Bijlage 3i Motivering - Passende beoordeling en stikstofdepositieonderzoek
Tekst van het document
Passende beoordeling en stikstofdepositieonderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk
projectnummer 0504789.100 definitief revisie 02 26 maart 2026
www.anteagroup.nl
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 definitief revisie 02 26 maart 2026
Auteur(s) J. van den Broek M. van Berkom M. Mostert
Opdrachtgever Gemeente Rijswijk Postbus 5305 2280 HH RIJSWIJK ZH
Gecontroleerd T. Sweerts
datum 26 maart 2026
beschrijving Def
vrijgave M. Fransen
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding Ligging ten opzichte van Natura 2000 en instandhoudingsdoelstellingen Directe effecten Indirecte effecten Leeswijzer
4 4 6 6 6
2.
Wettelijk kader
7
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.4
Algemeen Europese Vogel- en Habitatrichtlijn Omgevingswet Bescherming van Natura 2000-gebieden Plantoets Onderzoek naar significante gevolgen Passende beoordeling Rekenprogramma AERIUS Calculator
7 7 7 7 8 8 8 9
3.
Uitgangspunten
10
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Algemeen Kaders ontwikkeling en uitgevoerde berekeningen Gebruiksfase Realisatiefase Referentiesituatie
10 10 11 13 15
4.
Resultaten en conclusie
18
4.1 4.2 4.3 4.4
Resultaten Toetsing additionaliteitsvereiste Cumulatie Conclusie
18 18 18 18
Bijlage 1: Verkeersintensiteiten gebruiksfase en referentiesituatie
19
Bijlage 2: AERIUS PDF-bestand gebruiksfase
22
Bijlage 3: AERIUS PDF-bestanden realisatiefase
23
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding De gemeente Rijswijk is voornemens om Havenkwartier Fase 2 te ontwikkelingen, zie onderstaand figuur voor het ontwikkelgebied. De meerjarige gebiedsontwikkeling omvat een mix van werken en wonen en is daarbij verdeeld in vier kwadranten. Om deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Bij deze meerjarige gebiedsontwikkeling wordt gewerkt met een omgevingsplanwijziging met een flexibel karakter. Ontwikkelingen mogen niet zondermeer plaatsvinden als deze significante negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Antea Group is door de gemeente Rijswijk gevraagd om ten behoeve van de omgevingsplanwijziging een stikstofdepositie-onderzoek uit te voeren.
Figuur 1-1: Ligging van het te ontwikkelen plangebied. Bron luchtfoto: Street Smart.
1.2
Ligging ten opzichte van Natura 2000 en instandhoudingsdoelstellingen Het plangebied ligt op 6,7 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Westduinpark & Wapendal’. Verder liggen ‘Meijendel & Berkheide’ en ‘Solleveld & Kapittelduinen’ op respectievelijk 7,0 en 7,7 kilometer van het plangebied. De Natura ‘De Wilck’ ligt op 15,4 kilometer, maar deze is niet stikstofgevoelig. In onderstaand figuur en tabel is de ligging ten opzichte van alle Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer weergegeven.
Pagina | 4
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Solleveld & Kapittelduinen
Plangebied
Figuur 1-2: Ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden. Tabel 1-1: De afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km, tevens is weergeven of het betreffende Natura 2000-gebied stikstofgevoelig is. Natura 2000-gebied
Afstand in km
Stikstofgevoelig
Westduinpark & Wapendal
6,7
Ja
Meijendel & Berkheide
7,0
Ja
Solleveld & Kapittelduinen
7,7
Ja
Coepelduynen
18,6
Ja
Voornes Duin
21,0
Ja
Kennemerland-Zuid
24,1
Ja
De Wilck
15,4
Nee
Oude Maas
19,1
Nee
Voordelta
21,4
Ja
De instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden zijn opgenomen in de aanwijzingsbesluiten van de verschillende gebieden. Deze aanwijzingsbesluiten zijn te raadplegen via http://www.natura2000.nl/gebieden. Pagina | 5
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
1.3
Directe effecten Door Equipe Adviseurs is onderzoek gedaan naar de in het gebied aanwezige beschermde soorten en de vraag of werkzaamheden in het kader van deze ontwikkeling kunnen leiden tot een negatief effect op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Uit de QuickScan Flora & Fauna1 blijkt dat er op Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten te verwachten zijn als gevolg van directe verstoringsfactoren. Er zijn derhalve geen direct effecten te verwachten op enig Natura 2000-gebied. Wel kan er sprake zijn van indirecte effecten op Natura 2000gebieden als gevolg van stikstofdepositie.
1.4
Indirecte effecten De ontwikkeling van Havenkwartier veroorzaakt stikstofemissies, hetgeen tot toename van stikstofdepositie op kwetsbare natuurgebieden kan leiden. De ontwikkeling kan hierdoor leiden tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling worden eventuele effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in deze passende beoordeling onderzocht en beoordeelt. De indirecte effecten zijn middels een AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt. Onderhavige passende beoordeling wordt opgesteld, omdat bij de berekeningen rekening wordt gehouden met de referentiesituatie.
