CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept Plan van Aanpak Omgevingsvisie Rijswijk college

Forum Stad 7 maart 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel afdeling 3.4 van de Awb toe te passen voor het besluit indien verzoek tot onteigening Pasgeld-West (RV 23-007)11.014 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

18 januari 2023 – Ter bespreking in het college van burgemeester en wethouders

Inhoudsopgave Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie gemeente Rijswijk....... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Managementsamenvatting.................................................................................................................... 3 1.

2.

Inleiding........................................................................................................................................ 4 1.1.

Doel ..................................................................................................................................... 4

1.2.

Totstandkoming van dit Plan van Aanpak ........................................................................... 4

1.3.

Context – wettelijk kader Omgevingswet .......................................................................... 5

1.4.

Invoeringstraject in de gemeente Rijswijk ........................................................................... 7

Inhoudelijke scope, inclusief reikwijdte en detailniveau .............................................................. 9 2.1.

Inleiding ................................................................................................................................ 9

2.2.

Integratie van thema’s.......................................................................................................... 9

2.3.

Reikwijdte en detailniveau van de omgevingsvisie............................................................. 12

2.4.

Beleidscyclus: uitvoering, monitoring en evaluatie ............................................................ 13

3.

Vorm (eind)product .................................................................................................................. 16

4.

Proces en organisatie ................................................................................................................ 18

5.

6.

7.

4.1.

Inleiding .............................................................................................................................. 18

4.2.

Stappenplan om te komen tot een omgevingsvisie ........................................................... 18

4.3.

Rol gemeentebestuur tijdens het proces .......................................................................... 21

4.4.

Werkstructuur ambtelijke organisatie .............................................................................. 22

Integratie van de milieueffectrapportage ................................................................................... 24 5.1.

Inleiding .............................................................................................................................. 24

5.2.

Keuze voor milieueffectrapportage ................................................................................... 24

5.3.

Stappenplan integratie milieueffectrapportage .................................................................. 25

Participatie ................................................................................................................................. 27 6.1.

Inleiding .............................................................................................................................. 27

6.2.

Participatiepartners ........................................................................................................... 28

6.3.

Gewenste participatiecategorie per fase ........................................................................... 29

6.4.

Spel en spelregels bij participatie....................................................................................... 30

Planning en budget ..................................................................................................................... 32 7.1.

Inleiding .............................................................................................................................. 32

7.2.

Beoogde planning............................................................................................................... 32

7.3.

Beoogd budget................................................................................................................... 32

Bijlage I – doelgroepen regionale ketenpartners en maatschappelijke organisaties ......................... 33 Bijlage II – voorstel participatiestrategie ........................................................................................... 34

2 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Managementsamenvatting In de Omgevingswet is bepaald dat iedere gemeente voor het gehele eigen grondgebied een omgevingsvisie moet hebben. De omgevingsvisie vormt de leidraad voor de inrichting van de fysieke leefomgeving voor de lange termijn. De wereld is continu in verandering, onder andere op sociaal, economisch en klimatologisch vlak. Er komen allerlei trends en ontwikkelingen op de gemeente af. De kwaliteit van het leven in de stad hangt af van de manier waarop we inspelen op dergelijke veranderingen. De omgevingsvisie moet tegen deze achtergrond helder aangeven waar als gemeente Rijswijk naartoe willen en een richtinggevend kader bieden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit Plan van Aanpak is bedoeld om voor de start van het omgevingsvisietraject (vanaf begin 2023) eerst ambtelijk en bestuurlijk de kaders en ambities te stellen voor het proces, de participatie en de inhoud van de omgevingsvisie.

De grootste inhoudelijke uitdaging is om in de omgevingsvisie integraal antwoord te geven op de vraag ‘hoe houden we de stad Rijswijk leefbaar in de toekomst?’ Met andere woorden: Hoe sturen we met de verdichting en bevolkingsgroei op een prettige, groene stad waar het fijn wonen, werken en verblijven is? Welke (ruimtelijke) kaders geven we mee voor de verstedelijking van Rijswijk, gericht op het toevoegen van kwaliteit? Het is de wens de omgevingsvisie, zowel gemeentebreed als gebiedsgericht, samen met de samenleving en onze (samenwerkings-)partners op te stellen. Dit doen we aan de hand van het volgende proces, waarbij we ook een m.e.r.-procedure zullen doorlopen.

3 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

1. Inleiding 1.1. Doel De inwerkingtreding van de Omgevingswet – 1 juli 2023 – komt steeds dichterbij. In deze wet is bepaald dat iedere gemeente voor het gehele eigen grondgebied een omgevingsvisie moet hebben (zie voor de uitleg van de wet paragraaf 1.3). Het is de bedoeling dat elke gemeente vóór 1 januari 2025 die omgevingsvisie heeft vastgesteld. De omgevingsvisie vormt de leidraad voor de inrichting van de fysieke leefomgeving voor de lange termijn. De wereld is continu in verandering, onder andere op sociaal, economisch en klimatologisch vlak. Er komen allerlei trends en ontwikkelingen op de gemeente af. De kwaliteit van het leven in de stad hangt af van de manier waarop we inspelen op dergelijke veranderingen. Dit vraagt om een andere kijk op de inrichting van de fysieke leefomgeving. Het betekent ook dat we, zelfs als we vinden dat Rijswijk mooi is zoals het is, nog aan de slag moeten om te zorgen dat het zo blijft. Kortom, deze omgevingsvisie moet helder aangeven waar de gemeente Rijswijk naartoe wil, waarbij de bestaande kwaliteiten het vertrekpunt vormen. De omgevingsvisie is daarmee het richtinggevende kader voor ruimtelijke ontwikkelingen. De omgevingsvisie is vorm- en procedurevrij. Er zijn dus volop mogelijkheden om er een eigen Rijswijkse invulling aan te geven.

Besloten is om voor de start van het omgevingsvisietraject zelf (vanaf begin 2023), eerst ambtelijk en bestuurlijk goed na te denken over de kaders en ambities voor het proces, participatie en de inhoud van de omgevingsvisie. De uitkomsten van dit proces zijn in dit Plan van Aanpak vastgelegd, met de volgende onderwerpen: - de inhoudelijke scope van de omgevingsvisie (incl. reikwijdte en detailniveau); - de vormgeving van het (eind)product; - de integratie van de milieueffectrapportage; - het proces, inclusief invulling van de participatie, om tot een omgevingsvisie te komen. Hiermee biedt het Plan van Aanpak de sturende principes voor het omgevingsvisietraject. Daarnaast geeft het Plan van Aanpak een eerste overzicht van de inhoudelijke thema’s die in ieder geval moeten landen in de omgevingsvisie.

1.2. Totstandkoming van dit Plan van Aanpak De inhoud van dit Plan van Aanpak voor de omgevingsvisie is tot stand gekomen aan de hand van werksessies met een ambtelijke projectgroep en brede projectgroep. De verschillende keuzes en aanbevelingen voor inhoud, vorm en proces zijn ambtelijk voorbereid en vervolgens besproken met de wethouders en raadsleden. Dit is mede gedaan aan de hand van een mengpaneel, waarbij per onderwerp tussen twee uitersten gekozen kon worden. De uitkomsten van dit mengpaneel zijn opgenomen. Ook zijn relevante documenten geraadpleegd, zoals het Programma Stadsontwikkeling. Op basis van alle aanbevelingen zijn keuzes gemaakt over de aanpak van de gemeente Rijswijk over de inhoud, vorm en proces van de omgevingsvisie.

