats.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding: Vorm een netwerk van tuinen, bossen of parken via hagen of houtwallen met natuurlijke bermen en/of velden waar gefoerageerd kan worden.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Zorg voor een gevarieerd landschap van dichte bosschages met open plekken.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Zomerverblijven in kerkzolders, spouwmuren en onder dakpannen; paarverblijven langs trekroutes; winterverblijven in mergelgroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten en kelders.

1.9 Verblijven voor andere gebouw-bewonende vleermuizen, zoals de laatvlieger en meervleermuis

- stuks

Voedsel: 3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten Insectenrijke beplanting en rietkragen langs open, donkere 4.1 - 4.4 Behoud of aanplant van bomen: 1e en 2e grootte waterpartijen met veel vliegende insecten. Beschutting van 5.3 Natuurvriendelijke oevers lijnvormige struwelen en bomenrijen.

- m2

Veiligheid: Rustige verblijfplaatsen en vliegroutes zonder verstoring en kunstlicht.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding: Vliegroutes langs boomrijen, oevers en watergangen zonder barrières zoals bebouwing of fel licht.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Afwisseling van lijnvormige structuren van opgaande vegetatie en wateren, die tezamen een aaneengesloten verbinding vormen tussen bebouwing en grotere wateren.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Helder, zuurstofrijk water met zandige of modderige bodems en voldoende waterplanten voor beschutting en het afzetten van eitjes. Ondiepe wateren met een gemiddelde diepte van 50 centimeter tot 1 meter, en een minimale breedte van 2 meter. Flauwe natuurvriendelijke oevers met voldoende begroeiing in de oeverzone.

5.3 Natuurvriendelijke oevers 5.4 Overige natuurinclusieve watermaatregelen

- m2

-

Voedsel: Voedselrijke bodems met ongewervelden zoals insectenlarven, kreeftachtigen en wormen die de bittervoorn kan vinden op de bodem van het water.

5.3 Natuurvriendelijke oevers 5.4 Overige natuurinclusieve watermaatregelen

- m2

-

Veiligheid: Beschutting van waterplanten, rietkragen en modderige of zandige bodems voor bescherming tegen predatie en slechte weersomstandigheden.

5.3 Natuurvriendelijke oevers 5.4 Overige natuurinclusieve watermaatregelen

- m2

-

-

Bittervoorn

Verbinding: Verbonden wateren met geschikte bodemsamenstelling en waterplanten, zodat de bittervoorn zich kan verplaatsen en Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor voortplanten. Duikers bij voorkeur een doorsnede van 70 onderbouwing in het ontwikkelplan. cm, waarvan een kwart niet onderwater staat. Aansluiting op, of onderdeel van een waterstelsel van 1 tot 3 kilometer zonder onpasseerbare obstakels.

-

nee

Variatie Divers netwerk van watergangen met variatie in breedte en in diepte.

-

nee

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

Glassnijder Verblijfplaats en voortplanting: Vegetatierijke wateren met flauwe oevers en een natuurlijke waterstructuur. Zowel in het water als op de oever zijn verschillende type water- en oeverplanten aanwezig.

5.1 - 5.3 Wadi, amfibieënpoel of natuurvriendelijke oevers 7.8 Natuurlijk waterdak met open water en waterplanten

- m2

-

Voedsel: Voldoende diverse vegetatie in de buurt van het water; hier jaagt de libelle op insecten.

5.1 - 5.3 Wadi, amfibieënpoel of natuurvriendelijke oever 7.8 Natuurlijk waterdak met open water en waterplanten

- m2

-

Veiligheid: Zonnige plekken die uit de wind liggen met oevervegetatie en bosschages.

3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing 4.3 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen: 2e en 3e grootte 5.1 - 5.3 Wadi, amfibieënpoel of natuurvriendelijke oever

- m2

-

Verbinding: Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor Aaneengesloten groene, natuurlijke waterverbindingen met onderbouwing in het ontwikkelplan. een maximale breedte van 10 meter.

-

nee

Variatie Variatie aan oever- en waterplanten en natuurlijke waterstructuren.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Onbeschaduwde vennen, poelen, plassen, sloten of beken met stilstaand tot langzaam stromend water en ruime aanwezigheid van onderwaterplanten. De oeverzone is over een lengte van minimaal 5 meter dichtbegroeit.

3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten 5.1 - 5.3 Wadi, amfibieënpoel of natuurvriendelijke oever

- m2

-

Voedsel: Kleine ongewervelden zoals insectenlarven, wormen en slakken,tussen de vegetatie zowel in het water als op het land.

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 5.3 Natuurvriendelijke oevers

- m2

-

Veiligheid: Natuurvriendelijke oevers en poelen. Deze kunnen ook via droog land met elkaar verbonden zijn zolang er voldoende 3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten beschutting is. In straatkolken zijn uitklimvoorzieningen 5.1 - 5.3 Wadi, amfibieënpoel of natuurvriendelijke oever geplaatst. Van groot water afgesloten poelen zonder vissen verhogen de overlevingskansen.