1.5
Leeswijzer De drie hierop volgende hoofdstukken betreffen de inhoudelijke totstandkoming van het voorliggende onderzoek: • Hoofdstuk 2 betreft het wettelijk kader waarin dit onderzoek is uitgevoerd. • Hoofdstuk 3 betreft de uitgangspunten waarmee de AERIUS-modellen opgesteld zijn. De wijze van modelleren wordt hierin toegelicht en gemotiveerd. • Hoofdstuk 4 betreft de samenvatting van de resultaten en de bijbehorende conclusie.
1 Equipe adviseurs (1 oktober 2025). QuickScan Flora en Fauna, Havenkwartier Fase 2 te Rijswijk. Kenmerk: 25Q0812 v.1.0.
Pagina | 6
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
2.
Wettelijk kader
2.1
Algemeen Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die in Nederland is geïmplementeerd in de Omgevingswet (Ow) en de Omgevingsregeling (Or). Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen (behouds-, uitbreidings- of verbeteringsdoelstellingen) bepaald.
2.2
Europese Vogel- en Habitatrichtlijn Twee Europese richtlijnen, de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn(92/43/EEG), voorzien in de bescherming van belangrijke Europese natuurwaarden. In dat kader zijn onder meer speciale gebieden aangewezen die beschermd moeten worden. Deze zogenaamde Vogel- en Habitatrichtlijngebieden vormen samen het Natura 2000-netwerk. De afzonderlijke gebieden worden ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa. De aangewezen habitattypes en habitats van soorten dienen in een gunstige staat van instandhouding te blijven of te worden hersteld. De lidstaten moeten maatregelen treffen om de kwaliteit van deze habitats en habitats van soorten niet te laten verslechteren en voorkomen dat er storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen.
2.3
Omgevingswet De Omgevingswet beschermt: • De Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Europees natuurbeleid (Natura 2000-gebiedsbescherming); • De planten- en diersoorten (onderdeel soortbescherming); • Bos en houtopstanden (onderdeel houtopstanden). Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LVVN bevoegd gezag is in het kader van de vergunningverlening voor een project. Bij de vaststelling van een plan is de gemeente het bevoegde gezag.
2.3.1
Bescherming van Natura 2000-gebieden De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 11.1 tot en met 11.9 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de Ow. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn belangrijke bepalingen overgenomen. Eén van die bepalingen is het afwegingskader, incl. compenserende maatregelen, zoals dat in artikel 6 van de Habitatrichtlijn staat. Het afwegingskader geeft aan op welke wijze besluitvorming plaats moet vinden voor plannen en projecten met mogelijke gevolgen voor beschermde natuurgebieden. De essentie van het beschermingsregime voor de Natura 2000-gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudings-doelstellingen zijn vastgelegd in de (ontwerp-)aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. Centraal in de aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden en natuurlijke habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.
De instandhoudingsdoelstellingen vormen de specifieke doelstellingen die in een gebied gelden en die de basis vormen voor een toetsing aan de kaders van de Natura 2000gebiedsbeschermng. Instandhoudingsdoelstellingen zijn gericht op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van habitattypen en soorten. In de beheerplannen die voor elk Natura 2000-gebied worden opgesteld, wordt aangegeven hoe de beheerders deze doelen realiseren. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht.
Pagina | 7
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Bij het toetsen aan de instandhoudingsdoelen dient rekening te worden houden met “externe werking”. Dat wil zeggen dat niet alleen moet worden gelet op activiteiten binnen een Natura 2000-gebied, maar ook op activiteiten die buiten de grenzen van het betreffende Natura 2000-gebied worden uitgevoerd en een mogelijk effect hebben op Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebiedsbescherming kent twee separate toetsingen voor ontwikkelingen. Een projecttoets en een plantoets. Voorliggend onderzoek heeft betrekking op een plan.
2.3.2
Plantoets De Omgevingswet (art 5.16.53cOw en artikel 10.24 Bkl) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden ten aanzien van plannen die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die in de Natura 2000-gebieden van kracht zijn. In het kader van de Natura 2000gebiedsbescherming moet beoordeeld worden of het plan leidt tot een aantasting van de beschermde habitattypen en de habitats van soorten binnen de Natura 2000-gebieden.
2.3.3
Onderzoek naar significante gevolgen Het onderdeel gebiedsbescherming binnen de Omgevingswet (Natura 2000-activiteit) biedt de basis voor de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve gevolgen hebben op de doelstellingen. Dit zijn de instandhoudingsdoelstelling die per Natura 2000-gebied en per habitattype zijn vastgelegd. Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag dus rekening houden met de gevolgen van het plan op Natura 2000-gebieden. Het kan daarbij zowel gaan om activiteiten die plaatsvinden binnen als buiten Natura 2000-gebieden. In de oriënterende fase (voortoets) moet onderzocht worden of de ontwikkeling (beoogde situatie) significant negatieve gevolgen op het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Dit kan onder andere door aan te tonen dat een ontwikkeling op zichzelf niet leidt tot een toename in stikstofdepositie. Dan is namelijk uitgesloten dat de ontwikkeling qua stikstofdepositie significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Het is echter binnen de voortoets ook mogelijk om aan te tonen dat de depositietoename van de ontwikkeling ecologisch gezien niet leidt tot significante gevolgen.
