CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage E Havenmeester vastgestelde regels plus bijlagen bij regels

Raadsvergadering 17 december 2024, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan De Havenmeester (RV 24-071)15.744 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan De Havenmeester

<luchtfoto met ligging plangebied, mag groter of kleiner - aangeven met rode lijn>

vastgesteld 17-12-2024

De Havenmeester

Rijswijk

bestemmingsplan regels

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0603.bpHavenmeester-VA01

13-06-2022

concept voorontwerp ontwerp vastgesteld

projectnummer:

447000739.20211245 opdrachtleider:

I. de Feijter

14-11-2023 17-12-2024

2

3

Inhoudsopgave

Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

7

Artikel 1

Begrippen

7

Artikel 2

Wijze van meten

13

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

15

Artikel 3

Gemengd

15

Artikel 4

Verkeer

21

Artikel 5

Waarde - Archeologie

22

Artikel 6

Waterstaat - Waterkering

23

Hoofdstuk 3

Algemene regels

25

Artikel 7

Anti-dubbeltelregel

25

Artikel 8

Algemene bouwregels

26

Artikel 9

Algemene gebruiksregels

27

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

28

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

29

Artikel 11

Overgangsrecht

29

Artikel 12

Slotregel

30

Bijlage 1

Parkeernormen Havenkwartier

33

Bijlage 2

Addendum beeldkwaliteitsplan

35

Bijlage 3

Upgrading Steenplaetsstraat 6

37

Bijlage 4

Natuurinclusief bouwen Tauw

39

Bijlage 5

Besluit hogere waarden

41

Bijlage 6

Natuurinclusief bouwen Havenmeester

43

Bijlagen regels

4

5

Regels

6

7

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan De Havenmeester met identificatienummer NL.IMRO.0603.bpHavenmeester-VA01 van de gemeente Rijswijk. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 archeologische waarde de aan een gebied toegerekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden. 1.6 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, distribueren, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van (commerciële) diensten. Een bedrijf-aan-huis daaronder niet inbegrepen. 1.8 bedrijf geschikt voor functiemenging een bedrijf dat qua aard en invloed op de omgeving past binnen een gemengd gebied met wonen, ook indien gevoelige objecten zijn gelegen: a. direct naast het bedrijf; b.

in hetzelfde gebouw of een aanpandig gelegen gebouw, indien in dat gebouw gevoelige objecten zijn toegelaten 1.9 begane grond de bouwlaag van een gebouw waarvan de vloer zich op maaiveld, of nagenoeg op maaiveld, bevindt.

8

1.10 berging een niet gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte met een vloeroppervlakte van tenminste 5 m2 met een breedte van minimaal 1,8 meter en een hoogte boven de vloer van tenminste 2,3 meter waar spullen bewaard kunnen worden en wat niet geschikt is voor bewoning. 1.11 beroep-aan-huis het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, culinair, medisch, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermede naar de aard gelijk te stellen beroep dat door zijn aard en omvang in een woning zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woonen leefmilieu in de directe omgeving. 1.12 bestaand a. bestaand gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals aanwezig op moment van het ontwerpbestemmingsplan of kan worden gebruikt krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het gebruik; daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; b. bestaande bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan: 1. aanwezig zijn én bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn gebouwd; 2. nog kunnen worden gebouwd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen; c.

bestaand aantal: het aantal zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. 1.13 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.14 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.15 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.16 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.17 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met inbegrip van de begane grond; hieronder wordt niet begrepen:  een vide, waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50% van de onderliggende laag. 1.18 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

9

1.19 bouwperceelsgrens een grens van een bouwperceel. 1.20 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.21 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond of op een dakterras of daktuin. 1.22 bouwwerken, geen gebouwen zijnde een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijn, die direct en duurzaam met de aarde of een dakterras of daktuin is verbonden. 1.23 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending. 1.24 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder: een belwinkel, een internetcafé; een kapsalon, een reisbureau, een uitzendbureau, een bankfiliaal, een wasserette of een apotheek, eventueel met bijbehorend kantoor, een magazijn of een ambacht, zulks met uitzondering van horecabedrijven en seksinrichtingen.

1.25 dove gevel een bouwkundige constructie die een ruimte in een gebouw scheidt van de buitenlucht, waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een karakteristieke geluidswering – conform NEN5077 – die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB (ingeval van wegverkeerslawaai) en 35 dB(A) (ingeval van industrielawaai), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij wijze van uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits die delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte, zoals omschreven in artikel 1 van de Wet geluidhinder. 1.26 duurzaam gemeenschappelijke huishouding Een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die enkel het gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. Er dient ook sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen. Er is sprake van een economisch-consumptieve eenheid en bloedverwantschap, huwelijksbinding of een daaraan in intensiteit en continuïteit gelijk te stellen mate van binding tussen de bewoners. 1.27 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.28 gestapelde woningen boven elkaar of nagenoeg boven elkaar gebouwde woningen.

10

1.29 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.30 horeca het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse, uitgezonderd seksinrichtingen. Hieronder wordt begrepen: 1. automatiek; 2. broodjeszaak; 3. croissanterie; 4. koffiebar; 5. lunchroom; 6. ijssalon; 7. snackbar; 8. tearoom; 9. traiteur; 10. bistro; 11. restaurant. 1.31 huishouden een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voeren. 1.32 internethandel detailhandel in niet-dagelijkse artikelen zonder showroom, waarvan de handel via internet en andere media loopt en waarvan de levering van producten uitsluitend plaatsvindt via post of koeriersdiensten. 1.33 kunstobject beeldende kunst in de vorm van een overig bouwwerk. 1.34 maatschappelijke voorzieningen educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport, welzijns- en gezondheidsvoorzieningen ten behoeve van (openbare) dienstverlening, niet zijnde een crematorium.

