Bijlage E UrbanParks herstelbesluit - Toelichting
Tekst van het document
Temeer omdat door innovatie en nieuwe technieken de milieueffecten van traditionele bedrijven veel beperkter zijn, en deze ingepast kunnen worden in een woongebied. Daarom is de VNG overgeschakeld op een nieuwe benadering, de Milieuzonering Nieuwe Stijl (VNG, 2019), die wordt overgenomen in dit nieuwe bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat de toelating van bedrijven binnen dit bestemmingsplan wordt gereguleerd op basis van een beschikbaargestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. Deze aanpak biedt een passend ruimtelijk kader voor de inpassing van bedrijven in een gemengd gebied met wonen (functiemenging). Voor geluid ziet dat er als volgt uit: Geluidregeling voor bedrijventerreinen De regeling onderscheidt voor geluid vier zones met oplopende geluidruimte. De zones sluiten aan bij de huidige zones voor de milieucategorieën 2 tot en met 4.1 uit de bestaande VNGpublicatie (Vereniging van Nederlandse Gemeenten). In de volgende figuur is de ligging van de verschillende zones ten opzichte van een rustige woonwijk en gemengd gebied schematisch weergegeven.
65
Figuur 4.8: Geluidzones Waar kan welke zone in een bestemmingsplan worden toegekend? Geluidruimte zone 1 is de basiswaarde die geldt in de eerste zone van het bedrijventerrein ten opzichte van een rustige woonwijk of een gemengd gebied. (Dit is te vergelijken met milieucategorie 1 en 2 uit de oude VNG-publicatie.) Geluidruimte zone 2 kan worden toegekend in een zone op een afstand van tenminste 50 meter van rustig woongebied en 30 meter van gemengd woongebied. (Dit is te vergelijken met milieucategorie 3.1 uit de oude VNG-publicatie.) Geluidruimte zone 3 kan worden toegekend in een zone op een afstand van tenminste 100 meter van rustig woongebied en 50 meter van gemengd woongebied. (Dit is te vergelijken met milieucategorie 3.2 uit de oude VNG-publicatie.) Geluidruimte zone 4 tenslotte kan worden toegekend in een zone op een afstand van tenminste 200 meter van rustig woongebied en 100 meter van gemengd woongebied. (Dit is te vergelijken met milieucategorie 4.1 uit de oude VNG-publicatie.) Met dit kader wordt voorgesorteerd op het gedachtengoed van de Omgevingswet. Daarin staat een goede fysieke leefomgeving en het bieden van maatwerkoplossingen centraal. Wel zijn in het kader van rechtszekerheid en handhaarbaarheid concrete en toetsbare normen opgenomen.
Voor bedrijven buiten dit bestemmingsplan wordt zoals aangegeven getoetst in de stijl zoals gebruikt in het bestemmingsplan waar dat bedrijf zich in bevindt.
66
Onderzoek Aanvaardbaarheid woningen ten opzichte van omliggende bedrijven Het plangebied is in de huidige situatie gelegen op een bedrijventerrein. Dit gebied wordt omgevormd tot een werk-woon gebied. In het plangebied is daarom sprake van omgevingstype 'gemengd gebied'. In de beoogde situatie worden woningen, kantoren, bedrijven, horeca, een supermarkt en dienstverlening gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige en (potentieel) milieuhinderlijke functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNGbrochure. In de omgeving van het plangebied bevindt zich een bedrijventerrein waar bedrijven t/m milieucategorie 3.2 mogelijk zijn met een richtafstand van 50 meter. De kortste afstand van het plangebied tot dit bedrijventerrein is circa 11 meter. Er wordt niet voldaan aan deze richtafstand. Ten behoeve van diverse planontwikkelingen binnen het Havenkwartier is geluidsonderzoek verricht naar de geluidbelasting op de beoogde woningbouw door Peutz, zie bijlage 8 (Woningbouw Havenkwartier Rijswijk, Peutz, 13-09-2023). Door Peutz is op basis van vragenlijsten en locatiebezoeken de huidige bedrijfsactiviteiten bepaald inclusief eventuele (op korte termijn) toekomst plannen van de bedrijven.
Op basis van deze bedrijfsactiviteiten en geluidsmetingen tijdens de locatiebezoeken is de geluidsbelasting van de omliggende bedrijven op de beoogde woningbouw op het Havenkwartier bepaald. Op basis van de geluidsberekeningen voldoet de beoogde woningbouw aan de richtwaarde voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus in de dag, avondperiode. Voor de nachtperiode is belangrijk dat de bedrijven zich houden aan de wettelijke normen of dat maatwerkvoorschriften worden vastgelegd voor bijvoorbeeld het laden en lossen van steigerbuizen in de nacht. In beide gevallen voldoet het plangebied aan de richtwaarden en wettelijke geluidsgrenswaarden. Omliggende woningen Woningen zijn geen milieuhinderlijke functies en hebben geen negatief effect op het woonleefklimaat in het plangebied. Wel geeft het bestemmingsplan ruimte voor bedrijfsmatige activiteiten waarmee rekening gehouden moet worden met de omliggende woningen en de nieuwe woningen binnen het plangebied. Toepassing Milieuzonering nieuwe stijl De niet-woonfuncties die in het gebouw komen, moeten inpasbaar zijn in een gemengd woongebied. Dat betekent dat deze naast en onder woningen hun activiteiten uit moeten kunnen voeren, zonder het woon- en leefklimaat aan te tasten. In de traditionele millieuzonering betekent dit, dat bedrijfsactiviteiten tot maximaal categorie 2 toegestaan zouden zijn.
