Bijlage E Havenmeester vastgestelde regels plus bijlagen bij regels
Tekst van het document
4.5.4
Verbinding ................................................................................................................. 22
4.5.5
Variatie ...................................................................................................................... 22
4.5.6
Eisen- en maatregelenpakket meerkoet ................................................................... 22
4.5.7
Volgsoort meerkoet: baars ........................................................................................ 23
4.6
Gierzwaluw ....................................................................................................................... 23
4.6.1
Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 23
4.6.2
Voedsel ..................................................................................................................... 23
4.6.3
Veiligheid................................................................................................................... 23
4.6.4
Verbinding ................................................................................................................. 24
4.6.5
Variatie ...................................................................................................................... 24
4.6.6
Eisen- en maatregelenpakket gierzwaluw ................................................................ 24
4.6.7
Volgsoort gierzwaluw: zwarte roodstaart .................................................................. 24
4.7
Muurvaren ........................................................................................................................ 24
4.7.1
Algemeen .................................................................................................................. 24
4.7.2
Eisen- en maatregelenpakket muurvaren ................................................................. 25
4/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
4.7.3 5
Werken aan biodiversiteit – werkwijze en bouwstenen ........................................................... 26 5.1
Definitie en reikwijdte natuurinclusief bouwen ................................................................. 26
5.2
Generieke voorwaarden ................................................................................................... 27
5.3
Bouwstenen private ruimte ............................................................................................... 29
5.3.1
(Dak- of binnen-)tuin ................................................................................................. 29
5.3.2
Gevelbegroeiing ........................................................................................................ 29
5.3.3
Geveltuin ................................................................................................................... 29
5.3.4
Groen dak ................................................................................................................. 31
5.3.5
Bruin dak ................................................................................................................... 31
5.3.6
Blauwdak................................................................................................................... 32
5.3.7
Groen balkons ........................................................................................................... 32
5.3.8
Paden en verharding ................................................................................................. 33
5.3.9
Parkeerplaatsen (met hagen).................................................................................... 33
5.3.10
Faunavoorzieningen -hout op het gebouw ................................................................ 34
5.3.11
Natuurvoorzieningen steen – geïntegreerd in het gebouw ....................................... 34
5.4
6
Volgsoort muurvaren: muurleeuwenbek ................................................................... 25
Bouwstenen openbare ruimte .......................................................................................... 35
5.4.1
Bosplantsoen en struweel ( mogelijk bij zone bij Sijthof) .......................................... 35
5.4.2
Bomen(rijen).............................................................................................................. 35
5.4.3
Struweel en hagen .................................................................................................... 35
5.4.4
Plantvakken............................................................................................................... 36
5.4.5
Bermen...................................................................................................................... 36
5.4.6
Ontmoetingsplekken ................................................................................................. 37
5.4.7
Binnenhavens met natuurvriendelijke oevers ........................................................... 37
5.4.8
Kademuren................................................................................................................ 38
5.4.9
Vissenbos.................................................................................................................. 38
5.4.10
(stads)Wadi’s ............................................................................................................ 39
Bronnen ................................................................................................................................... 40
Bijlage 1
Deelnemers aan de werksessie biodiversiteit Havenkwartier
5/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
In het Havenkwartier van Rijswijk worden tal van ontwikkelingen voorbereid, die zijn beschreven in het Ontwikkelkader Havenkwartier. Van een gebied met deels leegstaande bedrijfsgebouwen en een stilgevallen haven zal het worden omgevormd tot een gebied waar wordt gewerkt, gewoond en gerecreëerd. Biodiversiteit is één van de thema's bij het omvormingsproces. Dit rapport levert hiervoor een toetsingskader en inspiratiebron. Voor het ontwerp van de private ruimten (gebouwen, tuinen, parkeerplaatsen) alsmede de openbare ruimte kan dit rapport richting geven aan het natuurinclusief ontwerpen. Dit rapport is opgesteld in nauw overleg en in opdracht met de gemeente Rijswijk. Voor de inventarisatie van doelsoorten en mogelijke maatregelen is een werksessie georganiseerd met lokale natuurorganisaties. In bijlage 1 zijn de namen van de deelnemers aan deze sessie vermeld.
1.2
Leeswijzer
In dit rapport leest u in hoofdstuk 2 een beknopte schets van de plannen voor het Havenkwartier en een overzicht van het relevante beleid (uit oogpunt van biodiversiteit). Hoofdstuk 3 betreft een gebiedsanalyse, waarin het Havenkwartier binnen de relevante omgeving wordt geplaatst, een overzicht wordt gegeven van soorten die in het Havenkwartier voorkomen en een selectie van doelsoorten. Het programma van eisen van de doelsoorten wordt in hoofdstuk 4 gepresenteerd. Hoofdstuk 5 geeft aan hoe gewerkt dient te worden aan biodiversiteit in het Havenkwartier. Het betreft een definitie van natuurinclusief bouwen, een set generiek voorwaarden en uitgangspunten en ten slotte een set bouwstenen voor natuurinclusief bouwen in de private en de publieke omgeving. Veel leesplezier en inspiratie toegewenst.
Figuur 1 Luchtfoto van het Havenkwartier
6/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
2 Plankader (beknopt) 2.1
Een schets van de plannen voor het havenkwartier
Het havenkwartier maakt deel uit van de Plaspoelpolder, waarvoor een toekomstvisie geschreven is (Toekomstvisie Plaspoelpolder 2017 – 2027). Verder is er een uitvoeringsplan Plaspoelpolder, waarvan het Havenkwartier deel uit maakt. Voor het Havenkwartier is een Ontwikkelkader Havenkwartier opgesteld. De algemene doelstelling is: “Een plek waar mensen graag komen werken en fijn kunnen wonen. Die toekomstbestendig is. Waar je heerlijk kunt fietsen of wandelen langs het vele groen. Waar je tijd aan of zelfs óp het water kunt doorbrengen. Een uniek stukje stad waar iedere Rijswijker graag komt. Dat is de ambitie van het college van burgemeester en wethouders voor het Havenkwartier. Door er woningen te bouwen, de openbare inrichting sterk te verbeteren en het gebied met bijvoorbeeld meer horeca aantrekkelijker, maar ook veiliger te maken voor ondernemers wil gemeente Rijswijk deze ambitie waarmaken. In het Ontwikkelkader Havenkwartier staat hoe de verschillende opgaven wonen, bedrijvigheid, natuur en verkeer hier een plek kunnen krijgen.”
Figuur 2.1 Tekening van het stedenbouwkundige ontwerp (Bron: https://www.rijswijk.nl/projecten/havenkwartier)
7/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Eén van de thema's bij het Ontwikkelkader Havenkwartier is Natuurinclusief bouwen/biodiversiteit. Hiervoor zijn in het Ontwikkelkader diverse aanknopingspunten aanwezig en zijn in bijlage 8 ervan concrete aanwijzingen gegeven voor natuur en biodiversiteit.