1.35 nutsvoorziening een voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals ten behoeve van de levering van elektriciteit, gas, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede ten behoeve van riolering en (warmte-)energie. 1.36 ondergeschikt bouwdeel een buiten de gevel of de dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een gebouw, zoals een dakvenster, een balkon, een luifel, een galerij, een lift en een schoorsteen. 1.37 ondergeschikte detailhandel detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf of bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdbestemming;

11

1.38 ondergeschikte horeca een niet zelfstandige horecafunctie, welke ondergeschikt is aan en ten dienste staat van de bestemming. 1.39 openbaar toegankelijk gebied een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. 1.40 overkraging een uitspringend deel van het gebouw dat ten op zichte van de gevel zich geheel of gedeeltelijk uitsteekt waaronder een onderdoorgang mogelijk is. 1.41 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak, zonder of met ten hoogste één tot de eigen constructie behorende wand of wanden. 1.42 parkeergarage een geheel of gedeeltelijk overdekte voorziening bestemd voor het al dan niet tijdelijk en al dan niet tegen betaling parkeren van motorvoertuigen en/of motoren en (brom)fietsen. 1.43 peil a. voor gebouwen: 25 cm boven de kruin van de weg; b. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de bovenkant vanaf het gemiddelde maaiveld van het aansluitend afgewerkt terrein. 1.44 prostitutie het zich in bedrijfsmatige zin beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.45 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke, (besloten) ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksshop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub, raamprostitutie en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. Hieronder wordt mede begrepen een sekswinkel zijnde een gebouw of een gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte is bestemd en/of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig te koop en/of te huur aanbieden van seksartikelen, waaronder mede begrepen uitstalling, verkopen, verhuren en/of leveren van seksartikelen. Een prostitutiebedrijf is hieronder begrepen. 1.46 straatmeubilair bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts)voorzieningen, zoals: a. verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken en bloembakken; b. telefooncellen, abri's, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame; c. afvalinzamelsystemen; d. slagbomen. 1.47 verblijfsgebied een gedeelte van de openbare ruimte dat hoofdzakelijk is bestemd en is ingericht voor verblijf en langzaam verkeer, doch in ondergeschikte mate tevens fungeert als erftoegangsweg.

12

1.48 voorgevel de gevel of gevels, exclusief de aan- en uitbouwen aan deze gevel, die georiënteerd is of zijn op het openbaar toegankelijk gebied. 1.49 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer, waterberging en waterkwaliteit. 1.50 wonen het gehuisvest zijn in een woning. 1.51 woning een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden. 1.52 woongebouw een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

13

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand de ruimte tussen bouwwerken onderling alsmede de ruimte tussen bouwwerken tot perceelsgrenzen gemeten vanaf de buitenwerkse gevelvlakken. 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, zie ook de 'Algemene bouwregels'. 2.3 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.4 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.5 maaiveld a. de gemiddelde hoogte van het bestaande terrein grenzend aan de voorgevels van het hoofdgebouw. b. in het geval van fietsparkeren, tevens in een beperkte helling wanneer sprake is van splitlevel. 2.6 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

14

15

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3

Gemengd

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'wonen': woningen in de vorm van gestapelde woningen, met beroep aan huis; b. niet-woonfuncties, zijnde: 1. bedrijven geschikt voor functiemenging; 2. dienstverlening; 3. horeca; 4. maatschappelijke voorzieningen; 5. ondergeschikte horeca; 6. ondergeschikte detailhandel; bij deze bestemming behorende voorzieningen waaronder: (gebouwde) parkeervoorzieningen, ontsluitingen, tuinen, erven, paden, groen, water, hekwerken, straatmeubilair, fietsenstallingen, bergingen, (ondergrondse) afvalinzameling en containervoorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Hoofdgebouwen Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden gelden voor hoofdgebouwen de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte in meters mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'; c. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'overkraging' is een overkraging met een vrije hoogte van minimaal 6 meter, gemeten vanaf peil, toegestaan. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, op maaiveld mag niet meer bedragen dan: 1.

3 m voor kunstobjecten en lichtmasten; 2. 3 m voor speel- en ontmoetingsvoorzieningen; 3. 1 m voor erf- en terreinafscheidingen; 4. 1 m voor andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, op dakterrassen of daktuin mag niet meer bedragen dan: 1. 1,5 m voor transparante afscheidingen van dakterrassen, waarbij de bouwhoogte in afwijking van lid 2.2 wordt gemeten vanaf de bovenzijde van het platte dak; 2. 1 m voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. c. de afstand van afscheidingen van dakterrassen tot de dakrand bedraagt ten minste 1,5 meter;

16

3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 3.2.1. 3.3.2 Vergunningvereiste De in lid 3.3.1 onder a genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. 3.3.3 Procedureregel Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een stedenbouwkundige of aan het beeldkwaliteitsplan "addendum beeldkwaliteitsplan uitsnede Havenmeester" is voldaan uit Bijlage 2 bij deze regels. 3.4 Voorwaardelijke verplichting geluid a. Een omgevingsvergunning voor functies zoals genoemd in 3.1 sub a kan slechts worden verleend indien uit de aanvraag blijkt dat: 1. het geluidsniveau op de gevel als gevolg van wegverkeer niet meer is dan de vastgestelde hogere waarden in het besluit hogere waarden zoals toegevoegd in Bijlage 6 van deze regels of wanneer de gevel ter plaatse van de aanduiding 'dove gevel' als dove gevel is uitgevoerd; 2. het geluidsniveau in de woning als gevolg van het wegverkeer niet meer is dan 33 dB. b.