In dit bestemmingsplan is gekozen voor de Milieuzonering nieuwe stijl. Hierbij wordt niet gekeken naar bedrijfscategorieën op basis waarvan de zonering plaatsvindt, maar wordt gekeken naar de daadwerkelijke uitstraling van een bedrijf. Daarvoor worden concrete milieunormen benoemd in de bestemming. Dit zijn de normen uit het Activiteitenbesluit. Verder zijn de normen ten aanzien van trillingen opgenomen. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B 'Hinder voor personen in gebouwen' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen. In de Richtlijn vindt de beoordeling plaats door middel van A1, A2 en A3:
A1 is de onderste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A2 is de bovenste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A3 is de streefwaarde voor de trillingssterkte Vper.
67
De getallen in onderstaande tabel zijn de trillingsterkten in maximale snelheid in meter per seconde.
Verder is geborgd dat laad- en losactiviteiten voor de bedrijven in het plangebied niet in de avond- en nachtperiode toegestaan zijn. Dit biedt mogelijkheden functiemenging in combinatie met een goed woonklimaat te realiseren. Tot slot is in de regels geborgd dat wanneer de aanvraag van de omgevingsvergunning daar aanleiding toe geeft, er kan worden afgeweken van de normen die zijn benoemd waardoor kan worden getoetst aan de wet- en regelgeving geldend op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning. Hierbij geldt de voorwaarde dat voldaan wordt aan een goed woon- en leefklimaat. Door het akoestisch bureau Peutz is medio november 2024 een nader akoestisch onderzoek (bijlage 26) uitgevoerd, waarbij de maximaal planologische gebruiksruimte voor de omliggende bedrijven in ogenschouw is genomen. Voor een aantal bedrijven geldt dat de etmaalwaarde en de maximaal optredende geluidsniveaus over de beoogde bebouwing UrbanParks komt te liggen. Om deze bedrijven niet te belemmeren in hun mogelijk toekomstige bedrijfsvoering, is aan artikel 4.2.5, onder a, sub 3 toegevoegd.
68
4.5
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. De contour 10-6 is de kans van 1 op 1 miljoen dat een persoon dodelijk kan worden getroffen op die bepaalde plaats gelegen binnen de contour. Bij de plaatgebonden risico contour 10-5/jaar is deze kans 1 op de 100.000.
Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 /jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Figuur 4.9: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met een oriëntatiewaarde voor transport
69
Circulaire LPG-tankstations In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten voor een ongeval (verder: Circulaire LPG-tankstations) zijn effectafstanden geïntroduceerd. Het bevoegd gezag wordt verzocht rekening te houden met deze effectafstanden. Dit betekent tegelijkertijd dat gemotiveerd afwijken is toegestaan, al dient deze afwijking te worden onderbouwd met veiligheidsgeoriënteerde argumenten. Verantwoordingsplicht In het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio.
De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals de mogelijkheden van zelfredzaamheid van de bevolking, mogelijkheden van hulpverlening en de nut en noodzaak van de ontwikkeling. Onderzoek
Figuur 4.10 Uitsnede openbare risicokaart (plangebied omlijnd) Uit de informatie op de openbare risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt het volgende: Risicovolle inrichtingen LPG tankstation Per 1 juli 2019 heeft de gemeente Rijswijk de vergunning van het LPG-tankstation aan de Burgemeester Elsenlaan 156 ingetrokken. Door het intrekken van de vergunning vindt ook geen transport van gevaarlijke stoffen meer plaats. Het tankstation is hierdoor voor het gebied geen relevante risicobron meer.
70
Inrichting voor de opslag van consumentenvuurwerk De wet- en regelgeving omtrent opslag en verkoop van vuurwerk wordt gereguleerd middels het Vuurwerkbesluit. De Rijswijkse Vuurwerkhal heeft een vergunde opslagcapaciteit van maximaal 49.999 kg consumentenvuurwerk. De veiligheidsafstand van 48 m in zijwaartse richting vanaf één van de bufferbewaarplaatsen in de Vuurwerkhal ligt gedeeltelijk over een aantal te realiseren woningen op de kavel ten zuiden van de hal en legt daarmee beperkingen op aan de ontwikkeling van het plangebied. Volgens art. 4.2 van het Vuurwerkbesluit kan het bevoegd gezag een kleinere afstand vaststellen indien: 1. de warmtestraling ten gevolge van brand ter plaatse van een (beperkt) kwetsbaar object beperkt blijft tot ten hoogste 10 kW/,m² en 2. de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de deuropening van een (buffer)bewaarplaats en een (beperkt) kwetsbaar object groter is dan 60 min. Door bureau Aviv is onderzoek verricht naar de veiligheidsafstanden ter plaatse van het plangebied. Deze notitie is opgenomen in bijlage 10 (AVIV, Vaststellen veiligheidsafstanden vuurwerkopslag in Rijswijk, d.d. 8 november 2022). Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het plangebied het warmtestralingsniveau bij een brand in de bufferbewaarplaats kleiner is dan 10 kW/m².
