Bijlage B Toelichting Verordening Jeugdhulp Rijswijk 2026 (RV 25 101)
Tekst van het document
Toelichting Jeugdverordening Algemene toelichting Deze verordening Jeugdhulp 2026 van de gemeente Rijswijk geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Het college moet een jeugdhulpvoorziening treffen als de jeugdige en/of ouder(s) dit nodig hebben in verband met opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. De gemeente bepaalt de aard en de omvang van deze voorzieningenplicht (maatwerk). De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10, 2.11, 2.12 en artikel 8.1.1. derde lid van de Jeugdwet, alsmede artikel 2.3 van het Besluit Jeugdwet voor welke regels de gemeenteraad in de verordening met vastleggen. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 Onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Voor deze voorzieningen hoeft geen toegangsbeoordeling te worden gedaan, zoals bij een individuele voorziening. Dit betekent dat voor deze voorzieningen geen onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Voor een algemene voorziening is geen verleningsbeschikking nodig. De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene dan wel vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is en bovendien ook binnen de Wmo 2015 wordt gehanteerd, is deze term in deze verordening overgenomen. Onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige en/of ouders(s) kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet. Onderdeel c: budgethouder De budgethouder is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen.
Aangezien zowel jeugdigen als ouders jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige en/of om ouder(s). Onderdeel d: budgetvertegenwoordiger De budgetvertegenwoordiger is degene die gemachtigd is om het pgb te beheren. Soms is de budgethouder niet degene die het budget ook daadwerkelijk beheert. De budgethouder kan iemand machtigen om het pgb te beheren, deze persoon noemen we een gemachtigd budgetvertegenwoordiger. Er zijn ook wettelijke vertegenwoordigers. Voor kinderen onder de 18 jaar zijn dit de ouders of de voogd. Zij kunnen vertegenwoordiger zijn mits zij niet zelf de zorg verlenen of de budgethouder zijn. Maar het kan ook een persoon zijn die door de rechter is aangewezen, zoals een curator of een bewindvoerder. Onderdeel e: cliëntondersteuner pagina 1 van 19
Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning door middel van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van o.a. jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (dit volgt uit artikel 1.1.1 Wmo 2015). Onderdeel f: College College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk Onderdeel g: hulpvraag Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. Onderdeel h: individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige en/of ouder(s) afgestemde vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele toegangsbeoordeling en ook een beschikking nodig. Onderdeel i: ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van jeugdige en/of ouder(s). Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Onderdeel j: Ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht: Ouders hebben wettelijk de primaire verantwoordelijkheid voor de lichamelijke, geestelijke ontwikkeling en veiligheid van hun minderjarige kinderen.
Het gaat om taken en plichten bij het nemen van beslissingen over de opvoeding, gezondheidszorg, het onderwijs, welbevinden en levensonderhoud. De vraag naar de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht komt aan de orde bij het vaststellen van de eigen kracht van jeugdigen, ouder(s), verzorger(s) en hun sociale netwerk. Het gaat hierbij om de vraag welke taken en plichten met betrekking tot het oplossen of verhelpen van de hulpvraag tot de taken en plichten van de ouder(s) horen. Onderdeel k: persoonsgebonden budget (pgb) Een jeugdige en/of ouder(s) kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige en/of ouder(s) zelf de benodigde hulp inkopen. Onderdeel l: preventief aanbod binnen de algemene voorzieningen: Binnen de algemene voorzieningen is er een breed preventief aanbod. Dit bevat de laagdrempelige, algemeen toegankelijke ondersteuning die gericht is op het voorkomen van problemen of het vroegtijdig aanpakken ervan. Onderdeel m: sociaal netwerk Tot het sociale netwerk worden de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt gerekend.