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4 onder a, mits: 1. sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau op de gevel en in de woning, waarbij het geluidsniveau als gevolg van het wegverkeer op de gevel van de woningen niet hoger mag zijn dan de waarden zoals opgenomen in bijlage 2 behorende bij het Akoestisch onderzoek 'Burgemeester Elsenlaan 325 te Rijswijk' met referentienummer 21246.06v3, onder Geluidbelastingen "Nieuwbouwplan Burgemeester Elsenlaan 325" te Rijswijk, onder de kolommen 'Rijkswegen Omgevingswet' en 'Bkl gemeentewegen'; 2. de bouwkundige uitwerking van het bouwplan zoals opgenomen in de aanvraag omgevingsvergunning overeenkomt met hetgeen is opgenomen in de paragrafen 6.3 en 6.4 van het Akoestisch onderzoek 'Burgemeester Elsenlaan 325 te Rijswijk' met referentienummer 21246.06v3. 3.5 Voorwaardelijke verplichting laden en lossen Een omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van de functies zoals genoemd in lid 3.1 onder b kan slechts worden verleend indien twee laad- en losplekken gerealiseerd worden en in stand worden gehouden. 3.6 Voorwaardelijke verplichting parkeren 3.6.1 Autoparkeren a.

een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen, wordt slechts verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de Bijlage 1 Parkeernormen Havenkwartier, tenzij de aard en omvang van de omgevingsvergunning voor het bouwwerk en/of de uitbreiding van bouwwerken en/of gronden niet leidt tot extra parkeerbehoefte;

17

b. het bepaalde onder a is niet van toepassing indien op basis van het advies van een verkeerskundige blijkt dat er op andere wijze is/wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, of het voldoen aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; c. deze parkeerbehoefte dient te worden opgelost op eigen terrein, danwel op het perceel van de met het figuur 'relatielijn' aangewezen bestemming 'Verkeer'; d. parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden. 3.6.2 Fietsparkeren a. een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen, zoals omschreven in artikel 3 wordt slechts verleend indien wordt voorzien in voldoende fietsparkeergelegenheid. b. een (fiets)berging bij een woning, die niet voldoet aan de eisen van artikel 4.30 tot en met 4.32 van het Bouwbesluit, voldoet in ieder geval aan de gelijkwaardigheidsbepaling van artikel 1.3 van het Bouwbesluit als wordt voldaan aan de in onderstaande leden genoemde eisen. c. een gemeenschappelijke fietsenberging voorziet in onderstaand aantal fietsparkeerplaatsen per woning in combinatie met een interne berging in de woning. Gebruiksoppervlakte Aantal plekken in fietsrek + Benodigde interne berging woning (m2) (m2) Tot 50 2 (minimum 2 plekken) geen 50 tot 75 2 2,7 75 tot 100 3 2,7 100 en groter 4 2,7 d.

er zijn per woning ten minste twee plekken in een laag rek. 1. Het bepaalde onder d. is niet van toepassing indien op basis van het advies van een gemeentelijke verkeerskundige blijkt dat er door toepassing van een gelijkwaardige oplossing wordt voorzien in voldoende fietsparkeergelegenheid. 2. Het bepaalde onder d. is niet van toepassing indien op basis van het advies van een gemeentelijke verkeerskundige blijkt dat de woning bewoond wordt door een doelgroep die alleenstaand is. e. fietsparkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden. f. het bepaalde onder e. is niet van toepassing indien: 1. de gerealiseerde fietsparkeergelegenheid wordt verplaatst na goedkeuring van de gemeentelijke verkeerskundige. 2. Het aantal benodigde fietsparkeerplaatsen wordt verkleind door rechtsopvolgend beleid. g. 5% van het benodigd aantal fietsparkeerplaatsen wordt ingericht voor fietsen met een bijzondere maatvoering (bakfiets, scootmobiel). h. de onder g. genoemde fietsparkeerplaatsen hebben een lengte van minimaal 2,7 meter en een breedte van minimaal 0,75 meter per fietspakeerplaats. De oppervlakte bedraagt circa 3 m² per bijzondere fietsparkeerplaats. i. minimaal 10% van het benodigd aantal fietsparkeerplaatsen wordt voorzien van een elektrische oplaadmogelijkheid. j.

de gemeenschappelijke fietsberging voor bewoners is een afsluitbare bergruimte. k. de fietsberging wordt gerealiseerd op maaiveld. l. de fietsberging ligt in de directe nabijheid van de entree van het woongebouw of de liftschacht en/ of trappenhuis. m. een fietsberging dient vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar te zijn via het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte. n. het oppervlak dat een warmwatertoestel, een ruimteverwarmingstoestel of een andere

18

gebouw-gebonden installatie inneemt, wordt niet meegerekend bij het bepalen van het oppervlak van de interne berging. 3.7 Voorwaardelijke verplichting windhinder Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten behoeve van de functies zoals genoemd in lid 3.1 dient te worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar windklimaat. 3.8 Specifieke bouwregels ter waarborging van natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen De hoofdgebouwen, zoals bedoeld in artikel 3.2, mogen uitsluitend worden gebouwd indien geborgd is dat natuurinclusief en klimaatadaptief gebouwd wordt en de te treffen maatregelen in stand gehouden worden. Hierbij gelden de volgende regels: Natuurinclusief bouwen a. er dient inzicht gegeven te worden in de te nemen maatregelen op gebouwniveau en de wijze hoe deze in stand gehouden worden. b. om te beoordelen of de te nemen maatregelen voldoende zijn, vraagt het college van burgemeeser en wethouders advies aan een deskundige. Deze deskundige toetst of de maatregelen bijdragen aan de gewenste biodiversiteit in het gebied, op basis van het inspiratie- en toetsingsinstrument 'Natuurinclusief bouwen Havenkwartier Rijswijk, d.d.

