CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A deel 6 bestemmingsplan Te Werve Oost (RV 25 014)

Forum Stad 11 maart 2025, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Herstelbesluit bestemmingsplan Te Werve Oost (RV 25-014)39.510 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

De zijstraten daarvan vormen de verbindingen met de Idenburglaan, die onlangs opnieuw is ingericht met groenstroken en parkeren. De nieuwe ruimtelijke invulling biedt kansen om Te Werve aan de Sir Winston Churchilllaan een 'gezicht' naar buiten te geven. Omdat de Winston Churchillaan een stedelijke boulevard is (c.q. wordt) met een nieuwe uitstraling, zijn hoogteaccenten aan deze zijde inpasbaar. Deze nieuwe uitstraling met hoogbouw aan de Churchilllaan is ook nader beschreven in de hoogbouwvisie (zie paragraaf 3.4.5). De voorgenomen ontwikkeling behoudt verder de herkenbare bebouwings-, groen- en verkeersstructuur en daarmee ook de herkenbare hiërarchie. Het aanwezige cultuurlandschap is gelet op voorgaande als vertrekpunt genomen bij de voorgenomen ruimtelijke vernieuwing. Van een negatief effect op het cultuurlandschap is dan ook geen sprake. 4.2.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Te Werve Oost

4.3

Ecologie

4.3.1

Wettelijk kader

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Met inwerkingtreding van de Wnb is de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden in één wet geregeld. De bevoegdheden zijn daarmee van het Rijk overgedragen naar de provincie. De natuurbescherming is opgedeeld in soortenbescherming en gebiedsbescherming. Soortenbescherming Het doel van de wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De wet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. De verbodsbepalingen zijn een belangrijk onderdeel van de wet. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1 Vogelrichtlijnsoorten, 3.5 Habitatrichtlijnsoorten en 3.10 Andere soorten). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11).

Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, zoals Natura-2000 gebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) gebeurt in het ruimtelijk spoor van het Barro (Rijk) en de provinciale verordening (provincie Zuid-Holland). 4.3.2

Betekenis voor het plan

Het gebied waar voorliggend bestemmingsplan betrekking op heeft kent twee natuurbiotopen. Zoals reeds beschreven 3.4.4 Groenbeleidsplan 2010-2020 is het plangebied gelegen aan een primaire ecologische verbinding. Deze verbinding loopt door de wijk van de Landgoederenzone door Park de Driesprong, via de Karel Doormanlaan/ Sir Winston Churchilllaan via het Havenkwartier naar de Vlietzone. Het een en ander is nader weergegeven op onderstaand figuur.

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Te Werve Oost

Figuur 4.2 Uitsnede Groenbeleidsplan Hoofd natuurstructuur, plangebied bij benadering met zwarte ster weergegeven. In het westelijk deel van voorliggend plangebied is deze ecologische hoofdstructuur gewaarborgd middels de dubbelbestemming Waarde - Ecologie. Binnen de ecologische verbindingszone gelden diverse inrichtingseisen, die worden vastgelegd in een 'doelsoorten en toetsingsdocument'. De inrichtingseisen hiervoor zijn vastgelegd in het zogenoemde toetsingsdocument Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, dat als bijlage onderdeel uitmaakt van de toelichting en regels van voorliggend bestemmingsplan. Hierdoor dient bij de nadere planuitwerking voldaan te worden aan de in dit document gemaakte (beheer)afspraken. Naast de primaire ecologische verbinding behoort het plangebied tot de Stadsbiotoop. Het betreft hier de gebouwen (semi-)openbare ruimte inclusief particuliere tuinen. De doelsoorten voor de stadsbiotoop worden bepaald en vastgelegd in 'doelsoorten en toetsingsdocument'. Bij de nadere uitwerking van het plan dient rekening gehouden te worden met verwerken van de doelsoortenvoorzieningen in gebouwen, (semi-)openbare ruimte en beheerafspraken. De voorzieningen in de gebouwen moeten aansluiten op de voorziening in de openbare ruimte. Ook de soorten dienen zodanig gekozen te worden dat andere soorten hiervan meeprofiteren.

Het doelsoorten en toetsingsdocument Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost is onderdeel van onderhavig bestemmingsplan en toegevoegd als bijlage bij de regels, waardoor bij de nadere planuitwerking voldaan moet worden aan de hierin gemaakte (beheer)afspraken. Soortenbescherming Ten behoeve van het plan is door Ecoresult een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 4 opgenomen bij voorliggende toelichting. Uit de quickscan is gebleken dat de beoogde ontwikkelingen schadelijke effecten kunnen hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Er is een nader ecologisch onderzoek noodzakelijk naar de huismus, gierzwaluw en naar vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger). Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient met betrekking tot

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Te Werve Oost algemene grondgebonden zoogdieren rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. In navolging op de ecologische quickscan is een nader ecologisch onderzoek naar de huismus, gierzwaluw en vleermuis uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 bij dit bestemmingsplan. Hieronder worden de resultaten van het onderzoek beschreven. Op grond van het nader onderzoek kan geconcludeerd worden dat het plan dat middels voorliggend bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt, enkel effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen er in totaal zes zomer- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis worden weggenomen. Hiervoor is een omgevingsvergunning voor een flora- en faunactiviteit benodigd evenals het treffen van maatregelen. Binnen en grenzend aan het plangebied wordt door de gewone dwergvleermuis gefoerageerd en er vliegen dieren over het plangebied. De bomenrij gelegen aan de Karel Doormanlaan is onderdeel van het essentieel foerageergebied van gewone dwergvleermuis. De groenstructuren blijven zoveel mogelijk behouden. Ook wanneer groenstructuren rondom het plangebied blijven behouden, dienen maatregelen getroffen te worden om tijdelijke en permanente verstoring op deze structuren te voorkomen.

Maatregelen bestaan onder andere uit: 1. De groenstructuren dienen gedurende de werkzaamheden, maar ook in de gebruiksfase, in de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst, vrij te zijn van kunstlicht. 2. Het lichtplan van de nieuwe situatie dient getoetst te worden door een ecoloog. De omgevingsvergunning voor een flora- en faunactiviteit kan uitsluitend worden verleend als voldaan is aan drie cumulatieve voorwaarden: 1. Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie). 2. Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie). 3. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen. De aanvraag voor de benodigde omgevingsvergunning is ingediend (kenmerk: ODH974724, d.d 29 feburari 2024) voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet. Aangezien een omgevingsvergunning kan worden verkregen voor de aangetroffen verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de benodigde mitigerende en compenserende maatregelen worden toegepast in het planvoornemen staat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan meer in de weg.

