Bijlage A deel 1 bestemmingsplan Te Werve Oost (RV 25 014)
Tekst van het document
De belangrijkste kaders voor de uitwerking van een natuurinclusief Te Werve Oost zijn: •
Provinciaal beleid Zuid-Holland: 40 icoonsoorten benoemd die samen de verschillende leefgebieden in de provincie vertegenwoordigen
•
Groenbeleidsplan Rijswijk: Rijswijkse groengebieden en groenstructuren, onderverdeeld in 3 nauw met elkaar samenhangende lagen: boomstructuur, natuurstructuur en recreatiestructuur
•
Convenant klimaatadaptief bouwen: de gemeente Rijswijk heeft het convenant Klimaatadaptief bouwen ondertekend waardoor gestreefd wordt naar minder wateroverlast, hittestress, nadelige gevolgen van langdurige droogte en bodemdaling en meer biodiversiteit.
•
Ontwikkelkader Te Werve-Oost: het realiseren van een gezonde, natuurinclusieve buurt met ruimte voor bewegen en toekomstbestendig groen.
•
SO buitenruimte Te Werve, Rijswijk van Mecanoo architecten: dit schetsontwerp biedt grofweg de ruimtelijke kaders voor het natuurinclusief maken van de wijk.
Meer over de 2 natuurbiotopen verderop in dit document. Voorliggend rapport is enerzijds bedoeld ter onderbouwing van de gemaakte keuzes om de wijk natuurinclusief te maken. Anderzijds biedt het rapport een doorkijk naar de nog te nemen stappen om Te Werve Oost daadwerkelijk natuurinclusief te laten zijn en blijven.
Plangrens Te Werve Oost (Bron: Ontwikkelkader van BGSV) TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
4
Natuurinclusief bouwen Wat betekent natuurinclusief bouwen nu eigenlijk voor Rijswijk en Te Werve Oost? Primair gaat het erom dat de wijk niet alleen voor de mens wordt ingericht, maar ook voor natuur. Dit betekent dat gevels, daken, tuinen en openbare ruimte zodanig worden ingericht dat natuur zich er zelfstandig kan vestigen. Goede groen- en waterverbindingen met de omgeving zijn daarbij essentieel. Ook moet er zodanig worden beheerd dat de natuur er aanwezig blijft. De basiscondities voor soorten moeten dus op orde zijn en blijven. Iedere soort heeft echter andere eisen. Daarom is gekozen voor het gebruik van een haalbare selectie aan doelsoorten. Voor een dergelijke selectie is het immers goed te bepalen welke leefgebiedselementen nodig zijn. Per doelsoort is gekeken naar de 5 V’s: verblijfplaats, voedsel, verbinding, veiligheid en variatie. Indien deze aspecten in voldoende mate aanwezig zijn in de wijk, dan is de kans groot dat de doelsoorten de wijk in de toekomst gaan gebruiken.
Grote Kattenstaart in bloei
In de toekomst hebben (doel)soorten van zowel het stadsbiotoop als de primaire ecologische verbinding in de wijk voldoende verblijf- en schuilplaatsen, vinden er hun voedsel, maken gebruik van de verbindende elementen op maaiveld en op hoogte en krijgen voldoende variatie in leefgebiedselementen aangeboden.
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
5
Plangebied en omgeving De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een combinatie van nieuwbouwblokken en naoorlogse bebouwingstypen. Tussen deze bebouwing is relatief veel groen aanwezig. Te Werve Oost takt aan op een primaire ecologische verbindingszone (natte en droge natuurverbinding) die de ecologische kerngebieden in Rijswijk met elkaar verbindt. Ten westen van het plangebied ligt Park de Driesprong, onderdeel van diezelfde (gemeentelijke) primaire ecologische verbindingszone.
Impressie van de huidige situatie in de wijk
Het plangebied Te Werve Oost is een naoorlogse woonwijk met een opbouw van lanen, straten, bouwblokken en besloten hoven. Het groen speelt een belangrijke rol in de wijk en kent een gevarieerde en gelaagde opbouw. Er zijn veel volwassen bomen aanwezig die waarschijnlijk grotendeels gerooid moeten worden. Aan de Sir Winston Churchilllaan is een typisch stedelijke watergang aanwezig met weinig water- en oevervegetatie en steile, beschoeide oevers.
Hoofd-Natuurstructuur uit het recente Groenbeleid van Rijswijk met in rood het plangebied
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
6
Natuurbiotopen en doelsoorten In te Werve Oost zullen 2 natuurbiotopen terug te vinden zijn: primaire ecologische verbinding en stadsbiotoop. De gehele zone tussen (en inclusief) de Karel Doormanlaan en de Sir Winston Churchilllaan, inclusief tuinen, woningen, watergang en oevers, gaat tot de primaire ecologische verbinding horen. Voor deze zone zijn 4 doelsoorten geselecteerd. De rest van de wijk zal ingericht worden als stadsbiotoop. Ook voor het stadsbiotoop zijn 4 doelsoorten geselecteerd. d w erg vl e
Ge w
e id
eho m m
e
ru
i n b l a u w tj
Gl
a s s nij d er
der
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
B
ne
te rs ala m
e
wa
an
W
W
l
e r vle er mu
is
at
e u is
Stadsbiotoop
Ecologische verbindingszone
ne
rm
o
Eg el
K l ei
m H u is us
Waarom natuur(biotopen) in een woonwijk? Het is inmiddels hard nodig om woon- en werkgebieden te betrekken bij de ambitie om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen en liefst te keren. Daarom kiest Rijswijk ervoor ook in te zetten op natuur in de woonomgeving. Mede omdat Rijswijk partner is van Het Nationaal Park Hollandse Duinen in oprichting. Een Nationaal Park nieuwe stijl dat zich ook nadrukkelijk richt op het stadsbiotoop. Daar komt nog bij dat Rijswijk het haar inwoners gunt al bij de voordeur natuur tegen te komen. Daarbij hebben zij deze wens zelf ook uitgesproken.
7
Stadsbiotoop Stadsbiotoop kenmerkt zich door gebouwen met geïntegreerde verblijfplaatsen en groene gevels en daken. De (semi) openbare ruimtes en particuliere tuinen zijn met gevarieerd groen ingericht. De natuurvoorzieningen in de gebouwen sluiten aan op de voorzieningen in de openbare ruimtes en tuinen. Waar mogelijk zijn onverlichte plekken aanwezig. Doelsoorten voor dit biotoop zijn huismus (vogel), gewone dwergvleermuis (vleermuis), egel
(zoogdier) en weidehommel (insect; hommel). Deze soorten zijn geselecteerd omdat ze elkaar complementeren in biotoopeisen en reeds in de omgeving van het plangebied voorkomen. Een volledige onderbouwing bij de keuze voor deze doelsoorten is te vinden als bijlage bij dit rapport.
▪ Kruidenrijk grasland met nectarrijke kruiden en bloemen ▪ Opgaand groen, vooral op 3-8m vanaf maaiveld ▪ Inheemse boomsoorten ▪ Waterbaden en zanderige plekken ▪ Compost-, takken-, of puinhopen in dicht struikgewas en bij nectarplanten ▪ Vleermuisvriendelijke spouwmuren, inbouwkasten voor vleermuizen
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
8
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
9
Doelsoorten Stadsbiotoop Huismus is een broedvogel van dorpen en steden. Deze vogel leeft in een gevarieerde, groene, menselijke omgeving met veel struikgewas en beperkte boomkroonbedekking. Meestal broedt de soort onder dakpannen, maar steeds vaker betrekt de soort ingebouwde nestplaatsen in gevels van nieuwe gebouwen. Gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuissoort van Nederland. De soort verblijft vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, onder dakpannen of (ingebouwde) vleermuiskasten. Ze vinden hun voedsel op vele, veelal donkere plekken zoals in een groene bebouwde omgeving. Van en naar de verblijfplaatsen en jachtgebieden vliegt deze vleermuis (ter oriëntatie) vooral langs (onverlichte) boomkronen, gebouwen en watergangen.