2.3.4
Passende beoordeling Indien na een dergelijk onderzoek op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant gevolg heeft, dient meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase, in kaart te worden gebracht wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Deze laatste analyse is een ‘passende beoordeling’. Binnen een passende beoordeling kunnen mitigerende maatregelen zoals intern of extern salderen meegenomen worden. Wanneer uit deze passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit de natuurlijke kenmerken niet aantast, staat ook dan het aspect gebiedsbescherming besluitvorming (voor wat betreft stikstofdepositie) niet in de weg. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat onder voorwaarden een vergelijking mag worden gemaakt tussen de gevolgen van de beoogde situatie en de gevolgen van de situatie voorafgaand aan die beoogde situatie (binnen het plangebied). Dit wordt ook wel intern salderen genoemd. Intern salderen mag conform recente rechtspraak van de Afdeling niet worden meegenomen in een voortoets.2 De situatie voorafgaand aan de beoogde situatie wordt de referentiesituatie genoemd. Voor een plan geldt dat de referentiesituatie de feitelijke huidige planologisch legale situatie voorafgaand aan het planbesluit is.
Door de Afdeling is in haar uitspraak van 14 januari 2026, welke betrekking heeft op intern salderen in de voortoets bij plannen, deze lijn ook toegepast op dergelijke gevallen.3 Er gelden specifieke regels voor al gestaakte activiteiten en voor wel verleende, maar nog niet gerealiseerde omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten. Saldering is ook mogelijk met een verdwijnende of afnemende stikstofbron buiten het plangebied. Dit wordt extern salderen genoemd.
2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, r.o. 12 e.v.
3
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, r.o. 19 e.v.
Pagina | 8
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Bij het beschouwen van mitigerende maatregelen zoals intern en extern salderen binnen de passende beoordeling dient aangetoond te worden dat deze maatregelen additioneel zijn. Dit houdt in dat de toegepaste maatregelen extra moeten zijn ten opzichte van de maatregelen die benodigd zijn om de doelstellingen van de getroffen Natura 2000-gebied te behalen. Dit laatste wordt een toets aan het additionaliteitsvereiste genoemd. Door de Afdeling is in haar uitspraak van 14 januari 2026 handvaten gebonden aan de gemeenteraad om invulling te geven aan de motiveringsplicht van het additionaliteitsvereiste.4 De motiveringsplicht van het additionaliteitsvereiste wordt door de Afdeling, in gevallen waarbij de gemeente als bevoegd gezag optreedt, ingevuld door een vergewisplicht. Deze vergewisplicht houdt in dat de gemeenteraad moet onderzoeken of in openbaar raadpleegbare gegevens aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Indien er geen aanwijzingen worden gevonden, kan de gemeenteraad ervan uit gaan dat de wijziging dan wel beëindiging van de referentiesituatie additioneel is op de maatregelen van de provincie of het Rijk.
In het geval het Rijk of de provincie het bevoegde gezag is voor een plan, volgt een andersoortige motivering. Dit heeft te maken met de invloed die het Rijk en de provincie, in tegenstelling tot de gemeenten, hebben op de keuze van maatregelen die worden ingezet voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen of het voorkomen van verslechtering of significante verstoring. De verplichting om in een passende beoordeling ook de effecten van andere plannen en projecten in beschouwing te nemen, vindt zijn oorsprong in de Habitatrichtlijn. Art 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn stelt dat bij een beoordeling rekening moet worden gehouden met cumulatie van effecten van andere plannen en projecten. De cumulatietoets is vooral van belang voor plannen of projecten die een mogelijk negatief (maar niet significant) gevolg hebben, om te bezien of zo’n plan of project in cumulatie alsnog tot een significant effect zou kunnen leiden. Dit is een uitwerking van het voorzorgsbeginsel.
2.4
Rekenprogramma AERIUS Calculator De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden met behulp van het verplicht te gebruiken rekenprogramma AERIUS Calculator (Or). Van elke te berekenen situatie (beoogde situatie, autonome en/of salderingssituatie) wordt een model gemaakt met invoergegevens waarmee vervolgens de berekening wordt uitgevoerd. Op basis van de invoer bepaalt het rekenprogramma AERIUS Calculator zelf de correcte berekening van de bijdrage, eventueel ten opzichte van de autonome en/of salderingssituatie. Tevens bepaalt zij zelf de rekenpunten binnen de Nederlandse Natura 2000-gebieden. De depositiebijdrage wordt berekend ter plaatse van voor stikstofgevoelige habitats binnen 25 kilometer.
4
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, r.o. 22 e.v.
Pagina | 9
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
3.
