RIB 25 111 Bijlage 1 Natuurwaardenkaart
Tekst van het document
Voedsel
ruiger begroeide natuurvriendelijke oevers of (gras)land in de nabijheid van dekking.
Veiligheid
Faunapassages onder (spoor)wegen door.
Verbinding
Lijnvormige landschapselementen zoals houtwallen, heggen en houtkanten of bermen en oevers met kruidenrijke vegetatie als verbindingszone.
Variatie
Veel afwisseling tussen landschapselementen, waardoor randzones ontstaan met voldoende dekking, schuilplekken en voedsel.
KLEINE WATERSALAMANDER
Een algemene amfibie die zich voortplant in allerlei stilstaande tot zwak
stromende
wateren.
Er
moet
enige
mate
van
onderwatervegetatie aanwezig zijn, niet te veel schaduw, visarm en het water mag niet te groot van oppervlakte zijn. De soort brengt ook veel tijd door op het land, dus daar moeten ook voldoende elementen aanwezig zijn die de salamander bescherming bieden. Meeliftende soorten: Diverse kikkers, salamanders en padden.
Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting
Onbeschaduwde vennen, poelen, plassen, sloten of beken met stilstaand tot langzaam stromend water en ruime aanwezigheid van onderwaterplanten. Dichtbegroeide natuurvriendelijke oeverzone van minimaal 5m in de lengte en een talud van maximaal 45 graden. Het leefgebied op land beslaat in totaal 150m2 en minimaal 25m2 per vlak. Dit sluit bij voorkeur direct aan op het voortplantingswater, of op een maximale afstand van 50 meter. Zorg voor verblijfplaatsen en schuilplekken in de vorm van takkenbossen, hopen blad, compost, stenen en dood houd.
Voedsel
Water- en oeverplanten voor aantrekken van insecten.
Veiligheid
Uitklimvoorzieningen in straatkolken. Poelen zonder vissen, afgesloten van groot water. Natuurvriendelijke oevers. Aanwezigheid van waterplanten, modderlaag, stroken en stenen.
Verbinding
Maximaal 100m tussen twee voortplantingswateren. Groene stroken ter verbinding minimaal 2m breed of bij een lange afstand (>10m) 5m breed. De maximale onderbreking van de corridor is 10m. Verbind tuinen en openbare ruimtes via groenstroken met een variëteit in onderbeplanting voor voldoende dekking. Amfibietunnels en/of ecoduikers onder (spoor)wegen.
Variatie
Afwisseling in type oever en waterplanten, en verschil in waterdiepten.
Beheermaatregel Gefaseerd baggeren.