4 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

1.3. Context – wettelijk kader Omgevingswet Eén nieuwe wet voor de fysieke leefomgeving De Omgevingswet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder meer om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Omgevingswet regelt daarmee het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Daarvan maken gezondheid, duurzaamheid en veiligheid ook deel uit. De wetgever stimuleert om inwoners, bedrijven en lokale/regionale partners via participatie zoveel mogelijk te betrekken bij de beleidsvorming- en uitvoering en bij ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingswet staat voor een goed evenwicht tussen het beschermen en benutten van onze leefomgeving onder het motto ‘ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit (van de leefomgeving)’. De kwaliteit van de leefomgeving staat nu centraal in plaats van een goede ruimtelijke ordening. Er zijn straks minder, maar overzichtelijker regels, en er is meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk (zie afbeelding 1.1.). De integrale afweging van initiatieven en het geven van vertrouwen zijn sleutelbegrippen. Het doel en de meerwaarde van een ontwikkeling moet centraal staan in plaats van de vraag: ‘mag het wel?’ Dit vraagt om een andere denk- en werkwijze van de gemeente.

Afbeelding 1.1.: De vier verbeteringen van de Omgevingswet (Omgevingswetportaal, 2017)

Kerninstrumenten Omgevingswet De Omgevingswet bevat zes ‘kerninstrumenten’ waarmee overheden de doelen van de wet in de praktijk kunnen brengen (zie afbeelding 1.2.). Eén van de (verplichte) instrumenten voor gemeenten is de omgevingsvisie. De omgevingsvisie bevat het strategische, integrale langetermijnbeleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de voorgenomen ontwikkelrichting voor de toekomst. Zoals gezegd maken nieuwe thema’s zoals klimaatadaptatie, gezondheid en veiligheid, maar ook andere maatschappelijke doelen hier nadrukkelijk deel van uit.

5 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Afbeelding 1.2: De zes kerninstrumenten van de Omgevingswet (Omgevingswetportaal, 2018)

Beleidscyclus De Omgevingswet gaat uit van beleidsontwikkeling op basis van de beleidscyclus (zie afbeelding 1.3.). De verschillende instrumenten worden in samenhang ontwikkeld en actief gemonitord en aangescherpt. Dat betekent dat de omgevingsvisie een ‘dynamisch’ document is dat we in samenhang met de andere instrumenten blijven aanpassen. Omdat de omgevingsvisie in samenhang moet worden bezien met het omgevingsplan en de programma’s, gaan we ook hier kort op in.

Afbeelding 1.3: De beleidscyclus van de Omgevingswet

6 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Kerninstrument omgevingsvisie Volgens de Omgevingswet omvat de omgevingsvisie: - een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. - de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, gebruik en beheer van het grondgebied, - de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. De omgevingsvisie moet de beleidsmatige basis bieden voor het omgevingsplan. Met de omgevingsvisie geeft de gemeenteraad aan hoe hij invulling geeft aan de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Zo biedt de omgevingsvisie een raamwerk (met ‘spelregels’) voor ruimtelijke ontwikkelingen. Elke gemeente maakt één omgevingsvisie voor het gehele grondgebied. De raad stelt de omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is zelfbindend. Dat betekent dat het gemeentelijk bestuur de ambities aan zichzelf oplegt en niet aan de burgers. Burgers kunnen het gemeentelijk bestuur aanspreken op de ambities zelf en het behalen van de ambities, maar er is geen mogelijkheid om juridisch bezwaar te maken op de omgevingsvisie. Verder is de omgevingsvisie vorm- en procedurevrij. Wel moet de omgevingsvisie ter inzage worden gelegd en gelden er eisen voor de digitalisering. Kerninstrument omgevingsplan In het omgevingsplan staan alle juridische regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen het grondgebied.

De regels geven onder andere aan welke activiteiten wel of niet, en onder welke voorwaarden, zijn toegestaan op een bepaalde locatie, al dan niet met een vergunning (‘het toedelen van functies aan locaties’). Het omgevingsplan vervangt op termijn alle huidige bestemmingsplannen en de (delen van de) verordeningen1 die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals de kapverordening. In tegenstelling tot het bestemmingsplan, dat vooral vastlegt wat er is, laat een omgevingsplan ook zien wat de verandering mag zijn. De omgevingsvisie stelt kaders voor de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Deze worden vervolgens waar dit mogelijk en wenselijk is - uitgewerkt in normen en regels in het omgevingsplan. Het omgevingsplan is bindend voor iedereen, dus ook voor de burger. Kerninstrument (vrijwillig) programma Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken, kan de gemeente een ‘programma’ opstellen. Het vrijwillige en vormvrije programma kan worden ingezet om het strategische beleid uit de omgevingsvisie verder uit te werken of te operationaliseren met beleid voor specifieke onderdelen, concrete maatregelen en mogelijkheden voor subsidie en educatie. Met dat laatste kan regeldruk in het omgevingsplan verminderd worden. Programma’s kunnen zowel gebieds- als thematisch gericht zijn.

In tegenstelling tot de omgevingsvisie en het omgevingsplan (bevoegdheid gemeenteraad), is het programma een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Het omgevingsprogramma is zelfbindend.

1.4. Invoeringstraject in de gemeente Rijswijk Het opstellen van de omgevingsvisie is één van de onderdelen van het totale invoeringstraject van de Omgevingswet binnen de gemeentelijke organisatie van Rijswijk (ambtelijk en bestuurlijk). De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een lijst met minimale acties beschikbaar gesteld. Als gemeente werken wij aan de uitvoering van deze acties2. Belangrijke onderdelen – die relevant zijn voor het omgevingsvisietraject – hierin zijn: - Vóór de invoeringsdatum Omgevingswet ‘werkprocessen aanpassen: basis op orde!’: met het in gebruik nemen van een nieuwe vergunningenapplicatie in maart 2022 is dit voor een groot deel gerealiseerd. De implementatie van deze applicatie verloopt goed. Momenteel werkt men aan het fijn slijpen van het gebruik ervan. Verder wordt gewerkt aan een goede aansluiting op het ‘Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)’ voor de publicatie van plandocumenten onder de Omgevingswet.

1 In de gemeente Rijswijk zijn er met name veel beheerverordeningen die opgenomen moeten worden. 2 Intern werkdocument ‘Minimale acties Omgevingswet gemeente Rijswijk’ (laatste versie, 26-10-22)

7 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

-

-

-

Tussen nu en 2024 ‘keuzes in de rolverdeling tussen de gemeenteraad en het college van B&W’: deze keuzes zijn inmidels al grotendeels gemaakt door de besluiten op een aantal raadsvoorstellen in februari 2022. Daarnaast is in verschillende (kennis)sessies met het forum / de gemeenteraad gepraat over hun rol bij de verschillende Omgevingswetinstrumenten. Tussen 2022 en 2029 ‘maken van een gebieddekkend omgevingsplan’: het proces om in stappen tot één omgevingsplan te komen is inmiddels gestart. Er wordt gewerkt aan een uitwerkingsplan en handboek. Voor het invoegen van de relevante verordeningen wordt gewerkt aan een herziening van de ‘Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL)’. Het omgevingsvisie- en het omgevingsplantraject lopen dus parallel aan elkaar. ‘Stakeholders serieus blijven betrekken via participatie’: de evaluatie van het Participatiebeleid is in de eerste helft van 2022 vastgesteld. Zie RIB (22.000729) en Evaluatie participatiebeleid november. In deze raadsperiode zal een nieuw algemeen participatiebeleid worden vastgesteld. Dit zal ook voldoen aan de eisen en principes uit de omgevingswet.

