Bijlage A - Verordening
Tekst van het document
om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de inwoner. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. De inwoner kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie.
Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Lid 4 onder b: een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening, artikel 1.2.1 van de wet. Staat vast dat iemand ingezetene van Nederland is, dan wordt beoordeeld of iemand ingezetene van de gemeente is. Een ingezetene van een gemeente is degene die met een adres in een gemeente staat ingeschreven in de BRP en woonplaats heeft in die gemeente (CRvB 1-12-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3037). De woonplaats wordt bepaald naar de concrete feiten en omstandigheden. De inschrijving in de BRP is niet doorslaggevend. Daarbij wordt onder andere gekeken naar: • de plek waar iemand slaapt; • waar iemand zijn persoonlijke bezittingen heeft; • waar iemand meestal eet, doucht, de was doet en zijn administratie regelt; • waar iemand zijn sociale contacten heeft. Lid 5: de te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de inwoner in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487).
Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een inwoner 1.500 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496). Als de inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de inwoner om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen. Lid 6 onder a: deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen, zoals het bouwbesluit. Lid 6 onder b: het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft. Dit betekent dat als de inwoner over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een inwoner twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader.
Lid 6 onder c: indien de instelling in dezelfde gemeente als de woning van de familie/naasten staat, dan kan een inwoner in aanmerking komen voor het bezoekbaar maken van de woning. Bezoekbaar houdt in dat de woning kan worden betreden en dat één verblijfsruimte en het toilet gebruikt kunnen worden. De compensatieverplichting van de Wmo bestaat uitsluitend jegens degenen die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. Een inwoner kan niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben. Waar de inwoner woonplaats heeft dient beantwoord te worden middels concrete feiten en omstandigheden, zoals omschreven in de toelichting van deze verordening onder artikel 7 lid 4 onder b. Lid 6 onder d: op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen, die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding. Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304).
Lid 6 onder e: Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in dit artikel, lid 3 onderdeel e, dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is. Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de inwoner te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Lid 6 onder f: als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder belangrijke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn.
Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de inwoner geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL: CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 6 onder g: als een inwoner verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing
naar de voor de situatie van inwoner meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien inwoner verhuist en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de inwoner om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a. Lid 6 onder h: dit betreffen kosten die in redelijkheid van de inwoner of verhuurder te vragen zijn. Lid 7: op grond van de wet ligt de verantwoordelijkheid voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen bij alle gemeenten. De gemeente Rijswijk heeft de gemeente Den Haag echter gemandateerd voor de uitvoering van deze taken. Op basis van lid 7 kan de gemeente Den Haag hierbij het door hen vastgestelde beleid hanteren.
Artikel 8. Financiële tegemoetkoming Lid 1 onder a: als verhuiskostenvergoeding wordt gebruik gemaakt van een forfaitair bedrag. Een forfaitair bedrag is een financiële tegemoetkoming waarvan de hoogte wordt bepaald los van de werkelijke kosten en los van het inkomen. In principe krijgt iedereen hetzelfde bedrag. Dat bedrag zal soms te hoog en soms niet volledig dekkend zijn. In deze verordeing is voor stofferingskosten is uitgegaan van het gemiddelde van een 3 persoonshuishouden dat de volgende artikelen nodig heeft om een huis te stofferen en de muren te behangen: • vloerbedekking/ vinyl; • overgordijnen en gordijnrail; • behang en behanglijm. Lid 1 onder b: ook als de inwoner het vervoer zelf door de inzet van zijn eigen auto kan regelen, kan er een compensatieplicht bestaan. Heeft een inwoner door zijn beperkingen een vervoersprobleem, dan heeft de gemeente een compensatieplicht. Indien het vergoeden van gebruikskosten voor de eigen auto het goedkoopst compenserend is dan zal de gemeente deze kosten, tot een maximum van 1500 km per jaar, vergoeden. Bij de berekening van deze tegemoetkoming gaan we uit van de variabele kosten voor een middenklasse auto in de Nibud gids. Deze kosten worden in deze verordening geïnterpreteerd als de gebruikskosten, hieronder worden verstaan: • afschrijving; • onderhoud en reparatie; • brandstof. Lid 2: deze bepaling spreekt voor zich.
Artikel 9. Toegang en besluit Lid 1: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) middels een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat naar aanleiding van de melding heeft plaatsgevonden, de door de inwoner ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde regelgeving voor de maatwerkvoorziening.