“De evolutie gaat veel sneller dan we vroeger dachten, veel dieren passen zich succesvol aan de uitdijende bebouwde wereld aan. Dit proces willen we stimuleren door een flexibel, natuurvriendelijk stenen stadsbiotoop te maken. Een stad vol hoekjes, schuilmogelijkheden, holten, nissen, foerageerplekken, groen, water. Zo’n biotoop willen we waar mogelijk in het Havenkwartier ook maken. En dat dan natuurlijk wel verzorgd en mooi vormgegeven. Aan de vormgevers de uitdaging met slimme, niet orthodoxe ontwerpen te komen waarmee we voor de natuur een nieuwe leefomgeving creëren. De vijf V’s zijn belangrijk. Zorg voor Veiligheid (schuilplekken, rustplekken), Voortplantingsplekken (neststenen, water, holtes, nissen), Verbindingsplekken, Variatie (organismen hebben andere plekken nodig afhankelijk van temperatuur, neerslag, seizoen etc.) en vanzelfsprekend Voedsel.” Deze aanwijzingen worden in deze notitie nader uitgewerkt. Een ander uitgangspunt is dat de bestaande bomen worden behouden, indien deze goed inpasbaar zijn, en de groenstructuur verder uit te breiden. Over de Groensfeer wordt het volgende geschreven: “Qua sfeer wil de wijk zich ook qua groen onderscheiden van reguliere woonwijken door een bijzondere beplantingskeus. Veel variatie met een havenuitstraling. Grijsbladigen, droogtebestendigen, grassen, zuidelijke uitstraling etc. Geldt ook voor de boomsoortkeus.
Verder gevarieerd, insectentrekkend, bloeiend. Olijfwilg, Olijfpeer, grassen, kruiden, pioniersvegetatie. Biodiverse soortkeus, bij voorkeur inheems. In elke straat bomen, aan twee zijden, maar geen laanstructuur. In verband met wateropvang bij regen in de vakken zeer zorgvuldige beplantingskeus”. Verder zijn er aanwijzingen gegeven voor: • Wateropvang in bermen • Drijvende eilanden in de haven •
Inpassing van bestaande bomen.
De visie voor de zone langs de Vliet en de groenstrook tussen Sijthofterrein en Vliet wijkt af van de visie in het Groenbeleidsplan. Met name voor deze laatstgenoemde zone wordt er een spanningsveld tussen ecologie enerzijds en stedenbouw en landschap anderzijds geconstateerd.
2.2
Relevant beleid betreffende biodiversiteit
De gemeente heeft op het vlak van groen, biodiversiteit en natuur beleid. De meest relevante zijn in de volgende paragrafen uitgewerkt.
8/40
Kenmerk
2.2.1
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Het groenbeleidsplan Rijswijk 2010 – 2020
Het Groenbeleidsplan geeft onder meer de hoofdgroenstructuur, met daarin ook de natuurstructuur (inclusief ecologische verbindingszone)s van Rijswijk aan (inclusief de samenhang met het omringende gebied. In figuur 2.2. is dit verbeeld.
Figuur 2.2 Rijswijkse Hoofdgroenstructuur (Bron: Groenbeleidsplan 2010-2020)
2.2.2
Convenant Klimaatadaptief bouwen
De gemeente Rijswijk heeft het convenant Klimaatadaptief bouwen ondertekent. Op de website bouwadaptief.nl zijn voor natuurinclusief bouwen handvatten en inspiratie te vinden. Een belangrijk handvat is de onderstaand figuur.
Figuur 2.3 stappenplan voor natuurinclusief bouwen Bron: bouwadaptief.nl
9/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Conform de aanpak van Bouwadaptief wordt in dit rapport soorten geïnventariseerd en geselecteerd (doelsoorten) en vervolgens worden de voorwaarden van de doelsoorten vastgelegd in een programma van eisen. Hiermee kunnen de ontwerpen voor de particuliere en openbare ruimte worden getoetst. In het programma van eisen Bouwadaptief is vermeld: Doel: Groenblauwe structuur en biodiversiteit worden versterkt op de planlocatie en in de directe stedelijke omgeving. Eis: Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten. Range: 1-3 Soorten-categorieën. 2.2.3
Motie Groen Havenkwartier
In een motie is onder meer vastgelegd dat het college er zorg voor draagt dat: • De door hoogbouw-accenten vrijkomende ruimte benut wordt voor daadwerkelijk zichtbaar en fraai aangelegde groenzones - onder het motto: liever nog een onsje meer groen dan water met bomen en sierlijke beplanting, als een eigentijdse invulling van het oorspronkelijk karakter van Rijswijk als park- en rozenstad. Waarbij gevarieerd wordt in soort en hoogte van bomen en heesters en de uitstraling hiervan bij het door de wijk lopen duidelijk aanwezig is •
•
Onderzoek wordt gedaan naar huidige ecologische waarden in het gebied en de directe omgeving, rekening houdend met historie en het belang van bestaande groenvoorzieningen. Met dit onderzoek te zorgen dat de ontwikkelingen in het Havenkwartier aansluiten op de verbetering van de biodiversiteit en het groen in heel Rijswijk Bij het uitwerken van de visie breder te kijken dan alleen de openbare ruimte. Door in te zetten op natuurinclusief bouwen door de private partijen. Met daktuinen, groene gevels, vogelkasten in gevels en bijenhotels in de muren. Waarbij als uitgangspunt geldt dat het groen in de hele wijk aanwezig is, zodat in de wijk als geheel rekening wordt gehouden met de biodiversiteit
•
Bij de verharding in het gebied zoveel mogelijk gebruik te maken van waterdoorlatende verharding op opritten en parkeerplaatsen, zowel in publieke als private zones
2.2.4 Vlietzone-visie (in ontwikkeling) De ontwikkeling Havenkwartier is ingebracht als een lopende ontwikkeling bij de inventarisatie ten behoeve van de onder regie provincie op te stellen Vlietzonevisie. Gezien de groene en recreatieve (haven) ambities van het kwaliteitskader is de verwachting dat het plan een positieve bijdrage zal leveren aan het Vlietzonegebied.
10/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
3 Gebiedsanalyse (beknopt) 3.1
Havenkwartier in de groen- en waterstructuur Rijswijk
Het Groenbeleidsplan geeft op de kaart van de hoofdgroenstructuur (zie figuur 2.2) aan dat het Havenkwartier aantakt op twee belangrijke ecologische zones door Rijswijk: de Vlietzone (aan de westzijde van het plangebied) en de Zwethzone (aan de zuidzijde van het Havenkwartier). Deze twee raken elkaar in het zuiden van het Havenkwartier en hebben een ecologische verbinding onder de A4 door met een slinger naar het noorden. Voor de biodiversiteit van het Havenkwartier is biedt deze ruimtelijke relatie met de Vlietzone en de Zwethzone extra kansen.
Figuur 3.1 Ecologische structuur rond het Havenkwartier. Bron: Urban Parks, 2021
11/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Het plangebied grenst aan de Burgemeester Elsenlaan, die de verbinding vormt tussen de landgoederenzone met het Rijswijkse bos in het noordwesten en de polder met het Elsenburgerbos en de Vliet in het zuidoosten. Haaks op de Burgemeester Elsenlaan vormt de Sir Winston Churchilllaan een groene verbinding in de andere richting. De haven verbindt het gebied van oudsher over de Vliet met Delft in het zuiden en Leiden in het noorden. Verder is de begraafplaats ten noorden van het Havenkwartier voor de biodiversiteit een waardevol aangrenzend groengebied.