Uitgangspunten
3.1
Algemeen De effecten van de ontwikkeling van Havenkwartier op Natura 2000-gebieden worden ten behoeve van de wijziging van het omgevingsplan onderzocht. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de gebruiksfase en de realisatiefase. In eerste instantie wordt gekeken naar het planeffect zonder referentiesituatie. Vervolgens wordt een verschilberekening uitgevoerd met een referentiesituatie. Onderhavig hoofdstuk beschrijft de uitgangspunten van de berekeningen.
3.2
Kaders ontwikkeling en uitgevoerde berekeningen Er wordt gewerkt met een omgevingsplanwijziging met flexibele kaders voor vier kwadranten met een totale oppervlakte van 4,724 hectare (zie onderstaand figuur). De beoogde situatie bij het plan omvat maximaal 663 woningen, 43.245 m2 bvo aan werkfuncties en 250 m2 bvo aan voorzieningen. Er is uitgegaan van 40.000 m2 aan bovengrondse parkeergarages. In de huidige situatie is 39.193 m2 bedrijvigheid aanwezig dat (worst-case) volledig gesloopt wordt.
Figuur 3-1: De ligging van de vier kwadranten binnen Havenkwartier Fase 2. Bron topo: ESRI.
De effecten van de ontwikkeling van Hamerkwartier worden ten behoeve de omgevingsplanwijziging onderzocht voor de beoogde situatie (gebruiksfase). Voor de ontwikkeling wordt het rekenjaar 2038 aangehouden, een toekomstjaar waarin de gehele ontwikkeling gerealiseerd kan zijn. Er wordt eerst gekeken naar het planeffect zonder referentiesituatie. Er zijn verder ook verkennende berekeningen uitgevoerd voor de realisatiefase. De meerjarige ontwikkeling wordt gerealiseerd gedurende 10 jaar met start in rekenjaar 2028, hiervoor is een gemiddeld bouwtempo bepaald. Vervolgens wordt een referentiesituatie gemodelleerd waar nodig om een verschilberekening met intern salderen te kunnen uitvoeren. De referentiesituatie wordt niet toegevoegd als de berekening zonder realisatiefase al op 0,00 mol N/ha/j uitkomt. De fasering van deze meerjarige ontwikkeling is uitgewerkt in de onderstaande tabel.
Pagina | 10
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk Tabel 3-1: Faseringstabel behorende bij Havenkwartier Fase 2.
3.3
Rekenjaar
Activiteit
Percentage gebruik
Percentage referentie
2028
Bouwjaar 1
0%
10%
2029
Bouwjaar 2
10%
20%
2030
Bouwjaar 3
20%
30%
2031
Bouwjaar 4
30%
40%
2032
Bouwjaar 5
40%
50%
2033
Bouwjaar 6
50%
60%
2034
Bouwjaar 7
60%
70%
2035
Bouwjaar 8
70%
80%
2036
Bouwjaar 9
80%
90%
2037
Bouwjaar 10
90%
100%
2038
Start gebruiksfase
100%
100%
Gebruiksfase De voorgenomen ontwikkeling leidt tot emissie van stikstofoxiden (NO x) en ammoniak (NH3) afkomstig van extra verkeer (incl. koude starts). De woningen worden gasloos en haardloos opgeleverd. Bij een deel van de werkfuncties en voorzieningen is wel sprake van directe emissies. Voor de beoogde situatie wordt het rekenjaar 2038 gehanteerd. Verkeer De verkeerscijfers zijn afkomstig uit het MRDH-verkeersmodel5. Om tot het planverkeer (de verkeersgeneratie van enkel de ruimtelijke wijzigingen) te komen is het autonome verkeer vanuit de omgeving wat niet behoort tot Hamerkwartier afgetrokken van de totale intensiteiten in de beoogde situatie. Onderstaande figuren tonen de verkeerstoenames als gevolg van de ontwikkeling van Hamerkwartier. De afnames zijn niet gemodelleerd. Ook is het wegtype weergegeven in de figuur. De verkeerstoenames zijn in detail weergegeven in bijlage 1. In de plansituatie krijgen de directe ontsluitingswegen een maximumsnelheid van 30 km/h in plaats van 50 km/h.
Figuur 3-2: De gemodelleerde wegvakken in de gebruiksfase met de totale verkeersgeneratie en het wegtype (donkerpaars = stagnerend, paars = binnen bebouwde kom (normaal) en lichtpaars = binnen bebouwde kom (doorstromend)).
5
Antea Group, Verkeersonderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk, d.d. 20 januari 2026.