Aan de weerstand tegen branddoorslag wordt ook voldaan blijkens de Vergunnnig Wet milieubeheer uit 2005 waarbij de veiligheidsafstand richting de naastgelegen panden (Koopmansstraat 5 b) reeds is verkleind. Er wordt een milieuneutrale wijziging verleend om de veiligheidscontour van de veiligheidscontour van de vuurwerkhal te verkleinen. Hiervoor is het nodig tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan om de vuurwerkhal en de vuurwerkopslag en overpakken hiervan en verkoop mogelijk te maken. Ook is het mogelijk dat de vuurwerk de bedrijfsvoering zal beëindigen. Om een veilig woon- en leefklimaat te creëren is voor de risico contour van de vuurwerkhal een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels en op de verbeelding. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten in gebruik worden genomen mits de risico contour van de vuurwerkhal niet is verplaats en/of verkleind. Vervoer van gevaarlijke stoffen over buisleiding Buisleiding Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich de hogedrukaardgasleiding A-517 met een invloedsgebied van 380 meter. De afstand van het plangebied tot deze hogedrukaardgasleiding bedraagt circa 367 meter. Het plangebied ligt voor een klein deel binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. Het betreffende deel heeft echter de bestemming groen waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg A4 Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de A4 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd van onder andere de stofcategorie LT2 (toxische vloeistof) met een invloedsgebied van 880 meter. De afstand van het plangebied tot deze weg bedraagt circa 290 meter. Omdat dit groter is dan 200 meter, kan er volgens het Besluit externe veiligheid transportroutes worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
71
A13 Ook de A13 bevindt zich ten westen van het plangebied, waarover gevaarlijke stoffen van de stofcategorie LT3 (toxische vloeistof) en stofcategorie GT4 (toxisch gas) worden vervoerd. De afstand van het plangebied tot deze weg bedraagt circa 720 meter. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico 10-6 contour van de A13 van 200 meter. Het plangebied ligt binnen de effectafstand van het toxisch scenario van de A13 van 4000 meter. Omdat de afstand tussen het plangebied en de wegen groter is dan 200 meter, kan worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Beknopte verantwoording van het groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg is voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio. Onderstaande tekst is de beknopte verantwoording van het groepsrisico. Bestrijdbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen.
Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Bereikbaarheid Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Burgemeester Elsenlaan. Deze weg sluit aan op de Veraartlaan en Diepenhorstlaan, die vervolgens aansluit op het verdere wegennetwerk van Rijswijk. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen, kantoren, bedrijven, horeca, detailhandel in de vorm van een supermarkt en dienstverlening gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van aanwezige (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen.
Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
72
Advies maatregelen Veiligheidsregio Haaglanden Geadviseerd wordt om in de gebouwen een technische voorziening te plaatsen, zodat de ventilatie met een eenvoudige handeling kan worden uitgeschakeld. Om zo de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen te beperken. Dit mag ook een handmatige handeling zijn. Het is daarbij van belang dat ook ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten. De verplichting van het toepassen van mechanische ventilatie is geborgd in de regels in artikel 4.7.3. Daarnaast geeft de Veiligheidsregio adviezen ten aanzien van het voorbereiden van de interne organisatie van de gebouwen en over risicocommunicatie in het geval van noodsituaties. Tot slot dient de bereikbaarheid van het plangebied en bluswatervoorzieningen voor de hulpdiensten goed te zijn. Deze punten dienen bij de uitvoering van het plan in acht te worden genomen. Conclusie Het plangebied ligt voor een klein deel binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Daarnaast ligt het ook binnen het invloedsgebied van de A4 en A13. Hiervoor is een beknopte verantwoording opgesteld, omdat de afstand van het plangebied tot deze wegen groter is dan 200 meter. Uit de beknopte verantwoording kwam naar voren dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Tot slot is de veiligheidsafstanden van de vuurwerkhal verkleind.
De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie In en rondom het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen.
4.7
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
73
Stof stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijnstof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Tabel 4.4: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst, omdat de grenswaarden hierdoor niet overschreden worden. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Actieplan Luchtkwaliteit 2020-2024 De gemeente Rijswijk wil samen met andere overheden, organisaties, ondernemers en inwoners maatregelen nemen om de luchtkwaliteit in Rijswijk te verbeteren. Door middel van lokale maatregelen wil de gemeente de luchtkwaliteit verbeteren zoals het uitbreiden van milieuzone's, stimuleren van het gebruik van de fiets, OV en elektrische voertuigen. Voor ontwikkelingen zoals UrbanParks betreft het aandacht besteden aan duurzaam en energiezuinig bouwen en wonen en het gebruik van deelmobiliteit. Onderzoek Het voornemen is om maximaal 600 woningen, kantoren, bedrijven, horeca, detailhandel in de vorm van een supermarkt en dienstverlening te maken. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Voor de gehele ontwikkeling van het Havenkwartier is in het kader van de m.e.r.-beoordeling een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 9).
Hieruit blijkt dat als gevolg van de gehele ontwikkeling geen grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) overschreden worden. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn beoordelingspunten aangegeven. Het plangebied van
74
UrbanParks ligt bij toetspunt 12 en 13. In onderstaande tabel zijn de waardes ter plaatse van dit toetspunt aangegeven in de huidige situatie (jaar 2020). Er wordt ruimschoots aan de grenswaarden voldaan. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Stof stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10)
fijnstof (PM2,5)
Beoordelingspunt Beoordelingspunt 13 12 27,1 µg/m3 26,3 µg/m3
Grenswaarde 40 µg/m³
19 µg/m3 18,9 µg/m3 40 µg/m³ maximaal 8 keer per maximaal 8 keer per jaar max. 35 keer p.j. meer dan jaar meer dan 50 meer dan 50 µg/m3 50 µg / m³ µg/m3 11,1 µg/m3 11,0 µg/m3 25 µg /m³
Figuur 4.11: Beoordelingspunten uit het onderzoek luchtkwaliteit behorende bij de aanmeldnotitie m.e.r. Havenkwartier
75
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
4.8
Bodemkwaliteit
Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening van belang indien sprake is van functieverandering en/of een ander gebruik van de gronden. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden wanneer de bodem waarop de ontwikkeling zal plaatsvinden geschikt is voor het beoogde gebruik dan wel geschikt wordt gemaakt voorafgaand aan de ontwikkeling. De Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wet bodembescherming is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c.