8 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

2. Inhoudelijke scope, inclusief reikwijdte en detailniveau 2.1. Inleiding Een omgevingsvisie gaat in op de strategische ambities en doelstellingen (waar willen we naartoe), opgaven (wat moeten we daarvoor doen) en keuzes (hoe gaan we dat voor elkaar krijgen). Het kader voor de ambities en beleidsdoelstellingen wordt bepaald door de identiteit en kernkwaliteiten van de gemeente, zie ook afbeelding 2.1. Afbeelding 2.1.: Werken vanuit identiteiten en kernkwaliteiten

2.2. Integratie van thema’s Context – mogelijke keuzes Het is de bedoeling van de wetgever dat het strategische beleid voor de fysieke leefomgeving op integrale wijze wordt vormgegeven in de omgevingsvisie. Integraal betekent in dit geval: samenhangend voor alle beleidsvelden die raken aan de fysieke leefomgeving (zie afbeelding 2.2.). Daar zit de grootste kans om waarde toe te voegen, boven op het overzichtelijk samenbrengen van bestaande visies en nota’s. Het is belangrijk om in dit Plan van Aanpak een keuze te maken over de gewenste mate van integraliteit van de verschillende beleidsvelden. In dit verband is van belang dat de omgevingsvisie volgens de Memorie van Toelichting op de Omgevingswet in ieder geval de structuurvisie, het milieubeleidsplan, het water(beleids)plan, het verkeers- en vervoersplan en de natuurvisie vervangt. Daarnaast is het logisch om ook andere sectorale en strategische beleidsstukken over de fysieke leefomgeving op te nemen, omdat de omgevingsvisie de beleidsmatige basis biedt voor het omgevingsplan, waarin deze onderwerpen ook allemaal terug zullen komen. Verder is het mogelijk om het sociaal domein te betrekken bij de omgevingsvisie. Wel is daarbij van belang dat in (de vertaling naar) het omgevingsplan geen regels kunnen worden gesteld vanuit een andere invalshoek dan de fysieke leefomgeving.

Afbeelding 2.2.: Een integrale omgevingsvisie

9 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Conclusie – Keuze van de gemeente Rijswijk In de omgevingsvisie van Rijswijk zetten we een integrale koers uit waarin alle thema’s uit het fysieke domein meedoen. Dit zijn alle thema’s uit de ‘klassieke’ ruimtelijke ordening, zoals wonen, werken, groen en mobiliteit, aangevuld met de ‘nieuwe’ thema’s onder de Omgevingswet: duurzaamheid (klimaatadaptatie, circulariteit en energietransitie), gezondheid en veiligheid. Met name in de gebiedsgerichte uitwerking komt de samenhang tussen de thema’s aan bod (zie ook ‘paragraaf 2.3. reikwijdte en detailniveau’). In de praktijk is het uitgangspunt dat de tot nu toe vastgestelde visies inhoudelijk worden betrokken bij de op te stellen omgevingsvisie. De Stadsvisie en gebiedsvisies voor onder andere Bogaard Stadscentrum, Havenkwartier, Kesslerpark en RijswijkBuiten, de Toekomstvisie Plaspoelpolder en het Programma Stadsontwikkeling vormen belangrijke bouwstenen. De sectorale beleidsvisies die raken aan de fysieke leefomgeving, worden ook meegenomen en opnieuw gewogen in de integrale context van een omgevingsvisie. In het kader op de volgende pagina staan de sectorale thema’s en beleidstukken die we zoveel mogelijk willen integreren in de omgevingsvisie. Op sommige thema’s is actualisatie van beleid nodig.We monitoren in fase 1 of deze beleidstukken nog separaat moeten worden vastgesteld.

Als volledige integratie in de omgevingsvisie niet mogelijk is, geven we aan hoe het vervolg eruitziet. Ook nemen we in de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie op welke beleidsstukken door de visie worden vervangen. Verder is een zorgvuldige afstemming nodig met regionale processen en strategisch ruimtelijk beleid van medeoverheden. Denk aan de NOVI/NOVEX, de provinciale omgevingsvisie, de Regionale Energie Strategie, het overleg met de MRDH, afspraken over de regionale woonopgave, het vraagstuk rondom duurzame mobiliteit en de Strategie Bedrijventerreinen. Ook zoeken we de koppeling op met de sociale leefomgeving. We streven ernaar om de doelstellingen uit het sociaal domein, die raken aan de fysieke leefomgeving, op te nemen in de omgevingsvisie (zie afbeelding 2.3.). ‘Positieve gezondheid’ is hierin een sleutelbegrip. Dit is het bevorderen van een gezonde leefstijl van onze inwoners en het werken aan een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving. Het is echter niet de bedoeling om in te gaan op zaken die ‘spelen achter de voordeur’. Tot slot gaan we onderzoeken in hoeverre de ‘Global Development Goals’ van de Verenigde Naties geïntegreerd kunnen worden in de omgevingsvisie. Door hieraan een Rijswijkse invulling te geven, maken we hier ook ‘local goals’ van.

Afbeelding 2.3.: Koppeling fysieke- en sociale leefomgeving Dit beeld laat zien dat de sociale en fysieke kant van de leefomgeving sterk met elkaar vergroeid zijn. De sociaal maatschappelijke vragen worden vaak concreet in de fysieke leefomgeving. De behoefte aan mantelzorg leidt bijvoorbeeld tot de vraag naar een mantelzorgwoning.

10 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Programma Stadsontwikkeling Het programma Stadsontwikkeling vormt een belangrijke bouwsteen voor de omgevingsvisie. Het programma geeft een analyse van het bestaande beleid en biedt daarmee een integraal inzicht in de ontwikkelopgaven van de stad en de consequenties daarvan. De focus ligt op uitvoering van het beleid. Er is geen nieuw beleid gemaakt. Meegegeven is dat er ruimte is voor de ambitie om in Rijswijk verder te verstedelijken. De grootste inhoudelijke uitdaging is daarom om in de omgevingsvisie integraal antwoord te geven op de vraag ‘hoe houden we de stad Rijswijk leefbaar in de toekomst?’. Met andere woorden: Hoe sturen we met de verdichting en bevolkingsgroei op een prettige, groene stad waar het fijn wonen, werken en verblijven is? Welke (ruimtelijke) kaders geven we mee voor de verstedelijking van Rijswijk, gericht op het toevoegen van kwaliteiten? Integratie van (sectoraal) beleid - Economie: De Nieuwe Economische Strategie, de Strategiewerklocaties en de Beleidsnota Retail- en horeca zijn momenteel in ontwikkeling, gereed in eerste kwartaal van 2023. Deze beleidsstukken dienen als bouwsteen en worden vertaald in de omgevingsvisie. Verder hebben we aandacht voor beleid op circulaire economie. - Energietransitie: Binnen dit thema zijn de Regionale EnergieStrategie 1.0., de Lokale Energietransitie en de Warmtetransitievisie beschikbaar.

Deze beleidsstukken dienen als bouwsteen en worden vertaald in de omgevingsvisie. Het feit dat de RES 1.0. nog behoorlijk abstract is, vraagt aandacht. - Klimaatadaptatie: Voor dit thema is nog geen gemeentelijk beleid geformuleerd. De gemeente heeft wel het provinciaal convenant ‘Klimaatadaptatie’ en ‘Bouw Adaptief’ ondertekend. Dit thema wordt opgenomen in de omgevingsvisie. - Maatschappelijk domein: Er is gemeentelijk beleid geformuleerd op het gebied van onderwijs, sport en zorg. Deze beleidsstukken dienen als bouwsteen voor de omgevingsvisie, maar blijven wel apart bestaan in het maatschappelijk domein. - Mobiliteit: er is een actuele Mobiliteitsvisie op een hoger abstractieniveau, die momenteel verder wordt uitgewerkt in een Mobiliteitsstrategie. Deze beleidsstukken dienen als bouwsteen en worden vertaald in de omgevingsvisie. Aandachtspunten zijn het afstemmen tussen de beide processen en het feit dat het parkeerbeleid verouderd is. - Natuur en groen: Het beleid voor dit thema is toe aan actualisatie. Dit thema wordt opgenomen in de omgevingsvisie. Het huidige strategisch groenbeleid vervalt. Momenteel wordt gewerkt aan een inventarisatie die als bouwsteen dient voor de omgevingsvisie. - Sociaal domein: Er is gemeentelijk beleid op het gebied van wmo, jeugd, welzijn en (sociale) inclusiviteit.