- m2

-

Verbinding: Schuilt onder waterplanten, in de modderlaag of onder stroken en stenen. Tussen voortplantingswateren ligt maximaal 100 meter, de tussenliggende verbindingen zijn 5 meter breed bij een afstand van meer dan 10 meter. Een onderbreking is maximaal 10 meter, en (spoor)wegen worden passeerbaar gemaakt met amfibietunnels en/of ecoduikers.

-

Kleine watersalamander

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

nee

Variatie Afwisseling in type oever en waterplanten, en verschil in waterdiepten. Het leefgebied op land beslaat in totaal Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor 150m2 en minimaal 25m2 per vlak. Dit sluit bij voorkeur onderbouwing in het ontwikkelplan. direct aan op het voortplantingswater, of op een maximale afstand van 50 meter.

-

Verblijfplaats en voortplanting: Minimaal 6 verblijfplaatsen in een cluster geplaatst.

1.2 Nestvoorzieningen en broedplaatsen voor de gierzwaluw

- stuks

Voedsel: Vliegende insecten in waterrijke omgeving en kruidenrijk grasland.

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 7.2 - 7.6 Groene of bruine daken met grassen en kruiden 7.8 Natuurlijk waterdak met open water en waterplanten

- m2

Veiligheid: Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding: Waterrijke omgeving en insectenrijkgrasland binnen 500m van het verblijf.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Variatie aan verblijfplaatsen.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting Steile, zanderige oevers waar nestholen in gegraven kunnen worden. Kunstmatige nestwanden in de nabijheid van visrijk water.

1.3 Nestvoorzieningen en broedplaatsen voor de ijsvogel

- stuks

Voedsel Schoon, visrijk water met voldoende visjes, waterinsecten en larven. Overhangende takken of paaltjes als uitkijkposten helpen bij de jacht.

3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten 4.1 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen 5.2 Amfibieënpoel 5.3 Natuurvriendelijke oevers

- m2

Veiligheid Rustige, schone wateren zonder verstoring en met voldoende schuilplaatsen langs de oever. Ruime onderdoorgangen bij een brug. Struiken en solitaire bomen rondom nestplaatsen.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding Goed verbonden watergangen met voldoende vis en geschikte broedlocaties binnen het territorium. Bij voorkeur 500 meter aaneengesloten oever.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Verschil in waterdiepte, waarvan driekwart van het water niet dieper is dan 20 tot 40 centimeter. Een kwart van het water is dieper dan 40 centimeter.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats & Voortplanting Zonnige, kruidenrijke graslanden, bermen of daken met schrale open plekken en struweel.

3.1 - 3.2 Heesters van één of meerdere soorten 2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 7.2 - 7.6 Groene of bruine daken met grassen en kruiden 9.2 Braakliggend terrein en kale grond

- m2

-

Voedsel Zorg voor een divers aanbod aan nectarhoudende bloemen, kruiden en andere liefst inheemse bloeiende flora.

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 7.2 - 7.6 Groene of bruine daken met grassen en kruiden

- m2

-

Veiligheid Gevarieerde vegetatie in graslanden biedt het bruin blauwtje bescherming tegen predatie en weersomstandigheden.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding Zorg voor goed verbonden kruidenrijke graslanden en groenstroken zoals wegbermen. Een onderbreking tussen leefgebied is maximaal 100 meter.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Variatie tussen bloemrijk grasland en open plekken.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Bomen waar spleten en holtes in zijn ontstaan. Bij het ontbreken van oude of grotere bomen, bolle houtbetonnen nestkasten. Verblijft in de winterperiode in grondgedekte of ondergrondse locaties.

1.10 Overige verblijfplaatsen voor andere (doel)soorten 4.1 Behoud bomen: 1e grootte 4.3 Behoud bomen: 2e grootte

- m2

-

Voedsel: Plant veel insectenrijke beplanting zoals, kruiden of heesters langs groepen of rijen van bomen en andere opgaande vegetatie nabij waterpartijen.

2.1 Zoomvegetatie 3.5 Struiklaag als onderbegroeiing van bomen 4.1 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen 5.3 Natuurvriendelijke oevers

- m2

-

Veiligheid: Zorg in gebieden met veel (oude) bomen en (langgerekte) waterpartijen voor zoveel mogelijk donkerte bij verblijfplaatsen, vliegrouten en potentieel foerageergebied. Zorg voor beschutting van opgaande vegetatie langs het water.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

nee

Gierzwaluw

-

IJsvogel

-

Bruin blauwtje

Watervleermuis

Verbinding: Vliegroutes langs boomrijen, houtwallen en watergangen zonder barrières zoals bebouwing of fel licht. Een onderbreking is maximaal 30 meter per 200 meter aan vliegroute, indien deze niet bebouwd is en onverlicht aan één zijde. Zorg voor 1,5 meter aan open ruimte onder bruggen met bij voorkeur een breedte van minimaal 4 meter. Voorzie kruisingen van routes over land met drukke wegen met een “hop-over”. Variatie Zorg voor variatie in waterkwaliteit en waterdiepte.