het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Situatie in het plangebied Het plangebied bevindt zich tussen de Burgemeester Elsenlaan, de Koopmansstraat en de Limpergstraat. Het plangebied ligt in wijk Havenkwartier en is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rijswijk blijkt dat het plangebied is gelegen in de zone Industrie. Zowel de algemene bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond zijn geclassificeerd als klasse industrie. Onderzoek In mei 2021 is een bodemonderzoek uitgevoerd door KP adviseurs (bijlage 11). De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn hieronder opgenomen: In het zuidoosten van het plangebied is een geval van ernstige bodemverontreiniging aangetoond met enkele zware metalen, alsmede plaatselijk met PAK welke in het kader van de voorgenomen herontwikkeling in voldoende mate is afgeperkt. De sterke verontreinigingen zijn hoofdzakelijk aangetoond in de puinhoudende, kleiige ondergrond (puingerelateerd) op een diepte vanaf circa 70 centimeter onder maaiveld tot maximaal 2 meter onder maaiveld.
Het sterk verontreinigd grondvolume bedraagt circa 1.050 m3.
76
Strak langs de gevel van Burgemeester Elsenlaan 329 is een separaat geval van ernstige bodemverontreiniging aangetoond met nikkel in uitsluitend de bovengrond. Het sterk verontreinigd grondvolume bedraagt tenminste 50 m3. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling zijn de nikkelverontreinigingen uitpandig in voldoende mate inzichtelijk gemaakt. Het uitvoeren van inpandig onderzoek was ten tijde van de uitvoering van het bodemonderzoek niet mogelijk in verband met het risico op instromend grondwater.
Uit dit onderzoek komt naar voren dat er twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging zijn. Hiervan zal een aantekening in het kadaster worden opgenomen. De aangetoonde gevallen van ernstige bodemverontreiniging worden gesaneerd. Dit is in november 2022 uitgevoerd. In februari 2022 is beperkt aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn toegevoegd in Bijlage 12. Uit dit sleuvenonderzoek blijkt dat op de locatie geen sprake is van aanvullende sterke verontreinigingen. Er hoeven geen aanvullende sanerende maatregelen te worden genomen.
Figuur 4.12 Saneringsopgave Conclusie Er is bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat sprake is van 2 gevallen van ernstige bodemverontreiniging. Deze twee gevallen zijn gesaneerd en uit nader onderzoek blijkt dat op de locatie geen aanvullende sterke verontreinigingen zijn aangetroffen. Er zijn geen aanvullende sanerende maatregelen nodig. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
77
4.9
Ecologie
Toetsingskader De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebied- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten significant kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken van het gebied. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend.
Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Westduinpark & Wapendal, bevindt zich op circa 6,7 kilometer van het plangebied (figuur 4.13). Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.14). Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland-gebied (Landgoed Te Werve), betreft bestaande en nieuwe natuur, ligt op 777 meter ten noordwesten van het plangebied. Gelet op deze afstanden kunnen directe effecten zoals areaalverlies en versnippering hierdoor worden uitgesloten. Gezien de ontwikkeling en afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding in de natuurgebieden worden uitgesloten.
78
Figuur 4.13 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)
Figuur 4.14 Natuurnetwerk Nederland t.o.v het plangebied (zwart omlijnd) (bron: Provincie ZuidHolland) In paragraaf 4.10 wordt ingegaan op het aspect stikstof. Soortenbescherming In februari 2021 is een ecologische quickscan (bijlage 13) uitgevoerd door KP adviseurs voor het plangebied. Op basis van de waarnemingen tijdens het locatiebezoek en op basis van bronnenonderzoek zijn de mogelijk aanwezige soorten in kaart gebracht:
79
Flora In het plangebied zijn alleen algemene plantensoorten aangetroffen. Het betreft hier voornamelijk aangeplant groen, waartussen zich geen beschermde soorten bevinden Zoogdieren Het plangebied is plaatselijk geschikt voor beschermde kleine zoogdieren, zoals bijvoorbeeld de egel en het konijn. Deze soorten zijn in de provincie echter vrijgesteld van ontheffing. Vleermuizen Van de voormalige bebouwing in het plangebied kon niet worden uitgesloten dat eventuele kieren tussen de gevelplaten en de kozijnen werden gebruikt om in te vliegen door gebouwbewonende vleermuizen. Daarnaast kunnen massawinterverblijven in deze bebouwing niet worden uitgesloten. Van het transformatorhuisje kan echter wel worden uitgesloten dat deze wordt gebruikt door vleermuizen. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig die verblijfplaatsen aan boombewonende soort kunnen bieden. Het wordt verder niet verwacht dat het plangebied een essentiële functie vervult als foerageergebied of vliegroute. Vogels In het plangebied ontbrak het aan geschikte invliegopeningen voor vogelsoorten. Hierdoor kon worden uitgesloten dat vogels in de bebouwing aanwezig zijn en was nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk. Ook in de aanwezige bomen zijn geen nesten aangetroffen.