Met deze laatste groep worden personen bedoeld met wie de jeugdige en/of ouder(s) regelmatig contacten onderhouden, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige en/of ouder(s) zich meldt met een hulpvraag. Onderdeel n: Veilig Thuis In de Jeugdwet wordt het begrip 'advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling' gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis in gebruik. In de verordening wordt de term Veilig Thuis daarom gebruikt. Onderdeel o: wet Overal waar in deze verordening wordt gesproken over wet, wordt de Jeugdwet bedoeld. Onderdeel p: zorg in natura Als het college aan de jeugdige en/of ouder(s) een individuele voorziening toekent, wordt deze voorziening meestal in de vorm van zorg in natura toegekend. De toegekende jeugdhulp wordt dan verleend door een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.
25.085088
pagina 2 van 19
Lid 2 Het aantal gedefinieerde begrippen in het eerste lid is beperkt omdat de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.
Hoofdstuk 2. Vormen van Jeugdhulp Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen is een (preventieve) algemene voorziening voldoende. Hier kunnen de jeugdige en/of ouder(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening heeft vaak betrekking op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp moet eerst goed onderzoek worden verricht. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in de artikelen 2 en 3.
Artikel 2. Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af. Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het college daarnaar verwijzen en de aanvraag voor de individuele voorziening afwijzen. Lid 1 en 2 Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. In dit artikel worden enkele algemene voorzieningen benoemd die op het moment van het schrijven van deze verordening beschikbaar zijn. Omdat dit aanbod kan variëren is de term ‘onder andere’ opgenomen. Het college kan de algemene voorzieningen nader uitwerken in nadere regels. Artikel 3. Individuele voorzieningen Lid 1 en 2 Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van individuele voorzieningen binnen de gemeente.
In dit artikel worden enkele individuele voorzieningen benoemd die op het moment van het schrijven van deze verordening beschikbaar zijn. Omdat dit aanbod kan variëren is de term ‘onder andere’ opgenomen. Het college kan de individuele voorzieningen nader uitwerken in nadere regels. Artikel 4. Vervoersvoorziening Vervoer van en naar een locatie waar een jeugdige jeugdhulp krijgt kan jeugdhulp zijn. Dit volgt uit artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet. Jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en niet zelfstandig kunnen reizen door een medische noodzaak of gebrek aan zelfredzaamheid én waarbij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van zijn ouders c.q. verzorgers ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen, kunnen voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen. Het college verstrekt dan een vervoersvoorziening in natura.
Hoofdstuk 3. Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen In het voorgaande hoofdstuk zijn de beschikbare vormen van jeugdhulp geregeld. In dit hoofdstuk worden de toegangsmogelijkheden tot jeugdhulp in het vrijwillig kader (nader) geregeld. § 3.1 Algemene voorzieningen Artikel 5. Toegang tot jeugdhulp Algemene voorzieningen zijn voor een jeugdige en/of ouder(s) vrij toegankelijk. § 3.2 Individuele voorzieningen De toeleiding naar jeugdhulp in de vorm van een individuele voorziening kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: • Na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; 25.085088
pagina 3 van 19
• •
•
Via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting; Via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK). Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening; Via de gemeente.
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts De Jeugdwet regelt dat jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang de voorziening noodzakelijk is (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. Lid 1 Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (algemene) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.
Lid 2 en 3 De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden. Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder.
De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of zijn ouder(s) geen gebruik kunnen maken van een pgb. Lid 4 In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het vierde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in deze verordening zijn opgesomd.
25.085088
pagina 4 van 19
Artikel 7. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Artikel 8. Toegang jeugdhulp via de gemeente Lid 1 Een hulpvraag van een jeugdige en/of ouder(s) kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Lid 2 Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan wordt het onderzoek voortgezet door een consulent van het Jeugdteam.
Lid 3 Als een jeugdige en/of ouder(s) aanspraak willen maken op een individuele voorziening, dan moeten zij hiervoor schriftelijk of digitaal een aanvraag indienen. Dit kan door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Lid 4 Middels dit artikellid wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels vast te stellen.