2212-2021, TAUW' dat als bijlage 4 is opgenomen bij de regels, alsmede hetgeen dat is opgenomen in het rapport 'Natuurinclusief bij de Havenmeester', dat als bijlage 6 bij de regels is opgenomen als richtlijn. Klimaatadaptatie c. bij de aanvraag omgevingsvergunning dient aangetoond te worden dat de maatregel zoals hierna onder d bedoeld wordt gerealiseerd en in stand gehouden wordt. d. het hemelwater dat op het kavel en dakoppervlak valt wordt geborgen op eigen terrein en vervolgens vertraagd afgevoerd op het gemeentelijk hemelwaterafvoersysteem. De berging op het kavel moet maximaal 48 uur na het einde van een regenbui weer volledig beschikbaar zijn. e. het college van burgemeester en wethouders vraagt advies aan een deskundige ten behoeve van de beoordeling van het bepaalde onder d. 3.9 Specifieke bouwregel wateropgave Binnen het plangebied dient de wateropgave te worden gerealiseerd en in stand worden gehouden die voorkomt uit het 'Convenant Klimaatadaptief Bouwen' zoals beschreven in paragraaf 4.13. Hierbij geldt dat advies wordt ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland met betrekking tot de uitwerking van de opgave. 3.10 Specifieke gebruiksregels 3.10.1 Woningen a. binnen de bestemming zijn ten hoogste 199 wooneenheden toegestaan; b. de woningen zijn niet toegestaan op de begane grond.

3.10.2 Niet-woonfuncties Ten aanzien van de niet-woonfuncties, zoals zoals genoemd in lid 3.1 onder b, gelden de volgende regels: a. de totale oppervlakte bedraagt ten hoogste 350 m2 bvo; b. de maximale oppervlakte van horeca bedraagt ten hoogste 150 m2 bvo; c. deze functies zijn uitsluitend toegestaan op de begane grond en de eerste verdieping.

19

3.10.3 Mechanische ventilatie Het gebruik van de gronden zoals bedoeld in lid 3.1 is uitsluitend toegestaan indien in voldoende mate is aangetoond dat het gebouw wordt voorzien van een afsluitbare mechanische ventilatie, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen bij calamiteiten. 3.10.4 Bedrijven geschikt voor functiemenging Voor het gebruik van een bedrijf met functiemenging zoals bedoeld in artikel 3.1. gelden de volgende regels: a. tot een met de bestemming strijdig gebruik worden in ieder geval gerekend: 1. activiteiten die op grond van artikel 2.1 lid 2 van het Besluit omgevingsrecht zijn aangewezen als vergunningplichtige inrichting; 2. nieuwe activiteiten die genoemd zijn in onderdeel C en onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage, in de gevallen als genoemd in kolom 2 van die onderdelen; 3. activiteiten die op grond van in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht zijn aangewezen als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken; 4. activiteiten, waarvan de in het Activiteitenbesluit met betrekking tot die activiteiten voorgeschreven afstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, reiken tot gronden waar kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen of op grond van het bestemmingsplan zijn toegelaten; 5.

laad- en losactiviteiten buiten de dagperiode (7.00 tot 19.00 uur); b. het gebruik van een bedrijf geschikt voor functiemenging mag niet leiden tot geluid-, geur,stof- of trillinghinder buiten dat bedrijf, met dien verstande dat: 1. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, de niveaus op de in onderstaande tabel genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden, waarbij in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur de in de tabel opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten; 07.00 - 19.00 uur 19:00-23:00 uur 23:00-07:00 uur LAr,LT op de gevel van 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) gevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) gevoelige gebouwen 2.

trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, niet meer bedragen dan de trillingsterkte, genoemd in tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B 'Hinder voor personen in gebouwen' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen; 3. de aangegeven geluid- en trillingwaarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden, indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen, niet zijnde de eigenaar, geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluids- of trillingmetingen; 4. de aangegeven geluid- en trillingwaarden niet gelden voor woningen behorende bij de

20

c.

betreffende inrichting; 5. de normen voor geluid en trillingen niet van toepassing zijn op incidentele bedrijfssituaties als bedoeld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Burgemeester en Wethouders kunnen afwijken van het gestelde onder a en b en toetsen aan de wet- en regelgeving geldend op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning indien de aanvraag daar aanleiding toe geeft en onder de voorwaarde dat voldaan wordt aan een goed woon- en leefklimaat.

3.10.5 Beroep-aan-huis Beroepen aan huis, zoals bepaald in lid 3.1 onder a zijn toegestaan onder voorwaarden dat: a. de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd, waarbij geldt dat de brutovloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 40% van de woning met een maximum van 40 m²; b. het beroep-aan-huis wordt uitgevoerd door degene die woonachtig is in de woning; c. geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving; d. in de omgeving geen onevenredige toename van de verkeersbelasting optreedt; e. detailhandel is uitsluitend in de vorm van internethandel toegestaan. 3.10.6 Wind Ter plaatse van de aanduiding 'groen' worden onbebouwde gronden niet gebruikt als verblijfsgebied.