3.2
Aangetroffen soorten in en rond het gebied
In de Nationale Databank Flora en Fauna worden waarnemingen van soorten geregistreerd. De databank geeft inzicht het voorkomen en de verspreiding van soorten in een bepaald gebied. Om vast te stellen welke soorten in het Havenkwartier en omgeving voorkomen is de databank geraadpleegd. Hierbij is als selectiecriteria een periode van de afgelopen 10 jaar aangehouden. De Nationale Databank Flora en Fauna bevat waarnemingen van verschillende soorten in het Havenkwartier en de omgeving daarvan. In totaal zijn er circa 700 soorten waargenomen in en om het gebied, waarbij het merendeel planten betreft (366 soorten). Omdat het aantal soorten te veel is om in deze rapportage op te nemen is in tabel 3.1 is een selectie van de soorten weergegeven. Voor soortgroepen waarbij de soortenlijst te groot was om op te nemen, zijn soorten met kenmerkende en aansprekende eigenschappen geselecteerd. Tabel 3.1 Een selectie van kenmerkende, aangetroffen soorten in en de directe omgeving van het Havenkwartier (NDFF, 2021) Soortgroep
Soorten
Flora
Gele lis en muurvaren,
Grondgebonden
Bruine rat, bunzing, egel, haas, huismuis, konijn, mol en vos
zoogdieren Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis
Vogels
Aalscholver, ekster, gierzwaluw, huismus, ijsvogel, meerkoet, merel, ransuil, slechtvalk, sperwer, spreeuw, tjiftjaf, Turkse tortel, waterhoen en zwarte roodstaart
Amfibieën
Bruine kikker
Vissen
Baars, blankvoorn, brasem, Europese aal, karper, kolblei, pos, snoekbaars en winde
Dagvlinders
Atalanta, bont zandoogje, boomblauwtje, citroenvlinder, dagpauwoog, distelvlinder, gehakkelde aurelia, groot koolwitje, icarusblauwtje, klein geaderd witje, klein koolwitje en kleine vos
Sprinkhanen
Bruine sprinkhaan, grote groene sabelsprinkhaan en struiksprinkhaan
Bijen en
Aardhommel, grote bladsnijder, lathyrusbij, meidoornzandbij en rosse metselbij
hommels
12/40
Kenmerk
3.3
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Selectie van doelsoorten
Door natuurinclusief bouwen draagt Rijswijk bij aan het vergroten van de biodiversiteit in de bebouwde kom. Door het treffen van stimulerende maatregelen ontstaan geschikte habitats voor specifieke soorten. Generalistische soorten kunnen uit de voeten met enkele maatregelen, terwijl specialistische soorten maatregelen op maat vragen. De ontwikkelingen in het Havenkwartier betreft voornamelijk renovatie van bestaande gebouwen. Hierdoor ontstaan veel kansen voor soorten die gebruik maken van gebouwen. Sommige soorten planten zich voort in gebouwen, maar stellen aanvullende eisen aan de leefomgeving. Hierdoor beperkt het natuurinclusief bouwen niet tot het nemen van enkele maatregelen in of op gebouwen. Ook de samenhang tussen de private en openbare ruimte is van belang. Door het selecteren van doelsoorten wordt getracht in een pakket aan eisen te voorzien, waarbij zowel eisen voor de private als de openbare ruimte worden opgenomen. Door doelsoorten te selecteren die veel eisen stellen aan de omgeving, zijn meer maatregelen nodig dan bijvoorbeeld alleen het inbouwen van neststenen in gevels. Bij de selectie van doelsoorten is rekening gehouden met verschillende soortgroepen, zodat in elk (micro)habitat maatregelen worden uitgevoerd ten gunste van biodiversiteit. Wanneer maatregelen voor doelsoorten getroffen worden ontstaat niet enkel voor de doelsoort een geschikt habitat.
Zo kan in kieren en nissen in gebouwen niet alleen zwarte roodstaart broeden, maar kunnen insecten zoals spinnen en overwinterende vlinders er schuilen. Door bijvoorbeeld de bloei van kruiden te stimuleren, heeft dit niet enkel effect op een specifieke bijensoort, maar hebben ook andere nectarminnende soorten profijt van de maatregelen. Dergelijke soorten worden volgsoorten genoemd. Ze volgen als het ware de doelsoorten. In tabel 3.2 zijn de geselecteerde doel- en volgsoorten opgenomen. In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eisen de doelsoorten stellen en de te nemen maatregelen. Tabel 3.2 Doelsoorten en volgsoorten voor het Havenkwartier Doelsoort
Volgsoort
Huismus
Zwarte roodstaart
Merel
Egel
Gewone dwergvleermuis
Laatvlieger
Grote bladsnijder
Algemene bijen en vlindersoorten
Meerkoet
Baars
Gierzwaluw
Zwarte roodstaart
Muurvaren
Muurleeuwenbek
13/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
4 Programma van eisen (per doelsoort) 4.1
Huismus
4.1.1 Verblijfplaatsen Huismus is sterk gebonden aan mensen en broedt in gebouwen met openingen. Nest- en rustlocaties zijn vaak aan te treffen onder dakpannen of in huismusnestkasten die in de gevel zijn ingebouwd. De functionele leefomgeving is voor huismus dermate essentieel, dat wanneer een onderdeel hiervan ontbreekt, het gehele gebied ongeschikt wordt als voortplantingslocatie van huismus. 4.1.2 Voedsel Er dient in de omgeving van nest- en rustlocaties voldoende voedsel (en water) aanwezig te zijn. In het voortplantingsseizoen betreft dit voor de jongen dierlijk voedsel, in overige periodes in het jaar wordt voornamelijk zaad van kruiden, maar worden ook bessen en bloemknoppen gegeten. 4.1.3 Veiligheid Er dient nabij de nesten voldoende schuilmogelijkheden aanwezig te zijn. Dit zijn vaak groenblijvende bomen en struiken en hagen, waar een mussenpredator zoals sperwer niet of nauwelijks in kan doordringen. Huismus weert zich tegen parasieten door het nemen van stofbaden. Dit gebeurt vaak op zandige plekken nabij de nest- en rustlocatie. 4.1.4 Verbinding en variatie Huismus is een uitgesproken standvogel, die zijn hele leven op één locatie doorbrengt. De essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving dienen dan ook binnen het bereik van huismus te liggen.
De schuilgelegenheid (groenblijvende struiken en bomen) dient binnen enkele meters van de nest-/rustlocatie en de foerageerplekken te liggen. De foerageergebieden dienen niet verder te liggen dan enkele honderden meters rondom de nestlocaties. Huismus leeft in kolonieverband, waardoor altijd meerdere nest- en rustvoorzieningen voorhanden moeten zijn. 4.1.5
Eisen- en maatregelenpakket
In tabel 4.1 zijn de eisen en maatregelen opgenomen die voor huismus toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen het inbouwen van neststenen heeft geen effect. De huismus zal door het ontbreken van voldoende groen in de wijk zich niet vestigen.
