RIB 23 061a Risicobeoordeling Ons Ideaal Rijswijk
Tekst van het document
Risicobeoordeling volkstuincomplex Ons Ideaal in Rijswijk 21 juni 2023
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
-
Verantwoording Titel
Risicobeoordeling volkstuincomplex Ons Ideaal in Rijswijk
Opdrachtgever
Omgevingsdienst Haaglanden
Projectleider Auteur(s) Projectnummer
1289802
Aantal pagina’s
26 (exclusief bijlagen)
Datum
21 juni 2023
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Zekeringstraat 43g Postbus 20748 1001 NS Amsterdam T +31 20 60 63 22 2 E info.amsterdam@tauw.com
2/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 5
2
Verontreinigingssituatie ............................................................................................................. 5
3
Werkwijze risicobeoordeling ...................................................................................................... 8 3.1
3.1.1
Voor alle stoffen: bepaling spoedeisendheid met Sanscrit ......................................... 8
3.1.2
Specifiek voor lood: Sanscrit module ‘Diffuus lood’ .................................................... 9
3.2 4
Selectie van te beoordelen tuinen ............................................................................. 11
4.1.2
Bodemgebruik ........................................................................................................... 11
4.1.3
Bodemtraject ............................................................................................................. 12
4.1.4
Gebruikte meet- en analyseresultaten ...................................................................... 13
Uitgangspunten specifiek voor module diffuus lood ......................................................... 15
4.2.1
Gewasconsumptie..................................................................................................... 15
4.2.2
Relatieve biobeschikbaarheid ................................................................................... 15
4.2.3
Grondingestie en contactdagen ................................................................................ 16
4.3
7
Locatiespecifieke omstandigheden .................................................................................. 11
4.1.1
4.2
6
Werkwijze ........................................................................................................................... 9
Uitgangspunten risicobeoordeling diffuus lood en humane risico’s sanscrit ........................... 11 4.1
5
Gebruikte risicomodellen .................................................................................................... 8
Uitgangspunten specifiek voor beoordeling humane risico’s Sanscrit ............................. 17
Uitgangspunten bepaling ecologische risico’s met Sanscrit .................................................... 17 5.1
Diepte verontreiniging ...................................................................................................... 17
5.2
Gebiedstype ..................................................................................................................... 17
5.3
Oppervlakte ten behoeve van beoordeling van ecologisch risico .................................... 18
5.4
Gebruikte meet- en analyseresultaten ............................................................................. 19
Resultaten risicobeoordeling ................................................................................................... 19 6.1
Humane risico’s door lood ................................................................................................ 19
6.2
Humane risico’s overige stoffen dan lood ........................................................................ 21
6.3
Ecologische risico’s alle stoffen ....................................................................................... 22
6.4
Verspreidingsrisico’s alle stoffen ...................................................................................... 23
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 23 7.1
Conclusies ........................................................................................................................ 23
3/26
Kenmerk
7.2
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Aanbevelingen ................................................................................................................. 24
7.2.1
Aanpak tuinen met matige bodemkwaliteit ............................................................... 24
7.2.2
Aanpak tuinen met onvoldoende bodemkwaliteit...................................................... 25
7.2.3
Aanpak tuinen met onaanvaardbare risico’s ............................................................. 25
7.2.4
Mogelijke ecologische risico’s ................................................................................... 26
Bijlage 1
Regionale ligging onderzoekslocatie
Bijlage 2
Kaart situering moestuinen en stortlaag
Bijlage 3
Kaart herkomst monsters chemische analyses
Bijlage 4
Foto’s gebruik tuinen
Bijlage 5
Meet-, lab- en toetsingsgegevens
Bijlage 6
Meetdata voor bepaling ecologische risico’s
Bijlage 7
Uitdraai risicobeoordeling Sanscrit Module Diffuus Lood
Bijlage 8
Uitdraai risicobeoordeling Sanscrit
Bijlage 9
Kaart conclusies risicobeoordeling
4/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
1 Inleiding In opdracht van Omgevingsdienst Haaglanden heeft TAUW een risicobeoordeling uitgevoerd vanwege de aanwezigheid van bodemverontreiniging met lood in volkstuincomplex Ons Ideaal aan de Endehoekseweg 10 in Rijswijk (zie bijlage 1 voor de regionale ligging). De aanleiding wordt gevormd door de resultaten uit een bodemonderzoek waaruit blijkt dat de grond van diverse tuinen is verontreinigd met lood en enkele andere stoffen. Lood heeft een effect op de ontwikkeling van de hersenen. Vooral voor jonge kinderen tot en met 7 jaar is te veel lood daarom ongezond. Hun hersenen zijn nog volop in ontwikkeling. Als zij teveel lood binnenkrijgen, kan dat een nadelig effect hebben op hun leervermogen. Dit blijkt uit onderzoeken waarbij veel kinderen zijn onderzocht. In 2015 heeft het RIVM een onderzoek1 gepubliceerd over de risico’s van bodemlood. Het blijkt dat het risico van blootstelling aan bodemlood voor jonge kinderen hoger is dan tot nu toe werd gedacht. Indien jonge kinderen gronddeeltjes met lood in hun mond krijgen en doorslikken kunnen er al bij lagere gehalten, lager dan de wettelijke norm uit de Wet bodembescherming, effecten zijn op het leervermogen (verlies van IQ-punten). Bij individuele kinderen kan het effect niet worden vastgesteld, maar wel op populatieniveau.
De GGD adviseert daarom te streven naar een loodblootstelling bij kinderen die zo laag is als redelijkerwijs mogelijk (ALARA-principe). De provincie Zuid-Holland heeft een beleidsregel voor diffuus lood in de bodem vastgesteld. Doel hiervan is om de blootstelling aan lood te verminderen. Dit beleid is mede gebaseerd op gezondheidskundige richtlijnen van de GGD2. Het doel van de risicobeoordeling is te bepalen of de gemodelleerde risico’s voor de volksgezondheid en natuur, in relatie tot het gebruik van de bodem, groter zijn dan de wettelijke normen (Wet bodembescherming) en gezondheidskundige risicowaarden (GGD). Deze resultaten dienen als uitgangspunt om te bepalen of beheersmaatregelen noodzakelijk zijn en welke dan passend zijn.
2 Verontreinigingssituatie Ter plaatse van het volkstuincomplex Ons Ideaal aan de Endehoekseweg 10 te Rijswijk is door VanderHelm Milieubeheer B.V. een bodemonderzoek uitgevoerd3. Uit het onderzoek bleek dat de grond van diverse tuinen is verontreinigd met lood en andere stoffen (met name koper, zink, nikkel en barium). Het lood komt in wisselende gehalten binnen het moestuincomplex voor, maar de hoogste gehalten liggen binnen de zuidwestelijke onderzoeksvakken.
1 2 3
Diffuse loodverontreiniging in de bodem. Advies voor een gemeenschappelijk beleidskader. RIVM Rapport 2015-0204, P.F. Otte et al Toelichting - Lood in bodem en gezondheid – 2 november 2020. Landelijke GGD-werkgroep bodem Milieukundig loodonderzoek volkstuinvereniging Ons Ideaal te Rijswijk, VanderHelm, kenmerk ODRY20201307, 14 november 2022
5/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Uit het vooronderzoek dat onderdeel van genoemde bodemonderzoek is, is gebleken dat er deels binnen en deels buiten het volkstuincomplex een voormalige stortplaats aanwezig is. Buiten het volkstuincomplex is in het talud van de aangrenzende dijk langs de Reijnerwatering huisvuil en vermoedelijk afval van een gasfabriek gestort. Het storten heeft plaatsgevonden vóór 1930. Eind jaren ’80 heeft aan de westzijde van het volkstuincomplex een (deel)sanering plaatsgevonden van de verontreinigde bodemlaag en de onderliggende stortlaag. De stortlaag is binnen het volkstuincomplex aanwezig ter plaatse van de onderzoeksvakken 1 tot en met 3 en bevindt zich op een diepte van 0,5-1,0 m -mv. De ligging van de volkstuinen en de stortlaag is weergegeven op de kaart in Figuur 2.1 en bijlage 2. Hierbij wordt aangetekend dat de dikte en diepteligging van de stortlaag op de locatie enigszins kan variëren. Figuur 2.2 laat een boorstaat uit het bodemonderzoek zien, dat een representatief beeld geeft van de bodemopbouw ter plaatse van de stortlaag. Voor meer informatie wordt verwezen naar de boorstaten in de rapportage van VanderHelm. De oorspronkelijke kwaliteit van de grond die als afdeklaag is gebruikt en van eventueel later aangevoerde grond is niet bekend.