21

Artikel 4

Verkeer

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage', een gebouwde parkeervoorziening; b. ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsgebied', een verblijfsgebied; met daaraan ondergeschikt: c. bermen en beplanting; d. geluidwerende voorzieningen; e. erftoegangswegen en verblijfsgebieden; f. parkeervoorzieningen; met de daar bijbehorende: g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 4.2

Bouwregels

4.2.1 Hoofdgebouwen Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden gelden voor hoofdgebouwen de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6,5 meter. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels: de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan: a. 1 meter voor erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn; b. 1,5 meter voor erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn; c. 3 meter voor overige bouwwerken; d. 7 meter voor lichtmasten. 4.3 Specifieke gebruiksregels a. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein uitgesloten' is parkeren niet toegestaan, met uitzondering van 1 langsparkeerstrook van maximaal 3 meter breed. 4.4 Voorwaardelijke verplichting De gronden binnen de bestemming ‘Verkeer’ mogen pas in gebruik worden genomen als parkeergarage voor bewoners indien: a. wordt voldaan aan de eisen uit het beeldkwaliteitsplan; b. er sprake is van een sociaal veilige inrichting conform de eisen van het Politiekeurmerk Veilig Wonen zoals beschreven in de toelichting onder 2.2.3.

22

Artikel 5

Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 5.2 Bouwregels Ten aanzien van de in lid 5.1 bedoelde gronden mag worden gebouwd volgens de bouwregels van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwen voor een of meerdere bouwwerken, die grondbewerkingen van meer dan 0,60 meter onder maaiveld tot gevolg hebben, een rapport overlegt, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag kan worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 5.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen met betrekking tot: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoen aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.

Het is verboden op of in de in lid 5.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,60 meter onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen; 2. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,60 meter onder het maaiveld; 4. het ophogen van gronden hoger dan 0,50 meter boven het maaiveld. b. Het in lid 5.4 onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: 1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; 2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. c.

De in lid 5.4 onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien uit een door de aanvrager van de onder a genoemde vergunning te overleggen rapport of andere beschikbare informatiebron de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag mogelijk kunnen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld en hieruit blijkt dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

23

Artikel 6

Waterstaat - Waterkering

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de waterkering. 6.2 Bouwregels Op de in het eerste lid bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in lid 6.1 vermelde bestemming worden gebouwd, tot een bouwhoogte van maximaal 2 meter. 6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in het vorige lid met inachtneming van de volgende regels: a. Er kan alleen worden afgeweken voor bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; b. Voordat een besluit over afwijking wordt genomen hoort het bevoegd gezag het waterschap, hoogheemraadschap of derde, welke verantwoordelijk is voor (het beheer van) de waterkering. 6.4 Specifieke gebruiksregels a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming. 6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; 2. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 4. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, aanlegplaatsen of verhardingen ten behoeve van de watersport. b. Het in sub a bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan; c. De omgevingsvergunning wordt geweigerd indien door de uitvoering van de in sub a bedoelde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen het normaal functioneren van de waterkering wordt of kan worden aangetast.

24

25

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

26

Artikel 8

Algemene bouwregels

8.1 Overschrijding bouwgrenzen 8.1.1 Algemeen Het in deze regels ten aanzien van bouwgrenzen en bouwhoogten gestelde is niet van toepassing op: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 0,2 m bedraagt; c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, galerijen en luifels, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 0,5 m overschrijden; d. liftschachten voor zover deze de maximaal toegestane bouwhoogte met niet meer dan 3 m en niet meer dan 25 m² overschrijden; e. balkons voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 2 m overschrijden; f. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; g. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de voorgevelbouwgrens met meer dan 1 m overschrijden; h. installaties voor zover deze de bouwhoogte met niet meer dan 3 m overschrijden en mits deze zijn mee ontworpen in het bouwplan. 8.1.2 Afwijking a. burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 8.1.1 voor het overschrijden van de bouwgrenzen met ten hoogste 1 m, indien het betreft: 1.

toegangen van bouwwerken; 2. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen; 3. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen; 4. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken; 5. luifels, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; 6. hijsinrichtingen, laadbruggen, stortgoten, stort- en zuigbuizen; 7. kelderingangen en kelderkoekoeken, indien dit architectonisch verantwoord is. Dat betekent in ieder geval dat technische elementen mee ontworpen moeten worden in het bouwplan.

27

Artikel 9

Algemene gebruiksregels

9.1 Gebruik onbebouwde gronden Onder verboden gebruik van onbebouwde gronden wordt in ieder geval verstaan: a. het storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen; b. het opslaan van goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan; c. het opslaan van onklare voer- en vaartuigen of onderdelen hiervan; d. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; e. het opslaan van vuurwerk en/of andere gevaarlijke stoffen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (artikel 1 onder g). 9.2 Gebruik bouwwerken Onder verboden gebruik van bouwwerken wordt in ieder geval verstaan: a. vrijstaande bijgebouwen voor bewoning b. seksinrichtingen; c. het opslaan van vuurwerk en/of andere gevaarlijke stoffen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (artikel 1 onder g).

