CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Flora en Fauna onderzoek - Rijswijk Laan van Hoornwijck 29.pdf

Raadsvergadering 12 oktober 2021, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpverklaring van geen bedenkingen uitbreiding restaurant, hotel en Spa Savarin (21 062)4.822 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

FLORA- EN FAUNAONDERZOEK RIJSWIJK – LAAN VAN HOORNWIJCK 29

Opdrachtgever

:

P&P Beheer BV Dhr. P. van Zuiden Laan van Hoornwijck 29 2289 DG Rijswijk

Vestiging

:

ABO-Milieuconsult B.V. Amundsenweg 29 4462 GP Goes tel. +31 (0)113 362280

Projectnummer Periode onderzoek Datum rapportage

: : :

ANL19-4755.V2 Januari 2020 6 oktober 2020

Veldmedewerkers:

De heer R.F.M. Sluijs (Ecoloog)

Projectadviseur:

De heer D.D.C.A. Bijl

Handtekening:

Dhr. R.J. van der Helm Team Manager Zonder toestemming van de opdrachtgever of ABO-Milieuconsult B.V. mag deze uitgave niet anders dan in zijn geheel worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook. Alle opdrachten worden uitgevoerd volgens onze Algemene Voorwaarden, zoals gedeponeerd bij de KvK ZuidwestNederland te Middelburg onder nr. 22065838. Op verzoek kunnen de Algemene Voorwaarden naar u worden toegestuurd.

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE ............................................................................................................................. 2 1. INLEIDING ...................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ................................................................................................................................. 3 1.2 Doel van het onderzoek ............................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................. 3 2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK ......................................................................... 4 2.1 Bureaustudie ............................................................................................................................. 4 2.2 Veldonderzoek .......................................................................................................................... 4 2.3 Effectenbeoordeling ................................................................................................................... 4 3.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ....................................................................................... 5 3.1 Ligging plangebied .................................................................................................................... 5 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied ................................................................................ 7 4. WETTELIJK KADER........................................................................................................................ 8 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten ............................................................................... 9 4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland .................................................. 10 5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING ............................................................................ 11 5.1 Vleermuizen ............................................................................................................................ 11 5.2 Grondgebonden zoogdieren .................................................................................................... 13 5.3 Vaatplanten .............................................................................................................................

13 5.4 Vogels ..................................................................................................................................... 14 5.5 Amfibieën en reptielen ............................................................................................................. 15 5.6 Overige beschermde soorten ................................................................................................... 16 5.7 Houtopstanden / Kapvergunning .............................................................................................. 16 6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL ............................................................ 17 7. AANBEVELINGEN ........................................................................................................................ 19 LITERATUUR EN BRONVERMELDING ............................................................................................ 22

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

2/21

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In opdracht van P&P Beheer BV is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd op de locatie Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk. Aanleiding voor het uitvoeren van dit flora- en faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen tot verwijdering van enkele bomen aan de rand van het plangebied en de realisering van nieuwbouw binnen het plangebied. 1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving, de Wet natuurbescherming, zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Indien overtreding niet kan worden vermeden, is in het onderhavige rapport aangegeven voor welke soorten en met welke onderbouwing ontheffing dient te worden aangevraagd. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, kan op basis van de quickscan een gedegen planning daarvan worden gemaakt. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven.

In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. Tot slot worden in hoofdstuk 7 aanbevelingen en in de bijlage een overzicht van de geraadpleegde literatuur gepresenteerd.

Gedeeltelijk aanzicht plangebied.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

3/21

2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 23 januari 2020 in de middag bij bewolkt weer en circa 7 graden Celsius. 2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2 Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied.

De bevindingen van het bronnenen literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet Natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.

Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet Natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

4/21

3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 3.1 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Laan van Hoornwijck 29 op de grens van Rijswijk en Den Haag. Het ligt op circa 500 meter van de rijksweg A4. Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 7 kilometer liggen geen Natura 2000-gebieden. Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: Solleveld & Kapittelduinen op 7,5 kilometer, Westduinpark & Wapendal 7,5 kilometer en Berkheide&Meijendel op 7,5 kilometer.

Ligging plangebied (rode cirkel midden) in een straal van circa 5km ten opzichte van omgeving. Bron: Provincie Zuid Holland.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

5/21

Het plangebied maakt deel uit van de tuin en het parkeerterrein van restaurant, hotel en spa Savarin.