Deze beleidsstukken dienen als bouwsteen voor de omgevingsvisie, maar blijven in het sociaal domein apart bestaan. - Volksgezondheid: het vastgestelde beleid op dit thema is toe aan actualisatie. Het strategisch deel van dit thema dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving wordt opgenomen in de omgevingsvisie, met een focus op gezondheidsbescherming, maar ook op gezondheidsbevordering. De uitwerking blijft bij het sociaal domein. - Wonen: De Woonvisie (toe aan actualisatie) en Woonzorgvisie dienen als bouwsteen en worden vertaald in de omgevingsvisie. Een deel van het woonbeleid, waaronder prestatieafspraken met woningcorporaties, blijft echter apart bestaan. Tot slot willen we ‘beheer van de stad’ actief betrekken in (gebiedsgerichte)keuzes over onze ambities.

11 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

2.3. Reikwijdte en detailniveau van de omgevingsvisie Context – mogelijke keuzes De reikwijdte en het detailniveau van de omgevingsvisie zijn medebepalend voor de vormgeving. Belangrijk is dat de omgevingsvisie in samenhang met de andere kerninstrumenten uit de beleidscyclus moet worden bezien. Zoals gezegd is het de bedoeling van de wetgever dat de omgevingsvisie de beleidsmatige basis biedt voor het omgevingsplan. Als de omgevingsvisie bepaalde keuzes niet maakt, dan wordt het moeilijk hierover regels op te stellen in het omgevingsplan. Daarom is het belangrijk voldoende concreet te zijn en heldere keuzes te maken over de waarborging van kwaliteiten en ruimte voor ontwikkelingen. Een doorvertaling van gemeentebrede ambities in een gebiedsgerichte uitwerking, inclusief afwegingskader, helpt hierbij (zie ook afbeelding 2.4.). Het kan zijn dat de omgevingsvisie (voor een bepaald onderwerp) toch op een hoger abstractieniveau blijft hangen. Dan is het wenselijk of nodig om dat onderwerp uit te werken in een thematisch of gebiedsgericht programma. Dat vult dan als het ware het gat tussen visie en plan op. De reikwijdte en het detailniveau van de omgevingsvisie en het gebruik van programma’s zijn in die zin communicerende vaten.

Daarbij is het van belang om in het achterhoofd te houden dat de omgevingsvisie uiteindelijk wordt vastgesteld door de gemeenteraad en programma’s worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Als de gemeenteraad ervoor kiest onderwerpen door te schuiven naar programma’s, verschuift zeggenschap naar het college (zie hiervoor ook par. ‘4.3. ‘rol gemeentebestuur’).

Afbeelding 2.4.: Systematiek koppeling omgevingsvisie-omgevingsplan (KuiperCompagnons)

Conclusie – keuze van de gemeente Rijswijk We kiezen voor een omgevingsvisie met: - Gemeentebreed heldere Rijswijkse kernwaarden en -kwaliteiten: we geven eenduidig en concreet invulling aan de stip op de horizon voor het jaar 2050, met een doorkijk naar het jaar 2100. Hierbij speelt de regionale dimensie van de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag nadrukkelijk een rol. - Gemeentebreed ruimtelijke uitgangspunten voor een leefbare stad, met het oog op de verstedelijkingsambitie: er zullen een aantal thematische hoofdopgaven (zoals klimaatadaptatie, duurzame mobiliteit, passende voorzieningen, etc.) centraal staan, waarbij zowel kansen als 12 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

-

-

knelpunten ontstaan. Hierin maken we heldere keuzes, niet alleen voor de lange termijn, maar ook voor de komende vijf tot tien jaar. Gebiedsgerichte uitspraken. Met het oog op het omgevingsplan streven we ernaar om duidelijk te maken welke ruimtelijke ontwikkelingen waar wenselijk zijn, en onder welke voorwaarden3. Dit vertalen we in een integraal inspiratie- en afwegingskader, dat ook per deelgebied wordt ingevuld. De gebiedsindeling wordt in fase 1 bepaald. Voor een goede koppeling is het van belang dat de deelgebieden aansluiten op de gebiedstypen uit het omgevingsplan. Een duidelijk overzicht van acties na vaststelling. Naar verwachting zal het niet lukken om bij de 1.0.-versie van de omgevingsvisie direct voor elk thema en voor ieder deelgebied het gewenste detailniveau en de gewenste integraliteit te bereiken. Ondanks het sturen op duidelijke keuzes, kan het in de praktijk gebeuren dat moeilijke keuzes worden doorgeschoven. Bovendien is beleid soms nog in ontwikkeling. We kiezen er daarom voor om aan het einde van het traject een lijst te maken van thema’s en/of gebieden die richting de 2.0.-versie om een verdere uitwerking vragen. Hiervoor stellen we dan programma’s op die bij de actualisatie weer worden geïntegreerd in de omgevingsvisie (zie hiervoor ook paragraaf 2.4.). ‘beleidscyclus’.

Ons uitgangspunt is namelijk dat de omgevingsvisie (vastgesteld door gemeenteraad) over kaderstelling gaat en een programma (vastgesteld door college) zich vooral richt op de uitvoering.

Gebruik van programma’s: - Thematisch: De onderwerpen ‘mobiliteit, klimaatadaptatie en energietransitie’ zullen naar verwachting niet helemaal uitgediept worden in de omgevingsvisie 1.0.. Mocht dit inderdaad het geval zijn, dan werken we het thema verder uit (beleidsmatig / uitvoeringsgericht) in een programma. Het (strategische) beleidsmatige deel moet later weer worden geïntegreerd in de omgevingsvisie. - Gebiedsgericht: wanneer behoefte is aan een verdiepingsslag voor een bepaald deelgebied, bijvoorbeeld omdat er specifieke ontwikkelingen zijn of omdat er veel opgaven samenkomen, dan stellen we hiervoor een programma op. De (strategische) beleidsmatige onderdelen moeten later weer worden geïntegreerd in de omgevingsvisie.

2.4. Beleidscyclus: uitvoering, monitoring en evaluatie Context – mogelijke keuzes Bij vaststelling van de omgevingsvisie is het product afgerond, maar het proces van de uitvoering begint hier pas. Het is wenselijk om in de uitvoeringsparagraaf hierop in te gaan. Daarin staan (mede aan de hand van het ‘spiekbriefje’ van de VNG) uitspraken over onder andere sturingsfilosofie, grondbeleid en kostenverhaal. Daarnaast is het wenselijk om uitspraken te doen over de vormgeving van de beleidscyclus, namelijk over: - de actualisatie van de omgevingsvisie4 - de doorwerking in andere Omgevingswet-instrumenten als programma’s en het omgevingsplan - de monitoring en evaluatie (vierde kwadrant beleidscyclus). Het is namelijk aan de gemeente zelf om de beleidscyclus in te richten en aan de gang te houden.

3 We worden in dit verband vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) aangespoord functies te combineren en hier willen wij als gemeente Rijswijk zelf ook op inzetten, gezien de beperkte ruimte en de vele opgaven. 4 Het is de bedoeling van de wetgever dat de omgevingsvisie ‘elke dag vers’ is, maar er worden verder geen richtlijnen voor de frequentie van de actualisatie meegegeven.