Pagina | 11
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Koude start Voertuigen die koud opstarten, brengen verhoogde emissies met zich mee omdat de daarvoor bedoelde katalysator nog niet werkt op lagere temperaturen. Deze verhoogde emissies kunnen een significant aandeel zijn van emissies van wegverkeer. De koude start dient in AERIUS Calculator gemodelleerd te worden als het voertuig in kwestie langer dan twee uur stilgestaan heeft alvorens de motor wordt gestart om te gaan rijden. Voor woningbouw, het werken en de voorzieningen geldt dat een groot deel van de lichte voertuigen een koude start ondergaan. Soms zal bezoek binnen twee uur vertrekken of is de bezorger langs geweest. Er wordt uitgegaan 90% koude starts bij lichte voertuigen, dit komt neer op 1.637,7 koude starts ten gevolge van lichte voertuigen per weekdag. Voor middelzware en zware voertuigen wordt een lager percentage koude starts gehanteerd (10%). Voor deze vervoerstypen (OV, verhuizen, afvalverzameling, bezorging) geldt dat deze grotendeels binnen 2 uur weer vertrokken zijn en dus niet onderhevig zijn aan de koude start. Bij de bedrijfsfuncties wordt voor een deel van de (middel)zware voertuigen wel een koude start verwacht, daarom is uitgegaan van 10%. Het betreft 3,2 per weekdag voor middelzware voertuigen en 4,0 voor zware voertuigen.
De koude start-emissies zijn gemodelleerd als vlakbron over het plangebied met als sectorgroep ‘verkeer’ en sector ‘koude start: parkeergarage’ (worst-case op de 1e verdieping). Directe emissies Er is slechts beperkte informatie beschikbaar over relevante emissiekentallen voor industriële en bedrijfsmatige bronnen, zeker als het om onderverdeling naar bedrijf (per SBI-code) of milieu-categorie gaat. Dit is niet geheel onverklaarbaar daar geen enkel bedrijf (ook als het een bedrijf uit dezelfde SBI-categorie betreft) dezelfde emissies heeft. Voor de industriële emissies is echter wel informatie beschikbaar in de databank van het CBS. Om voor bedrijfsemissies te komen tot bruikbare emissiekentallen per milieucategorie, is uitgegaan van de totale emissie van NOX en NH3 in Nederland zoals opgenomen in de databank van het CBS. Op basis van deze gegevens is vervolgens een emissie-aandeel per milieucategorie bepaald. Bedrijven uit de milieucategorieën 4 en hoger emitteren immers meer luchtvervuilende stoffen dan bedrijven uit de categorieën 1 en 2. Ook is bekend (op basis van de jaarlijkse inventarisatie van bedrijventerreinen) wat het totale oppervlak aan bedrijventerreinen is in Nederland. Door deze gegevens te combineren met de emissie-aandelen per milieucategorie wordt per stof en per milieucategorie een emissiekental, uitgedrukt in kilogram per hectare per jaar verkregen.
Voor de invloed van de bedrijven op de stikstofdepositie is gekeken naar de emissies van de stoffen NO X en NH3. Deze stoffen kunnen onder meer vrijkomen bij productieprocessen en zullen veelal naar de buitenlucht worden afgevoerd via schoorstenen of afzuiginstallaties. Ook het in werking hebben van mobiele werktuigen met verbrandingsmotor (o.a. heftrucks) leidt tot een emissie. In onderstaande tabel zijn de directe emissies vanuit de toekomstige bedrijvigheid weergegeven aan de hand van de oppervlakte van de bouwvelden. Deze zijn gemodelleerd als vlakbron in de sectorgroep “Anders”. Er is uitgegaan van een uittreedhoogte van 15 meter, spreiding van 7,5 meter en warmteinhoud van 0,000 MW. De temporele variatie is op Standaard Profiel Industrie gezet. Deze waarden sluiten goed aan bij het beoogde gebruik. Tabel 3-2: Directe emissies van de bedrijvigheid, er is steeds bij 70% van de kavels het gasloze kengetal toegepast. Naam
Oppervlakte (ha)
Kengetal kg/NOx (ha)
Kengetal kg/NOx (ha) gasloos
Kengetal Kg/NH3 (ha)
Emissie kg/NOX
Emissie kg/NH3
Bedrijfskavels milieucategorie 1-2
3,57
77,0
30,8
0,1
159,44
4,65
Bedrijfskavels milieucategorie 3
0,63
103,0
41,2
6,0
37,64
3,78
197,07
8,43
Totale emissies
Pagina | 12
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Figuur 3-3: De gemodelleerde bronnen voor de gebruiksfase (de lijnbronnen zijn voor het wegverkeer en de vlakbron voor de koude start en directe emissies van de bedrijvigheid). Bron: AERIUS.