Hoe dan ook zullen graafwerkzaamheden en grondbewerking in de loop der jaren voor enige vermenging van bovenliggende grond en verontreinigde grond en/of stortmateriaal uit de stortlaag hebben gezorgd, op een manier die niet meer precies is te achterhalen. Bij elf individuele tuinen zijn volgens de samenvattende tabel 7.1 van het onderzoeksrapport in de grond loodgehalten boven de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming aanwezig (sterk verontreinigd). Deze geven aanleiding tot het uitvoeren van de risicobeoordeling. Hiervan zijn 10 tuinen sterk verontreinigd in de ondiepe bodem (0-0,3 en/of 0,3-0,5 m -mv), en één alleen sterk verontreinigd in een diepere bodemlaag (tuin 88). De interventiewaarde wordt overschreden voor de zware metalen lood, koper, zink, nikkel en barium. Kanttekening Bij het bepalen of een gemeten gehalte boven de interventiewaarde ligt, is een omrekening nodig op grond van het bodemtype (lutum en organische stof), de zogenaamde bodemtypecorrectie. Er ontbreken in het onderzoeksrapport de benodigde gegevens om deze omrekening te kunnen verifiëren, waardoor de conclusie of een tuin licht, matig of sterk verontreinigd is volgens toetsing aan de Wet bodembescherming, niet persé klopt. Wij gebruiken in onderhavige rapportage de meetwaarden, omdat die nodig zijn voor het risicomodel, en doen geen uitspraak over de toetsing aan de interventiewaarde.
In bijlage 5 hebben wij de belangrijkste meetresultaten ten behoeve van de risicobeoordeling samengevat, aangezien de tabellen uit het onderzoeksrapport daarvoor niet direct geschikt bleken.
6/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Figuur 2.1 Voorkomen van stortlaag volgens bodemonderzoek is grijs gemarkeerd (bron: VanderHelm, 2022)
Er is één grondwatermonster geanalyseerd. Daarin werd een lichte verontreiniging met barium aangetoond. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de streefwaarde. In het onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat het een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft, vanwege overschrijding van het volumecriterium (meer dan 25 m3 grond is sterk verontreinigd). De gevalsdefinitie is echter niet verder onderbouwd. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een omschrijving van de technische, organisatorische en ruimtelijke samenhang (voor zowel lood als de andere aangetoonde verontreinigingen). Er is nog geen beschikking op ernst en spoedeisendheid genomen door het bevoegd gezag Wet bodembescherming (provincie Zuid-Holland). Onderhavige rapportage concentreert zich op de beoordeling van de risico’s. De gevalsdefinitie wordt alleen belicht voor zover dit nodig is voor het uitvoeren van de risicobeoordeling.
7/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Figuur 2.2 Representatieve boorstaat van boring 1, ter plaatse van de stortlaag (bron: VanderHelm, 2022)
3 Werkwijze risicobeoordeling 3.1
Gebruikte risicomodellen
3.1.1 Voor alle stoffen: bepaling spoedeisendheid met Sanscrit Op 1 juli 2013 is de Circulaire Bodemsanering 2013 in werking getreden. In deze circulaire staat de uitwerking van het saneringscriterium uit de Wet bodembescherming centraal. Het saneringscriterium is bedoeld om vast te stellen of een spoedige sanering van de bodem noodzakelijk is (Wet Bodembescherming art. 37 lid 1). Deze beoordeling van de saneringsnoodzaak en de noodzaak tot een spoedige sanering vindt plaats op basis van modelberekeningen van risico’s voor de mens, het ecosysteem en van verspreiding van de verontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging dient met spoed (binnen 4 jaar) te worden gesaneerd als de aanwezige bodemverontreiniging op de locatie leidt tot onaanvaardbare humane, ecologische, of verspreidingsrisico’s, of hinder. Tot het moment waarop de onaanvaardbare risico’s met een sanering definitief worden weggenomen kunnen de risico’s worden beperkt door het nemen van tijdelijke beveiligings-/beheersmaatregelen. Het bevoegd gezag Wet bodembescherming neemt de definitieve beslissing over:
Ernst en spoed in het kader van de Wet bodembescherming Het definitieve saneringstijdstip Noodzaak tot het nemen van tijdelijke beveiligings-/beheersmaatregelen
8/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
De risicobeoordeling is uitgevoerd met behulp van de meest recente versie van het risicomodel Sanscrit (versie 2.7.3 via www.Risicotoolbox.nl) dat door het RIVM is ontwikkeld en wordt beheerd. Sanscrit is gebaseerd op het CSOIL-formularium en wordt in het algemeen gebruikt ten behoeve van de bepaling van de actuele risico’s voor de volksgezondheid, het ecosysteem en verspreiding. Het Sanscrit-model toetst de modelmatig berekende levenslang gemiddelde blootstelling gedurende 70 jaar aan het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) en bij de aanwezigheid van vluchtige verbindingen (in onderhavige situatie niet van toepassing) aan de Toelaatbare Concentratie in de Lucht (TCL). 3.1.2 Specifiek voor lood: Sanscrit module ‘Diffuus lood’ Blootstelling aan lood heeft effect op de ontwikkeling van de hersenen van jonge kinderen, wat zich kan uiten in het verlies van enkele IQ-punten. In de reguliere risicobeoordeling met Sanscrit voor bepaling van humane risico’s wordt voor lood de MTR van 2,8 microgram lood per kg lichaamsgewicht per dag (µg/kg lg/d) gebruikt. Dit is de ‘wettelijke’ MTR (opgenomen in de Circulaire bodemsanering 2013). De waarde voor het MTR-humaan is in 2001 door het RIVM afgeleid en niet aangepast aan de nieuwe inzichten ten aanzien van de gezondheidseffecten van lood die in het RIVM-rapport (2025) zijn beschreven.
Om te toetsen wat de gezondheidskundige effecten zijn in termen van IQ-puntenverlies, is de reguliere risicobeoordeling met Sanscrit niet geschikt. In 2017 is daarom via www.risictoolboxbodem.nl de Sanscrit module ‘Diffuus lood’ beschikbaar gesteld. Deze module drukt het gezondheidsrisico uit in IQ-puntenverlies (op populatieniveau; op individueel niveau zijn er verschillen), én is geschikt om blootstelling vanuit meerdere deelgebieden te combineren. Dat laatste kan gebruikt worden wanneer de blootstelling op meerdere plekken plaatsvindt, bijvoorbeeld thuis en bij de kinderspeelplaats. De module kan tevens worden gebruikt om voor gebieden met diffuse bodemloodverontreiniging te berekenen wat het geschat effect is van gebruiksadviezen (zoals communicatie over het afdekken van de bodem met een grasmat of tegels, of verbetering algemene hygiëne) en/of sanering op de reductie van de blootstelling aan bodemlood. De module stelt gemeenten en andere overheden in staat om zogenaamde 'aandachtsplekken' in beeld te brengen. Dit zijn plekken waar de bodemkwaliteit (met betrekking tot loodgehalten in de grond) onvoldoende wordt geacht voor het (beoogde) bodemgebruik.
3.2
Werkwijze
De risicobeoordeling bestaat uit twee delen: 1. Voor lood, uitgevoerd met de Sanscrit Module ‘Diffuus Lood’, en specifiek voor volwassenen met Sanscrit 2.
