RIB 25 074 bijlage 2 De opgave van de koudevraag in Rijswijk
Tekst van het document
31
Aanvulling 4: KNMI’23 scenario’s De KNMI’23-klimaatscenario’s vertalen de nieuwe inzichten en onderzoeksresultaten uit het meest recente IPCC-rapport (2021) naar Nederland. Met behulp van klimaatmodellen zijn de gevolgen van de uitstoot van CO2 door mensen op het toekomstige klimaat berekend. De KNMI’23-klimaatscenario’s bestaan uit vier paden die een mogelijk toekomstig klimaat in Nederland rond 2050, 2100 en 2150 beschrijven. De scenario’s zijn gebaseerd op de hoeveelheid uitstoot van broeikasgassen (en daarmee de wereldwijde opwarming) en de mate van neerslagverandering in Nederland. Er wordt geen uitspraak gedaan over de waarschijnlijkheden van de vier scenario’s. Ieder scenario is een mogelijkheid. De vier scenario’s (het eerste figuur hieronder) geven als het ware de hoekpunten waarbinnen het Nederlandse klimaat in de toekomst waarschijnlijk zal veranderen. Zo weten we hoe door klimaatverandering het Nederlandse weer zal veranderen. De mate waarin huidige en toekomstige generaties te maken krijgen met hogere temperaturen staat in figuur onderaan weergegeven.
32
33
Aanvulling 5: Ladder van Koeling principe
Figuur: Schematische weergave Ladder van Koeling principe, opgesteld door het OSKA (Overleg Standaarden Klimaatadaptatie
34
Aanvulling 6: Percentage groen alle buurten van Rijswijk
Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
35
Aanvulling 7: Passief koelen De meest voorkomende passieve koelingsmaatregelen worden hieronder weergegeven. Overzicht passieve (niet groene) koelingsmaatregelen op gebouwniveau: 1. Buitenzonwering: Buitenjaloezieën, luifels en zonneschermen kunnen direct zonlicht blokkeren en voorkomen dat warmte het gebouw binnendringt. 2. Natuurlijke ventilatie: Door ramen en ventilatieroosters strategisch te openen, kan frisse lucht door het gebouw stromen en warmte afvoeren. 3. Nachtventilatie: Het openen van ramen en ventilatieroosters 's nachts om koelere lucht binnen te laten en warmte af te voeren. 4. Reflecterende dakbedekking: Reflecterende materialen op het dak weerkaatsen zonlicht en verminderen de warmteopname. 5. Gevelisolatie: Extra isolatie aan de buitenkant van het gebouw helpt om warmte buiten te houden. 6. Zonnepanelen als zonwering: Zonnepanelen kunnen strategisch worden geplaatst om schaduw te bieden en tegelijkertijd energie op te wekken. 7. Seizoensopslag van koude (WKO): Het opslaan van koude in de WKO-bronnen is ook een voorbeeld van passief koelen. 8. Thermische massa: Thermische massa functioneert als een natuurlijke warmtebuffer. Het kan de piektemperaturen in een gebouw verlagen en daarmee het comfort verhogen zonder actieve koelsystemen.
Voordelen van passief koelen: De besparing in elektriciteitsgebruik door passief koelen ten opzichte van actief koelen zal afhangen van verschillende factoren, zoals het type gebouw, bezonning, bezettingsgraad en de maatregelen die worden toegepast voor het verbeteren van de energieprestatie (denk aan verbeterde isolatie, etc.). Over het algemeen kunnen passieve maatregelen de koudevraag en uiteindelijk de energievraag tijdens hitteperioden met 20-50% verminderen. Dit heeft niet alleen financiële voordelen, maar draagt ook bij aan het verminderen van de CO2-uitstoot, het verbeteren van de energie-efficiëntie en daarmee ook de impact op het milieu.
Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
36
Aanvulling 8: De koelmogelijkheden van de warmtestrategieën in de Startanalyse Tabel: Koeltemogelijkheden van de warmtestrategieën in de Startanalyse (PBL, 2025)
Uit de tabel van RVO-startanalyse blijkt dat koeling mogelijk is bij zowel individuele als collectieve opties (S1, S3 en S4). Bij bodemwarmtepompen is passieve koeling in de zomer soms zelfs vereist om de warmteopslag op te laden voor de winter. Een aandachtspunt bij luchtwarmtepompen is de plaatsing van de buitenunits, die extra warmte de straat of tuin in blazen en geluidshinder kunnen veroorzaken. Of actieve koeling wordt ondersteund, hangt af van het model; in de all-electric variant is koeling vaak mogelijk, terwijl hybride warmtepompen meestal geen koelmogelijkheid hebben. De warmtestrategie met een lage temperatuur warmtebron (S3) kent veel varianten, waarvan sommige ook koude kunnen leveren. Deze varianten worden aangeduid als ZLT-netten, 5egeneratie-netten, WKO-netten en bronnetten. Klassieke warmtenetten leveren uitsluitend warmte en kunnen niet in de koudevraag voorzien, tenzij een apart koudenet wordt aangelegd. Voor kleinschalige warmtenetten is dit soms een optie. De technieken die geschikt zijn voor koeling werken met vloerverwarming of ventilatieconvectoren. Niet elke vloerverwarming is geschikt voor koeling en het verkoelende effect is beperkt. Ook met vloerkoeling moeten bewoners maatregelen treffen om de hitte buiten te houden, bijvoorbeeld door zonwering.