(redactionele noot: Het gebouw is in januari 2023 gesloopt op basis van de verleende vergunning) Reptielen Tijdens de inventarisatie zijn geen reptielen aangetroffen. In het plangebied zijn geen hoopjes bladeren of takken aangetroffen. Ook zijn er geen andere geschikte schuilplaatsen aangetroffen voor reptielen. Gezien de locatie en het gebrek aan schuilplaatsen en groen worden beschermde reptielen niet verwacht. Amfibieën en vissen Tijdens de inventarisatie zijn geen amfibieën aangetroffen. Door het ontbreken van een watergang kan het voorkomen van beschemde amfibieën en vissen uitgesloten worden. Overige fauna Tijdens de inventarisatie zijn enkele algemene insectensoorten waargenomen. Gezien de ligging van het plangebied en het ontbreken van soort specifieke waardenplanten en wateroppervlaktes kunnen beschermde insectensoorten in het plangebied worden uitgesloten. Uit het onderzoek kwam naar voren dat gebouwbewonende vleermuizen mogelijk een vaste verblijfplaats hebben in het plangebied. Ten behoeve van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is nader onderzoek benodigd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de volgende maatregelen: Werkzaamheden vanaf één kant aanvangen. Indien kappen of rooien van bomen, heggen en struiken nodig is, moet dit voorafgaand aan overige werkzaamheden en buiten het vogelbroedseizoen (half maart tot half juli) gedaan worden.
Werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang plaats laten vinden. Het gebruik van licht op het terrein na zonsondergang zoveel mogelijk beperken. Het ontstaan van plassen zoveel mogelijk tegengaan, om te voorkomen dat amfibieën en reptielen het plangbied koloniseren. Tijdens werkzaamheden alert zijn op aanwezigheid van (beschermde) dieren op het terrein en deze de ruimte en tijd geven om te vluchten.
80
Nader vleermuisonderzoek In oktober 2021 is het nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen uitgevoerd door KP adviseurs. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 14. Het onderzoek is uitgevoerd conform het 'Vleermuisprotocol' (vesie 2021) van het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Uit het onderzoek blijkt dat aan de zuidwestzijde van het gebouw één kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis is vastgesteld. Verder zijn geen andere verbijlfplaatsen, (essentiële) foerageergebieden of vliegroutes vastgesteld binnen of nabij het plangebied. Ontheffing Aangezien er geen werkwijze kan worden gevolgd waarmee de aangetroffen verblijfplaats kan worden gespaard, is een ontheffing op de Wet natuurbescherming aangevraagd. Op 22 augustus 2022 heeft de omgevingsdienst Haaglanden ontheffing verleend (zaaknummer 01021769) voor het verstoren van de gewone dwergvleermuis alsmede het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Conclusie Door het verlenen van de ontheffing voor de gewone dwergvleermuis is de beoogde ontwikkeling niet in strijd met gebieds- en soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming. Ook moet de ontwikkeling zich houden aan de in de quickscan beschreven bepalingen om negatieve effecten op broedvogels te voorkomen en aan de algemene zorgplicht zoals beschreven in de quickscan.
81
4.10
Stikstof
Toetsingskader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming: verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk. Daarom wordt de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar aangehouden. Stikstof wordt gemeten in de eenheid 'mol'. De depositie wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar. Als de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar niet wordt overschreden, betekent dat er door de ontwikkeling geen sprake is toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Onderzoek Door Rho Adviseurs is een stikstofberekening uitgevoerd (Stikstofberekening Burgemeester Elsenlaan UrbanParks, d.d. 20-03-2024). Deze berekening en begeleidende memo is toegevoegd in bijlage 16.
Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.1.2) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij is de gebruiksfase berekend (na oplevering van de beoogde ontwikkeling). In de gebruiksfase kan stikstof worden uitgestoot door de uitstoot van gas en door de uitstoot van auto's ten gevolge van verkeersbewegingen. De beoogde ontwikkeling krijgt geen gasaansluiting hierdoor is enkel de verkeersgeneratie in de gebruiksfase meegenomen in de berekening. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling is 5.235 mvt/etmaal (weekdag gemiddelde). Uit de berekening blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000 hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Daarnaast is door DGMR een stikstofberekening uitgevoerd voor de aanlegfase (27-04-2024). Deze berekening is toegevoegd in bijlage 15 met daarbij de uitgangspunten. Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.1.2) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de aanlegfase voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen.
82
In het model is het bouwverkeer en de inzet van mobiele werktuigen gedurende de sloop en de bouw ingevoerd. Bouwverkeer Voor de bouwperiode wordt er gerekend op 2.500 vrachten ‘zwaar vrachtverkeer’ per jaar om materiaal naar de bouw te vervoeren. Daarnaast zal bouwend personeel zorgen voor 4.000 ritten met ‘licht verkeer’ per jaar. De bronlijn zal via de Burgemeester Elsenlaan aansluiten op de Veraartlaan. Bij de kruising met de Diepenhorstlaan zal het verkeer de Diepenhorstlaan in zuidoostelijke richting volgen tot aan de op- en afritten van de A4. Hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Inzet mobiele werktuigen Om de sloop en bouw mogelijk te maken, zal gebruik gemaakt worden van mobiele werktuigen. Er is gerekend op de inzet van werktuigen zoals is opgenomen in de bijlage van de stikstofberekening in bijlage 15. Uit de berekening blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000 hoger dan 0,00 mol/ha/jr.De beoogde herontwikkeling is daarmee uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Archeologie
Toetsingskader De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1992) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren (zgn. behoud in situ) en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, sporen en structuren, waaronder nederzettingsterreinen en landschappelijke- en infrastructurele elementen, die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, houdt de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Indien behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven, om de archeologische informatie zodoende (ex situ) te behouden voor wetenschappelijk onderzoek. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden.