Voor de overige stoffen, uitgevoerd met Sanscrit
9/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Humane risico’s van lood Er is een locatiespecifieke risicobeoordeling uitgevoerd met de Sanscrit Module ‘Diffuus Lood’ voor alle verontreinigde tuinen uit die in tabel 7.1 van het onderzoeksrapport van VanderHelm4 zijn genoemd:
Individueel voor de elf tuinen met loodgehalten die zijn aangemerkt als sterk verontreinigd op basis van de met XRF gemeten loodgehalten Gezamenlijk voor alle overige tuinen met onvoldoende bodemkwaliteit op basis van lood
Gezamenlijk voor alle overige tuinen met matige bodemkwaliteit op basis van lood
De resultaten zijn uitgedrukt in overschrijding van MTR én de mogelijke impact op het IQ van jonge kinderen. Bij de beoordeling van de elf tuinen met hoge loodgehalten hebben wij locatiespecifieke omstandigheden bepaald voor: Grondingestie
Relatieve biobeschikbaarheid Contactdagen Gewasconsumptie
Daarbij is gebruik gemaakt van de kennis die wij eerder op verzoek van provincie Zuid-Holland hebben gebundeld in het ‘Handelingskader diffuus lood in volkstuincomplexen’5. Door de GGD is nagegaan of er ook voor volwassenen gezondheidseffecten optreden bij de aangetroffen loodgehalten. De resultaten hiervan zijn opgenomen in hoofdstuk 6. Overige stoffen en risico’s Tevens is een risicobeoordeling met Sanscrit uitgevoerd, waarbij naast lood ook de beschikbare informatie over de andere stoffen is meegenomen. Op grond van de uitkomsten worden aanbevelingen gegeven over de noodzaak van spoedeisende saneringsmaatregelen en eventuele tijdelijke beveiligingsmaatregelen, in welke vorm dan ook, voor de betreffende tuinen. In hoofdstuk 4 zijn de bij de risicobeoordelingen gehanteerde uitgangspunten uiteen gezet.
4 5
Milieukundig loodonderzoek volkstuinvereniging Ons Ideaal te Rijswijk, VanderHelm, kenmerk ODRY20201307, van 14 november 2022 Handelingskader diffuus lood in volkstuincomplexen - provincie Zuid-Holland. TAUW, N001-1279067EVF-V02-mfv-NL, 29 juni 2021
10/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
4 Uitgangspunten risicobeoordeling diffuus lood en humane risico’s sanscrit 4.1
Locatiespecifieke omstandigheden
4.1.1 Selectie van te beoordelen tuinen In het onderzoek door VanderHelm zijn op basis van de op grondmonsters uitgevoerde XRFmetingen elf tuinen aangemerkt als sterk verontreinigd. Voor deze tuinen zijn door TAUW individuele risicobeoordelingen uitgevoerd met de module ‘Diffuus lood’. Tabel 4.1 geeft een overzicht van individueel te beoordelen tuinen, alsmede de groep tuinen met onvoldoende of matige kwaliteit voor lood die gezamenlijk worden beoordeeld. In bijlage 5 is een gedetailleerd overzicht van de tuinen en resultaten van het onderzoek door VanderHelm opgenomen. Tabel 4.1 Overzicht te beoordelen tuinen in module diffuus lood Beoordeling
Tuinen
11 individueel te beoordelen tuinen (sterk
95 (1100), 96 (1101), 94 (1099), 93 (1098), 87, 88, 92, 99,
verontreinigd volgens Vanderhelm, ongeacht in
h109, 110 en 121*
welke bodemlaag) 7 gezamenlijk te beoordelen tuinen met
112 (1091), 97 (1088), 86, 98, 116, 120, 164
onvoldoende kwaliteit (laag 0-0,3 m-mv) 48 gezamenlijk te beoordelen tuinen met matige
113 (1094), 89-91, 100, 111, 114, 115, 122-129, 150, 151,
kwaliteit (laag 0-0,3 m-mv)
153-158, 160-163, 165-169, 172-180, 182, 183, 185-188
* In het rapport van VanderHelm is tuin 121 nog opgenomen als tuin 119. Dat geldt ook voor de benaming van de daar door VanderHelm genomen grondmonsters.
Gezien het doel van de opdrachtgever is gekozen om uitsluitende de risico’s van blootstelling aan de onderzochte locatie te toetsen, en geen stapeling van eventuele risico’s vanuit andere deelgebieden te hanteren (zoals bij de eigen woning of openbare speelplaatsen). Uitgangspunt locaties risicobeoordeling: individuele of gezamenlijke beoordeling van tuinen zoals genoemd in tabel 4.1, uitsluitend blootstelling vanuit de onderzochte locatie 4.1.2
Bodemgebruik
Door VanderHelm is een inventarisatie van het gebruik van de tuinen uitgevoerd. Daarnaast zijn door TAUW via Cyclomedia Streetsmart luchtfoto’s van de locatie bestudeerd. Hieruit blijkt dat het complex voornamelijk een verblijfsrecreatieve functie heeft. Binnen het complex van de volkstuinvereniging zijn overnachtingen toegestaan gedurende een deel van het jaar. De geïnventariseerde tuinen variëren in grootte van circa 189 m2 tot 327 m2. Op alle tuinen is een huisje/schuurtje aanwezig waarvan de gemiddelde oppervlakte circa 25 m2 betreft (zie bijlage 4).
11/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Met betrekking tot de verhardingen zijn over het algemeen tegels aanwezig, waarvan de verhardingen circa 8 tot 162 m2 (circa 4 % tot 59 %) in beslag nemen, exclusief de huisjes/schuurtjes. Er is op enkele percelen een kleine kas of een moestuin aanwezig. Op de elf individueel te beoordelen tuinen is de maximale grootte van de kas 6,7 m2. Binnen in de kassen is een wisselende oppervlakte verhard met tegels. Het gebruik van de kassen is niet nader onderzocht; er kunnen voedselgewassen in worden geteeld (al dan niet in de volle grond), maar ook bloemen, en/of de kas wordt voor opslag gebruikt. Van de elf tuinen is alleen in tuin 110 een moestuin aanwezig, deze heeft een oppervlakte van circa 40 m2 (17 %). De oppervlaktes van de tuinen zijn te klein om het blootstellingsscenario ‘moestuinen en volkstuinen’6 te rechtvaardigen. Als richtlijn om ‘volledig’ als moestuin te kunnen dienen, geldt een minimale oppervlakte van circa 200 m2 in gebruik als moestuin7. Het blootstellingsscenario ‘wonen met tuin’ is gezien de verblijfsfunctie en de siertuinen voor alle gebruikseenheden (percelen/tuinen) binnen de volkstuinvereniging het best passend. Daarbij wordt ook reeds rekening gehouden met de aanwezigheid van een kleine moestuin waaruit gewassen worden geconsumeerd door de bewoners. Wij gaan ervan uit dat er in alle tuinen kinderen kunnen spelen.
Uitgangspunt voor blootstellingsscenario: ‘wonen met tuin’, waarbij kinderen aanwezig kunnen zijn 4.1.3 Bodemtraject De verontreiniging komt voor op verschillende dieptes. Er ligt een bodemlaag van circa 0,5 m dik bovenop de stortlaag. Binnen deze bodemlaag valt op dat de gehalten in de laag 0-0,3 m -mv wat lager zijn dan in de laag van 0,3-0,5 m -mv. Er moet dus een keuze worden gemaakt van welke bodemlaag de gehalten worden gebruikt in de risicobeoordeling. In paragraaf 4.1.2 is al geconcludeerd dat het bodemgebruik is te typeren als wonen met tuin. De tuin is voornamelijk siertuin, er wordt daarom aangenomen dat er minder gegraven wordt in de bodemlagen dieper dan 0,3 m-mv. Slechts incidenteel zal bij de herinrichting van de tuin of het planten van een boom of struik dieper gegraven worden. Uit informatie van het bestuur van de volkstuinvereniging blijkt dat een volkstuin gemiddeld eens per 20 jaar van eigenaar wisselt (Per jaar wisselen gemiddeld 10 huisjes van eigenaar op 208 huisjes). Op de vraag of in algemene zin is in te schatten in hoeverre nieuwe gebruikers de tuin herinrichten is het antwoord: Nee, niet echt. Een tuin wordt vaak overgenomen als de tuin aanspreekt. In incidentele gevallen gebeurt dit wel.
