Bijlage A Bestemmingsplan Harbourpark
Tekst van het document
Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk. Daarom wordt de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar aangehouden. Stikstof wordt gemeten in de eenheid 'mol'. De depositie wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar. Als de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar niet wordt overschreden, betekent dat er door de ontwikkeling geen sprake is toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Onderzoek Door Rho Adviseurs is een stikstofberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase (Stikstofberekening Harbourpark, 08-12-2022). Deze berekening is toegevoegd in bijlage 14.
Met het rekenmodel Aerius (versie 2021) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij is de gebruiksfase berekend (na oplevering van de beoogde ontwikkeling). In de gebruiksfase kan stikstof worden uitgestoot door de uitstoot van gas en door de uitstoot van auto's ten gevolge van verkeersbewegingen. De beoogde ontwikkeling krijgt geen gasaansluiting hierdoor is enkel de verkeersgeneratie in de gebruiksfase meegenomen in de berekening. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling is 2.522 mvt/etmaal (weekdag gemiddelde). Uit de berekening blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000 hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Daarnaast is door Kubiek ruimtelijke plannen een stikstofberekening uitgevoerd voor de aanlegfase (Harbourpark Rijswijk Stikstofdepositieberekening, 30-11-2022). Deze berekening is toegevoegd in bijlage 13. Met het rekenmodel Aerius zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de aanlegfase voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen. In het model is het bouwverkeer en de inzet van mobiele werktuigen gedurende de
94
sloop en de bouw ingevoerd. Er wordt gebruik gemaakt van machines, maar er is ook een verkeersaantrekkende werking door bouwverkeer. De sloopperiode omvat 28 weken. Gerekend is op een bouwperiode van ongeveer 2 jaar. De gebouwen worden gebouwd middels een traditionele bouwmethode. Gezien de omvang van het initiatief, en de benodigde sloopwerkzaamheden, vinden de werkzaamheden plaats over meerdere jaren. De sloop/sanering van de bestaande bebouwing vindt plaats in 2023. De bouw van de nieuw te realiseren gebouwen vindt plaats in 2024 en 2025. Bouwverkeer Om de sloop en bouw mogelijk te maken zal er sprake zijn van bouwverkeer. Voor de sloopperiode wordt er gerekend op 675 ritten ‘zwaar vrachtverkeer’ en 550 ritten ‘licht verkeer’. Deze aantallen zijn aangeleverd door RGS Groep, tevens de uitvoerende partij van de sloop. De genoemde aantallen zijn verdubbeld ingevoerd (verkeer gaat heen én weer). Voor de bouwperiode in zowel 2024 als 2025 wordt er gerekend op 2.000 vrachten ‘zwaar vrachtverkeer’ per jaar om materiaal naar de bouw te vervoeren. Daarnaast zal bouwend personeel zorgen voor 5.000 ritten met ‘licht verkeer’ per jaar. De aantallen zijn ruim ingeschat en verdubbeld ingevoerd (verkeer gaat heen én weer). De bronlijn zal via de Handelskade in zuidelijke richting aansluiten op de Burgemeester Elsenlaan.
Deze weg wordt in zuidwestelijke richting vervolgd, waar het overgaat in de Veraartlaan. Bij de kruising met de Diepenhorstlaan zal het verkeer de Diepenhorstlaan in zuidoostelijke richting volgen tot aan de op- en afritten van de A4. Hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Inzet mobiele werktuigen Om de sloop en bouw mogelijk te maken, zal gebruik gemaakt worden van mobiele werktuigen. Er is gerekend op de inzet van werktuigen zoals is opgenomen in de bijlagen 4, 5 en 6 van de stikstofberekening in bijlage 13. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de inzet per fase (sloop & bouw), en per bouwjaar. Naast de inzet zoals is opgenomen in de bijlagen wordt er gebruik gemaakt van elektrisch materieel. Bij de uitvoering zal onder andere de inzet van hijskranen volledig elektrisch zijn. Hierbij vindt er geen stikstofemissie plaats, waardoor dit materieel niet is ingevoerd. Uit de berekening blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000 hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De beoogde herontwikkeling is daarmee uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Op het moment van schrijven was de Aerius software versie 2022 nog niet beschikbaar.
Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan worden de berekeningen geactualiseerd, maar gelet op de huidige resultaten zal de conclusie niet wijzigen.
95
4.11
Archeologie
Toetsingskader De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1992) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren (zgn. behoud in situ) en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, sporen en structuren, waaronder nederzettingsterreinen en landschappelijke- en infrastructurele elementen, die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, houdt de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Indien behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven, om de archeologische informatie zodoende (ex situ) te behouden voor wetenschappelijk onderzoek. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden.
Op 17 december 2013 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Nota Cultureel Erfgoed' en bijbehorende archeologische waardenkaarten vastgesteld. In de nota wordt ingegaan op de vraag hoe resten uit het verleden kunnen worden behouden, zonder moderne ontwikkelingen buiten te sluiten.