3.4
Realisatiefase Voor de realisatiefase zijn twee aspecten in kaart gebracht, namelijk de stikstofemissies van mobiele werktuigen en van het werkverkeer (incl. koude starts). Er is vanuit gegaan dat op de bouwplaats de regel geldt dat de motor van de vrachtwagen wordt uitgezet en er dus geen sprake is van stationair draaien. Als uitgangspunt wordt een gemiddeld bouwtempo aangehouden bij een totale bouwtijd van 10 jaar. Dit komt neer op 3.920 m2 te slopen bvo (geschatte inhoud 15.700 m3) per bouwjaar en de bouw van 67 woningen (incl. ondergrondse parkeergarage) plus 8.400 m2 bvo aan werken/voorzieningen/parkeren. Als rekenjaar voor het eerste bouwjaar is 2028 aangehouden, voor het laatste bouwjaar 2037. Alle rekenjaren zijn ook getoond in paragraaf 3.2. Mobiele werktuigen Voor de mobiele werktuigen is aansluiting gezocht bij kengetallen. Deze kentallen zijn het product van meerdere projecten waarbij sprake is van woningbouw met werken en voorzieningen. Het rekenen met kentallen in dit vroegtijdige stadium is een verantwoorde methode om een beeld te krijgen van de eventuele depositie ten gevolge van de realisatiefase. Onderstaande tabel toont de inschatting van de emissies tijdens een bouwjaar. Tabel 3-3: Emissies tijdens een bouwjaar als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen. Naam
Kengetal kg/NOx
Kengetal Kg/NH3
Eenheid kengetal
Emissie kg/NOX
Emissie kg/NH3
Sloop
9,51
0,36
Per 10.000 m3
14,93
0,57
Bouwen grondgebonden
90,79
3,23
Per 100 woningen
6,36
0,23
Bouwen appartementen
31,71
0,97
Per 100 woningen
19,03
0,58
Bouwen werken, voorzieningen en parkeren
31,71
0,97
Per 10.000 m2 bvo
26,64
0,81
66,95
2,19
Totale emissies tijdens een bouwjaar
De emissies vanuit mobiele werktuigen zijn gemodelleerd op een vlakbron ‘Anders’ met bijbehorende standaardkenmerken: een uitstoothoogte van 2,85 meter, warmteinhoud van 0,027 MW en spreiding van 0,7 meter. Deze bronkenmerken sluiten goed aan bij de in te zetten werktuigen.
Pagina | 13
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Bouwverkeer Er komen werknemers naar het plangebied met personenauto’s en busjes (licht verkeer) ten behoeve van de bouw. Daarnaast worden er via vrachtverkeer materialen en materieel aangeleverd tijdens de bouw. Het bouwverkeer per bouwjaar bedraagt 12.212 bewegingen van licht verkeer en 4.799 van zwaar verkeer. Hierbij is ervan uitgegaan dat het bouwverkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld op het moment dat het een wegvak met hoge intensiteit heeft bereikt. Koude start Voor de realisatiefase wordt gesteld dat 90% van de lichte motorvoertuigen op locatie een koude start doormaakt. Dit betreft voornamelijk personeel dat na aankomst gedurende de hele werkdag op locatie blijft. Voor vrachtwagens geldt dat deze snel na aankomst weer vertrekken, namelijk na lossen van materieel en materiaal. Slechts 5% kent zodoende een koude start. Het betreft in totaal 5.495 koude starts voor lichte voertuigen en 120 koude starts zware voertuigen per bouwjaar.
Figuur 3-4: De gemodelleerde bronnen in de realisatiefase in het eerste bouwjaar (de lijnbron is voor het bouwverkeer en de vlakbron is voor de mobiele werktuigen en koude starts). Bron: AERIUS.
Pagina | 14
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Figuur 3-5: De gemodelleerde bronnen behorende bij de bouw in bouwjaar 2 t/m 10 (de lijnbron is voor het bouwverkeer en de vlakbron is voor de mobiele werktuigen en koude starts), de lijnbron is hier langer in vergelijking met het eerste bouwjaar in lijn met het verkeer vanuit het gebruik dat hier ook is ingevoegd. Bron: AERIUS.
Figuur 3-6: Alle gemodelleerde bronnen in de realisatiefase in bouwjaar 2 t/m 10, dus de bronnen behorende bij de bouw en bij een deel van het gebruik dat is toegevoegd. Bron: AERIUS.
3.5
Referentiesituatie Net als bij de beoogde situatie is voor de referentiesituatie gebruik gemaakt van verkeerscijfers vanuit het MRDHverkeersmodel. In de referentiesituatie zijn verder koude starts en directe emissies behorende bij de huidige bedrijvigheid meegenomen.
Pagina | 15
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Verkeer Voor het stikstofonderzoek is hetzelfde wegennet meegenomen als in de beoogde situatie met daarop het verkeer behorende bij de verdwijnende bedrijvigheid. De gehanteerde afbakening van het verkeer is beschreven in paragraaf 3.3. In onderstaand figuur zijn de gemodelleerde wegvakken met intensiteiten in de referentiesituatie weergegeven.
Figuur 3-7: De gemodelleerde wegvakken in de referentiesituatie met de totale verkeersgeneratie en het wegtype (donkerpaars = stagnerend, paars = binnen bebouwde kom (normaal) en lichtpaars = binnen bebouwde kom (doorstromend)).