Weidehommel komt algemeen in Nederland voor in diverse landschappen. Je kunt ze vinden in open landschappen, langs bosranden, bloemrijke graslandjes en in tuinen. In de kruidlaag of in oude vogelnesten wordt genesteld. Wilgen, bolgewassen, hondsdraf, longkruid en later in het jaar kruisbessen, braam, framboos en wilgenroosje worden gebruikt voor voedsel (nectar).
Eg e l
e
W
e id
eho m m
e l
Ge w
d w e rg vl e
uis
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
ne
rm
o
m H u is u s
Egel is een nachtactief zoogdier dat onder andere leeft in tuinen, bosranden en struweel, liefst met veel ondergroei. Egels komen in steden voor, al staat de soort daar wel erg onder druk, zolang er maar voldoende (aaneengesloten) groen en schuilplaatsen aanwezig zijn. Leefgebieden zijn groot (gemiddeld 10-40 hectare). Te Werve Oost is en blijft een (belangrijke) schakel in dit leefgebied.
10
Primaire ecologische verbinding Primaire ecologische verbinding kenmerkt zich door een gevarieerde natte en droge strook van minimaal 15 meter, liefst 20 meter, breed. De natuurlijke elementen zijn hier overwegend onverlicht. De watergang is natuurlijk geprofileerd en heeft flauwe natuurvriendelijke oevers. De gebouwen en de omgeving rond de gebouwen in deze zone tot en met de Karel Doormanlaan passen bij de kenmerken van een ecologische (verbindings)zone. Doelsoorten voor dit biotoop zijn watervleermuis (vleermuis), kleine watersalamander (amfibie), bruin blauwtje (insect; dagvlinder) en glassnijder (insect; libel). Deze soorten zijn geselecteerd omdat ze elkaar complementeren in biotoopeisen, reeds zijn aangewezen als doelsoort in het groenbeleid van Rijswijk en in de omgeving van het plangebied voorkomen. Een volledige onderbouwing bij de keuze voor deze doelsoorten is te vinden als bijlage bij dit rapport. In de primaire ecologische verbinding worden ook elementen van stadsbiotoop ingepast.
▪ Natuurvriendelijke oevers (1:5 of flauwer), bij voorkeur in ieder geval noordoever ▪ Variatie in beschut en open oppervlaktewater ▪ Bloemrijk grasland met open plekken
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
11
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
12
Doelsoorten primaire ecologische verbinding Watervleermuis is, zoals de naam al doet vermoeden, sterk gebonden aan waterrijke gebieden. Jagen doet deze soort boven allerlei typen wateren zoals grachten, vaarten en plassen. Hier vangt de watervleermuis vele vliegen en muggen. De watervleermuis is erg lichtschuw, maar komt toch voor in stedelijk gebied. Een robuuste, natuurlijke, voldoende donkere watergang die centraal staat in de ecologische verbindingszone, zal voor watervleermuis een bron van voedsel en verbinding zijn.
Meeliftende soorten Naast de doelsoorten zullen vele meeliftende soorten profiteren van de natuurinclusieve maatregelen. Dit zijn soorten die, ondanks dat het geen doelsoorten zijn, profiteren van de geschepte condities (die doelsoorten nodig hebben) in het plangebied. Ze maken gebruik van (min of meer) dezelfde habitatelementen als de doelsoorten. Een goed voorbeeld is het robuust inrichten van de ecologische verbindingszone voor het landhabitat van kleine watersalamander waarvan ook de wezel als meeliftende soort profiteert.
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
B
ne
ters ala m
ru
in b l a u w tj
Gl
a s s n ij d er
d er
Kl ei
wa
Glassnijder is een libellensoort die voorkomt bij helder, matig voedselarm tot voedselrijk water met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie. De meeste vindplaatsen hebben bos in de nabijheid van de wateren, maar ook in stedelijk gebied komt de soort voor. Een watergang met natuurvriendelijke oevers die centraal staat in de ecologische verbindingszone, zal voor glassnijder een bron van voortplanting, voedsel en schuilplekken zijn.
e
er vle er mu
an
at
is
W
Kleine watersalamander is een algemene amfibie, die zich voortplant in allerlei stilstaande tot zwak stromende wateren. Er moet enige mate van onderwatervegetatie aanwezig zijn, niet teveel schaduw en het water moet niet te groot in oppervlakte zijn. De soort brengt ook veel tijd door op het land. Daarom is het belangrijk dat er ook voldoende elementen aanwezig zijn die bescherming bieden. Struwelen, houtstapels, heggen, bloemrijk grasland en rijk begroeide tuinen en plantsoenen voldoen hier allemaal in.
Bruin blauwtje komt voor in droge, zandige, open, kruidenrijke en schrale graslanden. De soort neemt in aantal en verspreiding toe de afgelopen jaren, hoogstwaarschijnlijk door het opwarmende klimaat. Waardplanten (planten waarop de eitjes gelegd worden en waar de rupsen van eten) van het bruin blauwtje zijn reigersbek, ooievaarsbek en zonneroosje. Als voedselplanten (nectar) worden verschillende kruiden bezocht.
Op 18 april 2024 is een werksessie belegd met de volgende partijen: • Natuurlijk Delfland (KNNV) • Vogelbescherming Nederland • Platform Groen Rijswijk Deze partijen zijn actief in (de omgeving van) Rijswijk. Omdat zij goede en actuele veldkennis hebben, is bij hen input opgehaald met betrekking tot de te behouden natuurwaarden, doelsoorten en kansen, knelpunten en aandachtspunten voor een natuurinclusief ontwerp en realisatie.
13
Programma van eisen voor de doelsoorten Elke doelsoort kent haar eigen leefgebiedseisen. De ene soort, zoals huismus, heeft een uitgebreid maatregelenpakket nodig, terwijl de andere soort zoals een bruin blauwtje al kan profiteren van één inrichtingsmaatregel. In onderstaande tabellen zijn de minimale1 eisen per doelsoort voor Te Werve Oost samengevat. Het volledige programma van eisen (PvE), inclusief benodigde ruimten en randvoorwaarden, is te vinden als bijlage bij dit rapport.
Stadsbiotoop Huismus
Het PvE voor de doelsoorten is door ontwerpers getoetst op haalbaarheid en daarop aangepast. Daarmee is het PvE een realistische set aan maatregelen te noemen waarvan mag worden aangenomen dat dit gerealiseerd kan worden. Wel is het van groot belang dat beheer (zie ook verderop in dit document) nog uitvoerig wordt betrokken om de beheerbaarheid te toetsen.
Tabel A: Geschikte (groenblijvende) soorten voor schuilgelegenheid (HM2 en HM3) huismus (niet uitputtend) 1 Het programma van eisen beschrijft de minimaal te treffen maatregelen in Te Werve Oost. Indien meer gerealiseerd kan worden, heeft dat vanuit de biodiversiteit bezien de voorkeur.