Gebiedsbescherming Natura 2000 Door MBH Consult is beoordeeld of de voorgenomen planontwikkeling negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositieberekening is als Bijlage 6 opgenomen bij voorliggende toelichting. Het meest nabij gelegen (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied betreft het gebied 'Westduinpark & Wapendal' op een afstand van ca. 6,2 km. Dit is weergegeven op figuur 4.3.

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Te Werve Oost

Figuur 4.3 Situatie plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal. In de stikstofdepositieberekening zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Sloop van 332 portiekwoningen Nieuwbouw van maximaal 600 woningen, maximaal 30 zorgwoningen en maximaal 600 m2 aan ondersteunende voorzieningen (opgemerkt wordt dat in de stikstofberekening in totaal van 630 (zorg)woningen is uitgegaan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in maximaal 583 woningen én 30 zorgwoningen. De stikstofberekening is derhalve voor wat betreft het woningaantal uitgegaan van een worst-case situatie). Uitvoering van het plan in zes (sloop- en bouwfasen) De relevante emissies worden veroorzaakt door de inzet bouwmaterieel, alsmede vervoers-bewegingen (door licht en zwaar verkeer) van- en naar het plan. De invoergegevens zijn gebaseerd op referentieprojecten en door MBH Consult projectspecifiek gemaakt. Verbruiken zijn berekend op basis van TNO kengetallen. De referentiesituatie bestaat uit 332, gasgestookte, portiekwoningen. De bebouwing dateert van 1956 - 19571. De sloop en nieuwbouw houden direct verband met elkaar. Derhalve kan de referentiesituatie ter saldering worden ingezet. De nieuw te bouwen wooncomplexen maken gebruik van een fossielvrij energieconcept. Gebouwemissies zijn niet relevant.

De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) in de gebruiksfase vinden plaats door verkeersbewegingen van en naar het plan. Op basis van voorgaande uitgangspunten blijkt uit de stikstofdepositieberekening dat: het projecteffect in de bouwfase op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden.

44

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Te Werve Oost het projecteffect in de gebruiksfase op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Er gelden voor de planontwikkeling geen beperkingen vanuit NNN. Ecologische zone en bomen De ligging nabij de Hoofdgroenstructuur en de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige bomen is reeds beschouwd in paragraaf 3.4.4 van deze toelichting. 4.3.3

Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een beschermd natuurgebied zoals een Natura-2000 gebied of Natuurnetwerk Nederland. Directe effecten zijn dan ook uitgesloten. Om na te gaan of sprake is van indirecte negatieve effecten vanwege stikstofdepositie, is een berekening uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van depositie op nabijgelegen Natura-2000 gebieden tijdens zowel de bouwals aanlegfase. Uit de ecologische quickscan volgt dat nader ecologisch onderzoek naar beschermde soorten noodzakelijk is. Op grond van het aanvullend onderzoek kan geconcludeerd worden dat een omgevingsvergunning voor een flora- en faunactiviteit benodigd is. De omgevingsvergunningaanvraag is voor vaststelling van dit bestemmingsplan ingediend bij het bevoegd gezag.

4.4

Waterhuishouding

4.4.1

Watertoets en waterbelangen

Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Met het oog op de watertoets is een waterparagraaf opgesteld, waarin de voor dit plan relevante waterhuishoudkundige aspecten zijn beschreven. Deze waterparagraaf is hieronder opgenomen. 4.4.2

Relevant beleid

De afweging van de diverse waterbelangen is geborgd in diverse plannen, wetten en beleidsdocumenten. De belangrijkste plannen en wetten op Rijksniveau en Europees niveau zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken. Op provinciaal niveau zijn dit het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland, de Verordening Ruimte en het Actieprogramma Water. Voorts is relevant het beleid en de Keur van het hoogheemraadschap. Op gemeentelijk niveau staan relevante regels in Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 en de Wateragenda tot 2021. Beleid Hoogheemraadschap van Delfland Het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) van het Hoogheemraadschap van Delfland is op 10 maart 2022 vastgesteld en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met uitdagingen als klimaatverandering, verstedelijking, energietransitie, arbeidsmarkt en digitalisering om te gaan en zo het gebied veilig en leefbaar te houden. Deze uitdagingen zorgen ervoor dat ze flexibel moeten blijven, moeten innoveren, samenwerken en anticiperen op de veranderende omgeving. Delfland wil bijvoorbeeld wateroverlast als gevolg van extreem weer zoveel mogelijk voorkomen en de invloed van droogte op de hoeveelheid zoetwater verminderen.

In het waterbeheerprogramma staat de missie van het Hoogheemraadschap van Delfland centraal, deze is: ‘droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater’. Hierbij zijn de aspecten duurzaam circulair, waterkwaliteit, samenwerken en financiën leidend. In het waterbeheerprogramma zijn 32 thema’s opgesteld met de doelen, ambities en maatregelen. Het programma is te vinden op https://wbp6.dpipreview.nl/.

Toelichting (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Te Werve Oost

Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de handreiking weging van het waterbelang voor gemeenten. De handreiking weging van het waterbelang biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de procedure voor de weging van het waterbelang in plannen voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op beleid van Delfland en sluit aan op de provinciale en landelijke regelgeving. In de legger van het Hoogheemraadschap zijn de watergangen, waterkeringen en zoneringen aangegeven. Verder staan in de Waterschapsverordening de regels om de sloten, vaarten, plassen en dijken in het gebied van Delfland te beschermen. Met de verordening kan Delfland nagaan of voor een activiteit een vergunning nodig is. Denk bijvoorbeeld aan een steiger aanleggen, een dijk ophogen of een duiker in een sloot maken. Standstill-beginsel (thema voorkomen wateroverlast) Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijke plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt.

Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater) riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Wanneer bij sloop en nieuwbouw het verhard oppervlak afneemt, hoeft geen extra waterberging te worden gerealiseerd. Gemeentelijk beleid Het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Rijswijk hebben een gedeelde verantwoordelijkheid in het waterbeheer. Gezamenlijk hebben zij het "Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan Rijswijk 2021-2025" opgesteld. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het watersysteem en draagt zorg voor een goede waterkwaliteit en de veiligheid van dijken en kades en bergen van overtollig water. De gemeente Rijswijk is verantwoordelijk voor een goed functionerend rioolsysteem om afvalwater te kunnen inzamelen en transporteren, het goed onderhouden van constructies in- en langs het water en van de openbare ruimte en stedelijke inrichting daaromheen. 4.4.3

Betekenis voor het plan

Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur. Dat wil zeggen: er moet voldoende ruimte zijn voor waterberging, goede waterkwaliteit, waterkeringen en waterzuivering. Belangrijk uitgangspunt voor Delfland is dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen niet mag verslechteren (standstillbeginsel). Indien bij het realiseren van een ontwikkeling de waterhuishouding verslechtert, dient gezamenlijk te worden gezocht naar een oplossing. Dit kan door compensatie, bijvoorbeeld in de vorm van nieuw oppervlaktewater toevoegen in het plan, of nabij de locatie. In hoofdstuk 4 van de Handreiking Weging van het waterbelang is een overzicht opgenomen van alle wateraspecten die van belang zijn bij het opstellen van een ruimtelijk plan of besluit. De aspecten zijn binnen de programma's onderverdeeld naar de volgende thema's: Stevige dijken: veiligheid en waterkeringen; Voldoende water: voorkomen van wateroverlast, Grondwater en voorkomen van (zoet)watertekort, Onderhoud en bagger; Schoon water: watersysteemkwaliteit en ecologie; Gezuiverd afvalwater: afvalwaterketen; Klimaatadaptatie. Hieronder wordt per thema de relatie tot de ontwikkeling beschreven. Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen.

Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. Specifiek betekent dit, dat ruimtelijke plannen het in stand kunnen blijven houden van het vereiste beschermingsniveau tegen

46

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Te Werve Oost overstroming en het beheer en onderhoud van waterkeringen niet hinderen. Delfland streeft daarbij naar duurzame, robuuste waterkeringen met voldoende ruimte voor beheer en onderhoud en eventuele toekomstige verzwaringen. Voor alle waterkeringen binnen Delfland geldt 'Delflands Algemeen Waterkeringenbeleid'. Het voldoen aan de veiligheidsnorm is altijd een harde randvoorwaarde. De planlocatie ligt niet binnen een beschermingszone van een waterkering. In het zuiden/zuidoosten van het plangebied is de primaire watergang 'Noordvliet' gelegen. Binnen de beschermingszone van deze watergang staat onderhavig bestemmingsplan geen bebouwing toe. Ten aanzien van beschermde gebied zijn er geen belemmeringen. Voorkomen van wateroverlast Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe én de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Ruimtelijke plannen kunnen gevolgen hebben voor de kans op wateroverlast. Om die reden is het van belang, dat de initiatiefnemer bij ruimtelijke plannen aantoonbaar rekening houdt met de effecten van het ruimtelijk initiatief op de kans op wateroverlast en mitigerende maatregelen toepast. Kansen ter verbetering van de waterhuishouding moeten zoveel mogelijk worden benut.

Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken bij de plaats waar het valt. De gemeente draagt zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Bij een toename van het verhard oppervlak kan een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit en compenserende maatregelen aan de orde zijn. De regels hierover zijn opgenomen in de Waterschapsverordening en Algemene regels van het Hoogheemraadschap van Delfland. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De watersleutel berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Bij gebiedsontwikkelingen staat voorop dat de openbare ruimte klimaatadaptief is. Het klimaat wereldwijd en in Nederland is de afgelopen decennia al merkbaar veranderd.

Door extreme neerslag, hitte en droogte kan veel overlast en financiële schade ontstaan. Ook kan hitte leiden tot een toename van sterfte bij kwetsbare groepen zoals ouderen. Vanwege deze redenen wordt er hard gewerkt om de stad klimaatbestendiger en leefbaarder te maken. Klimaatverandering zal niet in alle gebieden van de stad dezelfde effecten hebben. Op basis van kenmerken, zoals ondergrond, nabijheid van sloten, bebouwingsdichtheid, aanwezigheid van groen en gebruikte materialen zijn er veel verschillen in de stad. Zowel het Hoogheemraadschap Delfland als de gemeente Rijswijk hebben richtlijnen voor de inrichting van klimaatadaptieve bebouwing en openbare ruimte. De gemeente Rijswijk heeft in de 'Verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022' de verplichting tot het realiseren van waterberging opgenomen. In artikel 3 van deze verordening is opgenomen dat de minimale capaciteit van de hemelwaterberging op het perceel of ander particulier terrein van een nieuw bouwwerk 50 liter per m2 bebouwd oppervlak bedraagt plus 50% van het onbebouwde oppervlak van het perceel. In Bijlage 7 is een overzicht van de verharding in de bestaande en toekomstige situatie opgenomen. Uit dit overzicht volgt de volgende verdeling van vierkante meters verhard en onverhard terrein in de bestaande en toekomstige situatie, zie hiervoor figuur 4.4.

Toelichting (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Te Werve Oost

Figuur 4.4 Overzicht verhard en onverhard terrein in bestaande en toekomstige situatie Op basis van de in figuur 4.4 genoemde vierkante meters is de watersleutel ingevuld. Op basis van de watersleutel (zie ook Bijlage 8) kan geconcludeerd worden dat: 1.109 m2 extra oppervlakte water dient te worden gerealiseerd; of 646 m3 extra waterberging dient te worden gerealiseerd; of een combinatie van bovenstaande. Het Hoogheemraadschap Delfland geeft de voorkeur aan het realiseren van open waterberging, daar waar het gaat om de waterbergingsopgave die volgt uit de Watersleutel. Vooralsnog worden de volgende bergingsmaatregelen beoogd: 1. het inrichten van het dek van de parkeergarages als retentiedak met 50% intensief groen en 50% verharding, waardoor hier vooralsnog circa 885 m3 aan waterberging kan worden gerealiseerd. 2. het inrichten van 50% van de daken van de gebouwen als polderdak, waardoor voorzien kan worden in circa 262 m3 aan waterberging. Daarnaast wordt in samenspraak met het Hoogheemraadschap Delfland onderzocht of het de huidige watergang in het plangebied kan worden verbreed. Gelet op voorgaande is voldoende aannemelijk dat in het plangebied kan worden voorzien in de bergingsopgave van 646 m3. Het realiseren van de benodigde waterberging is daarnaast opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan.

Grondwater en voorkomen (zoet)watertekort Omdat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van (half)verdiepte parkeergarages, zijn de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het grondwater onderzocht door Royal Haskoning DHV. Het volledige onderzoek van Royal Haskoning is opgenomen in Bijlage 9. De resultaten worden hieronder beschreven. In het onderzoek is in Visual Modflow met behulp van Modflow2005 een stationair grondwatermodel opgezet om de effecten van de toekomstige bebouwing met (half)verdiepte parkeergarages te bepalen. Daarbij zijn waar mogelijk worst-case uitgangspunten en lokale databronnen gebruikt. Uit het onderzoek volgt dat er geen significant risico aanwezig is op grondwateroverlast in en rondom het plangebied. De beoogde drooglegging in het plangebied is voldoende. Met drooglegging wordt bedoeld, de afstand vanaf het maaiveld tot en met de eerstgevonden grondwaterstand (freatische grondwaterstand). Een beperkte drooglegging staat gelijk aan 40 tot 60 centimeter gedurende een gemiddelde hoge grondwaterstand (GHG) tijdens de huidige situatie. Is dit het geval dan is er een significant risico op grondwateroverlast aanwezig. Uit de meest dichtbij liggende freatische peilbuis van het Hoogheemraadschap Delfland wordt een maximaal grondwaterstand gemeten van ongeveer 80 centimeter onder maaiveld (aldus drooglegging 80 centimeter).