Grote bladsnijder

Verblijfplaats en voortplanting Nestelt in open grond, insectenhotels, insectenstenen, wortelkluiten of boomstammen. Haalt nestmateriaal van diverse soorten heesters en bomen binnen 200m van de nestgelegenheid.

1.10 Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout. 3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing 4.1 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen

- m2

-

Voedsel Voedsel wordt gezocht binnen 200m van nestgelegenheid in kruidenrijk grasland, op bij voorkeur arme grond.

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 7.2 - 7.6 Groene of bruine daken met grassen en kruiden

- m2

-

Veiligheid Voorkom dat de nestplekken in de grond frequent worden betreden door mensen en dieren.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding Bijenlinten door bloemrijke bermen aan te leggen. Verbind verschillende vlakken met elkaar via een bloeiende strook. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Aanleggen van verschillende verblijfplaatsen, en variatie in verschillende soorten en type vegetatie.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting Kleinschalig landschap met graslanden en akkers. Verblijft in struwelen, houtwallen en bosjes langs perceelranden.

3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing 2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie

- m2

-

Voedsel Kruidenrijk grasland met veel verschillende soorten kruiden en grassen. Een gevarieerde vegetatiestructuur (hoog en laag gras en ruigtevegetatie).

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie

- m2

-

Veiligheid (spoor)wegen worden passeerbaar gemaakt met ecoducten. Als een ecoduct niet mogelijk is, een voldoende grote tunnel. Zorg met hoge hagen, houtwallen of geluidsschermen voor een rustig leefgebied. Plaats fauna-uittreedplaatsen bij watergangen met een hoge beschoeiing.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding Verbind leefgebied in de stad met het buitengebied, middels akkerflora-randen en ruigtestroken die dienen als verbindingselement. Verbindingszones zijn bij voorkeur minimaal 5 meter breed.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Variatie in verschillende soorten en type vegetatie.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting: Dichte rietvegetatie van ten minste 3 meter breed.

5.3 Natuurvriendelijke oevers

- m2

-

- m2

-

Haas

Kleine karekiet

Voedsel: Hoge diversiteit aan planten buiten het rietland, waardoor veel insecten worden aangetrokken.

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 5.2 Amfibieënpoel 5.3 Natuurvriendelijke oevers

Veiligheid: Een dichte rietkraag: minimaal 20-30 rietstengels om een nest te kunnen bouwen.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding: Verbinding tussen andere rietlanden en moerassen.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Variatie Afwisseling tussen steile en flauwe oevers. Zorg voor variatie Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor in waterdiepte, en voor een diversiteit aan water en onderbouwing in het ontwikkelplan. oeverplanten.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting Zorg voor het behoud van een aaneengesloten (oudere) bomengroep.

4.1 - 4.4 Behoud of aanplant van grote bomen

- m2

-

Voedsel Variatie in (oude) zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten.

3.1 - 3.5 Heesters, heggen en hagen en onderbegroeiing 4.1 - 4.6 Behoud of aanplant van bomen

- m2

-

Veiligheid (spoor)wegen worden passeerbaar gemaakt met bij voorkeur aaneengesloten boomkronen over de weg, anders een eekhoornbrug.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verbinding Aaneengesloten boomkronen in bosstroken met ondergroei Is aan deze voorwaarden voldaan? Zorg voor of bomenlanen. Een onderbreking is maximaal 100 meter onderbouwing in het ontwikkelplan. breed.

-

nee

Variatie Een zo groot mogelijk cluster van gevarieerde zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten.

Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.

-

nee

Verblijfplaats en voortplanting Oude bomen waar spechten in kunnen broeden of spleten en holtes in zijn ontstaan. Bij het ontbreken van oude of grotere bomen, kunnen nestkasten worden opgehangen. Een wadi voor de beschikbaarheid van vochtige grond voor het deels afdichten van de spechtengaten.

1.11 Overige verblijfplaatsen voor andere (doel)soorten 4.1 Behoud bomen: 1e grootte 4.3 Behoud bomen: 2e grootte

- m2

-

Voedsel Volwassen en grotere inheemse (loof)bomen die insecten aantrekken, en zaden of noten produceren.

4.1 - 4.4 Behoud of aanplant van grote bomen

- m2

-

Verbinding Verbinding via bomenlanen tussen bossen en boomgroepen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=1c85b99c-085b-4ff2-b9e4-f6e362f53cab