Hoofdstuk 4. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening, onderzoek en besluitvorming via de gemeente. § 4.1 Uitvoeren onderzoek Artikel 9. Onderzoek Lid 1 Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het eerste lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op:
• • • • •
de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.
Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot deze wet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen. Lid 2 en 3
25.085088
pagina 5 van 19
Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij het onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen. Lid 4
Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige en/of ouder(s) daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of ouder(s) plaatsvindt. De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen die in ieder geval aan de orde komen tijdens het onderzoek. Lid 5 Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(s) en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. Als dat noodzakelijk is kan de toegangsmedewerker informatie opvragen namens en met instemming van de jeugdige en/of ouder(s). Daarnaast kan het college advies opvragen bij een onafhankelijke expert. Dit advies kan worden betrokken bij het onderzoek. Lid 6 Dit artikellid geeft het college de ruimte om nadere regels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze. Artikel 10. Het opstellen van een ondersteuningsplan Lid 1 De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouder(s) er zelf niet uitkomen.
De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.
De vragen of hulp noodzakelijk is en zo ja, in welke omvang, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is. Onderzoek vindt plaats naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.
25.085088
pagina 6 van 19
Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs. Lid 2 Dit lid gaat over het opnemen van afspraken in het ondersteuningsplan. § 4.2 Criteria individuele voorziening Artikel 11. Criteria individuele voorzieningen In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (algemene) voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.
Lid 1 Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s) en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Een aanvullende verzekering wordt ook als onderdeel van het eigen probleemoplossend vermogen gezien. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is waarvoor de jeugdige en/of ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, mag van hen verwacht worden dat ze die verzekering aanspreken. Als de aanvullende verzekering de jeugdhulp niet voldoende vergoed, moet het college op grond van de jeugdhulpplicht aanvullen. Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening heeft voorrang op een individuele voorziening. Met andere woorden: als er een algemene voorziening beschikbaar is die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s), dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen. Het college hoeft ook geen voorziening te verstrekken als de jeugdige en/of ouder(s) gebruik kunnen maken van een andere voorziening. Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo, ZvW of Wlz). Met “voor zover” bedoelen wij het volgende.
Als na de inzet van alle mogelijkheden die hierboven zijn opgesomd, nog steeds een ondersteuningsbehoefte aanwezig is dan zal het college hiervoor een individuele voorziening moeten treffen. Lid 2 en 3 In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of ouder(s) al zelf jeugdhulp hebben ingeschakeld en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het college kan onder omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp, voor een periode gelegen tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag (lid 3). Uiteindelijk is het immers de eigen verantwoordelijkheid van de jeugdige en/of ouder(s) om zich tijdig te melden bij de gemeente. Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige en/of ouder(s) op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college namelijk ook geen jeugdhulpplicht.
25.085088
pagina 7 van 19
Bovendien moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Dat is niet meer mogelijk als de problematiek al verdwenen is. Als het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het college geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige en/of ouder(s) zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Lid 4 Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of algemene voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of algemene voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Lid 5 Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening.
Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Lid 6 Dit artikellid geeft het college de mogelijkheid om de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening verder uit te werken in nadere regels. § 4.3 Beoordeling eigen kracht
Artikel 12. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zijn datgene wat een individu of een netwerk zelf heeft, kan en/of weet om zelf een bijdrage te leveren aan de oplossing of vermindering van de gestelde hulpvraag. Dit wordt de eigen kracht genoemd in de verordening. Artikel 13. Vaststellen van eigen kracht Bij het vaststellen van eigen kracht wordt door middel van onderzoek bekeken, wat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van jeugdigen en ouder(s)/verzorgers zijn. Artikel 14 Aspect A. De ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht Zie hierboven. Artikel 15. Aspect B. De balans tussen de draagkracht en draaglast binnen het eigen welbevinden. Draagkracht is datgene wat een persoon vanuit (eigen) mogelijkheden aankan om stressvrij (of met minimale stress) uitdagingen aan te gaan. Draaglast is de belasting die op iemand rust. Welbevinden is de mate waarin een persoon zich tevreden voelt over zijn/haar leven. De eigen mentale, fysieke, sociale en levensomstandigheden zijn bepalend voor de mate van welbevinden. Deze drie onderdelen zijn van invloed op de eigen kracht van een individu of een netwerk. Zij maken deel uit van het onderzoek naar de eigen kracht. Artikel 16. Aspect C. Welbevinden van de jeugdige De mate waarin een jeugdige zich tevreden voelt over zijn/haar leven.