De daadwerkelijke gemiddeld hoge grondwaterstand (GHG) op deze locatie ligt naar verwachting nog iets dieper onder maaiveld. Een grove conservatieve inschatting uit deze meetreeks is een drooglegging van 90 centimeter. Er blijft in de toekomstige situatie dus nog minimaal 85 centimeter drooglegging over ter

48

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Te Werve Oost plaatse van de huidige bebouwing (25 centimeter marge tot het criterium van 60 centimeter drooglegging). Er is dus voldoende marge aanwezig, voordat een risico op grondwateroverlast bij de huidige bebouwing optreedt. Uitgaande van de worst-case situatie zoals bovenstaand benoemd resteert nabij de toekomstige bebouwing een drooglegging van minimaal 70 centimeter. Namelijk 90 centimeter drooglegging in de huidige situatie minus de worst-case opstuwing van 20 centimeter. Dit geeft naar verwachting ook geen significant risico op grondwateroverlast. Er is namelijk nog 10 centimeter marge in de drooglegging, voordat het criterium van 60 centimeter wordt bereikt. Bij de bestaande bebouwing en toekomstige bebouwing resteert derhalve een marge op de drooglegging van respectievelijk 25 centimeter en 10 centimeter. De natuurlijke toevoer van het grondwater naar de watergangen ten zuiden van de toekomstige (half) verdiepte kelders wordt beïnvloed. Het grondwater bereikt de watergang echter nog wel (al dan niet via een “omweg”), waardoor geen significant effect op het oppervlaktewatersysteem wordt verwacht. Er wordt geconcludeerd dat er geen drainageoplossing benodigd is. Deze resultaten gelden als input voor de volgende fase van het project. Normaliter zijn deze gegevens input voor het waterhuishoudkundig plan.

Mocht in het waterhuishoudkundig plan tot aanvullende inzichten gekomen worden, bijvoorbeeld door middel van nieuwe meetgegevens en/of grondonderzoek, behoort de drainageoplossing tot een praktische uitvoerbare mitigerende maatregel om een eventuele opstuwing van de freatische grondwaterstand te beperken. Wanneer grondwater dient te worden onttrokken, zal indien nodig een vergunning worden aangevraagd. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Dit betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Zogenaamd 'buitengewoon' onderhoud, dat wil zeggen het baggeren van watergangen en het ophogen van waterkeringen om de watergangen op diepte te houden respectievelijk om de kades op hoogte te brengen, gebeurt onder verantwoordelijkheid van Delfland. Zoals eerder aangegeven is een deel van het plangebied gelegen in de beschermingszone van een primaire watergang. Er mogen zich geen obstakels in de onderhoudsstroken/beschermingszone van de watergang bevinden. Afhankelijk van de breedte van de watergangen worden deze varend of rijdend onderhouden. De breedte van de onderhoudsstroken aan weerszijde van de watergang is afhankelijk van de breedte van de watergang en het soort onderhoud.

De verplichting tot onderhoud van de beschermingszone rust op de aanliggende eigenaren. De verplichting tot het (buitengewoon) onderhoud voor het watervoerend deel rust op het Hoogheemraadschap van Delfland. Ditzelfde geldt voor het verwijderen van drijf- en kroosvuil. Waterkwaliteit en ecologie Delfland heeft de zorg voor het watersysteem in zijn beheergebied. Waterkwaliteitsbeheer is een integraal onderdeel van watersysteembeheer en één van de vier kerntaken van het Hoogheemraadschap. Dit betekent dat Delfland zijn beheer richt op een goede chemische en ecologische watersysteemkwaliteit. De planlocatie is niet gelegen in een KRW-waterlichaam, een zwemwaterlocatie, een waterparel of andere gebieden waarop hogere waterkwaliteitsdoelstellingen van toepassing zijn. Wel worden bij de totstandkoming van het project uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast op plekken waar zij in aanraking kunnen komen met schoon hemelwater. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Afvalwaterketen Afvalwater omvat vuil water, hemelwater en overtollig grondwater in de stad. Het vuile water komt van huishoudens en kan vermengd zijn met bijvoorbeeld bedrijfsafvalwater en hemelwater. De gemeente en Delfland zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van afvalwater.

De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het rioleringsstelsel op hun grondgebied. Ook dragen zij zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Delfland is verantwoordelijk voor het transport van afvalwater van eindrioolgemalen naar de zuivering, voor het zuiveren van dit afvalwater en voor de

Toelichting (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Te Werve Oost ontvangst van ingezameld hemel- en grondwater in het oppervlaktewatersysteem. Daarnaast is Delfland verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de ecologische condities daarvan. Het voorkomen van emissies, het zuiveren van afvalwater, beheer en onderhoud en de ecologische inrichting spelen daarbij een belangrijke rol. De beoogde woningen worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Conform de Verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022 wordt voor nieuwbouw een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Overig afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar de afwalwaterzuiveringsinstallatie. Conform de Verordening afvoer hemelwater 2022 moet de toename van afvalwater worden gecompenseerd door het afkoppelen van verhard oppervlak. Er is een toename van 472 inwoners, dat betekent dat er 7.033 m2 verhard oppervlak afgekoppeld moet worden. Klimaatadaptatie Extreme neerslag, droogte en zeespiegelstijging zijn gevolgen van klimaatverandering waar we mee te maken krijgen.

Langdurige hitte en droogte hebben daarnaast niet alleen effect op het watersysteem, maar ook op de (volks)gezondheid en de snelheid waarmee bodemdaling plaatsvindt. Onder het kopje 'Voorkomen van wateroverlast' in deze paragraaf is reeds ingegaan op de klimaatadaptieve maatregelen die in het plan worden getroffen. 4.4.4

Weging van het waterbelang (voorheen: watertoets)

Het Hoogheemraadschap van Delfland is het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen en oppervlaktewater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft het hoogheemraadschap een adviserende rol. In het kader van het vooroverleg artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan aan het hoogheemraadschap voorgelegd voor advies. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft op 17 november 2023 gereageerd op het ontwerpbestemmingsplan. Delfland kan met het ontwerpbestemmingsplan instemmen. De aspecten, die in de reactie van 23 augustus 2023 door Delfland zijn benoemd, zijn op een juiste wijze in de waterparagraaf verwerkt. Naast advisering in het kader van de watertoets over dit bestemmingsplan kan het zo zijn, dat een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of melding nodig is. 4.4.5

