Bijlage A Erfgoedverordening Rijswijk 2024
Tekst van het document
Artikel 25 Om rechtmatig te handelen dient in de verordening tegenwoordig standaard een hardheidsclausule opgenomen te worden. “Hardheidsclausule” is een term die gebruikt wordt in de Nederlandse wet en regelgeving, waarmee wordt aangegeven dat de instantie, die belast is met de uitvoering van een wet of regel, de bevoegdheid heeft om van die wet of regel af te wijken als toepassing van die wet of regel in voor een belanghebbende onbedoeld en onvoorzien buitengewoon onbillijk uitwerkt. Deze 20
clausule wordt soms toegepast als een aanvrager door een overmacht situatie niet de aan de regels uit de verordening kan voldoen die vereist zijn om bijv. een vergunning te verkrijgen. Voorwaarde is wel dat de aanvrager al in een vroeg stadium de situatie heeft besproken met de hiertoe aangewezen ambtenaar. In de hardheidsclausule is bepaald dat het college gebonden is aan deze verordening en daarvan in principe niet kan afwijken. Enkel kan worden afgeweken indien er sprake is van: ▪ bijzondere omstandigheden; ▪ onevenredige gevolgen, en ▪ gevolgen die onevenredig zijn in relatie met de doelen, die door deze verordening worden gediend. Artikel 26 Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Alle bestemmingsplannen die na 2007 zijn geactualiseerd, moeten in principe voldoen aan deze eis. Er waren echter nog bestemmingsplannen van kracht vóór de invoering van deze eisen.
Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Valetta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht, door middel van verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Artikel 22.4 van de Omgevingswet bevat een overgangsbepaling. Artikel 27 In het door Nederland in 1992 ondertekende Europese Verdrag van Valetta zijn doelstellingen opgenomen met betrekking tot behoud van archeologische waarden en verankering van die waarden in het ruimtelijke ordeningsproces. In 1999 is Nederland begonnen met het Verdrag van Valletta in wetgeving om te zetten. De Monumentenwet, sinds 2016 overgegaan in de Erfgoedwet, en de Wet ruimtelijke ordening leggen de gemeente de verplichting op de archeologische waarden aantoonbaar in het ruimtelijk ordeningsproces te verankeren en de kwaliteit van het archeologisch onderzoek te waarborgen.
Burgemeester en wethouders dienen zelf bij ruimtelijke ontwikkelingen het behoud en de integratie van archeologische waarden aantoonbaar af te wegen tegen andere (economische, sociale, maatschappelijke, ecologische) belangen. Hiervoor zijn inzichtelijk beleid en proces- en kwaliteitsregels. In dit artikel worden de criteria aangegeven waaraan archeologisch onderzoek moet voldoen overeenkomstig de door de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) verplichte gefaseerde aanpak en de aanvullende Rijswijkse richtlijnen voor archeologisch onderzoek. Na elke fase wordt een afweging gemaakt om het archeologisch erfgoed al dan niet te behouden. De gefaseerde aanpak beoogt maatwerk. Het startpunt is de waardestelling, waarmee een inhoudelijke keuze wordt gemaakt ten aanzien van het vervolgproces. De kwaliteit van het archeologisch onderzoek wordt geborgd door het vaststellen van een programma van eisen en door toezicht op de uitvoering door burgemeester en wethouders, uitwerking en rapportage van het onderzoek. Artikel 28 In dit artikel is bekend gemaakt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om de kwalificatie van de archeologische verwachtingswaarde van een gebied, zoals aangewezen op de vigerende archeologische beleidskaart, te wijzigen. Een zodanige wijziging kan zowel betrekking hebben op de 21
ligging als op de omvang van een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Indien na beëindiging van een opgraving de vastgestelde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarde(n) daartoe aanleiding geeft (geven) kan het archeologische verwachtingsgebied of terrein zelfs van de betreffende archeologische verwachtings- en beleidskaart worden verwijderd. Artikel 29 Een toezichthouder mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is (artikel 5:13 Awb). Op basis van artikel 5:15 van de Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. Artikel 30 Nadat de raad deze verordening heeft vastgesteld wordt het ingevolge het bepaalde in artikel 6 van de Bekendmakingswet bekendgemaakt door plaatsing ervan in het Gemeenteblad. De verordening treedt in werking op de dag na publicatie daarvan. Artikel 31 Dit artikel noemt de naam van de verordening.
22