13 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Conclusie – keuze van de gemeente Rijswijk Uitvoeringsparagraaf In de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie doen we uitspraken over: - De werking van de omgevingsvisie als begin van de beleidscyclus: actualisatie van de omgevingsvisie en de vertaling naar het omgevingsplan en de koppeling met eventuele programma’s. - De uitvoering en sturingsfilosofie: we geven aan – per thema en/of gebied – waar we als gemeente zelf verantwoordelijkheid nemen in het realiseren van onze ambities en waar we alleen faciliteren en de taken overlaten aan (samenwerkings-)partners en de samenleving. - Grondbeleid en kostenverhaal: we kiezen ervoor om in de omgevingsvisie alleen aan te geven dat kostenverhaal wordt toegepast en voor welke onderwerpen. De uitwerking vindt plaats in een apart ‘programma kostenverhaal’. Voor grondbeleid wordt momenteel door de afdeling ‘grondzaken’ gewerkt aan een startnotitie voor de herijking van het beleid. We bepalen aan het einde van fase 2 of, en hoe, dit onderdeel wordt opgenomen in het omgevingsvisietraject. - Opzet van monitoringssysteem: de eerste stappen hiervoor zijn in het Programma Stadsontwikkeling gezet. Ook het PlanMER (milieueffectrapport, zie hiervoor hoofdstuk 5) zal de nodige aanknopingspunten bieden.

Beleidscyclus Ons uitgangspunt is dat (sectorale) beleidsvorming over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk plaatsvindt in de omgevingsvisie in plaats van in een apart sectoraal beleidsstuk. Deze harmonisatie voorkomt het ‘schaken op twee borden’ dat nu nog gebeurt. Dit vraagt om een andere werkwijze van de bestuurlijke en ambtelijke organisatie: bestuurlijk betekent dat minder gescoord kan worden met een sectoraal beleidsstuk en beleid meer college-breed (in de omgevingsvisie) wordt gevormd. Dit geldt ook ambtelijk. We kunnen best nieuw beleid maken, maar het hoeft niet separaat vastgesteld te worden. Bij voorkeur gaat het mee in de actualisatie van de omgevingsvisie. Op termijn biedt dit meer samenhang in het beleid, een goede koppeling met het omgevingsplan en een efficiëntieslag in de wijze van beleidsvorming. Afbeelding 2.5: Veegmomenten in de beleidscyclus. Bij de actualisatie van de omgevingsvisie wordt bezien welke programma’s kunnen opgaan in de visie, in elk geval voor wat betreft het strategische deel van het desbetreffende programma’.

Wanneer nodig kiezen we ervoor om vooruitlopend op de (actualisatie) van de omgevingsvisie een thematisch of gebiedsgericht programma (onder de Omgevingswet) op te stellen. Dit doen we bij de volgende twee situaties: 1. als de urgentie van beleidsvorming voor een bepaald thema of gebied hoog is of; 2. als er behoefte is aan een verdiepingsslag. We stellen hierbij de voorwaarde dat de strategische onderdelen uit het programma in de actualisatie van de omgevingsvisie worden geïntegreerd, via een zogenoemd ‘veegmoment’ (zie afbeelding 2.5.).

14 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Actualisatie Het strategische deel van de omgevingsvisie (Rijswijkse centrale waarden, uitgangspunten verstedelijking en leefbaarheid) geldt voor de lange termijn, maar wordt niettemin periodiek geëvalueerd. We kiezen ervoor om de actualisatiecyclus gelijk te stellen met de bestuurstermijn van vier jaar. Het uitvoeringsgerichte deel (thematische/gebiedsgerichte uitwerking en specifieke projecten) wordt tweejaarlijks bijgesteld tijdens een integraal ‘veegmoment’. Dan integreren we de strategische beleidsonderdelen uit de programma’s die zijn opgesteld in de omgevingsvisie.

15 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

3. Vorm (eind)product Context – mogelijke keuzes De wetgever stelt dat de omgevingsvisie vormvrij is. De gemeente mag dus zelf bepalen hoe hij de omgevingsvisie vormgeeft. Een eis die wel aan de vormgeving wordt gesteld is dat de omgevingsvisie - na inwerkingtreding van de Omgevingswet - wordt gepubliceerd in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) en interactief raadpleegbaar is. Een andere eis is dat de omgevingsvisie, als deze wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website, goed (digitaal) toegankelijk is voor iedereen, ook voor mensen met een beperking. Hiervoor heeft de Rijksoverheid (los van de Omgevingswet) richtlijnen opgesteld. Naast de (interactieve) link in het DSO, is het mogelijk om het ‘product’ omgevingsvisie vorm te geven als interactieve viewer en/of als boekwerk. De vorm die wordt gekozen is ook van invloed op de structuur en opbouw van de tekst en het kaartmateriaal in de omgevingsvisie. Daarnaast is ook nog variatie mogelijk in de vormgeving van de inhoud zelf: het taalgebruik, het gebruik van beelden, de lengte (waarop onder reikwijdte en detailniveau is ingegaan) et cetera.

Afbeelding 3.1.: Voorbeeld van een omgevingsvisie in een interactieve digitale viewer (KuiperCompagnons)

Conclusie – keuze van de gemeente Rijswijk De omgevingsvisie is al vanaf het ontwerp geschikt voor plaatsing in het DSO. Het kaartmateriaal wordt opgebouwd in GIS (geodata), zodat we snel kunnen toewerken naar een product dat voldoet aan de digitale eisen van het DSO. De GIS-database is bovendien van waarde voor het opzetten van een monitoringssysteem, zie ook par. 2.4. ‘beleidscyclus’, en voor de uitwisseling met ketenpartners. Daarnaast maken we een digitale viewer waarop de omgevingsvisie interactief raadpleegbaar is. Een viewer biedt veel mogelijkheden om de omgevingsvisie op aantrekkelijke wijze te visualiseren en de 16 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

lezer gestructureerd door (delen van) het product heen te leiden. Bovendien is het met een viewer eenvoudiger om te voldoen aan de richtlijnen van digitale toegankelijkheid. Hierbij vinden we het van belang dat de omgevingsvisie naast in modules, ook als verhaal van A tot Z te lezen is. Dit verhaal bieden we ook aan in een analoog boekje (in beperkte oplage), voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Aangezien de omgevingsvisie straks een product is voor uiteenlopende doelgroepen, zoals de ambtelijke organisatie en bestuur, maar ook de samenleving en (samenwerkings-)partners, vinden we het belangrijk dat het product voor iedereen prettig leesbaar en werkbaar is. De omgevingsvisie wordt zoveel mogelijk richting leesniveau B2 geschreven en beeldend/inspirerend vormgegeven met onder andere kaarten, infographics, principeschetsen en referentiebeelden. De omgevingsvisie wordt in de interactieve digitale viewer zoals gezegd opgeknipt in diverse onderdelen, zodat de lezer alleen die onderdelen kan lezen die hij/zij interesseert. Daarnaast maken we een publiekssamenvatting in leesniveau B1 en een animatiefilmpje die de omgevingsvisie toelicht.

17 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

4. Proces en organisatie 4.1. Inleiding Dat de omgevingsvisie vorm- en procedurevrij is, betekent dat er (ook) geen vereisten aan het proces zijn. Wel kunnen in de praktijk een aantal min of meer vaste stappen worden onderscheiden. Deze stappen hebben we naar de Rijswijkse situatie vertaald.

4.2. Stappenplan om te komen tot een omgevingsvisie Fase 1- Verkenning: inventarisatie en analyse (januari 2023- maart 2023)5 De eerste fase start met een Verkenning van de ‘huidige staat’ van de gemeente. Dit wordt gedaan op basis van: - een inventarisatie en analyse van het ruimtelijk beleid en relevant beleid uit andere domeinen (zie kader voor de relatie met het Programma Stadsontwikkeling); - een overzicht van trends en ontwikkelingen waarop de gemeente moet/kan inspelen; - de ruimtelijke kwaliteit en ruimtegebruik (ook in historisch verband); - de positie van Rijswijk in de regio. Aan de hand van werksessies met de projectgroep wordt de Verkenning verder aangescherpt. In de werksessies staat het benoemen van kwaliteiten en aandachtspunten en het uitwerken van relevante dilemma’s met het oog op de leefbaarheid centraal. Het doel is om duidelijk te krijgen over welke zaken de gemeente een keuze moet maken. Richting afronding van de Verkenning vindt nog een reflecterende werksessie met de projectgroep+ plaats om ambtelijk de laatste puntjes op de i te zetten.