Close-up en afkadering plangebied.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

6/21

3.2 Algemene beschrijving van het plangebied In het plangebied staat een open schuur voor opstal van tuin- en onderhoudsmateriaal. Andere opstallen zijn niet aanwezig. Het plangebied bestaat verder uit een parkachtige omgeving, met daarin meerdere gekandelaberde bomen, watergangen en parkeerterreinen. De oudere bomen in het plangebied zijn over het algemeen in slechte staat. Het plangebied ligt omsloten door een parkeergarage, drukke wegen en hoge kantoorpanden.

Foto-impressie plangebied

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

7/21

De voorgenomen plannen beslaan het rooien van bomen aan de randen van het terrein. Op die plaatsen wordt nieuwbouw gerealiseerd. Hiervoor zal water worden vergraven. Eveneens worden de parkeerplaatsen op het terrein heringedeeld. Een werkschuur op het terrein zal worden gesloopt.

Impressie nieuwe situatie plangebied.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

8/21

4. WETTELIJK KADER 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.

Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

9/21

4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: -a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; -(b,c,d niet van toepassing, zie wettekst). 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander , Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

10/21

5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING 5.1 Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek In het plangebied staat een schuur, waardoor gebouwbewonende soorten vleermuizen kunnen worden verwacht. Hieronder vallen volgens de verspreidingsgegevens de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Bomen van voldoende grootte zijn in het plangebied aanwezig, waardoor de aanwezigheid van boombewonende soorten kan worden verwacht. De ruige dwergvleermuis is een boombewonende soort die volgens verspreidingsgegevens kan voorkomen. Zomerverblijven bevinden zich vaak in (oude) bomen met holten. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger kunnen holten gebruiken als paarverblijf. De bomen in het plangebied moeten worden onderzocht op holtes die voor vleermuizen geschikt zijn om in te verblijven, zoals ingerotte boomdelen, ingescheurde takken en loshangend schors. Resultaten veldbezoek De schuur in het plangebied is geïnspecteerd op geschikte aanwezige invliegopeningen voor vleermuizen. De schuur is qua hoogte te laag, is ongeïsoleerd en heeft in de houten betimmering geen kieren.

De voor vleermuizen ongeschikte schuur die wordt gesloopt in het plangebied.

In een zwarte els in het plangebied zitten meerdere spechtengaten. Relatief vaak door vleermuizen gebruikte holten zijn oude spechtengaten. Spechten hakken eerst een ondiep gat, de initiatie holte. Mogelijk doen zij dit om het hout en/of de reactie van de boom te testen. Als het hout zich gemakkelijk laat bewerken en het een klimaatgunstige plek is, wordt er een broedholte uitgehakt. Bomen met een te geringe omtrek (<45 cm DBH) zijn voor spechten ongeschikt. Hardhout bomen jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan 30 jaar zijn hiervoor in de regel ongeschikt. Zo’n uitgehakte broedholte heet een primaire holte en wordt maar zelden door vleermuizen gebruikt. Pas na verloop van tien tot dertig jaar ontstaat er boven de oorspronkelijke holte een verhoging. Dit is het gevolg van het vergaan van het kernhout door schimmels en het wegvreten ervan door insecten. Zo’n holte boven de toegangsopening heet een secundaire holte.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

11/21

Gezien de leeftijd van de zwarte els is het uitgesloten dat het spechtengat er inmiddels meer dan 10 jaar zit. Hierdoor is het uitgesloten dat vleermuizen van deze gaten gebruik maken.

Meerdere spechtengaten in zwarte els. Op de foto is ook te zien dat voor de invliegopeningen takken hangen, waardoor een goed e invliegroute niet mogelijk is.

In de andere bomen in het plangebied en die binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen gaten die geschikt zijn voor vleermuizen aangetroffen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een doorlopend lijnvormig element en maakt daarom geen deel uit van een vliegroute voor vleermuizen. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie, omdat groen van betekenis voor insecten en vleermuizen ontbreekt. Conclusie vleermuizen In het plangebied zijn geen invliegmogelijkheden voor vleermuizen aangetroffen. Een lijnelement is niet aanwezig. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie. Bovendien blijven meerdere bomen behouden en is het de wens de parkachtige omgeving na de voorgenomen plannen te versterken met meer bomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

12/21

5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens, ligging en biotoop kan de aanwezigheid van beschermde soorten zoogdieren worden uitgesloten. Steenmarter (martes foina) komt volgens verspreidingsgegevens niet voor, maar is wel bezig met een opmars naar het westen van Nederland. De steenmarter is een nachtdier dat van zonsondergang tot zonsopgang actief is. Tijdens het veldbezoek moet worden nagegaan of het biotoop voor steenmarter geschikt is. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren of sporen van beschermde zoogdieren waargenomen. In het plangebied en de directe omgeving zijn geen foerageer- en schuilmogelijkheden, in de vorm van besdragende struiken en takkenhopen of dergelijk. Het plangebied is ongeschikt als biotoop voor beschermde zoogdieren. Algemene soorten zoogdieren worden, gezien de geïsoleerde ligging tussen infrastructuur in, evenmin verwacht. Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren, of sporen hiervan, aangetroffen. Deze worden gezien het biotoop ook niet verwacht in de toekomst. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1). 5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens en biotoop, gecultiveerd park, kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten.