6
Zoals opgenomen in de risicotoolbox, gebaseerd op: ‘NOBO:Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007’, RIVM, December 2008 7 NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling, Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007, Ministerie van VROM, December 2008
12/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Omdat het bodemgebruik naar verwachting voornamelijk in de toplaag van 0-0,3 m plaatsvindt, en graafwerkzaamheden (bij eventuele herinrichting) niet vaak lijken plaats te vinden, kiezen wij om te rekenen met de gegevens van de laag van 0-0,3 m -mv. De gegevens van diepere bodemlagen worden voor de bepaling van gezondheidsrisico’s van lood buiten beschouwing gelaten. Op 17 februari 2023 hebben wij telefonisch contact opgenomen met RIVM om bovengenoemde redenering te toetsen. De conclusie van RIVM was dat de keuze voor het beoordelen van alleen de toplaag past binnen de systematiek van Sanscrit, mits deze keuze goed is onderbouwd. TAUW is van mening dat met bovengenoemde onderbouwing een realistisch en verantwoord uitgangspunt wordt gehanteerd. Uitgangspunt bodemlaag: wij gebruiken gezien de gebruiksdiepte van de bodem de gehalten in de toplaag van 0-0,3 m -mv voor het bepalen van de blootstelling 4.1.4
Gebruikte meet- en analyseresultaten
In het onderzoek door VanderHelm zijn XRF-metingen op de onderzoekslocatie uitgevoerd. Hoofdstuk 5 van het rapport van VanderHelm bevat gemiddelden per tuin en bodemlaag, maar ook de meetresultaten per boorpunt. Voor het gemiddelde met XRF gemeten loodgehalte van tuin 121, laag 0,3-0,5 m -mv geldt dat dit in het rapport van VanderHelm niet juist is gemiddeld. Het gemiddelde gehalte moet zijn 813 in plaats van 610 mg/kg d.s. Voor laag 0,3-0,5 m -mv in tuin 120 geldt dat dit 522 is in plaats van 391 mg/kg d.s. Deze gecorrigeerde gehalten zijn in de risicobeoordeling aangehouden (zie bijlage 5). Daarnaast heeft VanderHelm 11 laboratoriumanalyses uitgevoerd op het standaardpakket voor grond (deels aangevuld met analyses op bestrijdingsmiddelen en/of PFAS). Van deze monsters betreffen drie de stortlaag, maar omdat dit vanwege een hoog percentage bodemvreemd materiaal volgens de Wet bodembescherming niet als bodem wordt gezien, zijn deze gegevens niet gebruikt in de risicoanalyses. Er zijn van de toplaag (0-0,3 m -mv) resultaten uit vijf analyses beschikbaar en van de laag tussen de toplaag en de stortlaag (0,3-0,5 m -mv) drie (zie tabel 4.2). De gehalten zijn ook opgenomen in bijlage 5. In bijlage 3 is de ligging van de monsternamelocaties voor de grondmonsters door ons op een kaart uit het rapport van VanderHelm weergegeven.
Tabel 4.2 Gebruikte resultaten van chemische laboratoriumanalyses (uit onderzoek VanderHelm) en motivatie Monster
Tuin
Traject
In risicobeoordeling
Reden niet meegenomen
#
163
0-0,3
Nee
Geen onderdeel van groep 11 tuinen
#
3102
95
0-0,3
Ja
-
4
96
0-0,3
Ja
-
4
96
0,3-0,5
Ja
-
6
113
0,5-1,0
Nee
Stortlaag
9
112
0,3-0,5
Nee
Geen onderdeel van groep 11 tuinen
13
97
0,5 – 1,5
Nee
Stortlaag
15
97
0-0,3
Nee
Geen onderdeel van groep 11 tuinen
20
naast 93*
0-0,3
Ja
-
3074
13/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Monster
Tuin
Traject
In risicobeoordeling
Reden niet meegenomen
22
93
0,3-0,5
Ja
-
23
93
0,4-1,2
Nee
Stortlaag
* Als representatief voor tuin 93 beschouwd #
Betreft een mengmonster van 4 deelmonsters
De beoordeling voor humane risico’s is uitgevoerd voor de parameters die op basis van de laboratoriumanalyses de interventiewaarde overschreden. Dit zijn naast lood ook koper, nikkel, zink en barium. De interventiewaardeoverschrijding door barium wordt in het rapport van VanderHelm niet expliciet benoemd. De reden hiervoor is dat de norm voor barium tijdelijk is ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, zoals een stortplaats, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg d.s. Deze norm wordt overschreden in monsters 20(1) en 22(2). Deze gehalten komen in de onderzochte monsters samen voor met sterk verhoogde gehalten aan koper, lood en zink. Uit de analyses van het stortmateriaal blijkt dat ook daar hoge bariumgehalten in voor komen. Ons inziens is de bron van de verhoogde bariumgehalten antropogeen (het stortmateriaal) en moet deze parameter worden meegenomen in de risicobeoordeling.
Voor een zo representatief mogelijk loodgehalte is gerekend met een gemiddelde van zowel het resultaat van de XRF-metingen als de laboratoriumanalyses (voor zover er resultaten van laboratoriumanalyses beschikbaar zijn voor de te beoordelen tuinen). Er is daarin aan de resultaten van de XRF-metingen per boorpunt een gelijk gewicht toegekend als aan een chemische analyse. Voor de overige parameters (koper, nikkel, zink en barium) wordt het gemiddelde van de resultaten van de chemische analyses gebruikt. De beoordeling met Sanscrit vraagt ook om het organisch stofgehalte. Deze parameter is in het model echter niet van invloed op de beschikbaarheid van metalen of anorganische stoffen en daarom in de huidige beoordeling niet relevant. Ten behoeve van eventuele toetsing aan andere parameters hebben wij het gemiddelde lutum- organisch stofgehalte bepaald. Hiervoor is het gemiddelde gebruikt van alle resultaten van de op de grondmonsters uitgevoerde chemische analyses. Er is daarbij geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende bodemlagen of ligging van de boorpunten (binnen of buiten de elf tuinen). De stortlaag is geen bodem, deze monsters zijn daarom niet meegenomen. Het gemiddelde organisch stofgehalte is 9,8 %. Het lutumgehalte is gemiddeld 19,6 %.
14/26
Kenmerk
4.2
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Uitgangspunten specifiek voor module diffuus lood
4.2.1 Gewasconsumptie De blootstelling aan lood is een combinatie van het binnenkrijgen van verontreinigde gronddeeltjes en het eten van gewassen die lood uit de bodem hebben opgenomen. Bij de gebruiksfunctie ‘wonen met tuin’ wordt de blootstelling (aan lood) grotendeels bepaald door grondingestie. Doordat in het model standaard rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van een kleine moestuin draagt gewasconsumptie ook in beperkte mate bij aan de blootstelling. De mogelijke gezondheidsrisico’s van eten uit de tuin hangen af van de volgende factoren: Soort gewas Hoeveel wordt ervan gegeten Wie eten ervan Voor gewasconsumptie bij de gebruiksfunctie ‘wonen met tuin’ wordt standaard gerekend met een consumptie van 10 % bladgewassen en 10 % knolgewassen uit eigen tuin (overige gewassen zoals fruit, peulvruchten, tomaten en aardappelen nemen geen noemenswaardig lood op uit de bodem). Dit zou betekenen dat jaarlijks gedurende 5 weken alleen blad- en knolgewassen uit eigen tuin worden geconsumeerd. Knolgewassen zijn rode biet, wortel, knolselderij, raap, radijs, winterpeen. Bladgewassen zijn sla, andijvie, spinazie, witlof, bofingestieerenkool.
Gezien het ontbreken of de zeer beperkte oppervlakte van de moestuinen in tien van de elf individueel te beoordelen tuinen, hebben wij gekozen dit bij te stellen naar een meer realistische consumptie van maximaal 5 % bladgewassen en 5 % knolgewassen. Ook voor de beoordeling van de tuinen met matige en overige tuinen met onvoldoende kwaliteit, wordt uitgegaan van een consumptie van maximaal 5 % bladgewassen en 5 % knolgewassen. Alleen voor individueel te boordelen volkstuin 110, waar een moestuin van 40 m2 aanwezig is, is wel de standaardinstelling van 10 % bladgewassen en 10 % knolgewassen gehanteerd. Dit is desondanks waarschijnlijk een overschatting. Uitgangspunt voor gewasconsumptie: 10 % consumptie van blad- en knolgewassen bij één tuin (nummer 110), 5 % consumptie van blad- en knolgewassen bij overige tuinen 4.2.2
Relatieve biobeschikbaarheid
De relatieve biobeschikbaarheid is de hoeveelheid lood die in de bloedbaan terecht kan komen bij inname van loodhoudende grond. Een ander deel van het lood blijft gehecht aan gronddeeltjes en verlaat via de darmen het lichaam. Uit een studie van RIVM8 blijkt dat er een relatie is tussen de biobeschikbaarheid en het organisch stofgehalte van de bodem. Op basis van de RIVM in-vitro dataset is een biobeschikbaarheid van 0,74 vastgesteld voor bodems met een organisch stofgehalte van kleiner dan 20 %. Voor bodems met een organisch stofgehalte boven de 20 % is een biobeschikbaarheid van 0,36 vastgesteld.