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
14
Egel
Tabel B: Globaal overzicht dieet huismus voor HM4 en HM5
Gewone dwergvleermuis
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
Weidehommel
15
Primaire ecologische verbinding Watervleermuis
Bruin blauwtje
Kleine watersalamander
Glassnijder
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
16
Algemene ontwerpprincipes voor een natuurinclusief Te Werve Oost Naast het inpassen van de inrichtingsmaatregelen voor de 8 doelsoorten (zie PvE doelsoorten) in Te Werve Oost, kan tevens biodiversiteitswinst behaald worden door een aantal generieke maatregelen te treffen. Enerzijds betreft dit ook fysieke inrichtingsmaatregelen, anderzijds zijn dit procesmatige voorwaarden. Dit hoofdstuk geeft advies voor generieke inrichtings- en beheermaatregelen die in Te Werve Oost getroffen kunnen worden. Het volgende hoofdstuk behandelt de (procesmatige) aandachtspunten voor het vervolg. •
• •
•
Probeer te behouden wat er al is (o.a. bestaand groen, bodem), dergelijke elementen hebben reeds een (belangrijke) natuurwaarde en creëren sneller het gewenste natuurlijke eindbeeld Zorg ervoor dat de wijk natuurlijk en gevarieerd oogt, maar tevens verzorgd (lees: fraai vormgegeven) en dus niet rommelig is Streef naar zoveel mogelijk natuurlijke variatie in gelaagdheid (gras- en kruidlaag, struweel en bomen), (aan te planten) plantentypen en soorten, typen verblijfplaatsen, etc. Donkerte is een belangrijke kwaliteit voor natuur. Zorg voor voldoende locaties die niet of slechts beperkt onder invloed staan van kunstlicht. Dit geldt met name voor de primaire ecologische verbinding, maar ook voor het stadsbiotoop. Maak zodoende een verlichtingsplan voor de openbare ruimte, in samenhang met de bebouwing. Voor met name vleermuizen is dit van belang. Betrek hierbij een ecoloog. Natuurmuur
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
17
Algemene ontwerpprincipes voor een natuurinclusief Te Werve Oost •
•
•
•
Zorg ervoor dat zoveel mogelijk daken natuurlijk worden ingericht. Op daken zijn unieke leefomstandigheden (zoals veel zonlicht, beperkte verstoring en beperkte invloed van kunstlicht) te realiseren voor heel veel soorten. Voorwaarde hierbij is dat er geen sedumdaken worden aangelegd, maar hoogwaardige natuurdaken met een minimale substraatlaag van >20cm en een gevarieerde beplanting In het PvE zijn neststenen voor huismus en gewone dwergvleermuis in de bebouwing opgenomen. Aangezien er voldoende geveloppervlak aanwezig is, zou het voor de natuurlijke variatie goed zijn om ook neststenen in te passen voor soorten als de gierzwaluw, spreeuw, zwarte roodstaart en mezen Zorg voor een diversiteit aan waard- en voedselplanten voor insecten. Voorbeelden van waardplanten voor dagvlinders zijn sporkehout, wegedoorn, klimop, grote kattenstaart, hulst, grote brandnetel, kleine brandnetel, hop, iep, wilg, hazelaar, look-zonder-look, zandraket, zeekool, damastbloem, diverse vlinderbloemigen, vooral kleine klaver, rolklaver en hopklaver, pinksterbloem, vlinderstruik, akkerdistel, schapenzuring, veldzuring, wilde reseda. Voor een uitgebreide lijst met goede voedselplanten wordt verwezen naar de brochure Biodiversiteit in tuin en https://edepot.wur.nl/154296 plantsoen. https://edepot.wur.nl/154296 Zorg voor voldoende nestelruimte voor wilde bijen.
Zowel natuurlijke bovengrondse holtes in dood hout of stengels als ondergrondse holtes in de bodem zijn belangrijk. Het aanleggen van heuvels van leemzand, het inpassen van halfverharding en het plaatsen van insectenhotels draagt hieraan bij.
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
De tabel op de volgende pagina beschrijft (niet uitputtend), inclusief bijbehorende voorwaarden, verschillende maatregelen die eenvoudig ingepast kunnen worden in Te Werve Oost. Met deze maatregelen worden zowel doelsoorten als vele meeliftende soorten gefaciliteerd.
Insectenhotel 18
https://www.checklistgroenbouwen.nl/maatregelen/maatr-details/bruin-dak
https:/ klimaatadaptatienederland.nl/hulpmiddelen/overzicht/handreiking-natuurdaken/
https://klimaatadaptatienederland.nl/hulpmiddelen/overzicht/handreiking-natuurdaken/
https:/ www.utrechtnatu rlijk.nl/wildebij/
https://www.vlinderstichting.nl/sinusbeheer
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
19
Procesmatige aandachtspunten voor het vervolg Om ervoor te zorgen dat het in dit document beschreven PvE voor doelsoorten, en eventueel de overige algemene maatregelen ter bevordering van de biodiversiteit, een plek krijgen in het ontwerp en ook daadwerkelijk met voldoende kwaliteit gerealiseerd worden, zijn nog verschillende acties in het vervolgproces nodig. Dit hoofdstuk beschrijft de belangrijkste acties voor het natuurinclusief ontwikkelen van Te Werve Oost. Deze acties zijn tevens gevisualiseerd in een eenvoudige tijdlijn. Algemeen • Betrek een (stads)ecoloog in elke volgende fase. Ondanks dat voorliggend rapport goede inhoudelijke handvatten biedt, is iedere (natuurlijke) inrichting uiteindelijk maatwerk • Onderhoud (en nazorg) is minstens zo belangrijk als de inrichting. Neem meerjarig beheer en onderhoud al in de (voor)ontwerpfase als volwaardig mee en betrek toekomstige beheerders zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces • Optimaliseer de samenhang tussen de openbare ruimtes en de private gebouwen/terreinen, met name als er meerdere ontwerpende / uitvoerende partijen zijn • Het aanleggen van faunapassages onder wegen is geen onderdeel van de scope in Te Werve Oost. Om de functionaliteit van met name de primaire ecologische verbinding te optimaliseren is het van belang dat de gemeente Rijswijk eventuele knelpunten voor fauna in beeld brengt.
Bij toekomstige wegreconstructies kan vervolgende de passeerbaarheid door fauna integraal worden meegenomen op de knelpunt-locaties.
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
VO/DO fase • In deze fasen wordt het ontwerp in steeds meer detail uitgewerkt. Het is van groot belang dat hierbij een ecoloog meekijkt en feedback geeft • In overleg treden met beheer over de beheerbaarheid van het ontwerp. Beheer- en onderhoudsplan maken op hoofdlijnen. • Ontwerp integraal en combineer functies. Combinaties van waterinfiltratie en biodiversiteit, parkeren en biodiversiteit, spelen en biodiversiteit, PV-panelen en natuurdaken zijn goed te maken. Aanbesteding en gunning • Zorg ervoor dat natuurinclusief ontwikkelen / biodiversiteit onderdeel van de selectiecriteria is, zodat de uitvoerende partij(en) onder andere op die kwaliteit geselecteerd kan worden. Hierdoor wordt geborgd dat natuur ook bij de uitvoerende partij(en) als belangrijk thema wordt gezien. Realisatie • De ervaring leert dat er gedurende de realisatiefase veel (vaak onbedoelde) fouten worden gemaakt die ten koste gaan van de beoogde natuurwaarden. Via voldoende toezicht door ecologen en beheerders gedurende de realisatie is dit risico te beperken.
20
Na oplevering • Na oplevering van de nieuwe wijk is er de wens om de functionaliteit van de maatregelen alsmede de natuurwaarden te gaan monitoren. Het in dit rapport beschreven PvE kan worden gebruikt als basis voor een nog op te stellen monitoringsplan • Na oplevering van de nieuwe wijk zijn eigenaars en beheerders verantwoordelijk voor het duurzame (groen- en natuur)beheer.
Acties natuurinclusief ontwikkelen van Te Werve Oost
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
21
Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
TAUW | Natuurinclusief toekomstperspectief Te Werve Oost, Rijswijk
Bijlage 1
Notitie Contactpersoon
Jelmer de Jong
Kwaliteitsborging
Maikel Aragon van den Broeke
Datum
7 mei 2024
Kenmerk
N001-1295623JWJ-V02-hme-NL
Doelsoorten Te Werve Oost Rijswijk 1 Inleiding Gemeente Rijswijk is voornemens om de wijk Te Werve Oost te herontwikkelen (zie figuur 1.1 voor het plangebied). De herontwikkeling houdt in dat 304 woningen worden gesloopt en circa 550 woningen worden teruggebouwd. De wijk bevat in de huidige situatie enkele portiekflats met binnentuinen. Verspreid door het plangebied zijn rijen omvangrijke bomen aanwezig. De watergang in het zuiden van de wijk heeft relatief steile oevers en weinig oeverbegroeiing. Ten westen van de wijk bevindt zich park de Driesprong, welke onderdeel is van een (gemeentelijke) primaire ecologische verbindingszone. In het Ontwikkelkader Te Werve-Oost van BGSV (2023) is de ambitie opgenomen dat er een gezonde buurt met ruimte voor bewegen en toekomstbesteding groen gerealiseerd wordt. Voor biodiversiteit zijn 2 natuurbiotopen bepaald, te weten ‘stadsbiotoop’ en ‘primaire ecologische verbinding’. Het stadsbiotoop betreft in dit geval de woningen met de bijbehorende binnentuinen en openbare ruimte. De ecologische verbindingszone betreft hier de watergang langs de Sir Winston Churchilllaan die aansluit op Park De Driesprong. Om de biodiversiteit van deze twee biotopen hoogwaardig mee te nemen in de herontwikkeling wordt gewerkt met doelsoorten. Deze doelsoorten dienen als handvatten om natuurinclusief bouwen concreet te maken.
