Collegebeantwoording vragen GL
Tekst van het document
College beantwoording vragen GroenLinks n.a.v. raadsvoorstel Rekenkameronderzoek Politiek en maatschappelijke betrokkenheid (gesteld in Forum Samenleving van 2 december 2025. 5. Hoe ziet het college op dit moment de rol van bewonersorganisaties en wijkplatforms: als belangenbehartiger, als signalerende en verbindende ‘ogen en oren’, vrijwilligersinitiatieven die vooral dingen organiseren op wijk-of buurtniveau of als structurele samenwerkingspartners? En welke verwachtingen horen daar volgens het college bij? In Rijswijk zijn 6 gesubsidieerde bewonersorganisaties actief. Recent hebben de bewonersorganisaties een gezamenlijke bijeenkomst georganiseerd. Daar is afgesproken dat we met hen, mogelijk als structurele samenwerkingspartner, meer met elkaar willen doen. Deze plannen moeten nog verder vormkrijgen. Los daarvan, is en blijft hun rol als partij of club mensen die activiteiten organiseert op wijkniveau juist heel belangrijk. We hebben veel partijen die (laagdrempelige) ondersteuning, hulp- of dienstverlening bieden en juist bewonersorganisaties zijn een belangrijke schakel in het versterken van de sociale basis in wijken. 6.
Heeft het college in beeld welke ondersteuning bewonersorganisaties of wijkverenigingen die nog niet goed georganiseerd zijn nodig hebben om hun rol in de wijk te kunnen versterken? Ook dit vraagstuk nemen mee in het grotere plan dat we met bewonersorganisaties willen maken. 7. Op welke wijze maakt het college momenteel ruimte voor buurtinitiatieven die vanuit bewoners zelf ontstaan, ook wanneer deze nog niet gekoppeld zijn aan een bewonersorganisatie of wijkplatform? Voor kleine initiatieven (tot €400,-) kunnen bewoners een subsidie aanvragen bij Loket Stadskracht. Voor grote initiatieven kunnen bewoners de gemeente benaderen, zoals benoemd in de participatieverordening. Het gaat hierbij altijd om maatwerk waarbij onder meer gekeken wordt naar de haalbaarheid en het draagvlak onder bewoners. Hiervoor is een voor inwoners makkelijk te hanteren werkwijze in ontwikkeling. 8. Hoe ziet het college de rol van maatschappelijke partners - zoals welzijnsorganisaties, sportverenigingen, vrijwilligersnetwerken en informele groepen - in het versterken van wijkgericht werken? Onze maatschappelijke partners hebben een zeer grote rol in de wijken. Zij zitten in de haarvaten van de wijken. Ze verbinden bewoners, organiseren buurtactiviteiten, ondersteunen elkaar en vormen zo een onmisbaar netwerk in Rijswijk. 9.
Welke specifieke aanpak hanteert het college om juist de Rijswijkers te bereiken die nu nauwelijks meedoen, zoals jongeren, mensen met mindere taalvaardigheid of inwoners die digitaal minder vaardig zijn? Dat is maatwerk. Voor ieder participatietraject wordt een aantal zaken afgewogen. Bijvoorbeeld de impact van beleid, project of aanpassing aan de buitenruimte. En op welke bewoners dit impact heeft. Hierop wordt gekeken welke mix van on- en offline participatievormen het beste past. Door middel van fysieke participatiemomenten krijgen inwoners die digitaal minder vaardig zijn de mogelijkheid hun stem te laten horen. Voor deze bijeenkomsten wordt ook altijd gekeken naar waar deze plaatsvind. We proberen deze zo dicht mogelijk bij de inwoner plaats te laten vinden. Zo verlagen we de drempel voor inwoners die minder mobiel zijn.
Om jongeren te bereiken worden er op dit moment bijvoorbeeld 100 straatinterviews afgenomen om een beeld te krijgen op hun kijk op jongerenparticipatie. In januari volgt een co-creatie sessie waarbij met jongeren een (mix van) participatiemiddel(en) wordt ontwikkeld die aansluit bij de belevingswereld van jongeren. Zo borgen we dat zij in de toekomst nog beter mee kunnen praten over onderwerpen die hen aangaan. In alle participatie wordt het communicatiebeleid gevolgd. Uitgangspunt is dat we met onze communicatie niemand uitsluiten. Zo schrijven we bijvoorbeeld onze teksten in heldere en duidelijke taal (B1 taalniveau) en passen we waar nodig en/of mogelijk infographics, afbeeldingen en video’s toe. 10. Hoe waarborgt het college dat participatie ook toegankelijk blijft voor inwoners die minder digitaal vaardig zijn of bijvoorbeeld een (visuele) beperking hebben, zodat (meer) digitale vormen geen nieuwe drempel vormen? Vaak bestaat een participatietraject uit een online en een offline component. Tijdens een fysieke bijeenkomst krijgen ook mensen die minder digitaal vaardig zijn de mogelijkheid hun stem te laten horen. Ook kunnen mensen met een (visuele) beperking daar waar nodig worden ondersteund. 11.
Hoe gebruikt het college de lessen uit eerdere participatietrajecten om te verbeteren wat onvoldoende werkte voor ondervertegenwoordigde groepen? Ieder participatietraject wordt volgens een vaste vragenlijst geëvalueerd met inwoners. Hieruit worden lessen geleerd over wat wel en niet goed gewerkt heeft. Met deze lessen kunnen wij toekomstige participatietrajecten verbeteren. 12. Welke aanvullende rol ziet het college voor bestuurders zelf bij het verkleinen van de afstand tot inwoners die zich minder betrokken voelen? Vanuit het wijkwethouderschap is er een concrete rol weggelegd voor bestuurders. Zij sluiten aan bij belangrijke gebeurtenissen in “hun” wijken en hebben een maandelijks spreekuur in het Huis van de stad. Voor het spreekuur kunnen bewoners zich aanmelden via de webpagina van de betreffende wethouder.