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wro van belang indien sprake is van functieverandering en/of een ander gebruik van de gronden. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden wanneer de bodem waarop de ontwikkeling zal plaatsvinden geschikt is voor het beoogde gebruik dan wel geschikt wordt gemaakt voorafgaand aan de ontwikkeling. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Daarbij is de vraag van belang of toekomstige gebruikers al dan niet in aanraking kunnen komen met eventueel verontreinigde gronden. De Wet bodembescherming geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

50

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Te Werve Oost

4.5.2

Betekenis voor het plan

Verkennend en nader bodemonderzoek De ontwikkeling omvat onder meer de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Gelet daarop is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als Bijlage 10 bij voorliggende toelichting. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de verontreinigingssituatie van de grond als volgt is: koper (sterk; omvang onbekend) zink, lood (matig; omvang onbekend) Molybdeen, kwik, cadmium, nikkel, kobalt, PAK, PCB (licht; omvang onbekend) Asbest (groter dan 0,5 keer de interventiewaarde). Het verkennend bodemonderzoek is aanleiding geweest tot het uitvoeren van een nader bodem onderzoek. Het nader onderzoek is uitgevoerd door Econsultancy en de rapportage is als Bijlage 11 opgenomen bij deze toelichting. De resultaten zijn hieronder weergegeven. Daar waar wordt verwezen naar boringen, worden de in het onderzoek opgenomen boringen (aangeduid met een nummer) bedoeld. Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn verscheidene (verontreinigings)situaties waargenomen, welke nader en/of aanvullend onderzocht dienden te worden. Deze zijn als volgt onderverdeeld: Deellocatie A (nader bodemonderzoek metalen) 1.

De bovengrond is sterk verontreinigd met koper en matig verontreinigd met zink ter plaatse van boring 51; 2. De bovengrond is matig verontreinigd met koper ter plaatse van boring 54; 3. De bovengrond is matig verontreinigd met koper en lood ter plaatse van boringen 57, 59, 60 en 61. Deellocatie B (nader bodemonderzoek PFAS) 1. Het gehalte aan PFOS in de bovengrond ter plaatse van boringen 38, 39, 47 en 54 is boven de toepassingsnorm bevonden. Deellocatie C (aanvullend onderzoek slootdempingen) 1. Er is sprake van historische slootdempingen waarvan het gebruikte dempingsmateriaal onbekend is. Deellocatie D (toekomstige parkeergarages) 1. De laagopbouw van de bodem tot 3,0 m -mv ter plaatse van toekomstige parkeergarages is onbekend. Deellocatie E (nader asbestonderzoek) 1. In de bovengrond ter plaatse van asbestgat 02 is asbest aangetoond (53,6 mg/kg d.s.). Het nader bodemonderzoek en nader asbestonderzoek heeft de volgende doelstellingen: het vaststellen van de aard en de gehalten van verontreinigende stoffen en de omvang van het geval van bodemverontreiniging (vooralsnog tot maximaal aan de perceelsgrenzen); het geven van uitsluitsel of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; een inschatting maken van de milieuhygiënische risico's.

Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NTA 5755:2010, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging". Het nader asbest in bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707+C1:2016/C2:2017 "Bodem Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond". Resultaten nader bodemonderzoek deellocatie A Uit het nader bodemonderzoek volgt dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood, koper en/of zink binnen deellocatie A. De totale omvang wordt geschat op circa 415 m3. Uitgaande van de volumina van de grondverontreiniging op de onderzoekslocatie (méér dan 25 m³ sterk verontreinigde grond en/of minder dan 100 m³ bodemvolume sterk verontreinigd grondwater) kan gesteld worden, dat de geconstateerde verontreiniging een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. Resultaten nader bodemonderzoek deellocatie B

Toelichting (vastgesteld)

51

bestemmingsplan Te Werve Oost

De separate analyse van het PFAS in de bodem blijkt dat het gehalte aan PFOS in de bovengrond ter plaatse van boringen 38, 39, 47 en 54 zich boven de toepassingsnorm bevindt. Resultaten nader bodemonderzoek deellocatie C De zintuiglijke bijmengingen ter plaatse van de gedempte sloten zijn vergelijkbaar met de bijmengingen die elders op het terrein worden aangetroffen. Bovendien zijn er geen (gehele) puinlagen aangetroffen. Resultaten nader bodemonderzoek deellocatie D De ondergrond van de toekmstige parkeergarages is hooguit licht verontreinigd en voldoet aan de indicatieve bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Resultaten nader bodemonderzoek deellocatie E Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. In de sleuven S01, S03 en S04 is wel asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Na berekening is gebleken dat de asbestgehaltes in alle sleuven zich ruim onder de helft van de interventiewaarde bevinden. Advies Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood, koper en/of zink. Deze sterke verontreinigingen zijn in horizontale richting volledig ingekaderd.

In verticale richting is de verontreiniging nog niet volledig ingekaderd, echter op basis van de resultaten van voorgaande onderzoeken en het huidige onderzoek wordt verwacht dat de gemiddelde dikte van deze sterk met lood, koper en/of zink verontreinigde bodem 1 m bedraagt. De sterke verontreinigde bodemlaag bevindt zich vanaf het maaiveld tot gemiddeld circa 1 m -mv. De aangetoonde sterke verontreinigingen kunnen relatief eenvoudig gesaneerd worden middels het aanbrengen van een isolatielaag (leeflaag of duurzame verhardingslaag) eventueel in combinatie met een open ontgraving. Gelet op de voorgenomen plannen (aanleggen (half)verdiepte parkeergarage) worden de aangetoonde verontreinigingen gesaneerd. Met betrekking tot de parameter asbest zijn er op basis van de huidige gegevens geen sanerende maatregelen noodzakelijk. Plaatselijk is er in de bodem sprake van de aanwezigheid van PFAS tot boven de toepassingsnorm. Bij hergebruik van grond, dient rekening gehouden te worden met het verschil in PFAS-gehaltes op de onderzoekslocatie. 4.5.3

Conclusie

Het aspect bodem staat niet aan vaststelling van onderhavig bestemmingsplan in de weg. De initiatiefnemer heeft in de exploitatie rekening gehouden met de kosten voor de sanering van de verontreiniging.