8
Oomen, A.G., Brandon, E.F.A., Swartjes, F.A., Sips, A.J.A.M. (2006). How can information on oral bioavailability improve human health risk assessment for lead-contaminated soils? RIVM report 711701042
15/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
VanderHelm heeft van de bovengrond negen monsters geanalyseerd op lutum en het organisch stofgehalte. Het hoogst gemeten organisch stofgehalte is 14,7 %. Dit is lager dan 20 % waardoor met een biobeschikbaarheid van 0,74 kan worden gerekend. Uitgangspunt voor biobeschikbaarheid: standaardwaarde van 0,74 hanteren 4.2.3
Grondingestie en contactdagen
De volkstuinen zijn niet geheel verhard. Bij het gebruik van de tuin is daardoor blootstelling aan de grond mogelijk. In het model wordt er rekening mee gehouden dat een gedeelte van de blootstelling inpandig plaatsvindt doordat grond mee naar binnen wordt gelopen. Aangezien in alle volkstuinen verblijfspanden aanwezig zijn handhaven we dit uitgangspunt. Van het bestuur van de volkstuinvereniging is informatie verkregen (per e-mail via de gemeente op 9 februari 2023) over de bezoekfrequentie van de tuinen. Hiermee is ingeschat of de tuinen mogelijk minder bezocht worden dan een standaardtuin bij een eigen huis. Het bestuur zegt hierover: Dit is lastig weer te geven omdat er veel variabelen zijn. Werkt men nog of is men gepensioneerd; is er sprake van een siertuin of al dan niet gedeeltelijke moestuin. Blijft men wel of niet overnachten in de zomer. Dit varieert derhalve van dagelijks tot eenmaal in de week. Aanname is gemiddeld 60 % (rond de 200 dagen of dagdelen). Uit deze informatie blijkt dat er een flinke spreiding zit in de bezoekfrequentie. Een hogere bezoekfrequentie wordt verwacht bij oudere tuinbezitters. Het is aannemelijk dat gezinnen met kinderen wat aan de onderkant van de geschatte range zitten. Daarnaast omvat de schatting ook dagdelen, waardoor de netto aanwezigheid sowieso lager is dan 200 dagen.
De standaard gehanteerde jaargemiddelde grondingestie bij het gebruik ‘wonen met tuin’ in het risicomodel gaat uit van 125 contactdagen per jaar voor kinderen. (Een ‘contactdag’ is het netto deel van de dag dat er contact met de grond is. Het overige deel van de tijd is er geen contact vanwege slapen of aanwezigheid op een andere plek. Het aantal contactdagen is dus per definitie lager dan het aantal aanwezigheidsdagen). Gezien de bezoekfrequentie hanteren wij daarom als uitgangspunt dat de tuinbezitters hun tuin even intensief gebruiken als wanneer de tuin bij een woning zou zijn gelegen. Wij hanteren daarom in onze berekening de bij de gebruiksfunctie ‘wonen met tuin’ standaard 125 contactdagen. Wij hebben deze specifieke situatie voorgelegd aan RIVM en op 6 april 2023 schriftelijk antwoord gekregen dat het verdedigbaar [is] om hier voor het bodemgebruik ‘Wonen met tuin’ te kiezen gezien de aard van het gebruik. Een verdere reductie van het aantal contactdagen lijkt me dan weer minder goed verdedigbaar, aangezien tegenover de geringere bezoekfrequentie staat dat je mag verwachten dat de gebruikers van deze percelen actiever tuinieren en spelen in de tuin dan een gemiddelde huiseigenaar.
16/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Gedurende de contactdagen vindt de daadwerkelijke blootstelling plaats. De intensiteit van de blootstelling, uitgedrukt in hoeveelheid grondingestie per dag, laten wij op de standaardwaarde van 100 mg/dag staan. Uitgangspunt voor grondingestie en contactdagen: Standaard aantal van 125 modelmatige contactdagen. De dagelijkse grondingestie blijft staan op de standaardwaarde
4.3
Uitgangspunten specifiek voor beoordeling humane risico’s Sanscrit
Deze beoordeling is uitgevoerd op alle aangetroffen verontreinigingen. In de beoordeling met Sanscrit moet worden aangegeven of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op basis van de gegevens (en ondanks een onvolledige onderbouwde gevalsdefinitie) is daar sprake van, in de grond als gevolg van overschrijding van de interventiewaarde in meer dan 25 m3 grond. Er is geen sprake van een geval van ernstige verontreiniging in het grondwater omdat de interventiewaarde niet wordt overschreden. In enkele specifieke situaties kan bij gehalten onder de interventiewaarden ook sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Dit geldt voor de zogenaamde gevoelige situaties: Moestuin (niet van toepassing op de onderzochte volkstuinen omdat het gebruik daarvan
voornamelijk siertuin is ) Plaatsen waar vluchtige verbindingen aanwezig zijn in het grondwater in combinatie met hoge grondwaterstanden en/of in de onverzadigde bodem onder bebouwing Plaatsen waar sprake is van gewasconsumptie en waar een verontreiniging met PCB’s in de contactzone aanwezig is
Er is op de huidige locaties geen sprake van een gevoelige situatie Uitgangspunt ernst en gevoelige situatie: er is op de huidige locatie sprake van een ernstige verontreiniging in de grond, maar niet van een gevoelige situatie
5 Uitgangspunten bepaling ecologische risico’s met Sanscrit 5.1
Diepte verontreiniging
De verontreiniging bevindt zich geheel of ten dele in de bovenste meter van de onbedekte bodem.
5.2
Gebiedstype
In Sanscrit kan voor de ecologische risicobeoordeling uit drie gebiedstypen worden gekozen: Gevoelig [Natuur] Matig gevoelig [Wonen met (moes)tuin, plaatsen waar kinderen spelen, groen met
natuurwaarden, Landbouw] Relatief ongevoelig [Ander groen, infrastructuur, bebouwing en industrie]
17/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Gezien het gebruik van de volkstuincomplex (zie paragraaf 4.1.2) is het gebiedstype ‘matig gevoelig’ het best passend. Er kunnen bij dit gebiedstype ecologische risico’s optreden wanneer de toxische druk voor een oppervlakte van 500 m2 de 65 % overschrijdt, of wanneer voor een oppervlakte van 5.000 m2 de toxische druk de 25 % overschrijdt. De toxische druk is een maat voor de verwachte effecten van een gehalte van een stof, of een mengsel van stoffen, op het ecosysteem. Een toxische druk van 50 % betekent dat 50 % van verschillende plant- en diersoorten in het gebied enig effect ondervindt van de verontreinigingen in de grond.
5.3
Oppervlakte ten behoeve van beoordeling van ecologisch risico
Als oppervlakte is in de ecologische risicobeoordeling de totale oppervlakte van de elf tuinen gehanteerd (zie tabel 5.1). Tabel 5.1 Oppervlaktes elf tuinen Tuin
Oppervlakte (m2)
Verhard (m2)
95 (1100)
228
54
96 (1101)
200
22
94 (1099)
237
43
93 (1098)
223
44
87
218
86
88 (7)
229
105
92 (9)
247
59
99
191
39
h109
236
44
110
238
64
121
221
29
TOTAAL (t.b.v. ecologische risicobeoordeling)
2.468
589
De gezamenlijke oppervlakte van de elf tuinen is 2.468 m2. Hierbinnen zijn 5 analyses op grond uitgevoerd (zie tabel 4.2). Hiervan zijn twee analyses op monsters uit hetzelfde boorpunt uitgevoerd (boorpunt 4) en is er één een mengmonster (3102) samengeteld uit vier deelmonsters in één tuin (tuin 1100). In bijlage 2 is op een kaart aangegeven waar de monsters zijn genomen. Er is op de kaart zichtbaar dat de chemische analyses voornamelijk zijn uitgevoerd op monsters die aan de westzijde van het terrein zijn genomen. Voor het doel van de risicobeoordeling is dit niet erg representatief. Na berekening van de toxische druk per boorpunt moet het terrein namelijk ten behoeve van de risicobeoordeling worden verdeeld in gebieden met een verschillende toxische druk (TD > 25 % en TD > 65 %). Dat is met de ruimtelijke spreiding en beperkte gegevens niet goed mogelijk. Om toch een uitspraak te kunnen doen over de ecologische risico’s is elke chemische analyse representatief gesteld voor een kwart van het totale oppervlak van de tuinen (er is gekozen voor een kwart omdat twee van de vijf chemische analyses zijn uitgevoerd op monsters uit hetzelfde boorpunt). De representatieve oppervlakte per chemische analyse is daarmee 617 m2. Er is daarbij geen rekening gehouden met aanwezige verhardingen, waardoor er in feite sprake is van een overschatting.