Afbeelding 4.1.: Voorbeeld inventarisatie- en analyse (tussenproduct) gemeente IJsselstein (KuiperCompagnons).

De Verkenning vormt het tussenproduct voor fase I. Het stuk wordt besproken met de gemeenteraad en wordt ter vaststelling voorgelegd aan het college (maart 2023). In het eerste kwartaal van 2023 wordt met een communicatiebureau het communicatie- en participatieplan uitgewerkt, op basis van dit plan van aanpak voor de omgevingsvisie.

5 Het betreft de beoogde tijdsplanning en is ter indicatie.

18 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Programma Stadsontwikkeling als vertrekpunt Het Programma Stadsontwikkeling vormt een belangrijk vertrekpunt voor de Verkenning. Het Programma geeft een analyse van het bestaande beleid en biedt daarmee een integraal inzicht in de ontwikkelopgaven van de stad, zoals de groei van het aantal (zorg)voorzieningen. De focus ligt op de uitvoering van het beleid en bevat een vertaling naar maatregelen voor de komende vijf jaar, maar ook voor de lange termijn (inclusief kansen en knelpunten). Het Programma blijft echter beperkt tot beleidsuitvoering waarvan de gemeente zelf opdrachtgever is, terwijl de omgevingsvisie ingaat op alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar invloed op hebben. De Verkenning moet op dit gebied dus nog aangevuld worden.

Fase 2 – Koersbepaling: koers en keuzes (april 2023 – september 2023) De Leefomgevingsfoto voor de PlanMER wordt aan het begin van deze fase opgeleverd (zie ook paragraaf 5.3. ‘stappenplan integratie MER’). Uit deze foto en de Verkenning zal blijken dat veel bestaand beleid kan worden doorgezet, maar er zullen ook dilemma’s naar voren komen. Hiervoor worden alternatieven ontwikkeld met als centraal onderwerp: de mate van verdichting en vergroening en de gevolgen hiervan voor de leefbaarheid. Dit Raamwerk met Alternatieven wordt besproken met het college en de gemeenteraad, waarop zij de invulling van de alternatieven waar nodig kunnen bijschaven. De alternatieven worden in de m.e.r.-procedure getoetst op de milieueffecten (MER Deel A), zodat kansen en knelpunten inzichtelijk worden (zie paragraaf 5.3. ‘stappenplan integratie PlanMER’). Tijdens de eerste externe participatieronde (juni 2023) gaat het gesprek over de kernkwaliteiten en aandachtspunten van Rijswijk en over de dilemma’s binnen het Raamwerk van Alternatieven. Deze participatieronde heeft dus een inventariserend en verdiepend karakter (zie hiervoor ook hoofdstuk 6 ‘participatie’). Aan het einde van de eerste participatieronde wordt tijdens een aparte raadsavond input opgehaald bij de raadsleden.

Op basis van alle inbreng wordt één voorkeursalternatief geformuleerd, waarin de Rijswijkse centrale kernwaarden en -kwaliteiten, de gemeentebrede ambities (inclusief de inhoudelijke uitgangspunten voor verstedelijking en leefbaarheid) en de hoofdlijnen voor de gebiedsgerichte uitwerking samenkomen. Dit komt samen in de Koersnotitie, als resultaat van fase 2. De Koersnotitie wordt besproken met het college en wordt ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad (september 2023).

Afbeelding 4.2.: Voorbeeld visievorming omgevingsvisie Delft (KuiperCompagnons)

19 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Fase 3 – Ontwerp-omgevingsvisie (oktober 2023 – februari 2024) Aan het begin van deze fase vindt een uitwerking plaats van de Koersnotitie naar de deelgebieden (kaders voor activiteiten en ruimtelijke ontwikkelingen en milieu/ omgevingsconsequenties). Ook de contouren van de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie krijgen al vorm (zie hiervoor ook paragraaf 2.4. ‘beleidscyclus’). Dit wordt vertaald in de eerste concept ontwerp-omgevingsvisie, waarbij een concept-MER (deel B) wordt opgeleverd die de effecten op de omgeving weergeeft. De concept ontwerp-omgevingsvisie wordt toegelicht aan het college, waarna het stuk waar nodig wordt bijgeschaafd. Het concept vormt vervolgens de inhoudelijke basis voor de tweede externe participatieronde (december 2023). In het gesprek wordt gevraagd om een reflectie op de voorgestelde koers, maar ook om wensen en ideeën mee te geven voor de uitwerking. Deze participatieronde heeft dus een toetsend en verdiepend karakter (zie hiervoor ook hoofdstuk 6 ‘participatie’). Op basis van de opgehaalde inbreng wordt de ontwerp-omgevingsvisie opgesteld. Ook wordt het bijbehorende definitieve planMER opgeleverd (Deel B), zie ook paragraaf 5.3. ‘stappenplan integratie PlanMER’. Fase 4 – Vaststelling omgevingsvisie (maart 2024 – juli 2024 Na vrijgave van het college van B&W wordt de ontwerp-omgevingsvisie zes weken ter inzage gelegd (maart-april 2024).

Daarnaast wordt het PlanMER beoordeeld door de Commissie-m.e.r. Naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen en aanbevelingen van de Commissie-m.e.r.6 vindt eventuele verwerking hiervan plaats, alvorens de definitieve omgevingsvisie (inclusief reactienota) ter besluitvorming aan de gemeenteraad wordt voorgelegd.

Afbeelding 4.3.: Voorbeeld omgevingsvisiekaart gemeente Delft (KuiperCompagnons)

Sommige aanbevelingen kunnen worden meegenomen in een programma, het omgevingsplan of de 2.0-versie van de omgevingsvisie. 6

20 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Samengevat ziet het proces er als volgt uit:

4.3. Rol gemeentebestuur tijdens het proces Context – mogelijke keuzes De gemeenteraad heeft in de geest van de Omgevingswet vooral een kaderstellende rol. Daartoe heeft de raad twee ‘knoppen’ tot zijn beschikking: besluitvorming omtrent de omgevingsvisie en het omgevingsplan7. Het college heeft een meer uitvoerende rol en staat aan de lat voor de programma’s en het behandelen van initiatieven. De benadering van de verschillende kerninstrumenten van de Omgevingswet heeft zodoende invloed op de verhoudingen tussen de raad en het college. De wetgever gaat ervan uit dat de raad meer zal overlaten aan het college. Met een stevige omgevingsvisie in de hand, zal de raad de behandeling van initiatieven eerder in vertrouwen ‘loslaten’ (overlaten aan het college). Hiervoor moet de hij zich wel voldoende betrokken voelen en mogelijkheden hebben om tussentijds bij te sturen.

In dit kader is het van belang om goed na te denken over de rol van de gemeenteraad in het omgevingsvisietraject: - het wel/niet (informeel) betrekken van de gemeenteraad om tussentijds input op te halen en mogelijkheid te bieden tot bijsturing, al dan niet via een raadswerkgroep; - het wel/niet formeel laten vaststellen van de tussenproducten om tussentijds bij te sturen: Verkenning (fase 1), Raamwerk met Alternatieven (fase 2) en Koersnotitie (fase 2); - het wel/niet een actieve rol geven aan raadsleden bij het participatieproces. Ook het college moet een heldere rol krijgen. Aangezien de omgevingsvisie een breed aantal thema’s raakt gaat het om de vraag of één of meerdere wethouders – al dan niet in een stuurgroep – of het voltallige college verantwoordelijk is voor de omgevingsvisie.