4.6

Mobiliteit

4.6.1

Wettelijk kader

De verkeersgeneratie van een ontwikkeling kan worden bepaald op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (2018). Voor het bepalen van de parkeerbehoefte dient in beginsel te worden getoetst aan de parkeernormen uit het geldende parkeerbeleid van gemeente Rijswijk. Onder voorwaarden is gemotiveerd afwijken van de Nota Parkeernormen mogelijk. 4.6.2

Betekenis voor het plan

Parkeren - auto Juridische borging Op 12 juni 2018 is het bestemmingsplan "Parapluherziening parkeernormering Rijswijk" vastgesteld door de gemeenteraad van Rijswijk. Deze parapluherziening is een bestemmingsplan voor een deel van het grondgebied van de gemeente Rijswijk, daar waar de paraplubeheersverordening parkeernormering Rijswijk niet geldt, voor alleen het onderwerp 'parkeren'. Via deze parapluherziening worden voor nieuwe 52

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Te Werve Oost ontwikkelingen op het gebied van bouwen en/of gebruiken de geldende parkeernormen in heel Rijswijk van toepassing verklaard. Conform de regels behorende bij de parapluherziening mag een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden of het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden, slechts worden verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen 2011', of de rechtsopvolger(s) daarvan. Afwijken van de hiervoor genoemde regel is mogelijk indien de aard en omvang van de omgevingsvergunning voor het bouwwerk en/of de uitbreiding en/of de wijziging van het gebruik van bouwwerken en/of gronden niet leidt tot extra parkeerbehoefte. Ook is de regel niet van toepassing indien op basis van het advies van een verkeerskundige blijkt dat er op andere wijze is/wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, of het voldoen aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. Verder is in de regels van de parapluherziening bepaald dat parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid, in stand dient te worden gehouden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient in beginsel te worden uitgegaan van geldende gemeentelijke parkeerbeleid.

Op dit moment zijn dat de parkeernormen die voortvloeien uit de op 8 februari 2011 door de gemeente Rijswijk vastgestelde "Nota Parkeernormen Gemeente Rijswijk". In de Nota Parkeernormen is echter opgenomen dat, indien de wens bestaat af te wijken van de parkeernormen (naar boven of beneden), of geen overeenstemming bestaat over de toe te passen parkeernormen, een voorstel voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen en een onderbouwing voor het afwijken van de parkeernormen dient te worden opgesteld. In onderhavige situatie is voorgesteld om af te wijken van de gemeentelijke parkeernormen uit de geldende Nota Parkeernormen. Conform de NvU (zie ook paragraaf 2.3.1) is het de ambitie om in het plangebied minder ruimte te geven aan de auto en het pakken van de fiets juist te stimuleren, zonder dat omliggende straten daardoor zwaarder belast worden. De wijk dient daarbij ontwikkeld te worden volgens het STOMP principe: 1) stappen, 2) trappen, 3) OV, 4) Mobility as a Service en 5) privéauto. Gelet op voorgaande is in de NvU en het daarop volgende Ontwikkelkader een specifieke gebiedsnorm opgenomen voor het plangebied. Deze specifieke gebiedsnorm is gebaseerd op waargenomen autobezit onder Rijswijkse huishoudens die wonen in vergelijkbare woningen op vergelijkbare locaties.

Uit de regels behorende bij dit bestemmingsplan (te weten het bestemmingsplan "Te Werve Oost") vloeit voort dat bij indiening van de omgevingsvergunning voor bouwen getoetst moet worden aan de specifieke gebiedsnorm voor Te Werve Oost. Dit betekent dat bij elk concreet plan dat wordt ingediend, de indiener moet aantonen dat in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Dit wordt gedaan door te toetsen aan de gebiedsnorm. Er kunnen zich situaties voordoen dat het voldoen aan de gebiedsnorm op overwegende bezwaren stuit. Derhalve is in de voorwaardelijke verplichting ook een afwijkingsmogelijkheid vastgelegd. Dat biedt de nodige flexibiliteit in het parkeerbeleid zonder dat het bestemmingsplan gewijzigd moet worden. Naast de hiervoor genoemde voorwaardelijke verplichting moet het wel mogelijk zijn om, afhankelijk van het in te dienen plan, de benodigde parkeerplaatsen te kunnen realiseren. Met andere woorden: de gekozen bestemming en bouwmogelijkheden die in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan aangegeven zijn, moet het wel mogelijk maken om de parkeerplaatsen te realiseren. In voorliggend bestemmingsplan is middels een specifieke aanduiding aangegeven waar parkeergarages gerealiseerd mogen worden. Daarnaast is het binnen de bestemming 'Verkeer' ook mogelijk om op maaiveld eventueel alsnog parkeerplaatsen mogelijk te maken voor (bezoekers)parkeren.

Zodoende zijn er voldoende mogelijkheden om parkeerplaatsen te maken en staat parkeren de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Concrete ontwikkeling Het concrete bouwplan dat nu voorligt voorziet in de realisatie van maximaal 583 woningen (waarvan 560 nieuwbouwwoningen en 23 bestaande woningen), maximaal 30 zorgwoningen (voor bewoners met een intensieve (24-uurs)zorgvraag) en 600 m2 aan maatschappelijke en dienstverlenende functies (waarvan de volledige 600 m2 mag worden ingevuld voor een buurthuis, maar slechts 300 m2 voor overige maatschappelijke en dienstverlenende functies). Door Royal Haskoning DHV is een verkeer- en parkeeronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 12. Opgemerkt wordt dat dit onderzoek nog uitging van de realisatie van maximaal 630 woningen (waarvan 30 zorgwoningen). Inmiddels is dit aantal gewijzigd naar 583

Toelichting (vastgesteld)

53

bestemmingsplan Te Werve Oost woningen (waarvan 560 nieuwbouwwoningen en 23 bestaande eengezinswoningen) én 30 zorgwoningen (voor bewoners met een intensieve (24-uurs)zorgvraag). Het onderzoek beschrijft zodoende een worst-casesituatie. Uit dit onderzoek volgt dat op basis van de normen uit het Ontwikkelkader een parkeerbehoefte van 638 parkeerplaatsen voor de woningen geldt. Voor de voorzieningen geldt een parkeerbehoefte van 18 parkeerplaatsen. Dit is weergegeven op de figuren 4.6 en 4.7. Daarnaast is sprake van dubbelgebruik van parkeerplaatsen. In een woongebied is de parkeerdruk overdag meestal 50% van wat deze in de avonduren is. Veelal zijn bewoners immers naar hun werk. Dit maakt dat er overdag een restcapaciteit is en dubbelgebruik kan worden toegepast. In het plangebied zouden dit 319 parkeerplaatsen betreffen (50% van de 638 parkeerplaatsen, o.b.v. parkeerbehoefte ontwikkelkader). De voorzieningen die in het plan voorzien zijn, trekken juist overdag hun bezoekers. Als voor deze voorzieningen de parkeerplaatsen uit de parkeerbehoefte wordt gerealiseerd, zal er overcapaciteit worden gerealiseerd. Volgens de parkeerbehoefte uit het ontwikkelkader zouden er 18 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden voor de voorzieningen. Deze parkeerbehoefte kan worden opgevangen binnen de restcapaciteit van de woningen overdag.

Daarom is het niet nodig om extra parkeerplaatsen te realiseren voor de voorzieningen. In de te realiseren parkeergarages in het plangebied is ruim voldoende capaciteit om in het benodigde aantal parkeerplaatsen te voorzien. Daarnaast geldt dat de parkeervraag gereduceerd kan worden door het toepassen en aanbieden van deelauto’s in de parkeergarages. Bijvoorbeeld: 5% van het parkeerareaal (638) worden deelauto’s, dat zijn 32 auto’s. Deze 32 deelauto’s vervangen 128 parkeerplaatsen (1 deelauto voor 4 parkeerplaatsen). Wat inhoudt dat er 96 parkeerplaatsen minder aangelegd hoeven te worden wanneer er 32 deelauto’s worden aangeboden. Dit is onderdeel van de verdere planvorming. Aangezien in de te realiseren parkeergarages in het plangebied ruim voldoende capaciteit is om in het benodigde aantal parkeerplaatsen te voorzien vormt dit in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan geen belemmering.

Figuur 4.6 Parkeerberekening woningen (bron: Royal Haskoning DHV)

Figuur 4.7 Parkeerberekening voorzieningen (bron: Royal Haskoning DHV) Gezien Te Werve-Oost ingericht wordt volgens het STOMP-principe is de verwachting dan ook dat de parkeerdruk in de omgeving niet zal toenemen. Wel verdwijnt er door de komst van de nieuwe

54

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Te Werve Oost woonkavels parkeercapaciteit op maaiveld in de bestaande woonwijk. In dat kader is op basis van de bij de gemeente beschikbare gegevens nader beoordeeld wat het autobezit was binnen het plangebied en is in combinatie met een parkeertelling beoordeeld of het onttrekken van parkeerplaatsen in het plangebied leidt tot een hogere bezettingsgraad in de directe omgeving. Deze analyse heeft uitgewezen dat het onttrekken van parkeerplaatsen in het plangebied niet leidt tot een hogere bezettingsgraad van parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied. Gebleken is namelijk dat de parkeerplaatsen in het plangebied per saldo niet worden gebruikt door bewoners uit de omgeving van het plangebied. Het compenseren van deze parkeerplaatsen is derhalve niet nodig. Parkeervoorzieningen Zoals hiervoor reeds beschreven wordt in het plangebied voorzien in de realisatie van (half)verdiepte parkeergarages. Het gebruik van deze parkeergarages is bedoeld voor de toekomstige bewoners en bezoekers van de nieuwbouwwoningen in het plangebied. Bewoners van de nieuwbouwwoningen komen derhalve niet in aanmerking voor een parkeervergunning op straat.

Daarentegen behouden bewoners hun parkeerrechten voor zover zij op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan woonachtig waren in de te handhaven grondgebonden woningen: zolang zij hier woonachtig zijn, hebben zij en hun bezoek het recht om op straat te parkeren met een gemeentelijke straatparkeervergunning. Voor bezoekers van de woningen geldt dat de parkeernorm hiervoor 0,2 parkeerplaatsen per woning bedraagt. Hiervan wordt minimaal 0,1 pp direct aangelegd en wordt maximaal 0,1 pp als reservering opgenomen. Hoewel een deel van de parkeerplaatsen voor bezoekers als reservering is opgenomen in de openbare buitenruimte, krijgt geen van de toekomstige bewoners van de nieuwbouw een mogelijkheid om hun bezoekers met een kortingsregeling te laten parkeren op straat. Voor werknemers en mindervalide bewoners in het plangebied geldt dat zij eveneens niet in aanmerking komen voor een vergunning op straat. Het invalidenparkeren vindt plaats op eigen terrein, bij voorkeur inpandig. De ontwikkelaar heeft een inspanningsverplichting ten aanzien van verzoeken tot het aanwijzen van specifieke gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken in de nabijheid van liften, voor zover de parkeergarage zodanig groot is dat de maximale loopafstand voor bewoners tussen parkeerplaats en de voordeur groter is dan 100 meter.

Bewoners worden in alle gevallen uitgesloten voor een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats op straat, langs de openbare weg. Elektrisch parkeren vindt tot slot eveneens plaats in de parkeergarages. Bij de nieuw te realiseren woongebouwen worden daarnaast specifieke parkeerplaatsen aangewezen voor voertuigen die worden ingezet voor verhuisbewegingen, pakketdiensten en de inzameling van afval, voor zover de doorstroming van het overige verkeer ernstig gehinderd worden als deze voertuigen stilstaan op de openbare weg. Daarnaast geldt dat de parkeerbehoefte niet persé binnen hetzelfde (woon)blok hoeft te worden gerealiseerd, mits de acceptabele loopafstanden in acht worden genomen. De parkeervoorzieningen zijn daarnaast vanuit de openbare ruimte voor voetgangers toegankelijk. Parkeren - fiets In het Ontwikkelkader is opgenomen dat goed toegankelijke (begane grond) gemeenschappelijke fietsvoorzieningen gerealiseerd moeten worden voor maximaal 100 wooneenheden per stalling, teneinde fietsgebruik te stimuleren. Voor wat betreft omvang en uitvoeringsvereisten wordt verwezen naar de 'concept beleidsregels bergingen bij nieuwe woongebouwen' - of recenter.

Essentie van de concept beleidsregel 'bergingen nieuwe woongebouwen Rijswijk 2020' is dat fietsparkeercapaciteit in appartementencomplexen ook gerealiseerd mag worden in een goed toegankelijke, gemeenschappelijke fietsenstalling. Aanvullend wordt op appartementsniveau 2,7 m2 extra bergruimte gerealiseerd per appartement met een oppervlak van 50 m2 gbo of groter. De fietsparkeernormen uit de concept beleidsregel 'bergingen nieuwe woongebouwen Rijswijk 2020' zijn in onderstaande tabel opgenomen. Functie

Norm

Gebruiksoppervlakte woning tot 50 m2

2 fietsparkeerplekken

Gebruiksoppervlakte woning 50 m2 tot 75 m2

2 fietsparkeerplekken

Gebruiksoppervlakte woning 75 m2 tot 100 m2

3 fietsparkeerplekken

Toelichting (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Te Werve Oost

Gebruiksoppervlakte woning 100 m2 en groter

4 fietsparkeerplekken

Vooralsnog is de definitieve uitwerking van het programma nog niet bekend. Uitgaande van het ontwerp dat nu voorligt, kan voor de woningen de volgende fietsparkeerberekening worden gemaakt aan de hand van de normen zoals opgenomen in de concept beleidsregel 'bergingen nieuwe woongebouwen Rijswijk 2020'.