Lid 2: deze bepaling regelt dat van een inwoner wordt verwacht dat binnen 3 maanden de indicatie wordt ‘verzilverd’ door zich te melden bij de aanbieder of het pgb te besteden. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig gewijzigd is, dat eigenlijk een nieuwe beoordeling nodig is. Voldoet de inwoner niet aan deze voorwaarde, dan kan dit aanleiding zijn om de maatwerkvoorziening in te trekken. De inwoner voldoet dan niet aan de voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb (artikel 2.3.10 van de wet).
Artikel 10. Inhoud beschikking De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen.
Artikel 11. Regels voor een pgb Lid 1: het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht. Als de inwoner in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De wet noemt in artikel 2.3.6. namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan onder andere op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Lid 2 en lid 3: In lid 2 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel (lid 3). Lid 4: op basis van lid 4 is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de inwoner tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stopgezet.
Lid 5: de wet heeft tot doel dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, in hun eigen leefomgeving. Kosten gemaakt in het buitenland betreffen in principe geen kosten voor ondersteuning bij de zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving welke het college zou moeten compenseren. Het college is in die gevallen dus bevoegd om ondersteuningskosten gemaakt in het buitenland te weigeren, tenzij het college hier vooraf expliciet toestemming voor heeft verleend.
Artikel 12. Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt over het algemeen een lager tarief. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP'er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener onderdeel uitmaakt van het sociaal netwerk van de inwoner. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale
netwerk, is daarmee altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van dit artikel; dan nog geldt dat deze hulpverlening in het kader van deze verordening als informele hulp wordt aangemerkt. Informele hulp is dus alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de inwoner of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. Het sociale netwerk van een cliënt bestaat uit (artikel 1.1.1 Wmo 2015): • personen uit de huiselijke kring of; • andere personen met wie de inwoner een sociale relatie heeft. De huiselijke kring zijn familieleden, huisgenoten, de (vroegere) echtgenoot of mantelzorgers. Andere personen met wie een inwoner een sociale relatie heeft zijn mensen met wie de inwoner regelmatig contact heeft. Het kan bijvoorbeeld gaan om buren en leden van een vereniging waar de inwoner lid van is (zie: de uitleg van de wetgever bij artikel 1.1.1 Wmo 2015). Buren horen volgens rechtspraak echter niet altijd tot het sociale netwerk. Van belang voor het beantwoorden van die vraag is of tussen de inwoner en de buren een sociale relatie bestaat (zie Rechtbank Oost-Brabant 2-2-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:403).
Artikel 13. Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Lid 1: in deze bepaling is vastgelegd hoe het tarief voor een zaak tot stand komt, bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven met aanvulling van onderhoud en verzekering. Als de inwoner aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald. Lid 2: in deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele hulp, zoals volgt uit artikel 12 lid 2.
Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Lid 3: in deze bepaling is het tarief vastgelegd voor informele hulp, zoals volgt uit artikel 12 lid 3. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Bij het inzetten van een pgb voor informele hulp, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Beide vallen onder de definitie van ‘dienstbetrekking’, zoals bedoeld in de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Daar verwijst de term ‘dienstbetrekking’ in deze bepaling naar. Lid 4: De toevoeging ‘bij bestaan van een dienstbetrekking’ heeft als doel om de lage tegemoetkoming, zoals geregeld in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling wet, uit te sluiten. Lid 5: in deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele
gevallen. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). Tegelijkertijd moet het pgb toereikend zijn om de zorg en ondersteuning in te kopen (artikel 2.3.6 lid 1 van de wet). Het college moet daarom in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde voorziening kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen voorziening bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Dit uitgangspunt sluit aan bij jurisprudentie over de hoogte van het pgb (CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). Lid 6: deze bepaling spreekt voor zich.
HOOFDSTUK 4. BIJDRAGE IN DE KOSTEN De gemeente mag van inwoners een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk zijn de regels over deze bijdrage in de kosten opgenomen.
Artikel 14. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Lid 1: het CAK stelt de hoogte van de eigen bijdrage vast en int deze. Lid 2: de gemeente ontwikkelt een aantal algemene voorzieningen, waar de inwoner zonder onderzoek gebruik van kan maken. Het ontwikkelen van deze algemene voorzieningen hebben als doel voorzieningen laagdrempelig toegankelijk te maken en daarmee het beroep op maatwerkvoorzieningen te beperken. Dit in de verwachting dat het bijdraagt aan een toekomstbestendige Wmo. Lid 3: de gemeente kan voor het gebruik van maatwerk- en algemene voorzieningen ook bepalen dat er geen eigen bijdrage wordt gevraagd. Hierin kijkt de gemeente onder andere naar de kostprijsberekening, de uitvoeringskosten en het gebruik van de voorziening in relatie tot de eigen bijdrage. Daarnaast kan de keuze voor het niet vragen van een eigen bijdrage worden gemaakt ter stimulans van het gebruik van de algemene voorziening.