14/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Tabel 4.1 Eisen- en maatregelenpakket huismus Eis
Maatregel
Minimum
Overige informatie
aantal per gebouw Nest- en rustgelegenheid
Inbouwen neststenen
50
http://www.vivarapro.nl/NK-MU06-Nestkast-Mus
Schuilgelegenheid
Plaatsen van groenblijvende
2*75 m2
struiken en bomen etc. (hulst,
nestlocaties en foerageergebied,
conifeer, klimop, taxus, liguster) Foerageergelegenheid
Ontwikkelen van kruidenrijke
Realisatie grenzend aan
minimaal 3 soorten kiezen 400 m
vegetatie
2
Binnen enkele honderden meters rondom in te bouwen neststenen
Stofbaden
Creëren van zandige plekken
1
Nabij in te bouwen neststenen
Water
Watervoorziening maken
1
Water dient bereikbaar te zijn door flauwe oevers of vegetatie die boven het water uitsteekt
4.1.6 Volgsoort huismus: zwarte roodstaart Door het nemen van maatregelen ten gunste van huismus zal ook de zwarte roodstaart volgen. Zwarte roodstaart nestelt in nissen van en openingen in gebouwen. Het is een echte insecteneter, waarvan de meeste individuen in zuidelijkere contreien overwinteren. In milde winters overwinteren ook enkele exemplaren in Nederland. Door het aanleggen van kruidenrijke vegetatie neemt de rijkdom aan insecten toe, die weer geconsumeerd worden door zwarte roodstaart.
4.2
Merel
4.2.1.1 Verblijfplaatsen Merel is algemene vogelsoort die overal in Nederland aan is te treffen. De soort broedt voornamelijk in bomen, struweel en klimplanten. Voorwaarde aan de broedlocatie is dat deze voldoende dichtbegroeid moet zijn. 4.2.2 Voedsel Het voedsel van merel bestaat uit wormen, insecten, bodemdieren, bessen en fruit. Door het creëren van verschillende (micro)habitats is er ten alle tijden een ruime keuze in de voedselvoorziening. 4.2.3
Veiligheid
Door in de openbare ruimte groots in te zetten om groen (dichtbegroeide bomen, struweel, hagen en klimplanten) kan merel altijd een veilige broedplek uitzoeken. Ook bij naderend gevaar kan de merel op deze plekken veiligheid zoeken.
15/40
Kenmerk
4.2.4
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Verbinding
Merel stelt geen harde eis aan natuurlijke verbindingszones in zijn leefgebied. Wel zijn er mogelijkheden om het habitat voor merel te optimaliseren en veiliger te maken. Door de verschillende dichtbegroeide bomen, struiken, hagen en klimplanten niet op grote afstand van elkaar te plaatsen ontstaat een (veilige) verbinding tussen broedlocatie en foerageergebied. 4.2.5 Variatie Door een variatie aan te bieden aan broedhabitat heeft een merel veel keuzemogelijkheid in de nestlocatie. Zo kan de merel bijvoorbeeld in een groene gevel met klimop broeden, maar ook in een meidoorn in de openbare ruimte. Ook het type beplanting en het beheer is van belang om te voorzien in de voedselbehoefte van merel. Door bijvoorbeeld verschillende soorten besdragende struiken te planten in binnentuinen en/of in de openbare ruimte is gedurende verschillende periodes in het jaar voldoende voedsel beschikbaar. Het beheer dient gericht te zijn op behoud van dichtbegroeide groene elementen en de ontwikkeling van besdragende planten. 4.2.6 Eisen- en maatregelenpakket In tabel 4.2 zijn eisen en maatregelen opgenomen die voor merel toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen het plaatsen van een enkele klimop heeft geen zin, als er in de directe omgeving onvoldoende voedsel beschikbaar is.
Tabel 4.2 Eisen- en maatregelenpakket merel Eis
Maatregel
Minimum
Overige informatie
Nest- en rustgelegenheid
Aanplanten inheemse
20
Voorbeelden:
dichtbegroeide planten
(waarvan
•
(bijvoorbeeld klimop, meidoorn,
minimaal 3
sleedoorn, liguster en inheemse
soorten)
aantal
gevels)
•
bomen)
Beheer van beplanting
Struweelhagen (meidoorn, sleedoorn en liguster)
• Schuilgelegenheid
Klimop tegen muren (groene
N.v.t.
Inheemse bomen
Bijvoorbeeld voldoende ruimte
afstemmen zodat
voor groei van klimop langs
schuilgelegenheid ontstaat
groene gevels reserveren en alleen beheren wanneer deze buiten aangewezen plekken groeit.
Foerageergelegenheid
Aanplanten van verschillende
20
Voorbeeld:
voedselplanten
(minimaal 5
•
Klimop
soorten)
•
Meidoorn
•
Sleedoorn
•
Appelboom
16/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Eis
Maatregel
Minimum
Overige informatie
aantal Foerageergelegenheid
Creëren van beschutte vochtige
1
plekken onder de struiklaag
Vochtige beschutte plekken zijn plekken waar veel bodemdieren worden aangetroffen, die merel consumeert
Verbinding
Aaneengesloten beplanting creëren
N.v.t.
Aaneengesloten of min of meer aaneengesloten door verspreide elementen te creëren
4.2.7 Volgsoort merel: egel Aangezien merel een struweelsoort bij uitstek is, is er enige overlap met egel. Door de maatregelen voor merel te treffen volgt egel. Niet het hele havenkwartier is geschikt voor egel. Voornamelijk de oostkant van Sijthof is in de huidige situatie geschikt voor egel door de oudere bomenrij en de dichtbegroeide laag met ondergroei. Op deze locatie kunnen maatregelen getroffen worden om het voor egel aantrekkelijker en veiliger te maken. Denk aan het uitbreiden van de groenstrook waardoor een grote leefgebied ontstaat. Ook dienen maatregelen getroffen te worden om te voorkomen dat egel verkeersslachtoffer wordt of te water raakt in de diepe bak van de haven. Denk hierbij aan opstaande randen of schermen langs wegen kademuren en faunatunneltjes.
4.3
Gewone dwergvleermuis
4.3.1
Verblijfplaatsen
Gewone dwergvleermuis komt in Nederland algemeen voor en verblijft in gebouwen. Het een kleine vleermuis, waardoor een opening zo breed als een gemiddelde duim al geschikt is als opening naar een verblijfplaats. Verblijfplaatsen in gebouwen zijn te vinden in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten of onder dakpannen. Verblijfplaatsen hebben een specifiek binnenklimaat die afhankelijk van de oriëntatie en thermische buffering geschikt zijn. Bij wisselende weersomstandigheden kan er gewisseld worden tussen verschillende verblijfplaatsen. Ook kunnen verblijfplaatsen geschikt zijn als zomer-, paar-, kraam- en winterverblijfplaats. Elk type verblijfplaats heeft zijn eigen binnenklimaat. Zodoende maakt een vleermuis gedurende het jaar gebruik van een netwerk aan verblijfplaatsen. Verblijfplaatsen zijn te realiseren door vleermuis -inbouwstenen in gevels te plaatsen. Een enkele inbouwsteen, omgeven door een spouwmuur, is geschikt als een zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats en individuele winterverblijfplaats. Kraamverblijfplaatsen vragen om meer geschakelde inbouwstenen bij elkaar in de gevel.