Voor beide biotopen worden 4 doelsoorten voorgesteld. Voorliggende notitie beschrijft de voorgestelde doelsoorten en onderbouwt de gemaakte keuzes. Hierbij wordt huidig beleid van Gemeente Rijswijk en Provincie Zuid-Holland omtrent biodiversiteit en groenbeheer meegenomen. Ook is daarbij uitgegaan van recente verspreidingsgegevens, potentieel voorkomen van soorten en de input van groene partijen uit Rijswijk en omstreken die middels een werksessie in april 2024 verkregen is.
Kenmerk
N001-1295623JWJ-V02-hme-NL
Figuur 1.1 Plangebied Te Werve Oost (BGSV, 2023)
2 Beleid Gemeente Rijswijk 2.1
Groenbeleidsplan
Ecologische verbindingszone In het groenbeleidsplan van Gemeente Rijswijk zijn doelsoorten beschreven voor de kerngebieden Landgoederenzone, welke ten noorden ligt en grenst aan de wijk Te Werve, en Zwethzone, welke ten zuiden van het plangebied ligt. Ook voor daarbij horende ecologische verbindingszones en stapstenen zijn doelsoorten beschreven (zie figuren 2.1 en 2.2). Ook in het Ontwikkelkader worden deze doelsoorten genoemd (BGSV, 2023). Het betreft daarin de volgende soort(groep)en: bruin blauwtje, libellen, marters, kleine watersalamander, gewone dwergvleermuis, bittervoorn en waterspitsmuis. Deze doelsoorten komen grotendeels overeen met het oude groenbeleidsplan 2010 - 2020 (Gemeente Rijswijk, 2010). Hierin werden de volgende soorten genoemd als doelsoorten voor verbindingszones: watervleermuis, kleine watersalamander, waterspitsmuis, eekhoorn, bunzing, bittervoorn en bruin blauwtje.
2/6
Kenmerk
N001-1295623JWJ-V02-hme-NL
Figuur 2.1 Doelsoorten voor bos- en parknatuur (droog)
Figuur 2.2 Doelsoorten voor water- en moerasnatuur (nat)
Stadsbiotoop Voor het stadsbiotoop zijn, naast verschillende begeleidende soorten, ook enkele doelsoorten aangewezen in het (nieuwste) groenbeleidsplan. Dit zijn: gierzwaluw, huismus, merel, egel en weidehommel. Deze soorten zijn tevens icoonsoort van de Provincie Zuid-Holland. In het Ontwikkelkader (BGSV, 2023) zijn geen doelsoorten beschreven voor stadsbiotoop.
3/6
Kenmerk
2.2
N001-1295623JWJ-V02-hme-NL
Havenkwartier
Voor een vergelijkbare wijkontwikkeling in Gemeente Rijswijk, het Havenkwartier, zijn ook reeds doelsoorten aangewezen. Voor deze soorten zijn vervolgens concrete maatregelen beschreven om natuurinclusief bouwen te borgen (TAUW, 2021). De doelsoorten voor Havenkwartier betreffen: huismus, merel, gewone dwergvleermuis, grote bladsnijder, meerkoet, gierzwaluw, muurvaren. Gezien het Havenkwartier op korte afstand van Te Werve Oost ligt, zijn die doelsoorten meegenomen in de afweging van de doelsoortkeuze voor Te Werve Oost zodat de ontwikkelingen wat betreft natuurinclusief bouwen op elkaar aansluiten.
2.3
Werksessie groene partijen
Op 18 april 2024 is middels een werksessie met de volgende aanwezige partijen: x Natuurlijk Delfland (KNNV) x x
Vogelbescherming Nederland Platform Groen Rijswijk
Deze partijen zijn actief in (de omgeving van) Rijswijk. Hierom is bij hen input opgehaald met betrekking tot de huidige te behouden natuurwaarden, doelsoorten en kansen, knelpunten en aandachtspunten voor een natuurinclusief ontwerp en realisatie.
3 Voorstel doelsoorten Te Werve Oost Gemeente Rijswijk heeft TAUW gevraagd om per biotoop (stadsbiotoop en ecologische verbindingszone) in Te Werve Oost 4 doelsoorten te selecteren en uit te werken. Onderstaand is het voorstel van de geselecteerde doelsoorten weergegeven en onderbouwd. Stadsbiotoop (4): x Huismus (vogel) x x x
Egel (zoogdier) Gewone dwergvleermuis (zoogdier, vleermuis) Weidehommel (insect; hommel)
Huismus, egel en gewone dwergvleermuis zijn bij uitstek geschikte doelsoorten voor wijken in stedelijk gebied. Deze soorten zijn eerder ook gebruikt voor stadswijk Merwede in Utrecht, het Noorderkwartier in Zwolle en vullen elkaar qua biotoopeisen goed aan. Weidehommel is een hommelsoort die bovengronds nestelt in de kruidlaag. Nectar wordt in het voorjaar gehaald van vroege bloeiers als krokus en wilg. Weidehommel komt voor in zeer uiteenlopende habitats en zo ook in stedelijk gebied. Deze soort is een goede aanvulling op de 2 gebouwbewonende soorten (huismus en gewone dwergvleermuis) en de egel gezien de focus meer ligt op nectarrijke bloemen, kruiden en bomen.
4/6
Kenmerk
N001-1295623JWJ-V02-hme-NL
Ecologische verbindingszone (4): x Watervleermuis (zoogdier, vleermuis) x x x
Kleine watersalamander (amfibie) Bruin blauwtje (insect; dagvlinder) Glassnijder (insect; libel)
Watervleermuis De watervleermuis is, zoals de naam al doet vermoeden, sterk gebonden aan waterrijke gebieden. Jagen doet deze soort boven allerlei typen wateren zoals grachten, vaarten en plassen. Hier vangt de watervleermuis vele vliegen en muggen. De watervleermuis is erg lichtschuw, maar komt voor in zowel dicht bosgebied als in stadscentra. Door in te richten voor deze soort zal een robuuste natuurlijke, voldoende donkere watergang centraal staan in de ecologische verbindingszone. Kleine watersalamander Kleine watersalamander komt in allerlei landschapstypen in Nederland voor. Voortplantingswater bestaat uit allerlei stilstaand tot zwak stromende wateren. Er moet enige mate van onderwatervegetatie aanwezig zijn, niet teveel schaduw en het water moet niet te groot in oppervlakte zijn. Gezien de kleine watersalamander naast voortplantingswater ook landhabitat nodig heeft dat voldoende bescherming biedt zoals struwelen, houtstapels, heggen, bloemrijk grasland en rijk begroeide tuinen en plantsoenen, is dit een goede soort om voor in te richten in stedelijk gebied. Aangezien de wens bestaat om de ecologische verbindingszone ook in te richten voor wezel wordt er voor gekozen om het landhabitat voor kleine watersalamander dusdanig robuust in te richten dat dit ook geschikt is voor wezel.
Bruin blauwtje Het bruin blauwtje komt voor in droge, zandige, open, kruidenrijke en schrale graslanden en kalkgraslanden. Dit habitat kan bestaan uit duinen, dijken, rivierduintjes, wegbermen en op ruderale terreinen. De soort neemt in aantal en verspreiding toe de afgelopen jaren, hoogstwaarschijnlijk door het opwarmende klimaat. Waardplanten van het bruin blauwtje betreffen reigersbek, ooievaarsbek en het zonneroosje. Habitat voor deze vlindersoort is in de ecologische verbindingszone goed te realiseren en zorgt in combinatie met de overige soorten voor een diverse vegetatie. Degelijk ecologisch beheer van de kruidlaag is hierbij van groot belang. Glassnijder De glassnijder is een libellensoort die vliegt bij helder, matig voedselarm tot voedselrijk water met een goed ontwikkelde oever en watervegetatie. De meeste vindplaatsen hebben bos in de nabijheid van de wateren, maar ook in stedelijk gebied komt de soort voor. Het water dient niet meer dan 10 meter breed te zijn. Gezien de eisen die glassnijder stelt aan zijn leefomgeving en het voorkomen in de nabijheid is dit een geschikte doelsoort voor de ecologische verbindingszone.