Indien alleen onverhard oppervlakte wordt meegeteld is dit 470 m2.
18/26
Kenmerk
5.4
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Gebruikte meet- en analyseresultaten
De ecologische risico’s zijn bepaald voor de elf tuinen waarvoor in het onderzoek van Vanderhelm is geconcludeerd dat deze sterk verontreinigd zijn. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de resultaten van zowel de chemische analyses (zie ook tabel 4.2) uit het onderzoek, als de XRFresultaten voor lood in deze tuinen. De ecologische risicobeoordeling kan alleen worden uitgevoerd indien ook de resultaten van de chemische analyses worden meegenomen omdat eventuele risico’s het gevolg zijn van combinatietoxicologie. Oftewel, als alleen een loodgehalte wordt ingevoerd zijn er geen risico’s. Zowel de resultaten voor de laag van 0-0,3 m -mv als de laag van 0-0,5 m -mv zijn meegenomen. De analyseresultaten van de stortlaag zijn uitgesloten omdat dit geen bodem betreft. Er zijn vijf chemische analyses meegenomen in de beoordeling van de ecologische risico’s. De loodgehalten uit de chemische analyse zijn eerst gemiddeld met de loodgehalten uit de XRF-metingen in de betreffende tuin en bodemlaag. De gehanteerde gehalten zijn opgenomen in bijlage 6. Voor meerdere stoffen ligt de rapportagegrens op een niveau waarop de tool voor de berekening van de toxische druk een effect oplevert. Ook de vaak gehanteerde regel om dan de helft van de rapportagegrens te hanteren kan een betekenisloos resultaat opleveren.
Wanneer namelijk een breed pakket stoffen is geanalyseerd, waarbij er meerdere stoffen onder de rapportagegrens liggen, kan iedere individuele rapportagegrens (zelfs na eventuele halvering) enkele procenten toxische druk opleveren zonder dat er een stof gemeten is. Opgeteld over alle stoffen onder de rapportagegrens kan dit ongemerkt tot een significante (maar betekenisloze) bijdrage aan de mengsel-toxische druk leiden. Daarom worden bij het analyseren van de toxische druk alle analyses onder de detectiegrens uit de dataset verwijderd. Het betreft in dit geval PCB’s, het merendeel van de geanalyseerde bestrijdingsmiddelen en in één monster naftaleen. De resulterende (mengsel-) toxische druk waarden zijn vervolgens betekenisvol, omdat ze alle zijn gebaseerd op meetbare gehalten.
6 Resultaten risicobeoordeling 6.1
Humane risico’s door lood
Voor de risicobeoordeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd (zie hoofdstukken 3 en 4 voor toelichting en onderbouwing): Bodemgebruik: wonen met tuin waarbij kinderen aanwezig kunnen zijn
Bodemcontact is mogelijk; 125 contactdagen per jaar Relatieve biobeschikbaarheid: 0,74 Gemiddelde loodgehalten (XRF en chemische analyses) in de bodemlaag 0-0,3 m -mv
Gewasconsumptie 5 %, uitgezonderd tuin 110 met 10 % gewasconsumptie
De gehanteerde gehalten, gewasconsumptie en resultaten (uitdraai van de Module diffuus lood) zijn weergegeven in tabel 6.1 en bijlage 7.
19/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Toets aan MTR-humaan Er is sprake van onaanvaardbare humane risico’s wanneer het maximaal toelaatbaar risico voor de mens (MTR-humaan) wordt overschreden. Bij het gebruikstype ‘Wonen met tuin’ en een 5 % consumptie van eigen gewassen ligt de risicogrenswaarde/MTR-humaan op een loodgehalte in de grond van 554 mg/kg. Tabel 6.1 bevat onder meer de dosis die door het model is berekend bij de locatiespecifieke omstandigheden. In de kolom ‘Fractie MTR lood’ is deze berekende dosis weergegeven als verhouding tot de MTR; als deze groter is dan 1 wordt de MTR-humaan overschreden en is er dus sprake van onaanvaardbare humane risico’s. Dit is het geval in vier van de elf individueel getoetste tuinen (93, 94, 99 en 121). Gezondheidskundige bodemkwaliteit voor lood uitgedrukt in IQ-puntenverlies De kolom ‘IQ-punt verlies’ in tabel 6.1 geeft de door het model berekende IQ-puntverlies bij jonge kinderen (1-7 jaar) weer, wanneer geen maatregelen worden genomen. In de laatste kolom is aan de hand daarvan de Gezondheidskundige bodemkwaliteit voor lood bepaald, waarbij dezelfde normering is gehanteerd als de GGD gebruikt (< 1 IQ-puntenverlies is voldoende kwaliteit, 1-3 IQpuntenverlies is matige kwaliteit, > 3 IQ-puntenverlies is onvoldoende kwaliteit).
Ten aanzien van de gezondheidskundige risicowaarden van de GGD is er in negen tuinen sprake van een onvoldoende bodemkwaliteit voor lood, en in de overige van een matige bodemkwaliteit voor lood. Vergelijking huidige risicobeoordeling met beoordeling VanderHelm De huidige resultaten verschillen van de eerdere beoordeling door VanderHelm. Voor de groep van 7 tuinen met onvoldoende kwaliteit wordt nu een gedeeltelijk andere conclusie getrokken over de gezondheidskundige bodemkwaliteit. Dit komt doordat in de beoordeling door Van der Helm een generieke beoordeling is uitgevoerd waarbij potentiële risico’s zijn geïdentificeerd, terwijl in de huidige beoordeling ook locatiespecifieke aspecten zijn betrokken (zoals de gewasconsumptie). Tabel 6.1 Resultaten risicobeoordeling module diffuus lood Tuin
Loodgehalte
Gewas-
IQ-
Dosis
Fractie
Gezondheidskundige
mg/kg d.s.
consumptie
punt
(µg/kg
MTR
bodemkwaliteit ##
verlies
lg/d)
lood
#
95 (1100)
387
5%
2,9
1,96
0,70
Matig
96 (1101)
421
5%
3,1
2,13
0,76
Onvoldoende
94 (1099)
768
5%
5,3
3,88
1,39
Onvoldoende
93 (1098)
701
5%
5,0
3,54
1,27
Onvoldoende
87
428
5%
3,2
2,16
0,77
Onvoldoende
88
297
5%
2,3
1,50
0,54
Matig
92
450
5%
3,3
2,28
0,81
Onvoldoende
99
624
5%
4,5
3,15
1,13
Onvoldoende
h109
540
5%
3,9
2,73
0,98
Onvoldoende
110
420
10%
3,2
2,17
0,77
Onvoldoende
20/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Tuin
Loodgehalte
Gewas-
IQ-
Dosis
Fractie
Gezondheidskundige
mg/kg d.s.