Figuur 4.8 Fietsparkeerberekening wonen Op grond van bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat er voor de nieuwbouwwoningen én zorgwoningen in totaal 1.172 fietsparkeerplekken benodigd zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat in deze tabel nog wordt uitgegaan van het realiseren van 600 nieuwbouwwoningen en 30 zorgwoningen. In onderhavig bestemmingsplan is het woningaantal naar beneden bijgesteld en derhalve zal de fietsparkeerbehoefte ook lager uitvallen. In de openbare ruimte en specifiek bij maatschappelijke voorzieningen en voor bezoekers bij appartementengebouwen worden conform richtlijnen CROW openbare stallingsmogelijkheden voor fietsen geplaatst. Het aantal fietsparkeerplekken dat voor de maatschappelijke voorzieningen in het plangebied dienen te worden gerealiseerd, is berekend aan de hand van de fietsparkeernormen van de CROW (Fietsparkeerkencijfers 2019 voor voorzieningen). Net als in het eerder besproken verkeer- en parkeeronderzoek van Royal Haskoning DHV is voor de maatschappelijke voorzieningen gekozen voor de kencijfers behorende bij de functie 'bibliotheek'. Het minimum en maximum kencijfer voor deze functie bedraagt respectievelijk 2,0 en 5,0 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Dit resulteert in een minimale fietsparkeerbehoefte van 12 fietsparkeerplaatsen en een maximale fietsparkeerbehoefte van 30 fietsparkeerplaatsen.

Er is immers maximaal 600 m2 bvo aan maatschappelijke voorzieningen in het plangebied toegestaan. In het plangebied is voldoende ruimte om in de hierboven beschreven fietsparkeergelegenheid voor woningen en de voorzieningen te voorzien. In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van fietsparkeren, teneinde te borgen dat de fietsparkeergelegenheid ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Verkeersgeneratie Door Royal Haskoning DHV is een verkeer- en parkeeronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 12 van deze toelichting. In dit onderzoek is onder meer de verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling berekend. Deze berekening is uitgevoerd op basis van de kencijfers uit de CROW-publicatie 381. Het CROW maakt bij de kencijfers verkeersgeneratie onderscheid in de stedelijkheidsgraad en zone. De gemeente Rijswijk valt in de categorie zeer sterk stedelijk en het plangebied is gelegen in de zone schil centrum. In de huidige situatie zijn er 355 woningen in Te Werve – Oost aanwezig. Dit zijn kleine portiekwoningen en grondgebonden woningen welke in de categorie “huur, goedkoop” vallen.

Voor de toekomstige situatie is Royal Haskoning DHV uitgegaan van het maximale scenario (bovengrens verkeersgeneratie) waarbij 630 (zorg)woningen en 600 m2 aan maatschappelijke en dienstverlenende functies (waarvan de volledige 600 m2 mag worden ingevuld voor een buurthuis, maar slechts 300 m2 voor overige maatschappelijke en dienstverlenende functies) wordt gerealiseerd. Voor dit maximale programma wordt uitgegaan van het volledig verdwijnen van de huidige woningen. Inmiddels is dit aantal gewijzigd naar 583 woningen (waarvan 560 nieuwbouwwoningen en 23 bestaande eengezinswoningen) én 30 zorgwoningen (voor bewoners met een intensieve (24-uurs)zorgvraag). Het onderzoek beschrijft zodoende een worst-casesituatie.

56

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Te Werve Oost

Voor de beoogde woningen in het plangebied zijn de gehanteerde verkeersgeneratiekencijfers in figuur 4.9 weergegeven.

Figuur 4.9 Verkeersgeneratiekencijfers woningen (bron: Royal Haskoning DHV) Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 1.686 tot 2.190 verkeersbewegingen per etmaal (voor een weekdag).

Figuur 4.10 Verkeersgeneratieberekening woningen per weekdag (bron: Royal Haskoning DHV) De verkeersgeneratie kan worden omgerekend naar een werkdag door de kencijfers te vermenigvuldigen met 1,11. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 1.871 tot 2.430 verkeersbewegingen per werkdagetmaal.

Toelichting (vastgesteld)

57

bestemmingsplan Te Werve Oost

Figuur 4.11 Verkeersgeneratieberekening woningen per werkdag (bron: Royal Haskoning DHV) In het plan worden in het maximale scenario alle 355 woningen gesloopt. Deze zijn op basis van de CROW-richtlijnen getypeerd als “Huur, appartement, midden/goedkoop (inclusief sociale huur)” en hebben een verkeersgeneratie van minimaal 1,8 ritten tot maximaal 2,6 per woning per etmaal. Het betreffen tenminste 709 voertuigbewegingen per etmaal op een werkdag. Naast de woningen worden in het plangebied enkele voorzieningen gerealiseerd. In de CROW-publicatie zijn geen kencijfers aanwezig voor de beoogde voorzieningen. Het buurthuis zal naar verwachting veelal bezoekers uit en rondom de buurt trekken. Een aantrekkende werking van buiten de buurt wordt niet verwacht. Daarom is ervoor gekozen voor het buurthuis de functie bibliotheek aan te houden. Voor de overige maatschappelijke voorzieningen is het lastig in te schatten welke functie het best aansluitend is. Immers is deze categorie voorzieningen zeer gevarieerd. Wel is de verwachting dat de voorziening veelal bezoekers uit en rondom de buurt zal trekken. Daarom is ervoor gekozen dezelfde functie te hanteren als voor het buurthuis: de bibliotheek. Het verkeersgeneratiekencijfer voor deze functie betreft minimaal 3,4 tot maximaal 8,2 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo.

Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 20 tot 49 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De verkeersgeneratie kan worden omgerekend naar een werkdag door de kencijfers te vermenigvuldigen met 1,11. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 23 tot 55 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. Met een worst-case benadering ontstaat een toename van 1.721 extra verkeersbewegingen per etmaal (werkdag) door het intensievere terugbouwen Te Werve-Oost plus 55 extra verkeersbewegingen door de extra voorzieningen in het gebied. Dit resulteert in een worst case verkeersgeneratie van 1.776 extra verkeersbewegingen per etmaal (werkdag). Verkeersafwikkeling en ontsluiting In 2022 heeft Royal HaskoningDHV de verkeerseffecten voor de ontwikkeling Te Werve-Oost in beeld gebracht. Hierin is o.a. getoetst of de bestaande aansluitingen op het hoofdwegennet het verkeer voldoende kunnen verwerken na de ontwikkeling van Te Werve-Oost. Conclusie is dat de aanwezige aansluitingen op het omliggend wegennet voldoende restcapaciteit hebben om het extra verkeer te verwerken voor prognosejaar 2030, 2040 en met 25% extra verkeersgeneratie dan op basis van het huidige woningbouwprogramma is bepaald. De Nota van Uitgangspunten stelt dat het extra verkeer ten behoeve van het woningbouwprogramma afgevangen moet worden aan de rand van de wijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=f958b66c-6e56-483e-93c2-7c43cb8afee0