5/6
Kenmerk
N001-1295623JWJ-V02-hme-NL
Overig Door bij het programma van eisen voor Te Werve Oost ook algemene inrichtingsmaatregelen op te nemen voor wilde bijen (met name ondergronds nestelende bijen; die zo’n 70 % van alle Nederlandse bijensoorten representeren), wordt ook deze soortgroep in zijn algemeenheid meegenomen. Hierbij kan gedacht worden aan nestelruimte voor zandbijen (heuvel van leemzand inpassen, halfbestrating realiseren, et cetera).
4 Bronnenlijst BGSV, 2023. Ontwikkelkader Te Werve Oost. September 2023. TAUW, 2021. Natuurinclusief bouwen Havenkwartier Rijswijk Inspiratie- en toetsingsinstrument. Met kenmerk: R001-1284087PDK-V01-srb-NL, d.d. 22 december 2021. Gemeente Rijswijk, 2010. Groenbeleidsplan 2010-2020 Gemeente Rijswijk, d.d. februari 2010.
6/6
Bijlage 2
Notitie Auteurs
Jelmer de Jong & Maikel Aragon van den Broeke
Datum
10 juni 2024
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
Natuurinclusieve opgave Te Werve Oost, Rijswijk 1 Inleiding Voorliggend document beschrijft in tabelvorm de te nemen inrichtingsmaatregelen voor de doelsoorten van Te Werve Oost. De doelsoorten zijn aangewezen voor twee biotooptypen, stadsbiotoop en primaire ecologische verbindingszone. Voor de ecologische verbindingszone zijn de doelsoorten: watervleermuis, kleine watersalamander, bruin blauwtje en glassnijder. Voor het stadsbiotoop zijn de doelsoorten: huismus, egel, gewone dwergvleermuis en weidehommel. Voor meer informatie over de totstandkoming van de selectie aan doelsoorten, wordt verwezen naar de TAUW notitie met kenmerk N001-1295623JWJ-V02-hme-NL. Op de volgende pagina’s zijn de te nemen maatregelen per doelsoort beschreven en nader toegelicht in termen van (geschatte) benodigde ruimte, randvoorwaarden en de minimaal uit te voeren opgave binnen Te Werve Oost. Deze maatregelenlijst is besproken met en aangepast naar aanleiding van overleg met de ontwerpers van de gebouwen en openbare ruimtes.
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
2 Watervleermuis Om in voldoende verblijfplaatsen voor een populatie watervleermuizen te voorzien zijn vele volgroeide oude bomen nodig, bij voorkeur bij elkaar in bebost gebied. Daarnaast is er voor een dergelijke populatie tenminste 20 hectare foerageergebied nodig. Gezien het beperkte oppervlak, de beoogde woonfunctie van Te Werve Oost en de hoeveelheid te rooien bomen is bovenstaande niet mogelijk. Daarom is ervoor gekozen om de primaire ecologische verbindingszone als vliegroute / foerageergebied voor watervleermuis geschikt in te richten. Zodoende kan via Te Werve Oost de oost-westverbinding worden gemaakt met grotere foerageergebieden en geschikte verblijfsplekken. Hiervoor dient ten minste gerealiseerd te worden: Codering
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
Foerageergebied / vliegroute: de
De gehele watergang
Het wateroppervlak moet
De gehele watergang binnen
watergang en oevers voor
en natte oevers binnen
ononderbroken zijn
watervleermuis geschikt maken via
de primaire
beschut (via rietkragen of struiken) en
ecologische
gevarieerd oppervlaktewater
verbindingszone
maatregel WV1
de primaire ecologische verbindingszone
De oevers moeten natuurvriendelijk zijn
watervleermuisvriendelijk inrichten
Uitstraling van kunstlicht naar de watergang en oevers zoveel mogelijk minimaliseren. Eventueel kan vleermuisvriendelijke verlichting (590nm +-6nm en 3000 Kelvin) worden toegepast
2/17
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
3 Kleine watersalamander Kleine watersalamander is afhankelijk van zowel geschikt leefgebied in water als op het land. De watergang en oevers in de primaire ecologische verbindingszone dienen zodanig te worden ingericht dat deze als voortplantingswater gebruikt kan worden. Door naast het creëren van geschikte voortplantingslocaties ook voldoende landhabitat voor kleine watersalamander te maken, profiteert ook de wezel (als meeliftende soort) van deze maatregelen. Voor de kleine watersalamander dient ten minste gerealiseerd te worden: Codering
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
Voortplantingswater: amfibiepoelen,
Wanneer
Het water minimaal enkele uren per dag
Minimaal 3 geschikte
sloten, park- en tuinvijvers,
dichtbegroeide
zon, bij voorkeur onbeschaduwd
voortplantingswateren/locaties,
dichtbegroeide oeverzones
oeverzones worden
maatregel KW1
maar idealiter de gehele
ingericht als
De watergang en oevers minimaal met wat
Let op: combinatie mogelijk met
voortplantingslocatie
onderwatervegetatie, bij voorkeur sterk
voortplantingslocatie glassnijder
geldt 5m in de
begroeid met water- en oeverplanten
lengte als één geschikte
Natuurvriendelijke oever of schuine rand
voortplantingslocatie
(max 45 graden) Deels of geheel geïsoleerde wateren genieten de voorkeur Jaarrond water bevattend
3/17
watergang gunstig inrichten
Kenmerk
Codering
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
maatregel Maximaal 100m tussen 2 voortplantingsplekken KW2
Leefgebied op land: tuinen, parken,
Plekken van
Op maximaal 50m afstand van, maar liefst
Minimaal 6 plekken met
bermen, heggen en plantsoenen
minstens 25m2
direct grenzend aan, voortplantingswater
geschikt leefgebied op land
groot
KW3
Leidt ook tot leefgebied verbetering
Verblijfplaatsen / schuilplekken creëren in
voor wezel, indien de plekken
de vorm van takkenbossen, hopen blad,
aaneengesloten worden gerealiseerd
compost, stenen en dood hout
Verbindend leefgebied
-
Groene stroken ter verbinding zijn
n.v.t.
De oost-west georiënteerde primaire
minstens 5m breed (over korte afstand
ecologische zone kan in zijn geheel
<10m is een 2m brede strook ook
dienen als verbindend leefgebied
voldoende) Verbind tuinen, semi-openbare en openbare ruimtes via groenstroken Straatkolken zoveel mogelijk voorzien van uitklimvoorzieningen, vb. Kruisingen van groenstroken met grote wegen voorzien van amfibieëntunnels en/of ecoduikers (buiten scope project)
4/17
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
4 Bruin blauwtje Er is minimaal 0,5 ha (5000m2) geschikt leefgebied nodig voor een duurzame populatie bruin blauwtjes. Het advies is om 3 keer 500m 2 bloemrijk grasland (waaronder tenminste de planten als genoemd in de opgavetabel hieronder) te realiseren. Hiermee wordt niet voorzien in voldoende voedsel voor een duurzame populatie, maar kan Te Werve Oost wel onderdeel worden van het leefgebied van bruin blauwtje. De onderlinge afstand tussen elk bloemrijk grasland dient maximaal 100 meter te zijn. Voor het bruine blauwtje dient ten minste gerealiseerd te worden: Codering
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
Verblijfplaatsen en voedsel:
500m2 (bij voorkeur
Bloemrijk grasland realiseren
Minimaal 3x deze maatregel
bloemrijk grasland
aaneengesloten) op
maatregel BB1
maaiveld en op daken
toepassen (in de gehele wijk; Binnen bloemrijk grasland open plekken
dus ook in Stadsbiotoop),
aanbrengen en (via beheer) behouden
waarvan minstens 1x in de primaire ecologische
Zeer veel verschillende nectarplanten
verbindingszone
worden gebruikt als voedselbron, waaronder jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris subsp. vulgaris, synoniem: Senecio jacobaea), boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) en duizendblad (Achillea millefolium)
5/17
Kenmerk
Codering
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
maatregel Waardplanten, ooievaarsbek (Geranium molle L) en reigersbek (Erodium cicutarium), moeten aanwezig zijn tegen struweel aan Gefaseerd beheer uitvoeren (sinusbeheer). Bij elke maaibeurt 10 % tot 30 % laten staan en elke maaibeurt een ander deel laten staan (op te nemen met beheer). Maximaal 100 meter tussen bloemrijke graslandjes aanhouden
6/17
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
5 Glassnijder Glassnijder neemt de laatste jaren toe in stedelijk gebied. In geschikt leefgebied, bijvoorbeeld rond de waterplas ‘de put’ ten noorden van Te Werve Oost, wordt een dichtheid van circa 4 individuen per hectare waargenomen. Om de primaire ecologische verbindingszone goed in te richten voor glassnijder wordt daarom geadviseerd om ten minste 4 functionele voortplantingslocaties en schuilplekken in te richten. Idealiter wordt de gehele watergang geschikt gemaakt voor glassnijder. Voor glassnijder dient ten minste gerealiseerd te worden: Codering
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
Voortplantingslocatie en schuilplekken:
De gehele watergang
Waterplanten als fonteinkruid (Potamogeton) en
De gehele watergang
(of minstens één
blaasjeskruid (Utricularia) moeten aanwezig zijn
maar minimaal 4
natuurvriendelijke oevers
oeverzijde hiervan, bij
maatregel GS1
Let op: combinatie mogelijk met
Oeverplanten als egelskop (Sparganium erectum),
oeverzijde).
lisdodde (Typha latifolia), riet (Phragmites australis)
Minimaal 4 locaties
aanwezig zijn
en moerasvaren (Thelypteridaceae) moeten
voortplantingslocatie kleine watersalamander
locaties van 10m
voorkeur de zonnige
van 10m breed Natuurlijk patroon oever watergang (glooiende oever / golfbeweging met inhammen) zonder duidelijk afgebakende randen Talud van 1:5 of flauwer, bij voorkeur tenminste de zonnige (noord)oever
7/17
breed
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
6 Huismus Voor huismus is het belangrijk dat (ingebouwde) nestplaatsen (in clusters) worden gerealiseerd in combinatie met voldoende groene buitenruimte. Hiervoor is het volgende nodig: Codering
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
Nestplaats: plaatsing van
Ruimte in de gevel,
3 – 10 meter boven maaiveld (of boven groene daktuin)
4 clusters van 30
30 nestplaatsen (2 x 15
in fysieke zin circa
plaatsen
nestplaatsen = 120
groepsgewijs)
3m2 per 30 kasten
maatregel HM1
neststenen inbouwen Neststenen dienen qua type en plaatsing te voldoen aan de voorwaarden uit het kennisdocument huismus
Bij voorkeur zoveel mogelijk
(BIJ12, 2023). Ook neststenen ten behoeve van
spreiding over de wijk
gierzwaluw voldoen voor huismus indien gecombineerd
toepassen.
met specifieke neststenen voor huismus Bied verschillende oriëntatie van de neststenen aan. De voorkeur heeft oost en noord Naast het gebruik van neststenen kunnen ook dakpannen toegankelijk gemaakt worden. Hiervoor dient géén vogelschroot aangebracht te worden bij de eerste 3 rijen dakpannen
8/17
Kenmerk
Codering
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
maatregel Verbinding: clusters nestplaatsen op maximaal 100 meter afstand van elkaar plaatsen HM2
HM3
Schuilplekken bij
In geval van
Dichte groenblijvende heggen, hagen, struiken,
Minimaal 8x schuilplekken
nestplaatsen: opgaand
struiken minimaal
klimplanten toepassen die voor voorkeur 30 centimeter
HM2 realiseren
groen (lees: voldoende
50 m2, in geval van
dik/diep zijn
struiken, heggen/hagen,
heggen, hagen en
klimplanten) aanbrengen
klimplanten zorgen
Het groen moet vooral op 3-8 meter hoogte vanaf
op (maximaal) 5-10 meter
voor minimaal 100
maaiveld aanwezig zijn
van de nestplaatsen (zie
m2 verticale
tabel A)
bedekking
Schuilplekken bij
In geval van
Dichte groenblijvende heggen, hagen, struiken,
Minimaal 8x schuilplekken
voedselplekken: opgaand
struiken minimaal
klimplanten (van tabel A) toepassen
HM3 realiseren
2, in geval van
groen (lees: voldoende
50 m
struiken, heggen/hagen,
heggen, hagen en
Het groen moet tenminste 2 meter hoog zijn (vanaf
klimplanten) aanbrengen
klimplanten zorgen
maaiveld) en 30 centimeter dik/diep
op (maximaal) 5-10 meter
voor minimaal 100
van de voedselplekken en
m2 verticale
op (maximaal) 2-5 meter
bedekking
van waterbad en zandige plek HM4
Voedselplekken door
Minimaal 500 m2
75 % van de 500m2 gebruiken voor een (door
Minimaal 8x voedselplekken
kruiden, grassen en
ontwerpers te bepalen) combinatie van grassen,
HM4 realiseren
bloemen: voedselplanten
kruidige planten en bloemen uit tabel B. Dit kan ook op
aanplanten binnen 50
daken worden toegepast
9/17
Kenmerk
Codering
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
maatregel meter van de nestplaatsen
25 % van de 500m2 gebruiken voor structuurrijke
(zie tabel B)
overhoekjes met (onkruid)soorten als straatgras, varkensgras, herderstasje, weegbree, gierst, tarwe, gerst. Dit kan ook op daken worden toegepast Verbinding: voedselplekken op maximaal 25 meter afstand van elkaar realiseren
HM5
Voedselplekken door
25 m2 per boom
bomen: minimaal 10
Vooral inheemse boomsoorten toepassen
Minimaal 8x voedselplekken
Onder de bomen dekking realiseren door struiken,
solitaire bomen plaatsen
HM5 realiseren
heggen, hagen (zie tabel A)
binnen 50 meter van de nestplaatsen Let op: combinatie mogelijk met inrichting voor de doelsoort gewone dwergvleermuis HM6
Zand: droge zandige
5 m2
plek(ken) binnen 50 meter Water: waterbad(en) binnen 50 meter van de nestplaatsen
Minimaal 8x zandige plekken realiseren
Kleine steentjes en grit
van de nestplaatsen HM7
In combinatie met waterbad toepassen
5 m2
In combinatie met zandige plekken toepassen
Minimaal 8x waterbaden realiseren
Het water (of delen ervan) mag slechts enkele centimeters diep zijn. Flauwe natuurvriendelijke oevers voldoen
10/17
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
Tabel A Geschikte (groenblijvende) soorten voor schuilgelegenheid (HM2 en HM3) huismus Hagen
Struikachtigen
Klimplanten
Wilde liguster
Vuurdoorn (solitair)
Klimop
Haagbeuk
Meidoorn (solitair)
Bruidsluier
Coniferen
Conifeer (solitair)
Vuurdoorn Meidoorn Taxus Tabel B Globaal overzicht dieet huismus voor HM4 en HM5 Granen
Insecten
Onkruidzaden
Groene delen
Overig
Gierst, Rogge, Tarwe, Gerst,
Kevers, wantsen,
Varkensgras, Muur,
Knoppen van bomen en
Brood
Haver, Kippenzaad
bladvlooien, bladluizen,
Melganzenvoet, Straatgras,
struiken, bladeren van
Steentjes
schildluizen, muggen,
Akerhoornbloem, Spurrie,
Luzerne, Klaver,
Voedselresten (van mens en
vliegen, vlinders, motten
Bijvoet, Paardenbloem,
Paardenbloem
dier)
Brandnetel, Schapenzuring, Klaproos, Havikskruid, Teunisbloem, Herderstasje, Weegbree
11/17
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
7 Egel Voor egel wordt ervan uitgegaan dat het plangebied onderdeel gaat worden van het functionele leefgebied van egel. Goede groene verbindingen met de groene omgeving buiten het plangebied zijn derhalve essentieel. Door EG1 en EG2 tenminste 4 keer toe te passen wordt voldoende variatie geboden en wordt de gehele wijk onderdeel van het leefgebied van de egel. Voor maatregel EG3 gaat het er vooral om dat het totale gebied een goede groene aaneengesloten bedekking kent. 20% groenbedekking (boomkronen uitgezonderd) wordt daarvoor als minimum aangehouden. Codering
Specificatie maatregel
maatregel EG1
Benodigde
Randvoorwaarden
Minimale opgave
ruimte Verblijfplaats:
50 m2
Realiseren in struikgewas met een omvang >
Minimaal 4x dergelijke
Compost-, takken- en/of puinhopen
aaneengesloten
50 m2 waar beperkte verstoring is door de
verblijfplaatsen realiseren
(van minimaal 1 m
2) aanleggen in dicht
mens
aaneengesloten struikgewas van minimaal 50 m2 Indien natuurlijke oplossing niet mogelijk is, dan volstaan egelhuizen in dicht aaneengesloten struikgewas EG2
Voedsel: grasvelden met dicht struweel er omheen
100 m2
Tenminste aan één zijde van het grasveld
Minimaal 4 grasvelden voor
lage en dichte begroeiing toepassen
voedsel realiseren
12/17
Kenmerk
Codering
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
Specificatie maatregel
maatregel EG3
Benodigde
Randvoorwaarden
Minimale opgave
ruimte Verbindend leefgebied: variatie aan
Lees: minimaal
Een robuuste, fysiek zoveel mogelijk
Voldoende structuurrijk groen
aaneengesloten groen (grasvelden,
20 % van het
doorlopende en gevarieerde groeninrichting
op maaiveld toepassen
struiken en lage dichte begroeiing met
gebied moet
creëren.