17/40
Kenmerk
4.3.2
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Voedsel
Foerageergebieden liggen tot 5 kilometer rondom de verblijfplaats en bestaan uit groenstructuren zoals bossen en kleinere bosschages. De soort jaagt in een gesloten tot halfopen landschap. Geschikte foerageergebieden, waarvan het aannemelijk is dat ze door gewone dwergvleermuizen worden gebruikt, zijn het Rijswijkse Bos, de Rijswijkse Golfclub en het Elsenburgerbos. Ook de Vliet- en Zwethzone zijn geschikt voor gewone dwergvleermuizen om te foerageren. 4.3.3 Verbinding Om foerageergebieden en de verschillende verblijfplaatsen te bereiken maken vleermuizen gebruik van lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen. Dit kunnen groenstructuren zoals bomenrijen zijn, maar ook lijnvormige wateren kunnen dienst doen als vliegroute. Zonder deze verbindingen kan een verblijfplaats en/of foerageergebied niet functioneren. Het is daardoor van belang om naast het realiseren van verblijfplaatsen te voorzien in lijnvormige groenstructuren richting foerageergebieden. Naast dat de lijnvormige groenstructuren als vliegroute dienen, worden deze ook gebruikt om te foerageren vlak na of voor het in- en uitvliegen uit de verblijfplaats. 4.3.4
Veiligheid
Vleermuizen zijn zeer gevoelig voor licht. Zeer lichte plaatsen zullen vleermuizen mijden. Bij het aanlichten van verblijfplaatsen en/of groenstructuren worden deze minder geschikt of geheel ongeschikt. In het ergste geval kan een vleermuis zijn verblijfplaats niet meer verlaten en zal deze daar overlijden door voedselgebrek. In het ontwerp dient dan ook rekening gehouden te worden met kunstmatige verlichting. Deze dient niet uit te stralen naar de te realiseren verblijfplaatsen en lijnvormige groenstructuren. Ook dienen verblijfplaatsen buiten bereik van predatoren (zoals katten) te worden geplaatst.
18/40
Kenmerk
4.3.5
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Eisen- en maatregelenpakket gewone dwergvleermuis
In tabel 4.3 zijn maatregelen opgenomen die voor gewone dwergvleermuis toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen door de combinatie van maatregelen wordt het grootste effect bereikt. Tabel 4.3 Eisen- en maatregelenpakket gewone dwergvleermuis Eis
Maatregel
Minimum
Overige informatie
aantal per gebouw Zomer-, paar- en
Inbouwen inbouwstenen voor
individuele
vleermuizen
50
•
In te bouwen in spouwmuur.
•
http://www.vivarapro.nl/IB-
winterverblijfplaats
VL-06-InbouwsteenVleermuizen
Kraamverblijfplaats
Inbouwen geschakelde
2*3
inbouwstenen
•
Buiten bereik van predatoren
•
Hoger dan 3 meter
•
Voldoende verspreid
Minimaal 3 geschakelde inbouwstenen naast elkaar
Lijnvormige
Lijnvormige groenstructuren
n.v.t
groenstructuren vanaf
creëren vanaf in te bouwen
gerealiseerd met inheemse
De lijnvormige structuur wordt
verblijfplaats richting
verblijfplaats naar nabijgelegen
beplanting, bij voorkeur zo divers
foerageergebieden
foerageergebied en/of lijnvormig
mogelijk.
element Donkere plekken rond
Voorkom uitstralende verlichting
verblijfplaatsen en
naar te realiseren verblijfplaatsen
groenstructuren
en groenstructuren
n.v.t.
Betrek een ecoloog in het verlichtingsplan
4.3.6 Volgsoort gewone dwergvleermuis: laatvlieger Door het nemen van maatregelen ten gunste van gewone dwergvleermuis kan laatvlieger volgen. Laatvlieger kan net zoals de gewone dwergvleermuis verblijven in gebouwen en gebruik maken van dezelfde groenstructuren om te foerageren en om langs te vliegen. Wel dient er rekening gehouden te worden dat in te bouwen stenen voor vleermuizen een opening hebben die groot genoeg is voor de laatvlieger. Laatvlieger is een iets grotere soort dan gewone dwergvleermuis.
19/40
Kenmerk
4.4
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Grote bladsnijder
4.4.1 Verblijfplaatsen De grote bladsnijder komt in Nederland vooral voor in stedelijk gebied. De soort nestelt in allerlei natuurlijke en kunstmatige holten in dood hout (oude kevergangen, gangen van de wilgenhoutrups), nestblokken, muren, dikke rietstengels en ook in de grond. Voor het nest worden stukjes blad van diverse heesters en bomen (bijvoorbeeld roos, berk en eik) verwerkt. De nesten zitten doorgaans tot 10 centimeter diep in de bodem. Nestgelegenheid kan gecreëerd worden door bruine daken aan te leggen en open kale (vergraafbare) bodem te realiseren. Ook kunnen insectenhotels bijdragen aan nestgelegenheid. Wel dient ervoor gewaakt worden dat de binnenzijde van de nestgangen glad is afgewerkt. 4.4.2
Voedsel
Grote bladsnijder is een polylectische soort wat betekend dat de soort een brede variatie van soorten planten bezoekt en verschillende typen bloemen worden gebruikt voor het verzamelen van stuifmeel. Bloembezoek van grote bladsnijder is onder andere vastgesteld op composieten, heiachtigen, klokjesachtigen en vlinderbloemen. Door gericht het beheer kunnen diverse kruiden tot ontwikkeling komen. Het is ook mogelijk om een inheems, bloemrijk mengsel in te zaaien. De voorkeur heeft echter spontane ontwikkeling van kruidenvegetaties. 4.4.3 Veiligheid Geschikt nesthabitat voor grote bladsnijder dient op plekken gerealiseerd te worden waar verstoring is uitgesloten. Voorbeelden van verstoring zijn het lopen door mensen en dieren over nestgangen en een insectenhotel afzetten met dubbel kippengaas om predatie door grote bonte specht te voorkomen. 4.4.3.1 Verbinding Nestel- en voedsellocaties dienen met elkaar verbonden te zijn. In de directe omgeving van de nestplekken moeten de voedselbronnen aanwezig zijn. Door een bloemrijk habitat te realiseren rondom de nestlocaties (bijvoorbeeld op een bruin dak, in een binnentuin of in groenstroken van de openbare ruimte) ontstaat voldoende verbinding tussen nest- en voedselgronden. Het bloemrijk habitat dient binnen 200 meter van de nestgelegenheid aangelegd te worden.