Op 17 december 2013 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Nota Cultureel Erfgoed' en bijbehorende archeologische waardenkaarten vastgesteld. In de nota wordt ingegaan op de vraag hoe resten uit het verleden kunnen worden behouden, zonder moderne ontwikkelingen buiten te sluiten.
83
Figuur 4.15: Uitsnede archeologische beleidskaart met het plangebied rood omcirkeld Onderzoek In het kader van de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Het Havengebied van Rijswijk (Z-H) een archeologisch bureauonderzoek, gemeente Rijswijk, J.M. Koot, juli 2019). In dit onderzoek wordt niet specifiek ingegaan op het plangebied UrbanParks. Het geeft een algemene beschrijving van het Havenkwartier. Het Havengebied ligt in een zone waar archeologische resten zijn te verwachten. Deze resten dateren van de Romeinse Tijd (eerste - derde eeuw na Chr.) en de Late Middeleeuwen en jonger. Deze bevinden zich in de top van het Laagpakket van Walcheren. Dit niveau bevindt zich direct onder de bouwvoor en ophogingslagen. Op een dieper niveau, in het Laagpakket van Wormer, kunnen prehistorische duinen met bewoningssporen aanwezig zijn. Een eerder booronderzoek in het westelijk deel van de Landtong leverde aanwijzingen op voor zo'n duin. Dergelijke sporen zijn te verwachten beneden een diepte van 2,8 m - NAP. Voor het dieper in de ondergrond gelegen Niveau A (Prehistorie) met resten uit de Prehistorie is het opsporen van duinen door een booronderzoek de 'next-best' oplossing. Indien een duin wordt aangetroffen, is nader onderzoek nodig om vast te stellen of bewoningsporen aanwezig zijn.
Op enkele locaties binnen het Havengebied heeft dit onderzoek weinig zin meer, namelijk waar in het verleden eerder graafwerk tot onder dit niveau is gegaan: bijvoorbeeld parkeergarages en de havenbekkens.
84
Archeologie is altijd maatwerk. Per deellocatie zal moeten worden nagegaan of archeologisch onderzoek nodig is en zo ja, in wat voor vorm. Het bureauonderzoek vormt een eerste indicatie met betrekking tot de verwachte aan- of afwezigheid van archeologische waarden. Om vast te kunnen stellen of en in welke mate de bodem nog intact is en dus of archeologische niveaus in potentie nog aanwezig zijn, is verkennend archeologisch booronderzoek de meest geëigende methode. Voor het opsporen van archeologische vindplaatsen in het direct onder de bouw voor en ophogingslagen gelegen Niveau B (Romeinse Tijd en jonger) is een proefsleuvenonderzoek (onderdeel van Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek de beste methode; deze fase van het Inventariserend Veldonderzoek volgt in de regel op het verkennend booronderzoek, indien dit uitwijst dat potentiële archeologische niveaus nog geheel of gedeeltelijk intact aanwezig zijn. Een archeologisch Inventariserend Veldonderzoek is nodig om meer inzicht te krijgen in de werkelijke archeologische waarden van het plangebied. Om deze eventueel aanwezige waarden te beschermen is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' opgenomen.
Conclusie Het aspect archeologie vormt naar verwachting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, mits de archeologische monumentenzorg deel uitmaakt van het ontwikkelingsproces en benodigde onderzoeksfasen tijdig worden uitgevoerd.
4.12
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de Erfgoedwet zijn de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. In de gemeentelijke nota 'Tussen oud en nieuw: Actualisering nota cultureel erfgoed' zijn ook cultuurhistorische waardenkaarten opgenomen. In deze nota zijn diverse gebieden/structureren beschreven die vanuit het oogpunt van cultuurhistorie waardevol zijn. Figuur 4.16 geeft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weer.
Figuur 4.16: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart met het plangebied rood omcirkeld
85
Onderzoek Op basis van toetsing aan de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Rijswijk en de Provincie Zuid-Holland blijken er geen beschermde cultuurhistorische waarden in het plangebied te liggen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.13
Water
Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Delfland. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Hoogheemraadschapsbeleid Het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) van het Hoogheemraadschap van Delfland is op 10 maart 2022 vastgesteld en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met uitdagingen als klimaatverandering, verstedelijking, energietransitie, arbeidsmarkt en digitalisering om te gaan en zo het gebied veilig en leefbaar te houden. Deze uitdagingen zorgen ervoor dat ze flexibel moeten blijven, moeten innoveren, samenwerken en anticiperen op de veranderende omgeving.
Delfland wil bijvoorbeeld wateroverlast als gevolg van extreem weer zoveel mogelijk voorkomen en de invloed van droogte op de hoeveelheid zoetwater verminderen. In het waterbeheerprogramma staat de missie van het Hoogheemraadschap van Delfland centraal, deze is: ‘droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater’. Hierbij zijn de aspecten duurzaam circulair, waterkwaliteit, samenwerken en financiën leidend. In het waterbeheerprogramma zijn 32 thema’s opgesteld met de doelen, ambities en maatregelen. Het programma is te vinden op de website van het Hoogheemraadschap van Delfland. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de handreiking watertoets. De handreiking watertoets biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de watertoetsprocedure bij ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op beleid van Delfland en sluit aan op de provinciale en landelijke regelgeving. In de legger van het Hoogheemraadschap zijn de watergangen, waterkeringen en zoneringen aangegeven.