De eigen mentale, fysieke, sociale en levensomstandigheden van de jeugdige zijn bepalend voor deze mate van tevredenheid over zijn/haar leven. Artikel 17. Aspect D. Erkenning situatie en last die wordt ervaren Om gemotiveerd aan de slag te gaan met de eigen hulpvraag, is het van belang dat jeugdigen en ouder(s) erkennen dat zij last ervaren. Met erkennen wordt bedoeld dat zij in staat zijn om toe te geven dat de situatie waarin zij zitten negatieve consequenties voor hen heeft. Dit erkennen stimuleert de motivatie om positief te werken aan deze situatie. Artikel 18. Uitgangspunten voor het inzetten van individuele voorzieningen bij dreigende overbelasting De uitgangspunten maken inzichtelijk wanneer het inzetten van een individuele voorziening mogelijk is op het moment dat er sprake is van overbelasting. Bij overbelasting wordt er meer draaglast ervaren wat kan zorgen voor een verminderde eigen kracht om zelf een bijdrage te kunnen leveren aan de oplossing of vermindering van de eigen hulpvraag. 25.085088
pagina 8 van 19
§ 4.3 Besluitvorming
Artikel 19. Besluitvorming Lid 1 en 2 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. De beslistermijn bedraagt 8 weken. Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) en de ingediende aanvraag. Lid 3 Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 4 weken, na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Artikel 20. Inhoud en geldigheidsduur beschikking In dit artikel zijn de noodzakelijke onderdelen opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden genoemd. Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de jeugdige en/of ouder(s) bezwaar en beroep aantekenen.
De mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet. De jeugdige en/of ouder(s) moeten in de beschikking alle informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is het nodig dat de beschikking de jeugdige en/of ouder(s) goed en volledig informeert.
Hoofdstuk 5. Aanvullende regels voor een individuele voorziening in de vorm van een pgb Artikel 21. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb Lid 1 Het spreekt voor zich dat het college gehouden is aan de wettelijke bepalingen en voorschriften die gelden ten aanzien van een pgb. Lid 2 Als een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij een pgb-plan opstellen. In deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat pgb-plan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het pgb-plan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. In dat plan moet ook naar voren komen waarom de jeugdige en/of ouder(s) van oordeel zijn dat een voorziening in natura niet voldoende is voor het behalen van de gestelde doelen. Wanneer een pgb-plan niet tijdig of niet volledig wordt ingediend, kan de voorzieningsvorm van een pgb niet beoordeeld worden. Er zal dan beoordeeld worden of een voorziening in natura passend en geschikt is. Lid 3 Het college heeft onder andere als taak om bij de pgb-aanvraag te beoordelen of de in te kopen jeugdhulp van de juiste kwaliteit is (onderdeel c).