Er bestaan ook radiatoren die geschikt zijn of geschikt te maken zijn voor zowel warmte- als koudeafgifte, meestal met een ventilator. Koeling en Netcongestie Actieve, individuele koeling verhoogt het elektriciteitsverbruik van woningen. Als koelinstallaties gelijktijdig draaien, kan dit het elektriciteitsnet belasten. Omdat in de Startanalyse Aardgasvrij alleen de nationale kosten voor het invullen van de warmtevraag worden berekend, worden mogelijke netverzwaringskosten door koeling niet meegerekend. In hoeverre airco’s en andere koelinstallaties een probleem vormen voor de netcapaciteit hangt af van factoren zoals het tijdstip van gebruik, of woningen zelf stroom opwekken met zonnepanelen en of er slimme aansturing wordt toegepast. De netbeheerder kan adviseren hoe er ‘netbewust’ gekozen kan worden voor zowel warmte- als koudetechnieken. Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
37
Aanvulling 9: Koudevraag en prioritering per buurt Disclaimer koudevraag PBL-startanalyse In deze analyse wordt in onderstaande tabel gebruik gemaakt van PBL kengetallen die gebruikt zijn in PBL-startanalyse en er wordt verondersteld dat alle gebouwen een koudevraag hebben (gedefinieerd als een vraag naar ruimtekoeling) en dat deze oploopt wanneer de buitentemperatuur toeneemt. Er is rekening gehouden met een toenemende behoefte aan koeling door klimaatopwarming. Daarbij maakt PBL wel onderscheid naar de effecten van klimaatopwarming, er wordt alleen gebruik gemaakt van KNMI 2014 scenario’s en niet de nieuwe KNMI 2023 scenario’s. Er wordt uitgegaan van een stijging van twee graden Celsius van de gemiddelde temperatuur in 2050, ten opzichte van de periode 1981-2010. Het gaat hier om een theoretische, functionele koudevraag, waar - in PBL berekeningen - geen elektriciteitsvraag uit voortkomt. Deze vraag zal afhankelijk zijn van de koelteoplossing (e.g. airco, warmtepomp etc.) Kortom, er worden in de PBL-analyse geen maatregelen genomen om tot koude-levering te komen. Uitzondering zijn varianten van S3 waar in de zomer koude wordt geleverd uit een WKO-systeem als onderdeel van het warmtenet. S4 is uitgesloten in deze analyse omdat het geen rol speelt in Rijswijks Warmteprogramma.
In bepaalde typen bedrijfsgebouwen, zoals zorginstellingen, winkels en kantoren, worden wel maatregelen genomen om te koelen. Dat is onderdeel van het normale bedrijfsproces. De kosten van die maatregelen en het bijbehorende energieverbruik zijn opgenomen in de berekeningen. Buurten met een substantiële koudevraag naast een warmtevraag zijn geschikt voor toepassing van WKO-systemen, mits de ondergrond daarvoor geschikt is. Gebouwen met een koudevraag kunnen efficiënt gebruikmaken van warmtepompen die in beperkte mate ook voor koeling kunnen worden ingezet. Dat stelt wel weer eisen aan het warmteafgiftesysteem in gebouwen: vloerverwarming is meer geschikt dan LT-radiatoren. De nationale kosten om in deze koudevraag te voorzien, zijn door PBL niet berekend. De koudevraag is per gebouw per jaar berekend. Er is geen gedetailleerd inzicht en de uitsplitsing in de vraag per seizoen. Daarin zijn de effecten van de omgeving niet meegenomen. De effecten van veel steen en asfalt in de omgeving, of juist van veel naburig groen of water, zijn dus niet terug te zien in de berekende koudevraag. De koudevraag is een getal dat afhangt van de fysieke eigenschappen van het gebouw. De feitelijke koudevraag van een bewoner kan anders zijn.
Hoeveel koeling nodig is, hangt bijvoorbeeld af van hoe vaak de bewoners aanwezig zijn, hoe de thermostaat wordt ingesteld en welke aanvullende maatregelen inwoners zelf nemen om de hitte buiten te houden.
Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
38
Tabel: Overzicht huidige koudevraag (in 202)3 en verwachtte vraag in 2030 per buurt Rijswijk (in GJ/jaar per WEQ, volgens data uit PBL startanalyse. Buurtnaam Artiestenbuurt Bomenbuurt Broekpolder Cromvliet Eikelenburg Haantje Havenkwartier Hoekpolder Hoornwijck Huis te Lande Julianapark Kleurenbuurt Kraayenburg Leeuwendaal Ministerbuurt Muziekbuurt Oud-Rijswijk Overvoorde Pasgeld Plaspoelpolder Presidentenbuurt Rembrandtkwartier Sion Stationskwartier Stervoorde Strijp Te Werve Vrijenban Welgelegen
Som van Som van Som van Som van Percentage Som van Som van Percentage Aantal Aantal H01_Energieverbrui H05_Energieverbruik koudevraag H01_Energieverbruik H05_Energieverbrui koudevraag Utiliteiten Woningen k R'23 koude R'23 R'23 R'30 k koude R'30 R'30 207 1329 68 7 10,3% 68 8 11,8% 30 1534 49 3 6,1% 48 4 8,3% 35 99 78 9 11,5% 78 11 14,1% 31 1041 49 3 6,1% 48 3 6,3% 8 184 52 5 9,6% 51 6 11,8% 14 231 58 5 8,6% 57 5 8,8% 4 269 40 2 5,0% 39 2 5,1% 10 374 50 4 8,0% 49 5 10,2% 97 64 90 12 13,3% 91 14 15,4% 27 624 54 5 9,3% 53 5 9,4% 16 30 68 6 8,8% 66 6 9,1% 17 1556 43 3 7,0% 42 4 9,5% 14 6 112 10 8,9% 111 12 10,8% 40 1021 65 5 7,7% 63 5 7,9% 47 2060 51 4 7,8% 50 5 10,0% 59 2197 41 3 7,3% 40 3 7,5% 177 1366 60 5 8,3% 59 5 8,5% 12 352 52 4 7,7% 51 5 9,8% 8 220 49 3 6,1% 48 4 8,3% 296 524 93 14 15,1% 93 16 17,2% 2 424 49 3 6,1% 47 4 8,5% 65 2206 49 4 8,2% 48 4 8,3% 10 1102 41 3 7,3% 41 4 9,8% 87 819 60 7 11,7% 60 9 15,0% 56 3388 44 4 9,1% 43 4 9,3% 22 1499 53 5 9,4% 52 5 9,6% 25 2029 50 5 10,0% 49 5 10,2% 41 644 55 5 9,1% 54 6 11,1% 14 323 55 5 9,1% 54 6 11,1%
Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
39
% stijging R'23 t.o.v. R'30 1,5% 2,2% 2,6% 0,1% 2,1% 0,2% 0,1% 2,2% 2,1% 0,2% 0,3% 2,5% 1,9% 0,2% 2,2% 0,2% 0,1% 2,1% 2,2% 2,2% 2,4% 0,2% 2,4% 3,3% 0,2% 0,2% 0,2% 2,0% 2,0%
Figuur: Percentage theoretische koudevraag in 2023 t.o.v. totale energievraag in Rijswijk m.u.v. uitgesloten buurten Soortzicht, Wilhelminapark en Elsenburg
Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
40
Figuur: Percentage theoretische koudevraag in 2030 t.o.v. totale energievraag in Rijswijk m.u.v. uitgesloten buurten Soortzicht, Wilhelminapark en Elsenburg
Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
41
Analyse koudevraag per buurt voor het Warmteprogramma Rijswijk Deze analyse is opgesteld als onderlegger bij het Warmteprogramma van de gemeente Rijswijk en richt zich op de theoretische, functionele koudevraag (ruimtekoeling) per buurt, zoals berekend in de PBL Startanalyse. De analyse geeft richting aan de evaluatie van PBLstartanalyse en inzet van warmte- en koeltechnieken in de gebouwde omgeving. Gemeentebreed beeld koudevraag De gemiddelde koudevraag in Rijswijk bedraagt in 2023 circa 9%, met een lichte stijging naar gemiddeld 11% richting 2030. Dit beeld komt ook overeen met het gemiddelde koudevraag in onze regio Z-H. De hoogste stijgers in de koudevraag in Rijswijk, zijn hieronder weergegeven. Tabel: Buurten met sterkste stijging koudevraag > 2,5% in periode 2023-2030 Buurt
Koudevraag '23
Koudevraag '30
Stijging (%)
Opvallende kenmerken
Stationskwartier 11,7%
15,0%
+3,3%
Compact stedelijk gebied, hitte-eiland, nabij nieuwe ontwikkeling Kessler Park
Broekpolder
14,1%
+2,6%
Nieuwbouw, hogere glasoppervlakken
11,5%
De hoogste absolute percentages koudevraag (>11%) vinden we in tabel onderaan. Er wordt in die tabel ook een koppeling gemaakt met de keuzes in PBL-startanalyse voor de warmtestrategie. We zien in deze tabel dat in de buurten met het hoogste koudevraag door PBL overwegend gekozen is voor een strategie die niet kan koelen. In buurten waar collectieve warmtenetten (S2) oplossingen worden voorzien, is actieve koeling geen onderdeel van de collectieve infrastructuur. Alleen voor de buurt Broekpolder is de keuze gemaakt voor een WKO met collectieve koeling. Een logische vraag zou zijn, waarom dezelfde strategie niet is gekozen bij andere buurten, met een vergelijkbare of zelfs een nog veel hogere koudevraag. In de keuze van PBL-startanalyse lijkt het koeling vraagstuk simpelweg niet te zijn meegenomen. In Rijswijk verdient het aanbeveling om aanvullend aan de PBL-warmtestrategie, ook aandacht te besteden aan collectieve koelstrategieën. 5. Kanttekeningen en data-inperking PBL-analyses De berekende koudevraag betreft een theoretisch modelresultaat en zal niet altijd gelijk zijn aan het feitelijk elektriciteitsverbruik per woningequivalent. Individueel gedrag, gebouw specifieke kenmerking en de directe omgeving (groen, water, schaduw) zijn niet meegenomen in het PBLrekenmodel.