Mogelijke uitzondering hierop is de in de nabijheid aangetroffen Bokkenorchis. Bokkenorchis staat op zonnige tot half beschaduwde, matig droge tot vochtige, warme, voedsel- en stikstofarme, basen- en kalkrijke, humushoudende zandgrond en mergel. De grote, forse planten groeien in lage duinstruwelen en duingraslanden, aan bos- en struweelranden, in kalkgraslanden en bermen, op dijken en in hooilanden. Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De meeste beschermde planten zijn afhankelijk van een zeer specialistisch biotoop. De grond in het plangebied is voedselrijke zwarte aarde. Bovendien wordt het plangebied gecultiveerd onderhouden. Geconstateerd is dat het biotoop in het plangebied niet geschikt is voor Bokkenorchis.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

13/21

Waar geen gras groeit in het plangebied bestaat de grond uit zwarte aarde met een dikke bladlaag.

Conclusie vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan. 5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. De gebouwbewonende soorten huismus en gierzwaluw komen voor in Rijswijk, maar worden gezien de bouw van de schuur, het enige opstal in het plangebied, niet verwacht. Roofvogels en uilen worden ook gemeld, maar worden gezien het ontbreken van groen van betekenis, niet verwacht in het plangebied te broeden. Andere soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, worden niet verwacht vanwege het aanwezige biotoop. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het plangebied ongeschikt is voor huismussen en gierzwaluwen omdat invliegopeningen ontbreken. Huismussen zijn niet waargenomen in het plangebied. Het is aannemelijk dat grote bonte specht in het plangebied broedt. In een zwarte els zitten meerdere spechtengaten en de specht is in het plangebied waargenomen. Vanwege de aanwezige bomen en de parkachtige structuur kunnen meerdere soorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is broeden in het plangebied.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

14/21

Conclusie vogels Nesten van grote bonte spechten zijn niet standaard het gehele jaar beschermd. Nader onderzoek kan nodig zijn, omdat de nesten wel jaarrond bescherming genieten als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit zal niet het geval zijn indien op meerdere plaatsen in de overgebleven bomen spechtenkasten worden opgehangen. https://www.vogelbeschermingshop.nl/spechtenkast-phoenix Het plangebied heeft daarom geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Huismussen zijn in het gebied niet gesignaleerd, noch doet het plangebied dienst als (essentiële) foerageerplaats of schuilplaats voor huismussen. Vanwege het aanwezige groen is het niet uit te sluiten dat algemene soorten in het plangebied gaan broeden. De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Iedere in gebruik zijnd nest is beschermd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half augustus.

Geadviseerd wordt het groen in het plangebied, voor zover noodzakelijk, te verwijderen voor het broedseizoen. Eveneens is het mogelijk te starten voor het broedseizoen en met continue (weekenden uitgezonder) verstoring door te werken in het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen. Indien gestart wordt in het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog vast te worden gesteld of verstoring van broedvogels plaatsvindt. 5.5 Amfibieën en reptielen Resultaten bureauonderzoek Beschermde amfibieën en reptielen kunnen worden uitgesloten op basis van biotoop en ligging ten opzichte van natuurlijk habitat van deze soortgroep. Resultaten veldbezoek In het plangebied zijn, vanwege de tijd van het jaar, geen amfibieën of reptielen waargenomen. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor beschermde amfibieën of reptielen vanwege het ontbreken van het juiste biotoop. Poeltjes of plaatsen waar regenwater kan blijven staan zijn niet aanwezig. De sloten zijn te diep, waardoor deze niet snel opwarmen. Algemeen voorkomende kikkers worden gezien de sloten wel verwacht. Conclusie amfibieën en reptielen Beschermde amfibieën en reptielen kunnen op basis van verspreidingsgegevens en biotoop worden uitgesloten. Voor eventueel aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht, zie § 6.1.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