28

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deze regels ten behoeve van: 1. de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van het openbaar nut, waarbij de oppervlakte ten hoogste 35 m² en de goothoogte ten hoogste 4 m mag bedragen; gasdrukregel- en gasdrukmeetstations uitgezonderd; 2. het in geringe mate afwijken ten aanzien van bouwgrenzen, hoogtescheidingslijnen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, indien bij definitieve uitmeting of verkaveling blijkt dat deze afwijking in het belang van een juiste verwezenlijking van het plan redelijk, gewenst of noodzakelijk is en de afwijking ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer bedraagt dan 3 m; 3. het afwijken van de voorgeschreven maatvoering van bouwwerken (waaronder oppervlakte, onderlinge afstand, afstand tot perceelsgrenzen), eventueel met een overschrijding van de bouwgrens, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10% van de in het plan voorgeschreven maten, waarbij gebouwen maximaal 3 m mogen worden verhoogd; 4. het overschrijden van de regels inzake de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde met maximaal 10% tot ten hoogste 2 m ; 5.

de bouw van antennemasten voor communicatiedoeleinden, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 45 m mag bedragen en waarbij het beleid gericht is op het combineren van deze voorzieningen, op een koppeling van voorzieningen met bebouwing en op een dusdanige situering dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit van het plangebied; 6. de bouw van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals een kunstobject, antennes en vergelijkbare bouwwerken tot een bouwhoogte van 15 m; b. Afwijken is alleen mogelijk indien geen onevenredige afbreuk plaatsvindt van: 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2. een goede woonsituatie; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

29

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11

Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.

het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

30

Artikel 12

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan 'De Havenmeester'.

31

Bijlagen regels

32

33

Bijlage 1

Parkeernormen Havenkwartier

34

Bijlage 1 - Gebiedsparkeernormen Havenkwartier Gebiedsnorm Havenkwartier woningcategorieën grondgebonden, koop, groot grondgebonden, koop, middelgroot grondgebonden, koop, klein etage, koop, groot etage, koop, middelgroot etage, koop, klein etage, koop, micro grondgebonden, huur, groot grondgebonden, huur, middelgroot grondgebonden, huur, klein etage, huur, groot etage, huur, middelgroot etage, huur, klein etage, huur, micro kamerverhuur, zelfstandig4 kamerverhuur, niet-zelfstandig serviceflat

type/GBO vrijstaand 2-onder-1-kap tussen/hoek > 120 m2 80-120 m2 50-80 m2 < 50 m2 > 120 m2 80-120 m2 50-80 m2 > 120 m2 80-120 m2 50-80 m2 < 50 m2

Gebiedsnorm Havenkwartier hoofdgroep werken Kantoor zonder baliefunctie Commerciële dienstverlening (met baliefunctie) Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief Bedrijfsverzamelgebouw

Parkeernorm voor woningen inclusief bezoek (0,2 pp) 2,1 1,8 1,6 1,5 1,3 1,2 0,8 1,4 1,3 1,1 1,3 1,0 0,8 0,6 0,5 0,2 0,4 Parkeernorm inclusief bezoek

per 100 m2 BVO per 100 m2 BVO per 100 m2 BVO per 100 m2 BVO per 100 m2 BVO

1,2 1,7 1,9 0,9 1,4

Gebiedsnorm voor voorzieningen in het Havenkwartier In de categorie ‘Voorzieningen’ vallen alle functies die niet vallen onder ‘wonen’ of ‘werken’. Voor de parkeernormen voor voorzieningen wordt verwezen naar de laatste CROW publicatie met parkeerkencijfers, momenteel publicatie 381. Hierbij worden kencijfers gekozen zoals vermeld onder ‘zeer sterk stedelijk gebied’, zone ‘rest bebouwde kom’. Deze kencijfers hebben een bandbreedte: hiervan wordt het gemiddelde genomen en rekenkundig afgerond tot op één cijfer achter de komma.

4 Onder “kamerverhuur, zelfstandig wordt verstaan”: studio of eenkamerappartement met eigen

voorzieningen zoals wc, badkamer, keuken, een afsluitbare voordeur en een eigen huisnummer.

GEMEENTE RIJSWIJK ONTWIKKELKADER HAVENKWARTIER VERSIE 02-02-2021

Bijlage 5 |

554

35

Bijlage 2

Addendum beeldkwaliteitsplan

36

E C

UITSNEDE HAVENMEESTER

T P

Addendum Beeldkwaliteitplan 31 oktober 2023

C

N O

E C

UITSNEDE HAVENMEESTER

T P

Addendum Beeldkwaliteitplan

C

N O

RUIMTELIJK MODEL

3

BEELDKWALITEITPLAN

9

STUDIO.HARTZEMA.

2

C

N O

E C

T P

RUIMTELIJK MODEL

STUDIO.HARTZEMA.

3

VOORLOPIG ONTWERP BOS HOFMAN ARCHITECTEN

C

N O

E C

ZICHT VANAF HET OOSTEN

T P ZICHT VANAF HET NOORDEN

STUDIO.HARTZEMA.

4

VOLUMETRISCH ONTWERP

C

N O

E C

ZICHT VANAF HET OOSTEN

T P ZICHT VANAF HET NOORDEN

STUDIO.HARTZEMA.

5

VEREENVOUDIGING VOLUME

C

N O

E C

ZICHT VANAF HET OOSTEN

T P ZICHT VANAF HET NOORDEN

STUDIO.HARTZEMA.

6

VERBEELDING BESTEMMINGSPLAN

Verbeelding Bestemmingsplan 2,63m

64

49

3,60m 3,60m

16,70m

HAVENKWARTIER Havenmeester

opdrachtgever: gemeente Rijswijk

57

49

T P

29,10m

N O 57

34,50m

6

C

E C 5,40m

64

14,70m

11,45m

2,87m

2,62m

19,80m

HAVENMEESTER

3,60m 3,60m Verbeelding Havenmeester schaal 1:200 formaat: A3 tekeningnummer: 0.67

STUDIO.HARTZEMA.

datum 3 oktober 2023 aangepast 31 oktober 2023

studio Hartzema BV Westblaak 49 NL-3012 KD Rotterdam +31 10 281 07 51 mail@studiohartzema.com

7

POSITIE BOUWVLAK

3,0m

C

N O

E C

T P

STUDIO.HARTZEMA.