Koude start De koude starts in de referentiesituatie zijn ingeschat aan de hand van de verkeersgeneratie. Er wordt uitgegaan 90% koude starts bij lichte voertuigen, dit komt neer op 702,9 koude starts per weekdag ten gevolge van lichte voertuigen. Voor middelzware en zware voertuigen wordt een lager percentage koude starts gehanteerd (25%). Dit percentage is hoger dan in de plansituatie, aangezien in de referentiesituatie allen bedrijvigheid aanwezig is in het plangebied en geen woningbouw. Dit komt neer op 3,5 koude starts per weekdag ten gevolge van middelzwaar verkeer en 4,3 koude starts per weekdag ten gevolge zwaar verkeer. Directe emissies In onderstaande tabel zijn de directe emissies vanuit de bestaande bedrijfskavels weergegeven. Deze zijn gemodelleerd als vlakbron in de sectorgroep “Anders”. Er is uitgegaan van een uittreedhoogte van 10 meter, spreiding van 5 meter en warmteinhoud van 0,000 MW. De temporele variatie is op Standaard Profiel Industrie gezet. Naam
Oppervlakte (ha)
Kengetal kg/NOx (ha)
Kengetal Kg/NH3 (ha)
Emissie kg/NOX
Emissie kg/NH3
Bedrijfskavels milieucategorie 1-2
4,2
77,0
0,1
323,40
0,42
Bedrijfskavels milieucategorie 3
1,4
103,0
6,0
144,20
8,40
467,60
8,82
Totaal
Pagina | 16
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Figuur 3-8: De gemodelleerde bronnen voor de referentiesituatie (de lijnbronnen zijn voor het wegverkeer en de vlakbron voor de koude start en directe emissies van de bedrijvigheid). Bron: AERIUS.
Referentiesituatie tijdens de realisatiefase Omdat de bouw van de beoogde functies verspreid over 10 jaar plaatsvind vervalt niet de gehele referentiesituatie bij de aanvang van de bouwwerkzaamheden. Daarom wordt vanaf het eerste bouwjaar elk jaar 10% van de totale referentiesituatie extra uit gebruik genomen. Daarmee kan elk volgend bouwjaar gebruik maken van een grotere referentiesituatie. In de eerste twee bouwjaren (2028 en 2029) is geen gebruik gemaakt van deze referentiesituatie. Vanaf het derde bouwjaar (2030) wordt dus 30% van de referentiesituatie gemodelleerd om een verschilberekening met intern salderen te kunnen uitvoeren. Het aandeel van de totale referentiesituatie dat gemodelleerd is per bouwjaar is opgenomen in tabel 3-1.
Pagina | 17
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
4.
Resultaten en conclusie Uit de QuickScan Flora & Fauna6 blijkt dat er op Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten te verwachten zijn als gevolg van directe verstoringsfactoren. Er zijn derhalve geen direct effecten te verwachten op enig Natura 2000-gebied. Wel kan er sprake zijn van indirecte effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie, hiervoor zijn berekeningen met en zonder intern salderen uitgevoerd.
4.1
Resultaten Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening van de beoogde situatie in rekenjaar 2038 volgt een maximale bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar op de Natura 2000-gebieden ‘Meijendel & Berkheide’, ‘Solleveld & Kapittelduinen’ en ‘Westduinpark & Wapendal’. Bij deze berekening is geen referentiesituatie betrokken. Uit de verschilberekening van de beoogde situatie met de referentiesituatie in rekenjaar 2038 volgt dat er geen sprake is van een toename hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden Het AERIUS PDF-bestand is opgenomen in bijlage 2. Realisatiefase Uit de berekeningen voor bouwjaar 1 en 2 volgt een maximale bijdrage van 0,00 mol N/ha/j zonder het toevoegen van een referentiesituatie. In bouwjaar 3 is er zonder referentiesituatie sprake van een bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/j op ‘Meijendel & Berkheide’ en ‘Westduinpark & Wapendal’. In bouwjaar 4 t/m 10 is er sprake van een bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/j op ‘Meijendel & Berkheide’, ‘Solleveld & Kapittelduinen’ en ‘Westduinpark & Wapendal’. Uit de verschilberekeningen van bouwjaren 3 t/m 10 met het gedeelte van de referentiesituatie, zoals weergegeven in tabel 3-1, volgt dat er geen sprake is van een toename hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar. De AERIUS PDF-bestanden zijn opgenomen in bijlage 3.
4.2
Toetsing additionaliteitsvereiste Zoals in paragraaf 2.3.4 reeds is beschreven, geldt voor de toetsing aan het additionaliteitsvereiste een motiveringsplicht, welke bij de gemeentelijke vaststelling van een plan kan worden ingevuld door middel van de vergewisplicht.7 Er zijn momenteel geen aanwijzingen vanuit openbare gegevens dat het voornemen bestaat de onderhavige referentiesituatie in te zetten als instandhoudings- of passende maatregel.
4.3
Cumulatie Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling wordt het beschouwen van cumulatie achterwege gelaten als uit de berekeningsresultaten van de stikstofdepositie blijkt dat de beoogde ontwikkeling, al dan niet met mitigatie, niet leidt tot gevolgen voor Natura 2000-gebieden.8 Uit de onderhavige passende beoordeling blijkt dat er, na intern salderen, geen negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreedt, waardoor er niet verder op cumulatie wordt ingegaan.