7

Daarnaast kan de raad ook nog gebruik maken van Adviesrecht over Buitenplanse Omgevingsplanactiviteiten.

21 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Conclusie – keuze van de gemeente Rijswijk Rol gemeenteraad Het presidium neemt in januari 2023 een besluit over een raadswerkgroep Ruimte8. De raadswerkgroep heeft een belangrijke rol in de procesmatige afstemming en voorbereiding van de tussenstappen en -producten van de omgevingsvisie. De raadswerkgroep-leden worden regelmatig bijgepraat over inhoud en proces, ze worden gevraagd input te geven en met hen wordt de inhoudelijke verdieping opgezocht. Bij deze sessies hoort een duidelijke agenda (beoogd doel en onderwerpen) en voldoende interactie. Het is belangrijk om de voltallige gemeenteraad op ijkmomenten ook weer te betrekken. Aan de hand van sprekende voorbeelden en doorkijkjes richting het omgevingsplan en de uitvoeringspraktijk worden de raadsleden meegenomen. Gedurende het proces vervult het forum/gemeenteraad op vier momenten zijn kaderstellende rol: 1. meningsvormende bespreking van de Verkenning9; 2. meningsvormende bespreking van het Raamwerk met Alternatieven; 3. vaststelling van de Koersnotitie; 4. vaststelling van de uiteindelijke omgevingsvisie. Een actieve rol van raadsleden bij het externe participatieproces – en dan met name het gesprek met de inwoners van de stad – kan van meerwaarde zijn, zowel voor de gemeenteraad zelf als voor het creëren van momentum in de samenleving.

In overleg met de griffie wordt per participatiemoment bepaald wat hun exacte rol is en wat de benodigde inhoudelijke voorbereiding en organisatorische ondersteuning moet zijn. Rol college De omgevingsvisie raakt (bijna) alle portefeuillehouders. Er is een stuurgroep met twee wethouders, namelijk: - wethouder ‘ruimte & mobiliteit’ en; - wethouder ‘groen/blauw, openbare inrichting & energietransitie’. De stuurgroep wordt regelmatig bijgepraat op inhoud en proces en draagt zorg voor de dagelijkse aansturing. Daarnaast wordt het voltallige college aan de hand van actieve werksessies (4x een dagdeel in 2023) betrokken bij de omgevingsvisie. Het gaat daarbij om het sparren over kwaliteiten en aandachtspunten, over de dilemma’s binnen het Raamwerk van alternatieven, en over de koers en de (concept)ontwerpomgevingsvisie.

4.4. Werkstructuur ambtelijke organisatie De fysieke leefomgeving is een breed begrip en omvat uiteenlopende thema’s. Het opstellen van de omgevingsvisie vraagt dan ook om een brede integrale inzet van de ambtelijke organisatie. Er is gekozen voor de volgende werkstructuur: - Het kernteam bestaat uit de gemeentelijke projectleider, twee gemeentelijke adviseurs ‘ruimte’, de projectleider en -secretaris van het extern adviesbureau dat ondersteunt, en een adviseur communicatie. Het kernteam is de motor van het omgevingsvisietraject (dagelijkse aansturing). Het kernteam organiseert het proces – inclusief participatie en bestuurlijk traject – en stuurt op het maken van keuzes. - De projectgroep bestaat uit een afspiegeling van diverse beleidsvelden en domeinen10. De projectgroepsleden leveren de inhoudelijke bijdrage. Zij zorgen voor inhoudelijke borging van de verschillende disciplines en zijn ook de ambassadeurs richting hun eigen discipline. In de 8 De ‘raadwerkgroep ruimte’ wordt breder wordt ingezet dan alleen voor de omgevingsvisie of de Omgevingswet. Deze

raadswerkgroep bestaat dan naast de ‘raadswerkgroep sociaal domein’. 9 Formele besluitvorming van de Verkenning door de gemeenteraad is omwille van de tijd niet haalbaar en wenselijk. 10 Ruimte, Rijswijk Buiten, communicatie, stedenbouw, planologie, mobiliteit, parkeren, sociaal domein, maatschappelijk domein, economische zaken, groen, omgevingsplan, wonen, vergunningen, milieu, water, klimaatadaptief bouwen. Ook de Omgevingsdienst is onderdeel van de projectgroep.

22 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

werksessies (circa één keer per zes weken) met de projectgroep vinden de inhoudelijke discussies plaats en worden de keuzes gemaakt die als voorstel richting het bestuur gaan. - De projectgroep+ bestaat uit een brede afspiegeling11 van de ambtelijke organisatie. De projectgroep+-leden reflecteren, ieder vanuit hun eigen achtergrond, op de inhoud. Zij signaleren kansen en knelpunten en denken mee over keuzes rondom de hoofdopgaven. De werksessies met de projectgroep+ vinden één keer per fase plaats. - De ambtelijke opdrachtgevers en het gemeentelijk managementteam (GMT) worden bij oplevering van een tussenproduct en de uiteindelijke omgevingsvisie bijgepraat op proces en inhoud. Het opdrachtgeversoverleg12 dient als voorportaal van de behandeling in het GMT en ter voorbereiding van werksessies met het gemeentelijk bestuur. Per fase wordt getoetst of de samenstelling van de groepen nog voldoet. Aandachtspunt is dat de organisatie al zwaar belast is met de huidige beleidstrajecten en projecten. De omgevingsvisie komt daar bovenop. Dit betekent dat er extra ruimte vrijgemaakt moet worden om dit traject te kunnen doorlopen. Het is van belang dat de ambtelijke beleidsmedewerkers voldoende aangehaakt worden bij dit project omdat zij inhoudelijke kennis inbrengen en omdat zij in de komende jaren (in de beleidscyclus) verder moeten werken aan de Omgevingswet-instrumenten.

Daar staat tegenover dat het uiteindelijk minder werk kost dan alle ‘sectorale ballen’ in de lucht houden.

Beleidsvelden en domeinen uit de projectgroep, en daaraan toegevoegd de operationele teams: vergunningverlening, onderhoud, handhaving, etc. 12 Opdrachtgeversoverleg waaraan deelneemt: ambtelijke opdrachtgevers, gemeentelijk projectleider en een ambtelijke ondersteuner. 11

23 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

5. Integratie van de milieueffectrapportage 5.1. Inleiding Gelijktijdig met de omgevingsvisie kan ook een milieueffectrapportage (m.e.r.; proces) worden gevolgd om de te verwachten (milieu)effecten van de omgevingsvisie inzichtelijk te maken.

5.2. Keuze voor milieueffectrapportage Context – mogelijke keuzes Een m.e.r. is vereist als de omgevingsvisie kaderstellend is voor m.e.r.-plichtige ontwikkelingen en/of als er effecten worden verwacht op Natura2000-gebieden. Dit is overigens bijna altijd het geval. Er zijn echter geen juridische consequenties aan verbonden als een gemeente ervoor kiest om toch geen Milieueffectrapport (MER; rapport) te laten opstellen. Het hoeft geen invloed te hebben op de planning, omdat beide trajecten parallel aan elkaar lopen. Verder kan ook nog gekozen worden tussen een toetsend of ontwerpend PlanMER. Bij een toetsend PlanMER wordt alleen tegen het einde van het omgevingsvisietraject, bij de ontwerpomgevingsvisie, getoetst op de (milieu)effecten. Bij een ontwerpend PlanMER wordt vanaf de start van het traject al getoetst op de voorgestelde beleidskeuzes, zodat er sprake is van een tussentijdse reflectie op de voorgestelde visie. Verder kan ook gevarieerd worden in de reikwijdte van de PlanMER. Uitgangspunt is dat enerzijds wordt getoetst op de milieueffecten en anderzijds wordt getoetst op het doelbereik van de ambities.