Door de aan te leggen bloemenweides te verbinden met overige groenstructuren ontstaat uitwisseling met andere populaties en kan het Havenkwartier sneller gekoloniseerd worden. 4.4.4 Variatie Door een variatie aan te bieden aan nestgelegenheid en voedselbronnen ontstaat een ideaal habitat voor grote bladsnijder. Nestgelegenheid kan bestaan uit een combinatie van bruine daken, open kale grond in de openbare ruimte en uit insectenhotels. Door op verschillende plekken in het Havenkwartier groenstroken te realiseren en het beheren ervan te richten op bloemrijkdom ontstaan verschillende (micro)habitats. Hierdoor ontwikkelen zich verschillende soorten voedselplanten (bijvoorbeeld zon- en schaduwminnende soorten).
20/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Bij de aanplant van bomen dient rekening gehouden te worden met voldoende afwisseling van soorten. Hierdoor heeft grote bladsnijder voldoende keus voor de nestbekleding. 4.4.5
Eisen- en maatregelenpakket grote bladsnijder
In tabel 4.4 zijn maatregelen opgenomen die voor grote bladsnijder toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen door de combinatie van maatregelen wordt het grootste effect ten gunste van grote bladsnijder bereikt. Tabel 4.4 Eisen- en maatregelenpakket grote bladsnijder Eis
Maatregel
Minimum
Overige informatie
aantal per gebouw Nestgelegenheid
Bruine daken (minimaal 10
25 m2
Op bruine daken ontstaat
centimeter hoog)
spontaan vegetatie, waardoor open plekken aanwezig zijn die gebruikt worden door grote bladsnijder.
Nestgelegenheid
Insectenhotel
5
•
Zuidelijk georiënteerd
•
Gladde afwerking in de nestholtes
Nestgelegenheid
Voedselvoorziening
Verbinding
Aanplant van diverse inheemse
Min. 10
Zorg voor voldoende soorten voor
bomen (bijvoorbeeld berk en eik)
soorten
een gevarieerd aanbod
Richt groenstroken in waar
100 m
2
Inzaaien met een inheems
kruidenrijk grasland kan
zaadmengsel is ook mogelijk,
ontwikkelen
maar niet wenselijk
Zorg ervoor dat via bloemrijk
N.v.t
grasland en bloemrijke
Binnen 200 meter van nestgelegenheid creëren
plantvakken verbindingen ontstaat met overige groenstructuren Veiligheid
Zorg dat nestplekken niet
N.v.t.
Het dubbele kippengaas dient
frequent worden betreden en zet
enkele centimeters voor de
insectenhotels af met dubbel
opening van de nestingang te
kippengaas
zitten.
4.4.6 Volgsoort grote bladsnijder: diverse bijen en vlindersoorten Door het nemen van maatregelen ten gunste van grote bladsnijder volgen diverse bijen en vlindersoorten. Zo kunnen in kale bodemstructuren en insectenhotels verschillende bijen (bijvoorbeeld rosse metselbij) zich voortplanten. In bloemrijke vegetaties kunnen naast bijensoorten verschillende vlindersoorten profiteren van het nectaraanbod.
21/40
Kenmerk
4.5
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Meerkoet
4.5.1 Verblijfplaatsen Meerkoet rust op eilandjes in water, drijvende takken en zelfgemaakte nesten op deze locaties. Voor nestbekleding wordt meestal riet, wortels en afval gebruikt. De nesten zijn vaak aan te treffen in de oeverzone. Door drijvende constructies te maken langs de oever van de haven ontstaat geschikt nest- en rusthabitat voor meerkoet. Ook het maken van een klein eiland in de haven behoort tot de mogelijkheden. 4.5.2
Voedsel
Meerkoet eet allerlei waterplanten, maar wanneer er jongen zijn ook waterdieren zoals slakken en visjes. Meerkoet eet ook gras. Door de oevers natuurvriendelijk in te richten en eventueel een (drijvend) eiland in de haven te creëren ontstaat na ontwikkeling van voldoende oevervegetatie, voldoende voedsel voor meerkoet. 4.5.3 Veiligheid Meerkoet is niet mensenschuw en komt daardoor voor tot diep in stedelijk gebied. Op deze plekken zijn ook nesten van meerkoet aan te treffen. Meerkoet stelt daarom geen aanvullende eisen aan veiligheid. 4.5.4 Verbinding Meerkoet stelt geen harde eis aan verbinding in zijn leefgebied. In het Havenkwartier is voldoende verbinding met open water aanwezig, zodat hier geen aanvullende eisen voor nodig zijn. 4.5.5
Variatie
Door over de hele lengte van de haven een drijvende oeverconstructie te maken ontstaat een gevarieerd aanbod aan nest- en rustplekken. Door dit te combineren met een eiland in de haven een optimaal en gevarieerd leefgebied. 4.5.6
Eisen- en maatregelenpakket meerkoet
In tabel 4.5 zijn maatregelen opgenomen die voor de meerkoet toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen door de combinatie van maatregelen wordt het grootste effect ten gunste van grote bladsnijder bereikt.
22/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Tabel 4.5 Eisen- en maatregelenpakket meerkoet Eis
Maatregel
Minimum
Overige informatie
aantal per object Nest-, rust- en
Drijvende, natuurvriendelijke
foerageergelegenheid
oeverconstructie maken
Nest-, rust- en
Creëren (evt. drijvend)
foerageergelegenheid
natuureiland in haven
Nest-, rust- en
Aanbrengen vissenbos (zie 5.4)
foerageergelegenheid
200 meter
Aanbrengen van substraat zodat oevervegetatie kan ontwikkelen
400 m
2
Flauwe oevers, onbereikbaar voor mensen
10 meter
Vooral bedoeld als habitat voor vis. Bovenop het vissenbos kan meerkoet broeden.
4.5.7 Volgsoort meerkoet: baars Door de haven in te richten voor meerkoet ontstaat ook geschikt habitat voor baars. Door het creëren van drijvende, natuurvriendelijke oeverconstructies, een natuureiland en/of een vissenbos ontstaat er verschillende dieptes in de haven met diversie schuilmogelijkheden. Door ontwikkeling van oevervegetatie krijgt de waterkwaliteit een positieve impuls. Op termijn zal een ideaal habitat voor baars ontstaan.
4.6
Gierzwaluw
4.6.1 Verblijfplaatsen Gierzwaluwen nestelen in gebouwen met openingen. Nesten zijn vaak aan te treffen onder dakpannen of in speciaal voor gierzwaluw geschikte neststenen. Door op hoogte voor gierzwaluw geschikte neststenen in te bouwen in gevels zijn relatief eenvoudig nestlocaties voor gierzwaluw te realiseren. 4.6.2 Voedsel Gierzwaluw kan grote afstanden afleggen op zoek naar voedsel. Voedsel wordt veelal hoog in de lucht gevangen. Hierdoor is gierzwaluw niet afhankelijk van groenstructuren in de wijk waar de soort broedt. Maatregelen om te voorzien in de voedselbehoefte van gierzwaluw zijn niet nodig. 4.6.3 Veiligheid De broedlocatie van gierzwaluw dient buiten bereik van predatoren (zoals katten) gerealiseerd worden. Daarnaast dient de neststeen op voldoende hoogte (>3 meter) ingebouwd te worden. Er is geen maximale hoogte, hoe hoger hoe beter. Door neststenen in te bouwen in noord- en oostgevels wordt voorkomen dat de nestlocatie in de zomerzon oververhit raakt.
23/40
Kenmerk
4.6.4
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Verbinding
Gierzwaluw stelt geen bepaalde voorwaarden aan natuurlijke verbindingen. Hiervoor zijn dan ook geen maatregelen van toepassing. 4.6.5 Variatie Door neststenen optimaal te spreiden over het gebouw (uitgezonderd zuid- en westgevels) ontstaan vrijstaande gierzwaluwnestlocaties. Hiermee wordt voorkomen dat een gierzwaluw per ongeluk in een nest van een ander gierzwaluwpaar vliegt. 4.6.6
Eisen- en maatregelenpakket gierzwaluw
In tabel 4.6 zijn eisen en maatregelen opgenomen die voor gierzwaluw opgenomen kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. Tabel 4.6 Eisen- en maatregelenpakket gierzwaluw Eis
Maatregel
Minimum
Overige informatie
aantal per gebouw Nest- en rustgelegenheid
Inbouwen neststenen
50
•
Buiten bereik van predatoren
•
Hoger dan 3 meter
•
Voldoende verspreid over noord- en oostgevels
http://www.vivarapro.nl/IB-GZ-03Inbouwsteen-Gierzwaluw
4.6.7 Volgsoort gierzwaluw: zwarte roodstaart Net als bij de huismus is zwarte roodstaart in staat om de gierzwaluw te volgen. Door het inmetselen van nestkasten ontstaat ook broedgelegenheid voor zwarte roodstaart. Door het aanbrengen van inheemse beplanting (voor onder andere grote bladsnijder) ontstaat eveneens voldoende voedselaanbod voor de zwarte roodstaart.
4.7
Muurvaren
4.7.1
Algemeen
Muurvaren groeit op zonnige tot half beschaduwde, droge tot vochtige, niet te voedselarme tot niet te voedselrijke, kalkrijke en stikstofarme muren. In het Havenkwartier is een groeiplaats aanwezig op een kademuur onder de brug over het water tussen de Steenplaetsstraat en de Huis te Hoornkade. In tegenstelling tot andere varens die op muren groeien kan verdraagt muurvaren ook op het zuiden georiënteerde locaties. Muurvarens kunnen door de lichte sporen, die door de wind verspreid worden, geschikte muren zelf eenvoudig koloniseren.
24/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Het is lastig om een muur geschikt te maken voor muurvaren. Muurvarens groeien voornamelijk op oude, verweerde muren. Het creëren van geschikt habitat voor muurvaren vergt daarom een lange adem, maar is niet onmogelijk. Bij het realiseren van geschikt habitat voor muurvaren moet men rekening houden met de volgende aandachtspunten: • • • •
Hoge vochtigheidsgraad van de muur Gebruik van kalkhoudende specie (verhouding zand:kalk is 2:1) Zeer diepe en ruw afgewerkte voegen Verschillende oriëntaties van de muur
Een dergelijke muur kan op een vochtige beschaduwde plek (bijvoorbeeld beschaduwd door een boom of gebouw) worden gerealiseerd. Een andere optie is om verspreid op verschillende plekken grote, maar lage ronde gemetselde muren te realiseren. De binnenzijde van deze muur kan als het ware gebruikt worden als een grote bloembak met inheemse beplanting. De grond in de ronde muur zorgt voor een stabiel en vochtig klimaat. 4.7.2 Eisen- en maatregelenpakket muurvaren In tabel 4.7 zijn eisen en maatregelen opgenomen die voor muurvaren opgenomen kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. Tabel 4.7 Eisen- en maatregelenpakket Muurvaren Eis
Maatregel
Minimum
Overige informatie
aantal per object Oude verweerde,
Realiseren van (oude),
kalkhoudende muren
verweerde kalkhoudende muren
10 meter
Zie opsomming in paragraaf
Oude verweerde,
Realiseren van ronde (lage)
10 ronde
Zie opsomming in paragraaf
kalkhoudende muren
muren die gevuld worden als
muren van
4.1.7.1 voor eisen aan de muur.
‘bloembak’
2 meter
Beplanting van de ‘bloembak’ met
doorsnee
inheemse beplanting.
4.1.7.1 voor eisen aan de muur
4.7.3 Volgsoort muurvaren: muurleeuwenbek Maatregelen ten gunste van muurvaren komen ook ten gunste aan muurleeuwenbek. Muurleeuwenbek groeit voornamelijk op zonnig georiënteerde muren. Door rekening te houden met een zuidelijke expositie van de muur (of ‘bloembak’) ontstaat geschikt habitat voor muurleeuwenbek.
25/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
5 Werken aan biodiversiteit – werkwijze en bouwstenen 5.1
Definitie en reikwijdte natuurinclusief bouwen
Onder natuurinclusief bouwen wordt vaak het volgende verstaan: het zodanig oprichten van bouwwerken en inrichten van de directe omgeving van gebouwen dat natuurwaarden hier baat bij hebben. Daarbij kunnen maatregelen worden getroffen die ‘hard’ zijn (denk aan neststenen voor vogels of vleermuizen), maar ook maatregelen die ‘zacht’ zijn (denk aan het inzaaien van de juiste bloemen of het behouden van bestaande bomen). Dergelijke maatregelen kunnen op verschillende wijzen worden in- of toegepast: • In gebouwen (bijvoorbeeld inbouwneststenen voor bijvoorbeeld de huismus) • • •
Aan en op gebouwen (bijvoorbeeld groene of bruine daken en begroeide gevels) Gebouw gebonden buitenruimtes (bijvoorbeeld groene tuinen) Publieke/openbare ruimtes
Figuur 5.1 Foto links: Middeleeuwse voorloper van natuurinclusief bouwen in Elburg; nestkasten voor mussen in gevel van voormalig klooster. Foto rechts: weelderige gevelbeplanting in Avignon.
Op elk schaalniveau zijn natuurinclusieve toepassingen mogelijk. Dit varieert van het schaalniveau van het gehele Havenkwartier stad tot het realiseren van slechts een enkel bouwwerk. Hoe groter de schaal, hoe groter de mogelijkheden voor investeringen in natuurinclusief bouwen. Een faunapassage onder een weg kan bijvoorbeeld op grote schaal bepalend zijn voor één of meerdere populaties, terwijl een egeldoorgang tussen twee tuinen op kleine schaal heel belangrijk kan zijn voor een aantal egels die van de tuinen anders geen gebruik kunnen maken. Hoe het plangebied er ook uit ziet en welk schaalniveau het ook betreft, bedenk dat natuurinclusief ontwerpen vooral moet worden gezien als het scheppen (en behouden) van de
26/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
juiste randvoorwaarden voor een natuurlijk (ontwikkelings)proces en niet als het realiseren van een statisch (eind)beeld. Er moet in ieder geval voor gezorgd worden dat er een bepaalde basis(kwaliteit en -kwantiteit) aanwezig is (en kan blijven). Als de juiste (basis)randvoorwaarden aanwezig zijn (en blijven), doet de natuur de rest van het werk.