Dat houdt in dat het college moet vaststellen of de hulp die de jeugdprofessional/jeugdhulpaanbieder zal verlenen een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Het gaat hier vooral om een toets op de doelmatigheid: gaat de in te zetten jeugdhulp een oplossing bieden voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige en/of ouder(s). Het college moet dus altijd onderzoeken welke hulp de jeugdige en/of ouder(s)nodig heeft. Het gaat dan niet alleen om de vorm, frequentie en duur. Ook moet beoordeeld worden of de situatie van de jeugdige en/of ouder(s) professionele hulp noodzakelijk maakt, of dat de jeugdige en/of ouder(s) de doelen ook kan bereiken als er hulp wordt geboden door iemand uit het sociaal netwerk. Als de beoordeling van de situatie van de jeugdige en/of ouder(s) tot de conclusie leidt dat – gelet op zijn specifieke problematiek – alleen professionele hulp een doeltreffende oplossing voor de hulpvraag 25.085088
pagina 9 van 19
biedt, dan kan deze hulp niet door iemand uit het sociaal netwerk worden geboden. Professionele hulp betekent immers niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en de betreffende professional de noodzakelijke diploma’s heeft, maar ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Een ouder (of andere persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige) kan door zijn persoonlijke relatie met de jeugdige niet volledig objectief en onafhankelijk handelen. De kwaliteit van de hulp die hij/zij de jeugdige kan bieden is in dat geval onvoldoende. Let op: als het college een aanvraag om een pgb wil afwijzen omdat de hulp van de persoon uit het sociaal netwerk niet toereikend is, moet deze afwijzing uitgebreid en zorgvuldig worden gemotiveerd in de beschikking. Overbelasting kan ook een rol spelen. Daarvoor moet het college kunnen aantonen dat de persoon uit het sociaal netwerk daadwerkelijk overbelast zal worden als hij de hulp aan de jeugdige gaat verlenen. Lid 4 Voordat een pgb toegekend wordt is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 1). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is.
In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZbehandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige en/of ouder(s)te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. Lid 5 In twee gevallen kan het pgb geweigerd worden. Lid 6 dit artikellid spreekt voor zich. Lid 7 Het college heeft ruimte om nog nadere regels te stellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 22.
Uitgesloten van PGB Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in artikel 22 opgesomd. Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige en/of zijn ouder(s) hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan. De jeugdige en/of zijn ouder(s) heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Tot slot is het pgb niet bedoeld voor een feestdagenuitkering, voor de financiering van vervoer en de kosten voor een VOG. Als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de wet is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek als bedoeld in deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb.
Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige of zijn ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.
25.085088
pagina 10 van 19
Artikel 23. Pgb-vaardigheid Lid 1 Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf):
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag); Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt); Goed werkgeverschap; Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg; Voeren van een administratie; Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.
Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgbvaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten. Lid 2 In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden.
Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. 1. Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. 2. Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb.
Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling 25.085088
pagina 11 van 19
van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont. 3. Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. 4. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. 5.
Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgbaanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt. 6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel. 7. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands.
Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb. Artikel 24 Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad. Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. Daarbij is eveneens een voorwaarde dat er sprake moet zijn van een bestaande sociale relatie tussen hem en de jeugdige en/of ouder(s). In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk.
Hierbij sluiten wij aan bij de definitie van hulp uit het sociale netwerk zoals opgenomen in artikel 8 van de Regeling Jeugdwet. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: 25.085088
pagina 12 van 19
• • • • •
geboorte; afstamming van dezelfde voorvader; erkenning; gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; adoptie.
Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: • (adoptie)ouders; • (adoptie)kinderen. Tweede graad: • grootouders; • kleinkinderen; • broers en zussen Lid 2b De Verklaring Omtrent Gedrag is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling ging werken en mag niet ouder zijn van drie jaar (art. 4.1.6, lid 2 en 4 van de Jeugdwet).