15/21

5.6 Overige beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek De verschillende soorten libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden die vermeld worden in de Wet natuurbescherming zijn aanwezig in een ander biotoop dan het plangebied. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefomgeving. Meldingen van deze soorten in het plangebied zijn er niet, het verspreidingsgebied ligt buiten het plangebied. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor beschermde soorten libellen en vlinders, vanwege het ontbreken van poeltjes of waardplanten voor ei-afzetting. Conclusie overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop en verspreidingsgegevens geen rekening gehouden te worden. 5.7 Houtopstanden / Kapvergunning Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing omdat het plangebied binnen de bebouwde kom van Rijswijk ligt. (Gemeente Rijswijk, Komgrenzen, Corsanummer raadsbesluit: 15.113774). Volgens het Omgevingsloket online is voor alle bomen met een diameter >15 centimeter op 1,3 meter hoogte een kapvergunning noodzakelijk.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

16/21

6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het, indien op meerdere bomen spechtenkasten worden opgehangen, onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Negatieve effecten op beschermde soorten flora en fauna zijn uit te sluiten. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Invulling zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Iedere in gebruik zijnd nest is beschermd.

Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half augustus. Geadviseerd wordt het groen in het plangebied, voor zover noodzakelijk, te verwijderen voor het broedseizoen. Eveneens is het mogelijk te starten voor het broedseizoen en met continue (weekenden uitgezonder) verstoring door te werken in het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen. Indien gestart wordt in het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog vast te worden gesteld of verstoring van broedvogels plaatsvindt.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

17/21

6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied Soort(groep)

Ingreep verstorend Nee

Nader onderzoek Nee

Ontheffing

Grondgebonden zoogdieren Vogels

Nee

Nee

Nee

Nee*

Nee

Nee

Amfibieën en reptielen

Nee

Nee

Nee

* Houd rekening met het broedseizoen en hang spechtenkasten op. Geen beschermde soorten aanwezig.

Vaatplanten Overige soorten

Nee Nee

Nee Nee

Nee Nee

Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig.

Vleermuizen

Nee

Bijzonderheden/ opmerkingen Geen verblijfplaatsen aanwezig, het plangebied heeft geen essentiële functie voor vleermuizen. Geen beschermde soorten aanwezig.

Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

18/21

7. Aanbevelingen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen nieuwbouw de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Voor meer informatie over de mogelijkheden zie: Checklist groen bouwen: https://www.checklistgroenbouwen.nl/ Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken. Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. Het planten van bomen en struwelen voor vogels verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse bes- en bloemdragende struiken en planten. Een haag van meidoorn/sleedoorn en liguster vormt een goede schuilgelegenheid voor huismussen. Creëer insectenhotels.

Voorbeelden van insectenhotels.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

19/21

Voor huismussen blijken uit onderzoek zogenaamde mussenvides (onderste foto's) uitstekend te functioneren als nestplaats. Deze zijn gemakkelijk en relatief goedkoop in te bouwen in de nieuwbouw. Huismussen hebben schuilplaatsen in de directe omgeving van het nest nodig. Hiervoor kunnen bomen en/of struiken worden aangeplant. Een kleine plaats waar een zandbad genomen kan worden door de huismus moet ook aanwezig zijn.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

20/21

Voor vleermuizen kunnen open stootvoegen aangebracht worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte in nieuwbouw. Eveneens kunnen vleermuisstenen worden ingemetseld (foto links boven). Zie literatuurlijst voor vermelding naar brochure vleermuisvriendelijk bouwen.

Vrijwel onzichtbare inbouw van vleermuisstenen en technische informatie over de plaatsing daarvan.

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

21/21

Literatuur en bronvermelding Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Limpens e.a. KNNV 1997 Bats of Britain and Europe, C. Dietz en A. Kiefer, Bloomsbury 2016 www.vleermuis.net, voor up-to-date kennis van vleermuizen Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(Redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland brochure vleermuisvriendelijk bouwen: Zoogdiervereniging e.a., 2011 Stichting RAVON: www.ravon.nl Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 Verspreidingsatlas planten. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Sovon Vogelonderzoek Nederland: www.sovon.nl Vereniging Vogelbescherming: www.vogelbescherming.nl Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, Ministerie van LNV, 2009 Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al. Nationale Databank Flora en Fauna, www.telmee.nl Omgevingsdienst Online www.olo.nl Laanbeheer en vleermuizen, 26 maart 2012, Rapport van de Zoogdiervereniging & Stichting Probos

Flora- en faunaonderzoek, Laan van Hoornwijck 29 te Rijswijk, ANL19-4755

22/21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=d99727fe-2aff-4c7c-908e-5922ad4893dd