consumptie
punt
(µg/kg
MTR
bodemkwaliteit ##
verlies
lg/d)
lood
#
121
786
5%
5,3
3,97
1,42
Onvoldoende
7 tuinen met
353
5%
2,7
1,78
0,64
Matig
154
5%
1,2
0,78
0,28
Matig
onvoldoende* kwaliteit 48 tuinen met matige* kwaliteit * Volgens toetsing door VanderHelm door vergelijking van de meetwaarden met de GGD-gezondheidswaarden #
Dit is de berekende dosis gedeeld door de waarde voor MTR-humaan. Dus waar de ‘fractie MTR lood’ groter is dan
1, wordt de MTR-humaan overschreden ##
Op basis van door model berekend IQ-puntenverlies. < 1 IQ-puntenverlies: voldoende kwaliteit, 1-3 IQ-
puntenverlies: matige kwaliteit, > 3 IQ-puntenverlies: onvoldoende kwaliteit
Gezondheidsrisico’s voor volwassenen Bij hogere blootstellingsniveaus kan lood ook negatieve effecten hebben op de gezondheid van volwassenen. Hierbij gaat het om chronisch nierfalen en hart- en vaatziekten. Voor deze effecten gelden verschillende gezondheidskundige grenswaarden, waaronder de effecten verwaarloosbaar zijn: Chronisch nierfalen: 0,63 µg/kg lichaamsgewicht/dag
Hart- en vaatziekten: 1,5 µg/kg lichaamsgewicht/dag
Door de GGD zijn deze waarden met behulp van Sanscrit vertaald naar loodgehalten in de bodem. Voor wonen met tuin (consumptieaandeel 10 % van de groente en aardappelen): 980 mg/kg voor chronisch nierfalen en 2.333 mg/kg d.s. voor hart- en vaatziekten. In het geval van 5 % consumptieaandeel zullen deze waarden nog wat hoger liggen omdat de blootstelling dan lager is. Uit tabel 6.1 valt op te maken dat alle gemiddelde loodgehalten onder de grenswaarde van 980 mg/kg liggen, waardoor de effecten hiervan voor volwassenen verwaarloosbaar zijn.
6.2
Humane risico’s overige stoffen dan lood
Voor de risicobeoordeling op overige stoffen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd (zie hoofdstuk 4 voor toelichting en onderbouwing): Omvang: de 11 door VanderHelm als sterk verontreinigd beoordeelde tuinen Bodemgebruik: wonen met tuin
Organisch stofgehalte: niet relevant Gemiddelde gehalten in de bodemlaag 0-0,3 m -mv (lood is niet inbegrepen omdat hiervoor op tuinniveau met module Diffuus lood is beoordeeld)
Gewasconsumptie: 5 % Er treedt geen hinder op ten gevolge van huidcontact met puur product Er zijn geen gevoelige situaties aanwezig
21/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Tabel 6.2 en bijlage 8 geven de gehanteerde gehalten weer en het resultaat van de toetsing. Er is bij het huidige gebruik geen sprake van onaanvaardbare humane risico’s door andere stoffen dan lood. Tabel 6.2 Gebruikte gehalten risicobeoordeling humane risico’s en resultaten Parameter
Gehalte (mg/kg d.s.)
Onaanvaardbaar humaan risico
Koper
167
Nee
Nikkel
28
Nee
Zink
513
Nee
Barium
517
Nee
6.3
Ecologische risico’s alle stoffen
Voor de risicobeoordeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd (zie hoofdstuk 5 voor toelichting en onderbouwing): Gebruikstype: matig gevoelig
De verontreiniging bevindt zich geheel of ten dele in de bovenste meter van de onbedekte bodem Omvang: de elf door VanderHelm als sterk verontreinigd beoordeelde tuinen, voor zover daar
ook een chemische analyse in is uitgevoerd Oppervlakte: De totale oppervlakte van de elf tuinen is 2.489 m2. Elke chemische analyse is representatief gesteld voor een oppervlakte van 617 m2
Gehanteerde gehalten: Gemiddelde loodgehalten (XRF en chemische analyses) voor bepaling van de ecologische risico’s. Voor overige parameters zijn alleen de gehalten uit de chemische analyses gebruikt
Tabel 6.3 bevat de berekende toxische druk per monster. De gehanteerde gehalten van alle parameters zijn in bijlage 6 opgenomen. Tabel 6.3 Gebruikte gehalten risicobeoordeling ecologische risico’s en resultaten Naam monster
Traject (m -mv)
Resultaat msPAF (toxische druk)
4
0-0,3
54,4 %
4
0,3-0,5
27,9 %
20
0-0,3
62,0 %
22
0,3-0,5
95,9 %
3102
0-0,3
34,0 %
De totale oppervlakte van de elf tuinen is 2.489 m2. Dit oppervlak is lager dan het criterium van 5.000 m2 waarbij ecologische risico’s optreden bij toxische druk van tenminste 25 %. Het criterium van 500 m2 waarbij ecologische risico’s optreden bij toxische druk van tenminste 65 % wordt overschreden als gevolg van de gehalten in monster 22. Als alleen wordt gerekend met het onverhard oppervlak (470 m2 per monster), dan wordt het criterium niet overschreden.
22/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Als gevolg van het aantal en de ligging van de boringen waar monsters voor chemische analyses zijn genomen is het beeld van de verontreinigingssituatie voor andere parameters dan lood echter niet voldoende representatief om een betrouwbare uitspraak te kunnen doen over ecologische risico’s. Gezien de aanwezige gehalten kunnen onaanvaardbare ecologische risico’s niet worden uitgesloten.
6.4
Verspreidingsrisico’s alle stoffen
Er is sprake van immobiele verontreinigingen die niet tot overschrijding van de interventiewaarde in het grondwater leiden, waardoor er geen onaanvaardbare verspreidingsrisico’s zijn. In bijlage 8 is een uitdraai opgenomen van de risicobeoordeling in Sanscrit.
7 Conclusies en aanbevelingen 7.1
Conclusies
In tabel 7.1 zijn de conclusies van de risicobeoordeling samengevat. In vier tuinen is sprake van onaanvaardbare humane risico’s door de blootstelling aan lood. Er zijn geen onaanvaardbare humane risico’s door blootstelling aan andere verontreinigingen dan lood. Er kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van onaanvaardbare ecologische risico’s, gebaseerd op de standaardbeoordeling (stap 2) van Sanscrit. Het bepalen van de ecologische risico’s viel echter buiten de scope van de tot dusver uitgevoerde onderzoeken, die zich met name hebben gericht op blootstelling van jonge kinderen aan lood, waardoor de beschikbare onderzoeksgegevens beperkt zijn. Onaanvaardbare verspreidingsrisico’s zijn er niet. Tabel 7.1 Conclusie risicobeoordeling Type beoordeling
Resultaat
Humane risico’s lood
Er is in vier van de beoordeelde tuinen (93, 94, 99 en 121) sprake van onaanvaardbare humane risico’s door lood indien kinderen aanwezig kunnen zijn
Humane risico’s overige stoffen
Er is geen sprake van onaanvaardbare humane risico’s door andere stoffen dan lood
Ecologische risico’s alle stoffen
Er kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van onaanvaardbare ecologische risico’s
Verspreidingsrisico’s alle stoffen
Er is geen sprake van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s
Spoedeisendheid
Op basis van lood is er sprake van onaanvaardbare humane risico’s en een spoedeisende saneringsnoodzaak. Er is niet uit te sluiten dat er onaanvaardbare ecologische risico’s zijn
23/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Tabel 7.2 bevat de resultaten van de beoordeling met de Sanscrit module diffuus lood. Er is in twee individueel getoetste tuinen en in 55 andere tuinen binnen de stortcontour sprake van een matige gezondheidskundige bodemkwaliteit voor lood (tussen 1 en 3 IQ-puntenverlies voor kinderen van 1-7 jaar). In negen tuinen is sprake van een onvoldoende bodemkwaliteit voor lood (meer dan 3 IQ-puntenverlies voor kinderen van 1-7 jaar) waarvan in vier tuinen onaanvaardbare risico’s zijn. In bijlage 9 zijn de conclusies van de risicobeoordeling op een kaart weergegeven. Tabel 7.2 Conclusie risicobeoordeling module diffuus lood Tuinen
Conclusie gezondheidskundige bodemkwaliteit voor lood
11 individueel beoordeelde tuinen (sterk verontreinigd volgens Vanderhelm)
Tuinen 95 (1100) en 88
Matig
Tuinen 96 (1101), 87, 92, h109 en 110
Onvoldoende
Tuinen 93 (1098), 94 (1099), 99 en 121
Onvoldoende en humane risico’s (zie tabel 7.1)