Artikel 15. Hoogte bijdrage in de kosten Lid 1: hier is geregeld voor welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen het zogenaamde abonnementstarief per maand geldt. Uit de wet volgt dat het abonnementstarief verplicht is voor algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie is er in belangrijke mate sprake van persoonlijke hulpverlening, is arbeid verreweg de grootste kostencomponent, is de continuïteit van de band tussen inwoner en hulpverlener belangrijk voor de ondersteuning van de inwoner en wordt er langdurig gebruik gemaakt van de voorziening. Voorbeelden zijn begeleiding en huishoudelijke hulp. De gemeente kan er daarnaast voor kiezen ook andere algemene voorzieningen onder het abonnementstarief te brengen. Lid 2 en 3: bij de in lid 2 genoemde algemene voorziening en de in lid 3 genoemde maatwerkvoorziening is geen sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie en heeft de gemeente ervoor gekozen een andere bijdrage te hanteren. Lid 4: vanaf 2020 hoeft er, vanwege de invoering van het abonnementstarief, niet meer voor alle voorzieningen gecontroleerd te worden of de bijdrage de kostprijs te boven gaat. In dit lid is geregeld voor welke voorzieningen deze controle nog wel geldt.
Lid 5, lid 6 en lid 7: hier is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt. De verzekerings- en onderhoudskosten voor maatwerkvoorzieningen als een scootmobiel en traplift, worden meegenomen in de kostprijsberekening. Lid 8: in dit lid wordt verwezen naar artikel 3.8 lid 2 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, waarin staat voor welke categorieën inwoners de bijdrage op nihil kan worden vastgesteld.
HOOFDSTUK 5: BESTRIJDING MISBRUIK Artikel 2.1.3 van de wet verplicht de gemeente om bij verordening regels vast te stellen in verband met de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk wordt hier uitvoering aan gegeven.
Artikel 16. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening Om niet-gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening of een pgb te voorkomen is het allereerst van belang dat de inwoner op de hoogte is van zijn rechten en plichten. Op basis van dit artikel wordt de inwoner hier op een begrijpelijke manier over geïnformeerd. Het college heeft vervolgens de mogelijkheid om periodiek te onderzoeken of er aanleiding is om de beslissing om een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te verstrekken te heroverwegen (artikel 2.3.9 van de wet). Als hier aanleiding toe is, kan het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet de beslissing vervolgens herzien of intrekken. Als het college een beslissing intrekt omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, dan kan het college overgaan tot het vorderen van geldswaarde van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening of pgb (artikel 2.4.1 lid 1 van de wet).
Artikel 17. Verrekening Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering is alleen mogelijk wanneer de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien (artikel 4:93 lid 1 Awb). Deze voorziening is getroffen in artikel 3.3 lid 3 van het uitvoeringsbesluit. Dat artikel geeft het college de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering op grond van de wet met vorderingen op grond van de Wmo (2007) of de Participatiewet. De verrekeningsbevoegdheid in het uitvoeringsbesluit beperkt zich (waarschijnlijk) tot de bijdrage in de kosten en is in het bijzonder opgenomen om de bijdrage voor opvang te kunnen verrekenen met een bijstandsuitkering. Om ook andere vorderingen op grond van de wet te kunnen verrekenen, bijvoorbeeld in het geval van een terug te vorderen pgb, is de bepaling in dit artikel opgenomen.
HOOFDSTUK 6: KWALITEIT EN VEILIGHEID De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieders. De gemeente moet in de verordening regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). Ook is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening (artikel 2.6.6 van de wet). In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven.
Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van inwoners en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In lid 1 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Op grond van lid 2 kan het college dit verder uitwerken door nadere regels te stellen. Het in lid 3 genoemde jaarlijkse clientervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet. In lid 4 staat dat de GGD Haaglanden is aangewezen als toezichthouder kwaliteit Wmo. De kwaliteit moet ook worden gecontroleerd. Om te kunnen weten of de kwaliteit voldoende is wordt gewerkt met de kwaliteitsstandaard Wmo.
Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, lid 1 van de wet). In artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. Lid 1: in dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2: bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht.
Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Lid 3: het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Lid 4: hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is hierop niet van toepassing.
HOOFSTUK 7: BLIJK VAN WAARDERING De gemeenteraad moet bij verordening bepalen op welke manier het college zorgt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven.
Artikel 20. Blijk van waardering mantelzorgers Mantelzorgers hoeven niet zelf in de gemeente te wonen. Zij moeten echter wel mantelzorg verlenen aan een inwoner van de gemeente Rijswijk. Daarnaast is het begrip ‘cliënten’ breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan namelijk ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben voor ondersteuning, maar waaraan uiteindelijk geen Wmo-voorziening is toegekend. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering vanuit de gemeente Rijswijk.
HOOFDSTUK 8. CALAMITEITEN, KLACHTEN EN MEDENZEGGENSCHAP Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid van de wet staat dat de aanbieder bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet altijd en zo snel mogelijk melding doet van iedere calamiteit en geweld die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden. In artikel 6.1 van de wet staat dat het college personen aanwijst die toezicht moeten houden op het nakomen van de wet, ook wel de toezichthoudende ambtenaar genoemd. Binnen de gemeente Rijswijk is dat geregeld via de GGD Haaglanden. In artikel 21 staat opgenomen hoe het college het melden van een calamiteit of gemeld heeft geregeld. Ook staat in dit artikel dat de toezichthoudende ambtenaar elke melding onderzoekt. De toezichthoudende ambtenaar geeft het college advies om calamiteiten en geweld in de toekomst te voorkomen.
Artikel 22. Klachtregeling Lid 1: is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Op grond van de wet (artikel 2.1.3 lid 2 onder d) is het verplicht in de verordening te bepalen voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners is vereist. Indien de inwoner niet tevreden is over een gedraging van de aanbieder, dan moet hij zich in beginsel tot die aanbieder wenden. Aanbieders zijn in dat kader verplicht om te beschikken over de regeling voor de afhandeling van klachten. Zij dienen te beschikken over een dergelijke regeling ten behoeve van alle voorzieningen. Lid 2: hier staan een aantal instrumenten die het college kan inzetten om te zorgen dat de verplichten ten aanzien van dit onderwerp door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Lid 1: in de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet). Op grond hiervan zijn de aanbieders verplicht tot het opstellen van dergelijke regeling van alle voorzieningen. Lid 2: hier staan een aantal instrumenten die het college kan inzetten om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 24. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting in artikel 2.1.3 lid 3 van de wet om in de verordening te bepalen op welke manier ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
HOOFDSTUK 9. OVERIGE BEPALINGEN Artikel 25 Tariefwijziging/indexatie Het college maakt met aanbieders afspraken over de tarieven voor de ingekochte zorg in natura. Daarbij worden ook afspraken gemaakt over indexering van deze tarieven. Deze tarieven en indexeringen vormen de basis voor het bepalen van de pgb-tarieven. Dit geldt niet voor de pgb-tarieven voor het sociaal netwerk. Deze tarieven kunnen worden bekeken op de website van het Zorgknooppunt H5 (externe link: www.zorgknooppunth5.nl/info)
Artikel 26 Evaluatie Dit artikel verplicht het college om jaarlijks te onderzoeken hoe de inwoners de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning ervaren en de uitkomsten daarvan te publiceren. Bij een cliëntervaringsonderzoek wordt onderzocht wat de ervaringen zijn van de inwoners met de geboden maatschappelijke ondersteuning en welk effect ze ervan hebben ondervonden wat betreft de verbetering van hun zelfredzaamheid of participatie en de wijze waarop zij zich kunnen handhaven in de samenleving.
Artikel 27. Onvoorziene omstandigheden Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken.
Artikel 28. Hardheidsclausule In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening (niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken inwoner. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.
HOOFDSTUK 10. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 29. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Dit artikel bepaalt wanneer de oude verordening wordt ingetrokken. Daarnaast is in dit artikel het overgangsrecht geregeld. In lid 2 is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten en plichten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Op basis van lid 3 worden aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend en waarop nog niet is beslist, beoordeelt op grond van deze verordening. Op basis van lid 4 wordt op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Wet Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2022 beslist op basis van die verordening. Op basis van lid 5 kan echter van lid 4 worden afgeweken als het voor de inwoner voordeliger is om op basis van deze verordening te beslissen.
Artikel 30. Inwerkingtreding en Citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening wordt aangehaald.