Particuliere tuinen en semi-
ondergroei)
struiken en
openbare ruimtes toegankelijk
laagblijvende
Groenstroken zijn minimaal 2 meter breed en
Let op: combinatie mogelijk met
vegetatie
voor tenminste 20-50 % beplant met struiken
inrichting voor de doelsoorten huismus
bevatten
en heesters (dicht struikgewas) met een
en gewone dwergvleermuis
hoogte > 75 centimeter Indien afstanden van > 20 meter overbrugd moeten worden door de egel, dient gebruik gemaakt te worden van groene stapstenen met maximaal 10 meter tussen het groen. Stapstenen moeten minimaal 10 m2 groot zijn en dezelfde (dichte) beplanting hebben als de groenstroken Minimaal 50 % van het dichte struikgewas moet een natuurlijke strooisellaag (bladeren, mos, takken, et cetera) bevatten Om ook tuinen bij het leefgebied te betrekken dienen groene erfafscheidingen gebruikt te worden die passeerbaar zijn of door schuttingen van openingen te voorzien (zie punt hieronder)
13/17
maken voor egel
Kenmerk
Codering maatregel
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
Specificatie maatregel
Benodigde
Randvoorwaarden
Minimale opgave
ruimte Barrières voor egel moeten worden vermeden. Openingen van minimaal Ø 13 centimeter of (vierkant) 13 x 13 centimeter (op maaiveld) zijn voldoende om te kunnen passeren Abrupte (verticale) hoogteverschillen > 20 centimeter voorkomen of voorzien van een egeltoegankelijk talud van 1:1 of flauwer
14/17
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
8 Gewone dwergvleermuis Voor gewone dwergvleermuis is het belangrijk dat (ingebouwde) verblijfsvoorzieningen of toegankelijke spouwmuren worden gerealiseerd in combinatie met voldoende groene lijnvormige elementen en groene buitenruimte. Hiervoor is het volgende nodig: Codering
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
Verblijfplaats: verschillende
Door gehele gevels op
Zorg voor zomer-/paarverblijven,
Gehele spouwmuren
typen verblijfplaatsen
verschillende oriëntaties te
kraamverblijven én
vleermuisvriendelijk maken
inpassen. Combinatie van
voorzien van vleermuisvriendelijke
winterverblijven
en/of minimaal 80
tenminste 1 met winterfunctie,
spouwmuren (minimaal 3cm ruimte
2 met kraamfunctie en 7 met
tussen muur en isolatie en een
Plaatsing zo hoog mogelijk in de
zomer/paarfunctie (in elkaars
goede griplaag aan beide zijden)
gevel, maar op minimaal 4 meter
Bij voorkeur zoveel mogelijk
nabijheid
wordt voorzien in veel ruimte voor
hoogte vanaf maaiveld
spreiding over de wijk
maatregel GD1
inbouwkasten realiseren
vleermuizen.
toepassen. Vleermuisstenen dienen qua type
Bij gebruik van ingebouwde
en plaatsing te voldoen aan de
vleermuiskasten rekening houden
voorwaarden uit het
met ten minste 10m2 voor 5 kasten
kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017) Bied verschillende oriëntaties van de vleermuisstenen aan (alle windrichtingen)
15/17
Kenmerk
Codering
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
Vliegroutes/foerageergebied:
Minimaal 500 m2
maatregel GD2
Een (op hoogte) fysiek zoveel
Tenminste bomen- en
verbindend leefgebied creëren
mogelijk doorlopende en
struikenrijen realiseren die
door een variatie aan groene
gevarieerde groeninrichting
vanaf de verblijfplaatsen naar
lijnvormige elementen in te
creëren (bomen, struiken en
logische plekken aan de rand
passen
gevel-/dakbeplanting)
van de wijk lopen (bijvoorbeeld naar de primaire ecologische
Let op: combinatie mogelijk
Vliegroutes dienen te voldoen aan
verbinding of bestaande
met inrichting voor de
de voorwaarden uit het
bomenrijen)
doelsoorten huismus en egel
kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2024) Boomkronen en overige opgaande beplanting zoveel mogelijk onverlicht laten
16/17
Kenmerk
N002-1295623JWJ-V02-srb-NL
9 Weidehommel Een weidehommelvolk bestaat uit 50 – 120 individuen. Er wordt vanuit gegaan dat er per hectare één hommelvolk voldoende voedsel en beschutting kan vinden. Gezien Te Werve Oost circa 4 ha groot is, worden beide maatregelen voor deze hommel 4 keer aanbevolen. Codering
Specificatie maatregel
Benodigde ruimte
Randvoorwaarden
Minimale opgave
Voedsel: variatie aan
100m2
Aanplant van bolgewassen en wilg voor voedsel in het vroege
Minimaal 4x de
nectarplanten in (vooral) de
aaneengesloten op
voorjaar
maatregel
kruidlaag, maar ook in
maaiveld en op
bomen en struweel
groene daken
maatregel WH1
toepassen Zorg voor aanwezigheid van soorten als longkruid, hondsdraf, rode klaver, gewone brunel Realiseer ook in de primaire ecologische verbinding voldoende nectarplanten zoals grote kattenstaart, wilgenroosje en gewone smeerwortel
WH2
Verblijfplaats: nestelt bovengronds en soms
Minimaal 10m2
Plaats dood hout, stenen hoopjes, composthopen nabij de
Minimaal 4x de
nectarplanten in de buurt
maatregel
ondergronds
toepassen Behoud oude vogelnesten, deze kunnen dienen als verblijfplaats voor weidehommel Realiseer voor ondergronds nestelende bijen ook nestgelegenheid door toepassing van halfverharding en/of heuvels van leemzand
17/17
V2277
Ruimtelijk advies op basis van Bureauonderzoek
Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de herinrichting van de woonwijk Te Werve - Oost te Rijswijk, gemeente Rijswijk
Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de herinrichting van de woonwijk Te Werve - Oost te Rijswijk, gemeente Rijswijk Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek
Rapportnummer:
V2277
Projectnummer:
V22-5012
ISSN:
1573 - 9406
Status en versie:
Defintief, versie 2.0
In opdracht van:
Synchroon
Rapportage:
T. Beukelaar-Van Gulik, R. Schrijvers, W. A. M. Hessing
Plaats en datum:
Amersfoort, 10 mei 2023
Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook, daaronder mede begrepen gehele of gedeeltelijke bewerking van het werk, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Vestigia BV Vestigia BV Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort telefoon 033 277 92 00 info@vestigia.nl
V22-5012: Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de herinrichting van de woonwijk Te Werve - Oost te Rijswijk, gemeente Rijswijk
Documentbeheer
Versie
Status
Datum
Toelichting
Autorisatie
1.0
Concept
12 april 2022
W.A.M. Hessing
2.0
Definitief
10 mei 2023
Eerste concept ter goedkeuring opdrachtgever en bevoegd gezag Na verwerking opmerkingen bevoegd gezag
Initiatief Toponiem / locatie Plaats Gemeente Provincie Opdrachtgever
Contactpersoon Oppervlakte plangebied Oppervlakte onderzoeksgebied Diepte grondwerkzaamheden Huidig grondgebruik Zaakidentificatie (Archis3) Soort onderzoek RD-coördinaten van het plangebied Kaartblad (1:25.000) Uitvoerder Toetser rapport Projectleider Projectmedewerkers
Beheer en documentatie
Bevoegd gezag
Contactpersoon
J.M. Koot (gemeente Rijswijk)
Projectgegevens Herontwikkeling Te Werve-oost Rijswijk Rijswijk Zuid-Holland Synchroon B.V. Stadsplateau 14 3521 AZ Utrecht Dhr. D. van Duijn Ca. 4,7 ha Plangebied + buffer 500 m Ca. 1,5 m (parkeergarages, halfverdiept) Gestapelde woningbouw met halfverdiepte parkeerplaats, openbare weg met groenstrook 5215552100 Bureauonderzoek Xmin 82.359 Xmax 82.669 Ymin 451.039 Ymax 451.393 30G ‘s-Gravenhage Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie Drs. W.A.M. Hessing, Senior KNA Archeoloog / Senior KNA prospector (97049866) mr. W.J. Weerheijm MA, sr. KNA BO archeoloog/ KNA Prospector MA (38767204) T. Beukelaar – van Gulik MA, KNA archeoloog MA (76311464) R. Schrijvers, Senior KNA prospector MA/ Senior KNA Specialist Fysisch Geografie (74734349) Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie E-depot Nederlandse Archeologie (EDNA) via DANS EASY: https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Gemeente Rijswijk Postbus 5305 2280 HH Rijswijk Dhr. drs. J.M. Koot