4.4
Conclusie Op basis van deze passende beoordeling kan via de inzet van intern salderen als mitigerende maatregel de zekerheid worden verkregen dat het onderhavige plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.
6 Equipe adviseurs (1 oktober 2025). QuickScan Flora en Fauna, Havenkwartier Fase 2 te Rijswijk. Kenmerk: 25Q0812 v.1.0.
7
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, r.o. 23.3 en 23.4.
8 Zie bijv.: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:166, Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1573 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1586.
Pagina | 18
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Bijlage 1: Verkeersintensiteiten gebruiksfase en referentiesituatie Tabel 0-1: De gemodelleerde verkeersintensiteiten in de gebruiksfase o.b.v. het verkeersmodel, de wegvaknummers zijn weergegeven op kaart in figuur 0-1. Tijdens de realisatiefase is een percentage van de toenames ingevoerd conform de faseringstabel in paragraaf 2.2.
Nr.
Licht Middelzwaar Zwaar Wegtype 1 128,7 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (normaal) 2 583,6 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 3 583,6 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 4 582,2 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 5 733,1 1,3 1,5 Binnen bebouwde kom (normaal) 6 914,9 1,3 1,5 Binnen bebouwde kom (normaal) 7 2688,5 64,3 76,8 Binnen bebouwde kom (normaal) 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31
1280,3 173,6 289,6 273,8 583,6 721,5 873,6 884,2 2306,4 1958,9 1280,3 582,6 808,3 198,9 883,5 309,9 2767,8 1081,2 871,5 327,6 1686,6 1081,2 543,9 327,6
59,7 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 59,7 48,5 59,7 0,0 1,3 0,0 0,0 0,0 49,1 19,2 15,8 6,0 29,9 19,2 9,8 6,0
80,5 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 80,5 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 58,0 Binnen bebouwde kom (normaal) 80,5 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 1,5 Binnen bebouwde kom (normaal) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 60,3 Binnen bebouwde kom (normaal) 23,5 Binnen bebouwde kom (normaal) 18,9 Binnen bebouwde kom (normaal) 7,2 Binnen bebouwde kom (normaal) 36,8 Binnen bebouwde kom (stagnerend) 23,5 Binnen bebouwde kom (stagnerend) 11,7 Binnen bebouwde kom (stagnerend) 7,2 Binnen bebouwde kom (stagnerend)
Pagina | 19
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Figuur 0-1: Wegvaknummers die corresponderen met tabel 0-1. Tabel 0-2: De gemodelleerde verkeersintensiteiten in de referentiesituatie o.b.v. het verkeersmodel, de wegvaknummers zijn weergegeven op kaart in figuur 0-2. Tijdens de realisatiefase is een percentage van de toenames ingevoerd conform de faseringstabel in paragraaf 2.2.
Nr.
Licht 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
Middelzwaar Zwaar Wegtype 55,8 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (normaal) 241,7 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 241,7 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 242,9 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 374,3 0,5 0,6 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 461,2 0,5 0,6 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 1090,8 27,6 33,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 620,2 25,6 34,6 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 59,7 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 113,4 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 105,7 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 241,7 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 472,1 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 530,9 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 562,4 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 1183,3 25,6 34,6 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 780,8 20,6 24,6 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 620,2 25,6 34,6 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 244,8 0,0 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) Pagina | 20
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31
406,5 69,0 562,0 136,1 1173,7 516,4 388,3 153,5 55,8 241,7 241,7 242,9
0,5 0,0 0,0 0,0 20,8 9,2 7,0 2,8 0,0 0,0 0,0 0,0
0,6 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 25,6 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 11,2 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 8,4 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 3,4 Binnen bebouwde kom (doorstromend) 0,0 Binnen bebouwde kom (stagnerend) 0,0 Binnen bebouwde kom (stagnerend) 0,0 Binnen bebouwde kom (stagnerend) 0,0 Binnen bebouwde kom (stagnerend)
Figuur 0-2: Wegvaknummers die corresponderen met tabel 0-2.
Pagina | 21
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Bijlage 2: AERIUS PDF-bestand gebruiksfase Kenmerk: S6GQZJnu6VkK
Pagina | 22
Passende beoordeling en stikstofdepositie-onderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk projectnummer 0504789.100 26 maart 2026 revisie 02 Gemeente Rijswijk
Bijlage 3: AERIUS PDF-bestanden realisatiefase Kenmerken: • Bouwjaar 1: S3mxZRXFQi9F • Bouwjaar 2: RuVkGEaStuYJ • Bouwjaar 3: RcwKfrfhtTkt • Bouwjaar 4: RiatfVoWQvFs • Bouwjaar 5: RwoHobaeRjdh • Bouwjaar 6: S3pY26cuEaPs • Bouwjaar 7: Ra7mMvHHYgM9 • Bouwjaar 8: RSkumJjYKubQ • Bouwjaar 9: Rsr6fPktVUPm • Bouwjaar 10:RysLstqZ8UCp
Pagina | 23