8

C

N O

E C

T P

BEELDKWALITEITPLAN

STUDIO.HARTZEMA.

9

TEKST IN BEELDKWALITEITPLAN VAN TOEPASSING OP HAVENMEESTER

Op deze bladzijden is opgesomd welke teksten uit het Beeldkwaliteitplan Havenkwartier (dd. 3 maart 2022) betrekking hebben op architectuur. De geel gemarkeerde zinsnedes betreffen, niet uitputtend, bijzonder relevante passages voor het project Havenmeester (Burgemeester Elsenlaan 325). H1 Hoogwaardige architectuur p.12 • Voor de dakbeëindiging geldt dat de bovenste verdieping zich verbijzondert. p.13 • Voor het Havenkwartier wordt daarom voorgesteld te bouwen in de rooilijn, woningen en bedrijfsruimtes aan de straat te realiseren en om extra zorg te besteden aan de plinten en de hoeken van gebouwen. p.15 • Een sterk onderscheid bestaat tussen de beneden-, en bovenwereld. Beneden vormen, als gezegd, diepe neggen een robuust patroon waar alle verschillende functies zich in nestelen. Sterk uitkragende, doorlopende balkons vormen een duidelijke scheiding tussen beneden-, en bovenwereld. p.16 • De hoge gebouwen zijn in principe alzijdig en slank. Van de hoogbouw wordt een bepaalde abstractie en ingetogenheid verwacht die bijdraagt aan lichtheid en schaalloosheid van de gebouwen. Specificiek wordt gekeken naar de overgangen in de gevel. (…) Op de overgangen kunnen accenten gemaakt worden in uitstraling, programma en volume. De overgang tussen basisvolume en hoogbouw speelt een rol voor de functionaliteit van het basisvolume en voor de effecten van wind en schaduw op de grond.

• De overgang tussen basisvolume en toren kan op meerdere manieren worden vormgegeven waarbij in principe de hoogbouw in de tweede lijn ligt.

C

N O

T P

• De verticale beëindiging van hoogbouw is het gezicht van het gebied op afstand. (…) Zichtlijnen en stedenbouwkundige accentuering dienen hierbij onderzocht te worden. Tenslotte is het beperken van windhinder en beschaduwing in relatie tot de beoogde gebruikskwaliteit van de buitenruimte een

E C H2 p.21

STUDIO.HARTZEMA.

zeer belangrijk uitgangspunt. Zowel de positionering, het volume als de gevelbehandeling zelf spelen hierbij een rol.

Gebieden met een bijzondere context • De Burgemeester Elsenlaan is onderdeel van één van de hoofdentrees van Rijswijk. Groene allure en stevige gebouwen bieden een eerste beeld van de stad. Op die manier gesteld zou de bebouwing aan de Burgemeester Elsenlaan gericht moeten zijn op de weg en tegelijk zicht moeten bieden op de achterliggende bebouwing in het Havenkwartier. Stedenbouwkundig is dit vertaald in een grotere openheid in de bebouwing waardoor inkijk en inloop naar het Havenkwartier van de Burgemeester Elsenlaan ontstaat. Daarnaast is in dit gedeelte van het plan gemiddeld genomen hogere bebouwing mogelijk. • Aanvullend is het vanuit de beeldkwaliteit gewenst de bebouwing zich te laten richten op de Burgemeester Elsenlaan; dit is de voorkant! Dit kan door de expressie van de bebouwing, zowel onderin als bij de hogere delen, door de posities van de entrees, maar met name ook bij de vormgeving van de plint.

10

TEKST IN BEELDKWALITEITPLAN VAN TOEPASSING OP HAVENMEESTER

H4 Verticale stapeling van de gebouwen p.32 • De royale dubbele plint maakt de begane grond (hoogte 4,5m) en de eerste verdieping (hoogte 3m) inzetbaar voor uiteenlopend gebruik. • Verschillende plintfuncties vragen om andere verhoudingen tussen open en gesloten delen. p.33 • Het stedelijk weefsel Havenkwartier wordt gemaakt met gebouwen in de rooilijn met Rijswijkse hoogte (4+1 verdiepingen). • De hoofdmassa wordt gevormd door bovenbouw en plint. De bovenbouw krijgt een duidelijke relatie met de plint eronder zodat alle bouwblokken “op de grond” staan. De bovenbouw volgt dezelfde rooilijn als de plint, waarbij uitkragende elementen wel zijn toegestaan zolang ze geen afbreuk doen aan de samenhang tussen de plint en de bovenbouw. • Technische ruimten dienen geïntegreerd te worden in de architectuur. Gebouwen krijgen een extra hoge dakopstand om eventuele objecten op het dak aan het zicht te onttrekken. • De stedelijkheid en levendigheid van het Havenkwartier wordt geborgd door een setback in de gevel ter plaatse van de bovenste verdieping, welke 4 meter terug ligt ten opzichte van de straat. De bovenste etage van de hoofdmassa heeft een alzijdige oriëntatie, als beëindiging van het bouwblok. p.35 • In het Havenkwartier zijn op sommige plekken hogere accenten toegestaan, mits de ruimte op lagere daken wordt geactiveerd en waar mogelijk voor publiek gebruik wordt ingericht.