7 gezamenlijk beoordeelde tuinen met onvoldoende kwaliteit
Matig
(bodemlaag 0-0,3 m-mv) volgens VanderHelm 48 gezamenlijk beoordeelde tuinen met matige kwaliteit
Matig
(bodemlaag 0-0,3 m-mv) volgens VanderHelm
7.2
Aanbevelingen
7.2.1 Aanpak tuinen met matige bodemkwaliteit In een aantal andere tuinen is sprake van een matige bodemkwaliteit, met 1 tot 3 IQ-puntenverlies bij blootstelling door jonge kinderen. Op basis van het GGD-advies streeft de provincie ZuidHolland naar een verlaging van de blootstellingsrisico’s tot maximaal 3 IQ-punten verlies. Omdat voor blootstelling aan lood geen grens is aan te geven waaronder er geen effecten zijn, schrijft de provincie in haar beleid dat het nodig is de blootstelling aan lood voor jonge kinderen zoveel mogelijk te beperken. Gedacht kan worden aan de volgende maatregelen in tuinen met matige bodemkwaliteit: Informeren van de gebruikers over de risico’s van lood. Hiervoor kan informatie van de GGD gebruikt worden (https://ggdleefomgeving.nl/schadelijke-stoffen/lood/), de toolkit van RIVM https://www.rivm.nl/lood-in-bodem), en de site van de provincie Zuid-Holland (https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/ruimte/bodem-ondergrond/letlood/#:~:text=Door%20eeuwenlang%20gebruik%20zit%20er,blootstelling%20aan%20lood%2
0worden%20verminderd). Opvolgen van gebruiksadviezen zoals: Laat kinderen hun handen wassen na het buitenspelen -
Voorkom de verspreiding van gronddeeltjes in huis of tuinhuis door schoenen uit te doen bij het naar binnen lopen en regelmatig te stofzuigen of te dweilen Teelt van gewassen die weinig lood zullen opnemen als peulvruchten en vruchten die niet
-
met de bodem in aanraking komen Goed wassen van geteelde gewassen
24/26
Kenmerk
-
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Gebruik van een zandbak met schoon zand voor jonge kinderen. Eventueel in de vorm van een aantal verplaatsbare bakken binnen de vereniging die door gebruikers met jonge kinderen gedurende een aantal jaren gebruikt kunnen worden, inclusief schoon speelzand. Of door een gezamenlijke kinderspeelplek op te richten met schone grond
Gevarieerd eetpatroon, niet alleen consumptie uit eigen tuin In de diepere bodemlaag (0,3-0,5 m -mv) zijn de gehaltes hoger dan in de toplaag (0-0,3 m mv). Daaronder is stortmateriaal met nog hogere loodgehaltes aanwezig. Bij eventueel gewijzigde omstandigheden (langere verblijftijd, grotere moestuin, graafwerkzaamheden waarbij grond met hogere loodgehalten omhoog komt) zou de blootstelling bij het huidige bodemgebruik nog kunnen toenemen, ook in tuinen binnen de stortcontour waar de gehalten nu nog wat lager zijn. Voor de tuinen bovenop de stort kan daarom een gebruiksbeperking voor graven dieper dan 0,3 m -mv worden afgegeven (contractueel vastleggen). Indien dieper graven toch gewenst is, dan moet dit onder milieukundige begeleiding. Hiermee wordt
vermenging van de schonere bovenlaag met de viezere lagen daaronder voorkomen. Eventueel nemen van maatregelen die gelden bij onvoldoende bodemkwaliteit (paragraaf 7.2.2)
Draag de adviezen over op de volgende gebruiker
7.2.2
Aanpak tuinen met onvoldoende bodemkwaliteit
In vijf tuinen ligt de blootstelling niet boven de risicogrenswaarde voor onaanvaardbare risico’s, maar leidt blootstelling aan lood wel tot meer dan 3 IQ-puntenverlies. Vanuit de provinciale beleidsdoelstelling is een reductie van de blootstelling gewenst in de tuinen waar de huidige bodemkwaliteit onvoldoende is tot meer dan 3 IQ-puntenverlies kan leiden bij jonge kinderen. Gedacht kan worden aan de volgende maatregelen in tuinen met onvoldoende bodemkwaliteit:
Toepassen van de maatregelen en adviezen bij matige bodemkwaliteit (paragraaf 7.2.1) Het aanbrengen van een dunne laag schone grond op de onverharde delen van de tuin om direct contact met de verontreinigde grond te verminderen
Teelt van gewassen voor consumptie in bakken of in een halve meter schone grond. Er kan eventueel worden afgesproken dat binnen het complex of binnen een individuele tuin een vaste plek voor de moestuin wordt gehanteerd
Eventueel nemen van permanente maatregelen die gelden bij onaanvaardbare risico’s (paragraaf 7.2.3)
7.2.3 Aanpak tuinen met onaanvaardbare risico’s Volgens de uitgevoerde risicobeoordeling leidt de bodemverontreiniging in vier tuinen tot onaanvaardbare humane risico’s door blootstelling aan lood. Vanwege de aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s is aanpak van de verontreiniging binnen deze tuinen spoedeisend, dat wil zeggen binnen 4 jaar nodig conform de Wet bodembescherming. Volgens de provinciale beleidsregel zal de provincie bij aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s op volkstuincomplexen in samenspraak met de gemeente en/of eigenaar direct maatregelen nemen om blootstelling aan bodemlood weg te nemen. In de tussentijd worden tijdelijke beveiligingsmaatregelen aanbevolen.
25/26
Kenmerk
R001-1289802EWC-V04-bko-NL
Gedacht kan worden aan de volgende tijdelijke beveiligingsmaatregelen:
Het instellen van een tijdelijke gebruiksbeperking voor kinderen voor de tuinen met onaanvaardbare risico’s, zowel voor betreding als gewasconsumptie Wegnemen van blootstelling door een aantal fysieke maatregelen
Gedacht kan worden aan de volgende permanente oplossingen (deze moeten nader worden uitgewerkt, kosten en baten tegen elkaar worden afgewogen, getoetst worden bij het bevoegd gezag en contractueel met eigenaar/gebruikers worden vastgelegd): Permanente gebruiksbeperking voor kinderen, zowel voor betreding als gewasconsumptie Herinrichten van de tuin zodanig dat kinderen niet meer blootgesteld kunnen worden aan
verontreinigde grond Aanleg van een schone leeflaag of gehele verwijdering van de verontreiniging waardoor de tuinen weer duurzaam geschikt zijn voor gebruik door kinderen (dit kan ook op een later
moment indien een lichtere maatregel tussentijds al risico’s wegneemt) Beëindigen van de huidige functie ter plaatse van de meest verontreinigde tuinen binnen de stortcontour, en vervangen voor een functie waarbij de blootstellingsrisico’s er niet zijn
7.2.4 Mogelijke ecologische risico’s In dit stadium is niet met zekerheid te zeggen of er sprake is van onaanvaardbare ecologische risico’s. Hiervoor is in eerste instantie aanvullend bodemonderzoek nodig. Indien er dan na een standaardbeoordeling nog steeds sprake is van onaanvaardbare risico’s, zou een expertbeoordeling van risico’s kunnen plaatsvinden (stap 3). Hierin wordt een van onderstaande opties gekozen: Stap 3a - een gestructureerde maatschappelijk afweging om vast te stellen of het zinvol is om vervolgonderzoek uit te voeren en hier de eindconclusie op te baseren of om zonder
vervolgonderzoek de keuze te maken tussen wel of geen noodzaak tot sanerings- en beheermaatregelen Stap 3b - uitvoeren van een locatiespecifiek onderzoek bestaande uit bijvoorbeeld een Triadeonderzoek. Met een Triade-onderzoek worden gegevens van de locatie verzameld betreffende de aanwezige verontreinigingen, de beschikbaarheid van de verontreinigingen voor het ecosysteem, de effecten op organismen die in het veld te zien zijn en de effecten op organismen die de verontreinigingen onder standaard laboratoriumomstandigheden laten zien. Een Triade-onderzoek geeft veel informatie over de daadwerkelijke risico’s voor het ecosysteem. Tevens is deze informatie waardevol bij het ontwikkelen van saneringsopties
Mocht het zo zijn dat er op basis van ecologische risico’s een sanering nodig is, dan zou deze gecombineerd kunnen/moeten worden met de aanpak van de humane risico’s.