86
Figuur 4.17 Uitsnede legger met plangebied zwart omkaderd (bron: Hoogheemraadschap Delfland) Gemeentelijk beleid Het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Rijswijk hebben een gedeelde verantwoordelijkheid in het waterbeheer. Gezamenlijk hebben zij het "Gemeentelijk Rioleringsen Waterplan Rijswijk 2021-2025" opgesteld. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het watersysteem en draagt zorg voor een goede waterkwaliteit en de veiligheid van dijken en kades en bergen van overtollig water. De gemeente Rijswijk is verantwoordelijk voor een goed functionerend rioolsysteem om afvalwater te kunnen inzamelen en transporteren, het goed onderhouden van constructies in- en langs het water en van de openbare ruimte en stedelijke inrichting daaromheen. Huidige situatie Het plangebied ligt aan de Burgemeester Elsenlaan in Rijswijk. Het plangebied is deels onbebouwd. Grondwater Het plangebied ligt niet in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Omdat het plangebied in de bebouwde kom van Rijswijk ligt is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. De grond ten oosten van het plangebied bestaat uit klei. Ten oosten van het plangebied is sprake van een grondwatertrap IVu. Dit betekent dat de hoogste grondwaterstand (GHG) 54 centimeter onder het maaiveld ligt.
De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) is 109 centimeter onder het maaiveld. Het maaiveld ligt op circa +1 meter ten opzichte van het NAP. De gemiddelde maaiveldhoogte in het plangebied is circa 0,3 NAP m. De gemiddelde drooglegging is 1,87 meter. Waterkwantiteit Binnen het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Ten noorden van het plangebied is een secundaire watergang aanwezig (zie figuur 4.10). Dit is een van de insteekhavens van het havengebied. Veiligheid en waterkeringen Langs de noord en oost rand van het plangebied loopt een regionale waterkering (zie figuur 5.1). De waterkering inclusief beschermingzone hebben in het bestemmingsplan Plaspoelpolder een
87
dubbelbestemming waterstaat – waterkering. Het plangebied ligt deels in de beschermingszone van de regionale waterkering. Voor werkzaamheden in deze zone wordt een vergunning op basis van de 'Keur' aangevraagd. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling bestaat uit de herontwikkeling van de bedrijfsbebouwing tot een werkwoongebied. Grondwater De beoogde ontwikkeling voorziet in de aanleg van een kelder. In bijlage 18 (TAUW, Kelderadvies, d.d. 24 januari 2023) is het geohydrologisch onderzoek toegevoegd waarin de effecten van de nieuwe kelder op de grondwaterstroming en grondwaterstand is beeld zijn gebracht. Uit het onderzoek blijkt als gevolg van de toekomstige kelder een maximale grondwaterstijging van 8 cm en de maximale grondwaterdaling is 16 cm. De berekende stijging bij de bebouwing aan de noordzijde van de projectlocatie is circa 5 cm. Het waterschap adviseert een drooglegging van 1,2 meter met een minimum van 1,0 meter en de gemeente eist een drooglegging van 1,3 meter. Op basis hiervan en de verwachte stijging van 5 cm van de grondwaterstand worden geen negatieve effecten verwacht. Door de barrièrewerking van de kelder zal de toestroom van grondwater vanuit de noordoostelijke richting afnemen.
De berekende daling in de richting van de watergang (zuidwestzijde) zal een verlaging van circa 10 cm bij de Burgemeester Elsenlaan plaatsvinden. Hier wordt geen negatief effect verwacht. Waterkwantiteit Conform de Handreiking watertoets van het Hoogheemraadschap Delfland (2020) geldt als richtlijn voor het watersysteem het 'standstill beginsel'. Dit betekent dat de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie mag leiden en bij voorkeur ook zo wordt ingericht dat schade en overlast bij hevige buien en droogte wordt voorkomen. In de huidige situatie is het plangebied deels verhard. In de toekomstige situatie zal dan ook sprake zijn van een toename aan verharding. Binnen het plangebied wordt daarnaast gebruik gemaakt van infiltratiebakken om de waterhuishoudkundige situatie te verbeteren. Hiermee kan meer water worden vastgehouden, het overtollige water zal worden afgevoerd op het oppervlakte water. Wateropgave Zowel het Hoogheemraadschap Delfland als de gemeente Rijswijk hebben richtlijnen voor de inrichting van klimaatadaptieve bebouwing en openbare ruimte. De gemeente Rijswijk heeft op 24 november 2022 ondertekend voor een vervolg op 'Convenant klimaatadaptief bouwen ZuidHolland'. Het Hoogheemraadschap Delfland hanteert zijn eigen richtlijnen, de watersleutel.
Er hoeft maar aan een van deze twee richtlijnen te worden voldoen, namelijk deze met de grootste wateropgave. In bijlage 17 is de wateropgave berekend voor de twee richtlijnen. Met de uitgangspunten uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen dient binnen het plangebied voor 363,2 m3 aan vasthoudmaatregelen gerealiseerd te worden. Uit de watersleutel bedraagt de bergingsopgave 151,4 m3. De wateropgave vanuit het 'Convenant Klimaatadaptief Bouwen' is hoger dan de wateropgave die voorkomt uit de watersleutel. Wanneer aan de het Convenant Klimaatadaptief bouwen voldaan wordt, wordt direct voldaan aan de wateropgave volgens de watersleutel.