5.2
Generieke voorwaarden
Deze paragraaf omvat algemene voorwaarden voor de inrichtingsprojecten en -plannen voor het Havenkwartier, waarmee een natuurinclusief resultaat bewerkstelligd kan worden. In hoofdstuk 4, het programma van eisen is al ingegaan op wat er kwalitatief en kwantitatief moet gebeuren om effectief leefgebieden voor de doelsoorten (en volgsoorten) te realiseren. Daarbij is steeds uitgegaan van het gegeven dat voor soorten voldoende elementen van de vijf V’s (zie hieronder voor toelichting) op een planlocatie aanwezig moeten zijn om de locatie als kansrijk voor de doelsoort te beschouwen. De algemene voorwaarden zijn: • Creëer bij elke ruimtelijke ontwikkeling meerwaarde voor de omgeving van zowel mens als dier • Betrek een (stads)ecoloog en (toekomstig) beheerder in elke fase (ontwerp, uitvoering en beheer). Want: iedere (natuurlijke) inrichting is uiteindelijk maatwerk (ondanks dat dit rapport • •
inhoudelijke handvatten biedt) Bepaal, met een ecoloog, één of meerdere doelsoorten voor de betreffende ontwikkeling Doe hiervoor een omgevingsanalyse. Deze analyse geeft antwoord op de vragen 1) welke
•
soorten hebben potentie en/of hulp nodig en 2) welke elementen (vijf V’s) zijn al aanwezig in projectgebied en omgeving en welke ontbreken (nog)? Bepaal vervolgens, samen met een ecoloog, de (natuur)ambitie voor het plan of project. Een hogere ambitie creëert meer (natuur)mogelijkheden, maar vergt vaak wel meer ruimtereservering en inpassing. Biodiversiteit is (vaak) gebaat bij een gevarieerd ontwerp (zie ook de V van ‘variatie’)
• •
Ontwerp vanuit het geheel aan een systeem voor biodiversiteit. Diverse doelsoorten vragen om samenhang tussen openbare ruimte en de private gebouwen Probeer te behouden wat er al is (o.a. bestaand groen, bodem), dergelijke elementen hebben
• •
reeds een (belangrijke) natuurwaarde en creëren sneller het gewenste eindbeeld Combineer functies, zoals waterinfiltratie en biodiversiteit, parkeren en biodiversiteit, et cetera Zorg dat het niet overal aangeharkt is – maar wel fraai vormgegeven. Dit is een
• • •
•
ontwerpopgave. Ook in de zonering kan dit worden vormgegeven. Streef naar variatie Werk vanuit gelaagdheid (grond)water, bodem, mos- en kruidlaag, struweel en bomen en maak keuze voor elke laag Het (project)schaalniveau bepaalt (mede) hoeveel mogelijkheden er zijn voor natuurinclusief ontwerpen, aanleggen en beheren. Echter, elk schaalniveau biedt mogelijkheden voor één of meerdere doelsoorten. Zorg er, ongeacht schaalniveau, voor dat er tijdig ruimte wordt gereserveerd voor de (per doelsoort) noodzakelijke groene elementen Zorg voor de juiste randvoorwaarden, per doelsoort, voor alle vijf de V’s:
27/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
-
Verblijfplaatsen: elke soort heeft verblijf- en rustmogelijkheden nodig. Realiseer en/of
-
faciliteer dit voor elke doelsoort binnen het project(gebied) of toon aan dat er voldoende beschikbare verblijfplaatsen zijn in en rond het project(gebied) Voedsel: elke soort heeft voldoende aanbod van voedsel nodig. Realiseer en/of faciliteer
-
-
-
dit voor elke doelsoort binnen het project(gebied) of toon aan dat er voldoende beschikbaar voedsel aanwezig is in en rond het project(gebied) Verbinding: zonder goede verbinding bereikt een (doel)soort het project(gebied) niet en/of is verplaatsing door het projectgebied niet vanzelfsprekend. Realiseer voor elke doelsoort, indien nodig1, verbindingszones (bijvoorbeeld door robuuste groenzones of faunapassages) in het project(gebied) en met de directe omgeving rond het project(gebied) Veiligheid: elke soort is gebaat bij voldoende schuil- en rustgelegenheid (naast de vaste verblijfplaatsen). Realiseer en/of faciliteer dit voor elke doelsoort binnen het project(gebied) of toon aan dat er voldoende beschikbare veilige plekken (lees: plekken met dekking biedende elementen voor doelsoorten waar zo min mogelijk verstoring optreedt) aanwezig zijn in en rond het project(gebied) Variatie: biodiversiteit is gebaat bij een grote diversiteit aan (stedenbouwkundige) elementen en doelsoorten binnen een project(gebied) zijn beter bestand tegen negatieve invloeden als er voldoende variatie aanwezig is. Realiseer voldoende variatie in bovengenoemde vier V’s, maar ook in algemene zin (variatie in plantensoorten, variatie in inrichtingselementen, variatie in planthoogten, variatie in temperatuur, variatie in verrommeling, etc.). Zorg daarnaast, afhankelijk van de potenties binnen het
•
project(gebied), voor een combinatie van maatregelen in gebouwen, op en aan gebouwen en in de buurt van gebouwen (de openbare en/of particuliere ruimten) Maak de beoogde maatregelen zo concreet en kwantitatief mogelijk. Denk aan X neststenen voor soort Y in gevel A op X meter hoogte; X m2 struweel of bloemrijk gras met tenminste X% van soort A en X% van soort B; X m2 gevelgroen met klimsteun op gevel C bestaand uit de soorten D (50%) en E (50%)
•
Onderhoud (en nazorg) is minstens zo belangrijk als de inrichting. Neem meerjarig beheer en onderhoud al in de (voor)ontwerpfase als volwaardig mee en betrek toekomstige beheerders zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces. Uitgangspunten hier voor zijn: -
•
Niet overal aangeharkt – maar wel fraai vormgegeven. Ontwerpopgave. Ook in de zonering kan dit worden vormgegeven Streef naar variatie
Werk vanuit gelaagdheid (grond)water, bodem, mos en kruidlaag, struweel en bomen Maak een verlichtingsplan voor de openbare ruimte, in samenhang met de bebouwing. Voor met name vleermuizen is dit van belang. Betrek een ecoloog in dit plan
28/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
5.3
Bouwstenen private ruimte
5.3.1
(Dak- of binnen-)tuin
Daktuin Drentsmuseum
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit:
Grote bladsnijder, huismus, merel In voorjaar en zomer voedselgebied voor bijen en vlinders
Omvang:
Minimaal 25 m2
5.3.2
Gevelbegroeiing
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit:
Aandachtspunt: Omvang: 5.3.3
Huismus, merel, grote bladsnijder (afhankelijk van de gekozen soorten beplanting) Nestgelegenheid voor stadsvogels, indien met bloeiende planten (klimop) voedselbron voor insecten, indien besdragend (bijvoorbeeld vuurdoorn) voedselbiotoop lijster. Streef naar variatie in sortiment Minimaal 5 m2
Geveltuin
Doelsoorten:
Merel, grote bladsnijder, huismus
29/40