Afbeelding 5.1.: Voorbeeld toetsing (Antea Group) van alternatieven (KuiperCompagnons) in een ontwerpend PlanMER gemeente De Bilt

24 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Conclusie – keuze van de gemeente Rijswijk Ten eerste kiezen we ervoor om een m.e.r. te volgen om de volgende redenen: - Ook al zijn er geen directe juridische consequenties, het is bijna altijd verplicht een m.e.r. te volgen. - Het PlanMER brengt de gevolgen van beleidskeuzes in de omgevingsvisie (tussentijds) objectief in beeld. De focus ligt hierbij op milieueffecten en ruimtelijke effecten, maar er wordt ook breder gekeken naar relevante sociaal-maatschappelijke factoren. Zo een breed ingestoken MER wordt vaak een Omgevingseffectrapport (OER) of Leefbaarheidseffectrapport (LER) genoemd. Om nog beter inzicht te geven in de lange termijngevolgen van ingrepen kan worden gedacht aan een (informele) ‘Maatschappelijke Kosten-Baten analyse-light’. - Het PlanMER helpt om ervoor te zorgen dat besluiten navolgbaar zijn en dat er een consistentie is tussen ambities (waar wil je naartoe), opgaven (wat moet je daarvoor doen) en keuzes (hoe ga je dat voor elkaar krijgen). - De onafhankelijke toetsingsrol van de PlanMER is voor het participatieproces zeer waardevol. Wanneer we transparant omgaan met de resultaten, vergroot dit het vertrouwen in het proces en creëert het draagvlak. Ten tweede kiezen we voor een ‘ontwerpend’ PlanMER.

Zo kunnen we het instrument optimaal inzetten: zowel in de verkenning (nulmeting), bij de beoordeling van de dilemma’s (beoordeling alternatieven) en bij het maken van uiteindelijke keuzes in de beleidsstrategieën. Zo is bovendien sprake van een continue wisselwerking tussen de beide trajecten. In de kostenraming is rekening gehouden met het maken van een ontwerpend MER (zie ook ‘par 7.3. beoogd budget’).

5.3. Stappenplan integratie milieueffectrapportage De m.e.r. bestaat uit de volgende vier stappen: 1. Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en Leefomgevingsfoto: de nulmeting van de fysieke leefomgeving. 2. Beoordeling alternatieven: inzichtelijk maken van de effecten van verschillende alternatieven rondom een aantal dilemma’s (MER deel A). 3. Opstellen MER: Integrale beoordeling van (concept) ontwerp-omgevingsvisie: inzichtelijk maken van de effecten van de omgevingsvisie (MER deel B). 4. Advies Commissie: Toetsing door Commissie voor de milieueffectrapportage.

Afbeelding 5.2 Schema samenhang omgevingsvisie en m.e.r. (Bron: Antea Group)

25 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

Ad 1: Leefomgevingsfoto Allereerst wordt de NRD opgesteld. Met de publicatie wordt kenbaar gemaakt dat ten behoeve van de omgevingsvisie een m.e.r.-procedure doorlopen wordt. De NRD beschrijft de onderzoeksopzet, waarin is te lezen wat en hoe de m.e.r.-procedure wordt opgepakt. De NRD wordt vastgesteld door het college en ter kennisgeving aan de gemeenteraad gestuurd. De ‘koninklijke route’ wordt gevolgd door de NRD ook door de Commissie voor de milieueffectrapportage te laten beoordelen. Dit vergroot de kans dat de toetsing van het MER later soepel verloopt. Hierna, en deels parallel aan de NRD, gaat men aan de slag met een Leefomgevingsfoto: dit is een integrale nulmeting van de huidige staat van de fysieke leefomgeving. Daarbij wordt ook een overzicht gemaakt van trends en ontwikkelingen waar de gemeente mee te maken gaat krijgen. Dit heet de autonome ontwikkeling. Die vormt samen met de bestaande situatie de 'referentiesituatie’. Dit is een belangrijke basis voor het MER én de omgevingsvisie. Ad 2: Beoordeling alternatieven In het traject van de omgevingsvisie worden verschillende alternatieven voor dilemma’s ontwikkeld. In Rijswijk zal dit in elk geval gaan om de mate van verdichting en vergroening en de gevolgen hiervan voor de leefbaarheid. In het MER (deel A) worden verschillende alternatieven op hun milieueffecten beoordeeld.

Hiermee worden de kansen en knelpunten in beeld gebracht voor de verdere uitwerking. Dit helpt ons om de belangrijke keuzes voor de dilemma’s af te wegen en toe te werken naar een voorkeursalternatief dat als basis dient voor de (concept) ontwerp-omgevingsvisie. Ad 3: Opstellen MER In het MER (deel B) wordt het voorgenomen beleid uit de concept-ontwerpomgevingsvisie op de milieueffecten beoordeeld. Dit leidt mogelijk tot aanpassingen in de omgevingsvisie. Vervolgens wordt de definitieve MER gelijktijdig met de ontwerpomgevingsvisie ter inzage gelegd. Het MER biedt ook een basis voor de monitoring van de omgevingsvisie later in de beleidscyclus. Ad 4: Advies Commissie Kort na deze periode brengt de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie-m.e.r.) zijn advies uit over het MER. Dit advies kan deels worden verwerkt in de definitieve omgevingsvisie en deels in de omgevingsvisie 2.0, programma’s of het omgevingsplan.

26 Concept Plan van Aanpak – omgevingsvisie Rijswijk (18-01-2023)

6. Participatie 6.1. Inleiding Het is de gedachte van de wetgever dat er meer aan het initiatief van de samenleving wordt overgelaten (zie afbeelding 6.1). Hierbij past het dat de omgevingsvisie met de nodige participatie van die samenleving tot stand komt. In de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet wordt dit zwaar aangezet. Tegelijkertijd staat niet in de wet hoe gemeenten dat moeten doen. De mate van betrokkenheid van de samenleving en onze externe (samenwerkings-) partners wordt dan ook bepaald door de keuzes in het proces. Bij het opstellen van de Stadsvisie is een breed proces opgetuigd met veel externe participatie op verschillende niveaus. Er kan ook worden gekozen voor een ‘smaller’ participatieproces, omdat we ons bijvoorbeeld baseren op de bestaande visies waarover al breed is geparticipeerd. Het is goed om te beseffen dat de uiteindelijke besluitvorming over de omgevingsvisie aan de gemeenteraad is.

Afbeelding 6.1.: rolneming in de Omgevingswet

Hierbij moeten we ons afvragen wat het hoofddoel is van het laten participeren . Er kunnen drie hoofddoelen worden onderscheiden: 1. Kennis en kunde van bewoners en ondernemers in Rijswijk inzetten waardoor een inhoudelijk rijkere omgevingsvisie ontstaat; 2. Het ontwikkelen van een gezamenlijk beeld voor de gewenste toekomst, waardoor de relatie met de samenleving verbetert; 3. Het commitment van bewoners en ondernemers vergroten, waardoor er draagvlak en betrokkenheid ontstaat bij de uitvoering van de omgevingsvisie. In samenwerking met het aan te trekken communicatie- en participatiebureau zal dit verder worden uitgewerkt. Dit is ook relevant voor de beslissing over in welke fase, welke (externe) doelgroepen worden uitgenodigd om mee te denken en op welke werkwijze dat gebeurt. Rijswijks participatiebeleid Het Participatiebeleid 2020-2022 is geëvalueerd. Daarin wordt het volgende voorgesteld: - Benoem zo concreet mogelijk hoe we deelnemers betrekken. We hebben het dan over informeren, meedenken, meedoen of meebeslissen in plaats van ‘participeren’. Dit zorgt voor meer aansluiting bij de beleving van deelnemers. De organisatie zal in elk plan of project duidelijk moeten maken welke vorm(en) van participatie voor welke doelgroep gewenst is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=ada81d73-6eab-431a-986b-25b535b85582