De cijfers bieden echter wel waardevolle richting voor beleidsvorming en keuzes in het Warmteprogramma in relatie tot de koudevraag. Lokale en ruimtelijke validatie van PBL-data is echter raadzaam, zoals blijkt i.r.t. de uitschieters (Spoorzicht, Wilhelminapark en Elsenburg).
Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
42
Tabel: Overzicht buurten met hoogste gebouw gebonden koudevraag met PBL-warmtestrategieën Buurt
%koudevraag (2023-2030)
LNGA01 (PBLstartanalyse)
Koelingsoptie gekozen warmtetechniek
Opmerking
Plaspoelpolder
15%-17%
S2d
Geen koeling mogelijkheid gekozen warmtetechniek. Koeling alleen mogelijk met een individuele passieve maatregelen, zoals zonwering, isolatie, of een airco of een andere individuele koeltetechniek (*).
Hoog aandeel utiliteit, hoge koudevraag, hitte-eiland; Vrije keuze individuele koeling (zoals lucht-lucht) niet wenselijk, door extra warmte emissies. Veel warmte en koudevraag aanwezig. Potentie tot slimme lokale warmtekoude uitwisseling (ook door geplande woningbouw).
Hoornwijck
13-15%
S2e
Geen koeling mogelijkheid gekozen warmtetechniek. Idem Plaspoelpolder.
Hoog aandeel utiliteit, hoge koudevraag, nabij hitteeiland; Vrije keuze individuele koeling (zoals lucht-lucht) niet wenselijk, door extra warmte emissies. Potentie tot slimme lokale warmte-koude uitwisseling (ook door geplande woningbouw).
Stationskwartier
12-15%
S2d
Geen koeling mogelijkheid gekozen warmtetechniek. Idem Plaspoelpolder.
Idem plaspoelpolder.
Broekpolder
12-14%
S3e
Ja, WKO, collectieve koeling, of individuele koeling mbv bodemwarmtepomp. Denk aan passief koelen en gebouw gebonden aanpassingen bij woningen, zoals zonwering, isolatie.
Groeibuurt met woonfunctie, in directe nabijheid van veel utiliteit met hoge koudevraag en en hitte-eiland. Door aanwezigheid van woningen, potentie tot slimme lokale warmte-koude uitwisseling.
Artiestenbuurt
10-12%
S2d
WKO, collectieve koeling. Bij hybride S3/S2, denk aan passief koelen en voldoende gebouw gebonden aanpassingen bij woningen aangesloten op S2. Desnoods i.c.m. aanvullende individuele actieve koeling (airco’s)
Binnenstedelijk, hoge dichtheid woningen met beperkte vergroening en hoge bezonning. Gewenste PBL-maatregelrichting: scenario S3/S2 hybride – focus op zonwering, ventilatie en schaduw
Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
43
Gebruikte bronnen •
PBL Startanalyse 2025 (https://kaartviewer.startanalyse2025.nl/app/map/main/101/info)
•
Klimaateffectatlas en buurtdashboard (www.klimaateffectatlas.nl)
•
Klimaatatlas Rijswijk (Arcadis, nog in concept 2025)
•
Handreiking Koelte in het Warmteprogramma (Tauw, CE Delft, Klimaatverbond, 2024)
•
KNMI-klimaatscenario's 2023
•
TNO, Energievraag van ruimtekoeling in woningen, 2021
Koudevraag in het Warmteprogramma 2026
44
0