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2277, Definitief, versie 2.0, d.d. 10 mei 2023
2
V22-5012: Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de herinrichting van de woonwijk Te Werve - Oost te Rijswijk, gemeente Rijswijk
Inhoudsopgave Samenvatting en advies ........................................................................................................................................................... 5 Onderbouwing advies .............................................................................................................................................................. 7 1 Projectomgeving .............................................................................................................................................................. 7 1.1 Afbakening plangebied en consequenties toekomstig gebruik ................................................................. 7 1.2 Onderzoeksdoel en -methode ............................................................................................................................ 8 2 Beleidskader .................................................................................................................................................................... 10 2.1 Wettelijk kader ..................................................................................................................................................... 10 2.2 Provinciaal beleid.................................................................................................................................................
10 2.3 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................................................. 11 3 Verwachtingsmodel ...................................................................................................................................................... 12 3.1 Natuurlijk landschap ........................................................................................................................................... 12 3.1 Historisch landschap ........................................................................................................................................... 14 3.2 Bouwhistorische waarden ................................................................................................................................. 18 3.3 Archeologische waarden .................................................................................................................................... 19 3.4 Tweede Wereldoorlog ........................................................................................................................................24 3.5 Gespecificeerde archeologische verwachting ..............................................................................................
25 4 Advies vervolgonderzoek ............................................................................................................................................ 27 Literatuur ................................................................................................................................................................................... 28 Digitale bronnen ......................................................................................................................................................................29 Lijst van afbeeldingen, bijlagen en kaarten .....................................................................................................................30
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2277, Definitief, versie 2.0, d.d. 10 mei 2023
3
V22-5012: Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de herinrichting van de woonwijk Te Werve - Oost te Rijswijk, gemeente Rijswijk
Afbeelding 1 Luchtfoto plangebied. Bron: PDOK.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2277, Definitief, versie 2.0, d.d. 10 mei 2023
4
V22-5012: Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de herinrichting van de woonwijk Te Werve - Oost te Rijswijk, gemeente Rijswijk
Samenvatting en advies Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft in opdracht van Synchroon. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een plangebied in de gemeente Rijswijk. Synchroon is samen met de gemeente Rijswijk en woningcorporatie Rijswijk Wonen bezig met het maken van een plan voor de herontwikkeling van de wijk Te Werve-Oost. De huidige woningvoorraad in Te Werve-Oost (tussen de Generaal Berenschotlaan, Sir Winston Churchilllaan, Van Vollenhovenlaan en Idenburglaan) van ca. 330 woningen wordt uitgebreid en herontwikkeld naar ca. 560 woningen. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 3,5 ha. Op basis van de resultaten van dit bureauonderzoek kan aan het plangebied een hoge archeologische verwachting worden toegekend, met name voor het zuidelijke deel. Deze archeologische verwachting is gebaseerd op de landschappelijke ligging. Binnen het plangebied heeft bewoning kunnen plaatvinden vanaf de vroege prehistorie. Deze resten kunnen mogelijk voorkomen op duinen welke in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Echter kan het Gantelsysteem dat actief is van ca. 500 – 200 v. Chr. deze resten verspoeld hebben. Op de oeverwallen aan dit systeem kunnen resten uit Bronstijd en IJzertijd verwacht worden. Daarnaast kan op basis van voorgaande onderzoeken gesteld worden dat binnen het plangebied resten uit de Romeinse tijd aanwezig kunnen zijn.
Het betreft resten die verband houden met het kanaal van Corbulo en de ten noorden van het kanaal gelegen weg met bermgreppel. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het voorkomen van resten van nederzettingen, verkaveling of mogelijk grafstructuren, welke langs de weg te verwachten zijn. Deze worden op de afzettingen van het Gantelsysteem verwacht. Als laatste kunnen ook resten vanaf de Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen binnen het plangebied. Ook hierbij zijn nederzettingsresten niet uit te sluiten, al zal het voornamelijk om sporen van landgebruik en kleiwinning gaan.1 Voor wat betreft de Nieuwste tijd kunnen resten van het tuindersbedrijf met opstallen verwacht worden binnen het plangebied. Dit erf heeft binnen het plangebied gelegen tussen ca. 1900 en 1957. Hierna is de huidige woonwijk binnen het gebied gebouwd. Resten van de Tweede Wereldoorlog kunnen niet uitgesloten worden binnen het plangebied. Hoewel het plangebied buiten de aanduidingen op de inventarisatiekaart ligt, hebben veel activiteiten plaatsgevonden rondom het plangebied. Hierdoor kan het voorkomen van oorlogsresten niet volledig uitgesloten worden. Voor de perioden Romeinse tijd – Nieuwe tijd geldt dat deze resten kunnen voorkomen direct onder het huidige maaiveld of een mogelijk aanwezige ophogingslaag van ca. 1.00m.
De sporen van het Neolithicum worden eerder verwacht in de zandige afzettingen onder het klei- en veenpakket dat op basis van voorgaande onderzoek waarschijnlijk in delen van het plangebied aanwezig is. Eventuele grondsporen kunnen bestaan uit greppels, waterputten, haardkuilen, paalkuilen en kuilen. Binnen het bureauonderzoek is geen indicatie aangetroffen voor het voorkomen van inhumatiegraven of crematiegraven. Echter kunnen deze naast een Romeinse weg mogelijk wel aanwezig zijn. Daarnaast kunnen eventueel muurresten, funderingsresten, vloeren, constructiehout en vlechtwerk worden aangetroffen. Eventueel vondstmateriaal kan bestaan uit aardewerk, glas, (vuur)steen, metaal, leer, artefacten van been, menselijk en/of dierlijk botmateriaal en botanische resten.
1
Mededeling J.M. Koot.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2277, Definitief, versie 2.0, d.d. 10 mei 2023
5