Daarnaast zal hogere bebouwing aansluiting moeten hebben

C

N O

op de menselijke maat en de ervaring van de stad op ooghoogte. Ten slotte moet er voldoende ruimtelijkheid, luchtigheid en leesbaarheid van het stedelijke landschap worden ervaren rondom de hogere accenten. • Hogere gebouwdelen worden daarom als één volume op de basislaag geplaatst. Volumes die bovenop de basislaag worden geplaatst, staan niet in dezelfde rooilijn als de plint, maar worden in principe 4m naar achteren geplaatst. Uitzonderingen hierop zijn in specifieke gevallen mogelijk. • De hogere accenten zijn alzijdig en slank, hebben een abstracte en ingetogen architectonische uitstraling, zijn eenduidig van vorm, en vormen elegante optoppingen • Enkel de bovenste paar verdiepingen wijken af van de totale bovenbouw qua volume en architectonische uitstraling. Deze optoppingen verbijzonderen zich ten opzichte van de rest van de toren.

E C

T P

H5 Overgang gebouw en maaiveld p.41 • Het is wenselijk dat de architectonische uitwerking gekenmerkt wordt door een bepaalde geleding, zowel binnen een gebouw als in de wijze waarop meerdere gebouwen samen een wand vormen. (…) Ritmering van de gevel geeft een bepaalde neutraliteit die een verscheidenheid aan functies toestaat en/ of suggereert. (…) De gevraagde toevoeging aan de openbare ruimte door ieder bouwproject zou kunnen worden ingezet om de gewenste geleding in een bouwvolume aan te brengen.

STUDIO.HARTZEMA.

11

C

N O

E C

T P

37

Bijlage 3

Upgrading Steenplaetsstraat 6

38

39

Bijlage 4

Natuurinclusief bouwen Tauw

40

Natuurinclusief bouwen Havenkwartier Rijswijk Inspiratie- en toetsingsinstrument 22 december 2021

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Verantwoording Titel

Natuurinclusief bouwen Havenkwartier Rijswijk Inspiratie- en toetsingsinstrument

Opdrachtgever

Gemeente Rijswijk

Projectleider

Tim Vaessen

Auteurs

Pim de Kwaadsteniet en Vincent Sanders

Tweede lezer

Vincent Sanders

Projectnummer

1284087

Aantal pagina’s

38

Datum

21 december 2021

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ..................................................................................................................................... 6 1.1

Aanleiding .......................................................................................................................... 6

1.2

Leeswijzer .......................................................................................................................... 6

Plankader (beknopt) .................................................................................................................. 7 2.1

Een schets van de plannen voor het havenkwartier .......................................................... 7

2.2

Relevant beleid betreffende biodiversiteit .......................................................................... 8

2.2.1

Het groenbeleidsplan Rijswijk 2010 – 2020 ................................................................ 9

2.2.2

Convenant Klimaatadaptief bouwen ........................................................................... 9

2.2.3

Motie Groen Havenkwartier ...................................................................................... 10

2.2.4

Vlietzone-visie (in ontwikkeling) ................................................................................ 10

Gebiedsanalyse (beknopt)....................................................................................................... 11 3.1

Havenkwartier in de groen- en waterstructuur Rijswijk .................................................... 11

3.2

Aangetroffen soorten in en rond het gebied ..................................................................... 12

3.3

Selectie van doelsoorten .................................................................................................. 13

Programma van eisen (per doelsoort) ..................................................................................... 14 4.1

Huismus ........................................................................................................................... 14

4.1.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 14

4.1.2

Voedsel ..................................................................................................................... 14

4.1.3

Veiligheid................................................................................................................... 14

4.1.4

Verbinding en variatie ............................................................................................... 14

4.1.5

Eisen- en maatregelenpakket ................................................................................... 14

4.1.6

Volgsoort huismus: zwarte roodstaart ....................................................................... 15

4.2

Merel ................................................................................................................................ 15

4.2.2

Voedsel ..................................................................................................................... 15

4.2.3

Veiligheid................................................................................................................... 15

4.2.4

Verbinding ................................................................................................................. 16

4.2.5

Variatie ...................................................................................................................... 16

4.2.6

Eisen- en maatregelenpakket ................................................................................... 16

4.2.7

Volgsoort merel: egel ................................................................................................ 17

4.3

Gewone dwergvleermuis .................................................................................................. 17

3/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

4.3.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 17

4.3.2

Voedsel ..................................................................................................................... 18

4.3.3

Verbinding ................................................................................................................. 18

4.3.4

Veiligheid................................................................................................................... 18

4.3.5

Eisen- en maatregelenpakket gewone dwergvleermuis ........................................... 19

4.3.6

Volgsoort gewone dwergvleermuis: laatvlieger ......................................................... 19

4.4

Grote bladsnijder .............................................................................................................. 20

4.4.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 20

4.4.2

Voedsel ..................................................................................................................... 20

4.4.3

Veiligheid................................................................................................................... 20

4.4.4

Variatie ...................................................................................................................... 20

4.4.5

Eisen- en maatregelenpakket grote bladsnijder ........................................................ 21

4.4.6

Volgsoort grote bladsnijder: diverse bijen en vlindersoorten .................................... 21

4.5

Meerkoet .......................................................................................................................... 22

4.5.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 22

4.5.2

Voedsel ..................................................................................................................... 22

4.5.3

Veiligheid................................................................................................................... 22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=0e4be796-7c17-4b0c-b858-6f7739830c43