Artikel 25. Hoogte pgb Lid 1 In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Lid 2 In deze bepaling is het maximale tarief vastgelegd voor formele jeugdhulp, die voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. De hulp in natura wordt voor de gemeente Rijswijk ingekocht door het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (SBJH). Bij het SBJH, of diens opvolger, is een actueel overzicht beschikbaar van de voorzieningen en diens tarieven.
a. Als de hulp wordt ingekocht bij een jeugdhulpaanbieder, dan mag de totale omvang van de niet meer kosten dan 90% van deze voorziening in natura. Een pgb aanbieder hoeft geen tijd te investeren in alle activiteiten die samenhangen met aanbesteding, inkoop en contracten van het SBJH. Om die reden achten het college het redelijk om de omvang te maximeren op 90% van de tarieven die aanbieders ontvangen voor de zorg in natura. b. Als de hulp wordt ingekocht bij een Zelfstandige Zonder Personeel (ZZP'er) mag de totale omvang niet meer kosten dan 80% van deze voorziening in natura. In aanvulling op de toelichting bij lid 3 sub a meent het college dat een ZZP'er minder overheadkosten heeft door de beperkte omvang van de onderneming. Om die reden ach het college het redelijk om de omvang te maximeren op 80% van de tarieven die aanbieders ontvangen voor de zorg in natura. Lid 3 De hoofdregel is dat de hoogte van het pgb-tarief zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Bij de totstandkoming van de tarieven is alle zorgvuldigheid in acht genomen, zodat hieraan voldaan wordt. In de uitzonderlijke situatie dat de tarieven onvoldoende zijn om de aangewezen jeugdhulp in te kunnen kopen, wordt het tarief verhoogd zodat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder ingekocht kan worden. Lid 4 25.085088
pagina 13 van 19
Uit de jeugdwet volgt dat het tarief voor informele hulp niet lager mag zijn dan het wettelijke minimumloon. Een tarief van € 20,- per uur is ruimschoots hoger dan het minimumloon en daarom acht het college dit redelijk. Lid 5 De indexering van pgb-tarieven is een jaarlijkse aanpassing op basis van een formule. Het gaat om de maximale tarieven die aan een zorgaanbieder betaald mag worden. Het college past het pgb-tarief aan op basis van de indexeringsformule. Jaarlijks worden de tarieven aangepast om rekening te houden met prijsstijgingen. Lid 6 De jeugdige en/of ouder(s) dienen een pgb-plan in waarin is vastgelegd welke hulp zij inkopen en wat de totale prijs is van deze hulp. Het college bekijkt eerst of het plan voldoende aantoont dat de doelen behaald worden en let hierbij op de kwaliteit van de ingekochte hulp. Wanneer uit het ondersteuningsplan/pgb-plan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden, dan mag van dit lagere tarief worden uitgegaan. Lid 7
Wanneer een ouder het sociale netwerk wil inzetten zonder hiervoor een zorgovereenkomst voor het pgb af te sluiten, kunnen zij deze extra tegemoetkoming aanvragen. Deze tegemoetkoming is een bedrag van maximaal 141 euro en hoeft niet te voldoen aan het wettelijk minimum loon. De ingezette hulp vanuit het netwerk is op informele basis waardoor hiervoor geen doelen opgesteld hoeven te worden. De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener. Lid 8 Uit dit artikellid volgt dat het college nadere regels kan vaststellen over de hoogte van het pgb.
Hoofdstuk 6. Inlichtingen- en medewerkingsplicht, herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 26. Inlichtingen- en medewerkingsplicht. Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Lid 1 Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige en/of ouder(s) het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouder(s) met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Lid 2 Als de gemeente om informatie vraagt of andere medewerking nodig heeft, dan is de jeugdige en/of ouder(s) verplicht om mee te werken. Artikel 27.
Herziening, intrekking, opschorting en terugvordering Lid 1 Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking. Ook wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels te stellen.
25.085088
pagina 14 van 19
Lid 2 Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken of herzien. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan.
Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726). Lid 3 en 4 In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt ook voor het invorderen van de geldschade als gevolg van een onterecht verstrekte voorziening in natura. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Lid 5 In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek.
Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat: 1) de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a); 2) de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of 3) de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is (onderdeel e). Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Artikel 28. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Lid 1 Het is van belang dat jeugdige en/of ouder(s) zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten 25.085088
pagina 15 van 19
die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 13 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en/of ouder(s) hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. Lid 2 In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezighoudt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD).