CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage E Advies Commissie mer en oplegnotitie naar aanleiding van dit advies (RV 25-015)

Forum Stad en Samenleving 11 maart 2025, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Voorstel tot vaststelling van de Omgevingsvisie Rijswijk 2050, Gezonde buitenplaats in de Metropool (RV 25-015)2.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Oplegnotitie bij Plan-MER Omgevingsvisie Rijswijk naar aanleiding van advies Commissie mer

Gemeente Rijswijk 16 maart 2010 concept-01

4 februari 2025 Nota van Zienswijzen NRD PlanMER Omgevingsvisie Rijswijk Gemeente Rijswijk, 3 oktober 2023

Oplegnotitie bij plan-MER omgevingsvisie Rijswijk n.a.v. advies Commissie mer 4 februari 2025

Inleiding Bij de Ontwerp-Omgevingsvisie Rijswijk is een plan-MER opgesteld. Beide hebben ter inzage gelegen. Ook is de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie mer) gevraagd advies uit te brengen over het MER. De Commissie mer is bij wet ingesteld, is onafhankelijk en adviseert overheden over de kwaliteit van milieueffectrapporten. De Commissie schrijft zelf geen milieueffectrapporten. De Commissie neemt ook geen besluit over een project of plan. De Commissie mer heeft een advies opgesteld over het plan-MER Omgevingsvisie Rijswijk.1 In deze oplegnotitie geven we aan hoe we willen omgaan met het advies van Commissie mer. In deze oplegnotitie wordt eerst een samenvatting gegeven van het advies van Commissie mer (paragraaf 2). Vervolgens wordt een toelichting gegeven op drie punten waarop Commissie mer een advies geeft (paragrafen 3 tot en met 5).

Samenvatting advies Commissie mer De Commissie mer is positief over de volgende aspecten van het MER en de wijze waarop het MER gebruikt is bij het ontwikkelen van de omgevingsvisie: •

De omgevingsvisie en het MER zijn ‘hand in hand’ ontwikkeld. Het MER heeft een positieve rol gespeeld in meerdere fasen van de ontwikkeling van de omgevingsvisie3. • Het MER is gebruikt in een uitgebreid participatietraject. • Uit het MER blijkt dat de gemeente haar ambities op het gebied van duurzaamheid serieus neemt. Er is een duidelijke ambitie om een gezonde, groene en toekomstbestendige stad te creëren, met aandacht voor klimaatadaptatie, de energietransitie en leefbaarheid. De Commissie mer stelt echter ook dat belangrijke informatie ontbreekt. De Commissie mer is van mening dat tet aanvullen van die informatie essentieel is om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de omgevingsvisie. Het gaat om de volgende punten: 1.

Leg beoordelingskader en effectbeoordeling beter uit De Commissie adviseert om voordat wordt besloten over de omgevingsvisie in een aanvulling op het MER een overzicht (‘leeswijzer’) op te nemen van de doorlopen stappen, waarin wordt ingegaan op: • de gehanteerde structureringen, hoe deze tot stand zijn gekomen en hoe deze samenhangen; • de gebruikte methodiek voor de effectscores van de alternatieven en de ontwerp-omgevingsvisie, vooral waar deze verschilt; • de verklaring van verschillen tussen de scores van alternatieven en ontwerp-5 omgevingsvisie, vooral waar deze niet logisch of evident zijn. 2. Verduidelijk huidige en toekomstige plan- en besluitvorming • De Commissie adviseert om voordat wordt besloten over de omgevingsvisie in een aanvulling op het MER duidelijk te maken of en hoe de conclusies en aanbevelingen in het MER anders zullen zijn als uitgegaan wordt van een autonome ontwikkeling waarin twee derde van de 11.000 woningen al planologisch vastligt. 3. Geef aan wat wordt verschoven naar de toekomst • De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER een overzicht te geven van de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen waarover de gemeente pas later besluiten zal nemen.

Geef daarbij aan hoe gezorgd wordt dat het omgevingsbelang en de leefomgevingsambities uit de omgevingsvisie integraal worden meegewogen en of daarvoor extra (alternatieven)onderzoek nodig is. In de volgende paragrafen lichten we toe hoe we met deze adviezen omgaan in het kader van Omgevingsvisie en planMER. Daarnaast geeft Commissie mer enkele aanbevelingen mee voor het vervolgtraject na de Omgevingsvisie. Die aanbevelingen nemen we ter harte.

Toelichting op beoordelingskader en effectbeoordeling Toelichting op gehanteerde beoordelingskader: elke stap dezelfde indicatoren in het planMER De Commissie mer adviseert om een nadere toelichting te geven op de gehanteerde structuren in het MER. Niet alleen hoe deze tot stand zijn gekomen, maar ook hoe ze verschillen en samenhangen met de structuren in de omgevingsvisie. 1 Reports - Commissiemer.nl

Omdat de verschillen in structuur voortkomen uit het gevolgde proces, wordt de gebruikte structuur in het PlanMER stap voor stap toegelicht. In elke stap worden in het planMER dezelfde 23 indicatoren gebruikt, alleen zijn ze soms anders gerangschikt. De stappen zijn: • Opstellen beoordelingskader • Beoordelen ontwikkelrichtingen (alternatieven) • Beoordelen ontwerp-omgevingsvisie Totstandkoming beoordelingskader Voor het opstellen van het beoordelingskader is de thematische indeling, zoals opgenomen in het Programma Stadsontwikkeling, als uitgangspunt genomen. Dit programma vormde het uitgangspunt voor de Verkenning, welke is opgesteld in fase 1 van het Omgevingsvisietraject. De indeling bestond uit vijf thema’s (linkerkolom tabel 1), waarnaar de 23 indicatoren gerangschikt zijn (rechterkolom tabel 1). Tabel 1: Beoordelingskader onderverdeeld naar de vijf thema’s uit het Programma Stadsontwikkeling

Met het beoordelingskader als uitgangspunt is een beschrijving van de huidige situatie en autonome ontwikkeling (HSAO) opgesteld. Dit is opgenomen in het rapport “Leefomgevingsfoto PlanMER Omgevingsvisie gemeente Rijswijk’ (6 oktober 2023). Beoordeling ontwikkelrichtingen (alternatieven) In de fase van de totstandkoming van de Omgevingsvisie zijn vier ontwikkelrichtingen (alternatieven) ontwikkeld. Deze vier alternatieven zijn ontwikkeld langs twee ‘assen', namelijk de as ‘geprogrammeerde verstedelijking versus hogere verstedelijking’ en de as ‘bestaand beleid versus een nog meer vernieuwend beleid'. Deze vier ontwikkelrichtingen zijn in het MER beoordeeld voor de effecten op de 23 indicatoren uit het beoordelingskader zoals opgenomen in tabel 1. In het MER is per thema een overzicht gegeven van de beoordeling van de onderliggende indicatoren voor elk van de ontwikkelrichtingen. De uitkomsten van de effectbeoordeling van de ontwikkelrichtingen heeft de gemeente Rijswijk in participatiesessies gebruikt om input op te halen voor het bepalen van de uiteindelijke koers van de ontwerp omgevingsvisie.

Beoordeling ontwerp-omgevingsvisie In de uiteindelijk gekozen koers voor de ontwerp omgevingsvisie komen de vijf thema’s uit het Programma Stadsontwikkeling niet terug. De ontwerp omgevingsvisie gaat daarentegen uit van drie kernambities: • • •

Gezonde buitenplaats voor iedereen Groene stad voor nu en later Creatieve werkplaats voor de regio

Figuur 1: Kernambities en thema’s ontwerp omgevingsvisie

Deze drie kernambities zijn verder uitgewerkt in negen thema’s (figuur 1): Passend woon- en zorgaanbod, Gezonde leefomgeving, Leefbare en veilige wijken, Zichtbare historie en ruimtelijke kwaliteit, Groene stadsbiotoop, Klimaatbestendige leefomgeving, Duurzame energievoorziening, Innovatieve economie en Goede bereikbaarheid. Gezamenlijk dragen de doelen op deze negen thema’s bij aan een duurzame balans tussen de drie kernambities. Om aan te sluiten bij de structuur van de ontwerp-omgevingsvisie is deze indeling ook doorgevoerd in het beoordelingskader (linkerkolom tabel 2). De 23 indicatoren zijn gelijk gebleven aan de indicatoren waarmee ook de ontwikkelrichtingen/alternatieven op beoordeeld zijn (rechterkolommen tabel 1 en 2). De effecten van zowel de ontwikkelrichtingen als de beleidskeuzes uit de ontwerp-omgevingsvisie zijn beoordeeld voor deze 23 indicatoren. Tabel 2: Beoordelingskader effectbeoordeling ontwerp-omgevingsvisie Thema/kernambitie

Indicator

Gezonde buitenplaats

Luchtkwaliteit Geluid Omgevingsveiligheid Stimuleren van sporten en bewegen

Groene stad

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Waterkwaliteit Waterkwantiteit Bodemkwaliteit Bodemdaling Gebruik ondergrond Waterveiligheid Wateroverlast Hittestress Droogte

Creatieve werkplaats

Woningvoorraad

Thema/kernambitie

Indicator Voorzieningenniveau Bedrijvigheid Aandeel hernieuwbare energie Bereikbaarheid Verschuiving vervoerswijze Verkeersveiligheid

Toelichting op verschillen tussen beoordeling alternatief 1B en ontwerp-omgevingsvisie De Commissie mer wijst er in haar advies op dat de ontwikkelrichting/alternatief 1B de basis vormt voor de gekozen koers van de ontwerp-omgevingsvisie. Tegelijkertijd constateert de Commissie mer dat in een aantal gevallen de beoordeling van alternatief 1B afwijkt van de beoordeling van de ontwerp-omgevingsvisie. Hieronder lichten we toe waardoor dat komt. De ontwikkelrichtingen zijn samengesteld om stem te geven aan meningen uit de samenleving en het bestuur en de ‘uitersten van het speelveld’ inzichtelijk te maken. De ontwikkelrichtingen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt in tekst en kaarten. De alternatievenstudie heeft als doel gehad een goed gesprek met de samenleving en in het bestuur te voeren en tot een gedragen voorkeursrichting als kern van de omgevingsvisie. Daarbij was de toets op omgevingseffecten heel nuttig. Er is overwegend een voorkeur naar voren gekomen voor ontwikkelrichting 1B. Die is dan ook als basis genomen voor de voorkeursrichting. Dat betekent niet dat de ontwikkelrichting één op één is overgenomen. Uiteindelijk is de koers voor de ontwerp-omgevingsvisie samengesteld uit verschillende elementen van de vier ontwikkelrichtingen en zijn er elementen in de loop van het opstellen van de ontwerp-omgevingsvisie toegevoegd.

Dit past ook in de opzet van een alternatievenstudie en een ‘ontwerpende’ mer. Dit wil zeggen dat het MER gebruikt is om de omgevingsvisie nader vorm te geven en aan te scherpen. We constateren dat ook de Commissie mer dit een positief punt vindt: men beoordeelt het feit dat de omgevingsvisie en het MER ‘hand in hand’ zijn ontwikkeld als positief (zie ook paragraaf 2: samenvatting advies Commissie mer). Reacties op de ontwikkelrichtingen en getoetste milieueffecten hebben we gebruikt om te bepalen of en welke elementen uit de ontwikkelrichting(en) we wel en welke we niet zouden moeten overnemen. Enkele opvallende wijzigingen in de ontwerp-omgevingsvisie t.o.v. alternatief 1B: • • •

Grote groene overkluizingen A4 eruit/verkleind; TNO-locatie: ontwikkelen als centrum voor onderzoek > opgenomen als onderzoekslocatie; Pr. Beatrixlaan: ‘ontwikkelstrook’ + rijbaan als tunnel met extra ruimte voor groen > ‘ontwikkelstrook’ + verleggen rijbaan met ‘kwaliteitsverbetering’; • Golfbaan: mogelijkheden voor circulaire economie, energietransitie en klimaatadaptatie > opgenomen als onderzoekslocatie; De uiteindelijk gekozen koers in de ontwerp-omgevingsvisie is veel gedetailleerder uitgeschreven dan het alternatief 1B dat gebruikt is voor het verkennen van de ontwikkelrichtingen. Voor alternatief 1B waren er niet meer dan een aantal trefwoorden beschikbaar om dit alternatief te kenschetsen, terwijl de omschrijving in de ontwerp-omgevingsvisie voor de uiteindelijk gekozen ontwikkelrichting veel uitgebreider is. Dit speelt deels mee in de verschillen tussen de effectbeoordelingen van alternatief 1B ten opzichte van de effectbeoordelingen in de ontwerp-omgevingsvisie. De Commissie mer geeft in haar advies voor enkele indicatoren al de verklaring waarom er verschillen zijn tussen de beoordeling van de betreffende indicator bij alternatief 1B en bij de ontwerp-omgevingsvisie (namelijk Natura 2000, waterveiligheid, waterkwaliteit, bodemdaling, woningvoorraad en geluid).

Bij nader inzien zouden deze indicatoren voor het alternatief 1B dezelfde effectbeoordeling moeten hebben als voor de ontwerp-omgevingsvisie. Aanvullend is voor de indicator bodemdaling in het planMER voor de ontwerp-omgevingsvisie een aanscherping gedaan, aangezien bodemdaling zich maar in beperkte mate voordoet in Rijswijk. Omdat toekomstige ontwikkelingen (zoals woningen en het station Rijswijk Buiten) wel ontwikkeld worden in gebieden met een risico op bodemdaling is de invloed aangescherpt van negatief naar licht negatief. Voor de indicator gebruik ondergrond wordt in de effectbeschrijving van alternatief 1B beschreven dat drukte in de ondergrond toeneemt doordat er meer ondergrondse infrastructuur bijkomt door alle ontwikkelingen. Dit wordt als een negatieve invloed van het alternatief benoemd. In de ontwerp-omgevingsvisie wordt dezelfde negatieve invloed benoemd. In de ontwerp-omgevingsvisie wordt echter ook aangegeven dat de gemeente tegelijkertijd rekening houdt met de ondergrondse ruimtevraag voor bestaande wijken en herontwikkelingslocaties. Daarnaast dat bij nieuwe

ontwikkelingen rekening wordt gehouden met ruimte in de ondergrond voor uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk. Daarom is in het planMER ook een positieve invloed van de ontwerp-omgevingsvisie op gebruik ondergrond benoemd.

Toelichting op huidige en toekomstige plan- en besluitvorming Commissie mer adviseert om te verduidelijken welk deel van de beschreven woningbouwontwikkelingen in de omgevingsvisie al zeker zijn (autonome ontwikkelingen) en welke nog niet zeker zijn. Van de 11.000 woningen die genoemd worden in het MER, is voor ca. 7.000 woningen besluitvorming al een redelijke mate van zekerheid. Hiervoor zijn al ruimtelijke besluiten genomen (bestemmingsplan is onherroepelijk dan wel vastgesteld). Het gaat daarbij om de plannen zoals Kesslerpark, Havenkwartier, In de Bogaard, Parkrijk, Rijswijk Buiten en Pasgeld. De andere ca 4.000 woningen zijn formeel nog in voorbereiding, maar het gaat daarbij ook om de plannen In de Bogaard, Havenkwartier, Parkrijk, Kesslerpark. Voor al deze plannen is een ontwikkelkader vastgesteld. Voor de verschillende woningbouwontwikkelingen waarvoor al een ruimtelijk besluit is genomen, zijn met ruimtelijke onderbouwingen en mer-beoordelingen de gebruikelijke stappen genomen. Echter is er eerder op gemeentelijke schaal geen integrale beoordeling geweest van milieu- en omgevingseffecten. Ook geeft de omgevingsvisie op gemeenteschaal aandacht aan de benodigde opgaves zoals klimaatadaptatie, energietransitie, mobiliteitstransitie en passende voorzieningen bij de woningaantallen.

Daarom is ervoor gekozen om in het planMER een integrale beoordeling te geven van de milieu- en omgevingseffecten als gevolg van de verschillende aanstaande ontwikkelingen; ongeacht of er voor de separate woningbouwontwikkelingen al besluitvorming is geweest of niet. Het planMER geeft daarmee een integraal beeld van de milieu-informatie die nodig is bij de besluitvorming over de omgevingsvisie. Dit betekent dat de beoordeling in het planMER niet wijzigt naar aanleiding van het advies van Commissie mer.

Toelichting op wat er verschoven wordt naar de toekomst De omgevingsvisie stelt ambities voor de toekomst en formuleert hiervoor het strategische beleid aan de hand van kaders en richtlijnen. De verdere uitwerking van dit beleid vindt plaats in verplichte, dan wel onverplichte programma's. In de omgevingsvisie zijn de volgende verplichte programma's benoemd: het geluidprogramma (Actieplan geluid), het warmteprogramma, het programma kostenverhaal en het woonprogramma (programma volkshuisvesting). Als vrijwillige programma's zijn genoemd het programma gezondheid en milieu, en het programma stadsontwikkeling. Daarnaast zal ook voor het thema circulaire economie nog nadere uitwerking plaats vinden. In het uitvoeringshoofdstuk van de omgevingsvisie is beschreven hoe de gemeente Rijswijk monitoring en evaluatie zal inzetten bij de uitwerking van het beleid uit de omgevingsvisie. Bij de opvolgende programma’s en bij de omgevingsvisie 2.0 (start vanaf 2026) zal gemeente bekijken of de milieu- en omgevingseffecten nog aansluiten bij de effectbeoordeling uit het planMER bij de huidige omgevingsvisie. Als dat niet het geval is kan een actualisatie van of aanvulling op het huidige planMER nodig zijn.

Daarnaast bekijkt de gemeente of er voor een specifiek programma of de omgevingsvisie 2.0 een plicht geldt om een mer-beoordeling of een MER op te stellen (zoals benoemd in Bijlage V van het Omgevingsbesluit).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=6f3a6a00-382d-4895-b953-87008f826e74