Figuur 4.18: Uitsnede archeologische waardenkaart met in rood het plangebied weergegeven
96
Onderzoek In het kader van de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Havenkwartier is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Het Havengebied van Rijswijk (Z-H) een archeologisch bureauonderzoek, gemeente Rijswijk, J.M. Koot, juli 2019). In dit onderzoek wordt niet specifiek ingegaan op het plangebied Harbourpark. Het geeft een algemene beschrijving van het Havenkwartier. Het Havengebied ligt in een zone waar archeologische resten zijn te verwachten. Deze resten dateren van de Romeinse Tijd (eerste - derde eeuw na Chr.) en de Late Middeleeuwen en jonger. Deze bevinden zich in de top van het Laagpakket van Walcheren. Dit niveau bevindt zich direct onder de bouwvoor en ophogingslagen. Op een dieper niveau, in het Laagpakket van Wormer, kunnen prehistorische duinen met bewoningssporen aanwezig zijn. Een eerder booronderzoek in het westelijk deel van de Landtong leverde aanwijzingen op voor zo'n duin. Dergelijke sporen zijn te verwachten beneden een diepte van 2,8 m - NAP. Voor het dieper in de ondergrond gelegen Niveau A (Prehistorie) met resten uit de Prehistorie is het opsporen van duinen door een booronderzoek de 'next-best' oplossing. Indien een duin wordt aangetroffen, is nader onderzoek nodig om vast te stellen of bewoningsporen aanwezig zijn.
Op enkele locaties binnen het Havengebied heeft dit onderzoek weinig zin meer, namelijk waar in het verleden eerder graafwerk tot onder dit niveau is gedaan: bijvoorbeeld parkeergarages en de havenbekkens. Archeologie is altijd maatwerk. Per deellocatie zal moeten worden nagegaan of archeologisch onderzoek nodig is en zo ja, in wat voor vorm. Het bureauonderzoek vormt een eerste indicatie met betrekking tot de verwachte aan- of afwezigheid van archeologische waarden. Om vast te kunnen stellen of en in welke mate de bodem nog intact is en dus of archeologische niveaus in potentie nog aanwezig zijn, is verkennend archeologisch booronderzoek de meest geëigende methode. Voor het opsporen van archeologische vindplaatsen in het direct onder de bouw voor en ophogingslagen gelegen Niveau B (Romeinse Tijd en jonger) is een proefsleuvenonderzoek (onderdeel van Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek) de beste methode; deze fase van het Inventariserend Veldonderzoek volgt in de regel op het verkennend booronderzoek, indien dit uitwijst dat potentiële archeologische niveaus nog geheel of gedeeltelijk intact aanwezig zijn. Een archeologisch Inventariserend Veldonderzoek is nodig om meer inzicht te krijgen in de werkelijke archeologische waarden van het plangebied. Om deze eventueel aanwezige waarden te beschermen is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' opgenomen.
Conclusie Het aspect archeologie vormt naar verwachting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, mits de archeologische monumentenzorg deel uitmaakt van het ontwikkelingsproces en benodigde onderzoeksfasen worden uitgevoerd.
4.12
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de Erfgoedwet zijn de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. In de gemeentelijke nota 'Tussen oud en nieuw: Actualisering nota cultureel erfgoed' zijn ook cultuurhistorische waardenkaarten opgenomen. In deze nota zijn diverse gebieden/structureren beschreven die vanuit het oogpunt van cultuurhistorie waardevol zijn. Figuur 4.19 geeft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weer.
97
Figuur 4.19: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart met het plangebied Onderzoek Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Rijswijk blijken er in het plangebied geen beschermde cultuurhistorische waarden aanwezig te zijn. Door middel van het behoud van een deel van de Indolafabriek wordt wel gerefereerd aan de industriële historie van het gebied. Indolafabriek In 1953 werd door het bedrijf Indola bij de haven van Rijswijk, aan de Handelskade een moderne fabriek gebouwd. Er werden elektrische kappersbenodigdheden en haarproducten vervaardigd. Na het vertrek van dit bedrijf is het gebouw dienst gaan doen als een bedrijfsverzamelgebouw, onder de naam Indola Fabriek. Het gebouw is aan de buitenzijde diverse keren verbouwd, waarbij karakteristieke gevels zijn verwijderd. Aan de binnenzijde van het te transformeren deel is de robuuste betonnen draagstructuur wel intact gebleven. De draagstructuur bestaat uit betonnen spanten met karakteristieke momentvaste verbindingen tussen de kolommen en balken. Deze ter plaatse gestorte spanten hebben in de binnenhoek een schuine overgang tussen de balk en de kolom, om daarmee de krachten vloeiend over te laten gaan. Deze constructie is goed zichtbaar in het gebouw dat direct op de kop van de haven staat. Dit langwerpige gebouw in twee lagen heeft betonnen spanten die over dwars de ruimte van 15m breedte overspannen.
Het gebouw heeft een markante positie in het havengebied en verteld een stuk geschiedenis van de fabrieksgebouwen. Bij de gebiedsontwikkeling is er voor gekozen om dit karakteristieke pand te behouden en op te nemen in het nieuwe bouwblok. Hiermee blijft de historie ook in de toekomst zichtbaar. Onderstaande foto geeft weer hoe de betonconstructie in het gebouw zichtbaar kan worden gemaakt.
98
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Een deel van de voormalige Indola-fabriek wordt gehandhaafd in het plan. Daarmee wordt een cultuurhistorisch element behouden en krijgt een nieuwe functie.
4.13
Water
Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Delfland. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Hoogheemraadschapsbeleid Het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) van het Hoogheemraadschap van Delfland is op 10 maart 2022 vastgesteld en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met