88
Voor de invulling van de vasthoudmaatregelen is naast het totale oppervlak van het plangebied ook de uiteindelijke ruimtelijke invulling van belang. Op dit moment bevindt het project zich in de schetsontwerp-fase. De definitieve invulling van de daktuinen, groene daken en openbare ruimte wordt in een latere fase bepaald. Middels de genomen vasthoudmaatregelen, zoals onderstaand beschreven, wordt voldaan aan de bergingsopgave. Als uitgangspunt voor de berekening geldt een indicatie van de nieuwe situatie in het plangebied. Onderstaande figuur toont het bovenaanzicht, met daarop verschillende daken, daktuinen, privé terrassen en omliggende openbare ruimte.
Schematisch bovenaanzicht nieuwe situatie
Waterberging op het dakoppervlak van de woontorens is voorzien middels permavoidkratten met een dikte van 85 mm. Wanneer 50 mm water vastgehouden moet worden zijn de kratten voor 60% gevuld. Bij een extreme piekbui, waarbij 90 mm water vastgehouden moet worden zijn deze voor 100% gevuld. Daarnaast is de daktuinsubstraat (60 mm) voor de groendaken in staat de overige 5 mm te bergen. Daktuinen op de 5e verdieping (collectief) zijn voorzien van permavoidkratten met een dikte van 85mm. Wanneer 50 mm water vastgehouden moet worden zijn de kratten voor 60% gevuld. Bij een extreme piekbui, waarbij 90 mm water vastgehouden moet worden zijn deze voor 100% gevuld. Daarnaast is de daktuinsubstraat (300 mm) voor de groendaken in staat de overige 5 mm te bergen. Daktuinen op de 1e verdieping zijn voorzien van permavoidkratten met een dikte van 85mm. Wanneer 50mm water vastgehouden moet worden zijn de kratten voor 60% gevuld. Bij een extreme piekbui, waarbij 90 mm water vastgehouden moet worden zijn deze voor 100% gevuld. Daarnaast is het daktuinsubstraat (300 mm) voor de groendaken in staat de overige 5 mm te bergen. De openbare ruimte op het parkeerdek wordt voorzien van permavoidkratten met een dikte van 85mm. Wanneer 50 mm water vastgehouden moet worden zijn de kratten voor 60% gevuld. Bij een extreme piekbui, waarbij 90 mm water vastgehouden moet worden zijn deze voor 100% gevuld.
Het overige regenwater kan middels een rockflowpakket (waterbergingsysteem van steenwol onder de grond) vertraagd worden afgevoerd.
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied valt gedeeltelijk binnen de beschermingszone van de bestaande regionale waterkeringen. Voor ontwikkelingen in deze zone moet een vergunning op basis van de keur aangevraagd worden. Dit beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid (door faalmechanismen) worden aangetast en inspectie, beheer en onderhoud niet worden
89
belemmerd. De ondergrondse parkeergarage ligt buiten het waterstaatswerk, maar binnen de beschermingszone. De dubbelbestemming waterstaat – waterkering is in dit bestemmingsplan overgenomen.
Figuur 4.18: Doorsnede van de diepte van de parkeerkelder ten op zichte van het leggerprofiel
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem wordt gebruik gemaakt van duurzame, niet-uitloogbare materialen, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering De beoogde woningen worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Conform de Verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022 wordt voor nieuwbouw een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Overig afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar de afwalwaterzuiveringsinstallatie. Verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022 De Verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022 is opgesteld met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater regels te stellen over een verplichte waterbergingscapaciteit bij nieuwbouw. Op basis van de verordening geldt een verplichting tot waterberging bij nieuwbouw en afkoppelen bij functiewijziging.
Hemelwater wordt alleen in een openbaar riool of in de openbare ruimte geloosd, als een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden op het betreffende perceel of ander particulier terrein. Hierbij geldt dat de minimale capaciteit van de hemelwaterberging op het perceel 50 liter per m2 bebouwd oppervlak is plus 50% va het onbebouwde oppervlak van het perceel. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze weer voor 100% beschikbaar is: a. binnen een ledigingstijd van 1 tot 2 dagen als het opgevangen hemelwater niet is bedoeld
90
voor hergebruik; b. binnen een ledigingstijd van 3 tot 4 dagen als het opgevangen hemelwater is bedoeld voor hergebruik en de hemelwaterberging niet is voorzien van een geautomatiseerd systeem; of c. tijdig voor de eerstvolgende bui, als het opgevangen hemelwater is bedoeld voor hergebruik en de hemelwaterberging is voorzien van een geautomatiseerd systeem. Klimaatadaptatie Er wordt gebruik gemaakt van infiltratiebakken om regenwater vertraagd af te voeren. Hierdoor draagt de ontwikkeling bij aan de klimaatadaptatie tegen verdroging en wateroverlast. Verder liggen in het gebied kansen op het gebied van klimaatadaptatie door het toepassen van groene daken, het toepassen van hernieuwbare energie (zoals zonnepanelen) en door het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Paragraaf 4.14 gaat verder in op duurzaamheid en klimaatadaptatie. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, realiseren van een ondergrondse parkeergarage omdat deze in de beschermingszone ligt, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen.