Bijlage 3 Havenkwartier Fase 2, openbare ruimte en haven - Motivering Wijzigingsplan
Tekst van het document
Service, Privéauto), door het creëren van een autoluw gebied met een centrale doorsteek voor langzaam verkeer, autovrije binnentuinen en een inrichting die het gebruik van fiets en openbaar vervoer stimuleert. Het projectgebied ligt op loopafstand van tram- en bushaltes en wordt voorzien van ruime fietsparkeerfaciliteiten, waarmee duurzame mobiliteit wordt gefaciliteerd. Door het weren van doorgaand autoverkeer en het verbeteren van de verblijfskwaliteit in de openbare ruimte, draagt het plan bij aan het verminderen van verkeersdruk, het verbeteren van luchtkwaliteit en het verhogen van verkeersveiligheid. Daarmee ondersteunt Havenkwartier fase 2 de transitie naar een gezonde, bereikbare en toekomstbestendige stad zoals beoogd in het Mobiliteitsprogramma Rijswijk 2040.
3.4.13 Afvalinzameling
De gemeente Rijswijk wil sinds 2015 de nieuwe manier van afvalinzameling invoeren in haar gemeente. De integrale beleidscriteria voor het plaatsen van ondergrondse containers, toepassing Havenkwartier zijn opgenomen in het Ontwikkelkader havenkwartier. Hierna volgt een korte uiteenzetting. Bij afvalinzameling zijn de navolgende uitgangspunten van belang: • Bij laagbouw wordt restafval ingezameld met ondergrondse containers met toegangscontrole. Voor de overige afvalstromen (gft-e, pmd, opk) worden drie minicontainers per perceel verstrekt; • Bij hoogbouw wordt voor alle afvalstromen ondergrondse containers toegepast; • De ondergrondse containers worden geleverd en geplaatst door Avalex; • Inpandige plaatsing van afvalvoorzieningen bij hoogbouw gaat in overleg met de afdeling Stadsbeheer van de gemeente Rijswijk. De navolgende richtlijnen zijn van toepassing bij afvalinzameling: • De richtlijn voor de maximale loopafstand voor ondergrondse container restafval ligt op 250 meter. Voor mini-containers ten behoeve van recyclebare stromen bedraagt deze 75 meter bij laagbouw-woningen; • Ondergrondse containers voor rest- en gfte afval worden afgesloten middels een toegangscontrolesysteem met pas; • Bij het opstellen van het locatieplan worden alle geldende gemeentelijke eisen in acht genomen.
Tevens gelden de eisen gesteld door de eigenaren van kabels en leidingen; • Bij woningbouwontwiklelingen dient in een zo vroeg mogelijk stadium de benodigde capaciteit afvalinzameling vastgesteld te worden; • Alle kosten met betrekking tot het realiseren van ondergrondse afvalinzameling zijn voor de ontwikkelaar. Naast de boven vermelde uitgangspunten en richtlijnen zijn criteria op het gebied van obstakels in de ondergrond, ruimtelijke ligging, geluid, verkeer en vandalisme van toepassing. Voorts geniet bij grote complexen van meer dan 300 woningen afvalinzameling die inpandig wordt opgelost de voorkeur. Hierbij kan ook gedacht worden aan voorzieningen die mechanisch gedreven worden (perscontainer). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een ‘ondergrondse afvaltransportsysteem’ (OAT) te realiseren. Dit wordt op dit moment door de gemeente onderzocht op haalbaarheid. In het ontwikkelgerichte deel wordt onder meer een ondergronds afvaltransportsysteem mogelijk gemaakt. Voor bestaande bedrijven wordt het ook mogelijk om aangesloten te worden op het ondergronds afvaltransportsysteem. Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling van Havenkwartier fase 2 sluit aan bij de beleidscriteria voor het plaatsen van ondergrondse containers. Welke techniek van afvalinzameling wordt gebruikt is aan de ontwikkelende partijen. 50 van 103
4. Aspecten fysieke leefomgeving, gezondheid en milieu 4.1 Plan- en project mer.-beoordeling 4.1.1 Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG, Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Voor de beoogde ontwikkeling dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Uitgaande van de relevante uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak moet bij de beoordeling of sprake is van een ontwikkeling die valt onder een van de categorieën van de richtlijn milieueffectrapportage, rekening worden gehouden met de concrete omstandigheden van het geval.
Daarbij spelen onder meer de aard en omvang van de voorgenomen wijziging of ontwikkeling een rol alsook: • de mate waarin een ontwikkeling afwijkt van hetgeen planologisch is toegelaten; • de mate waarin er sprake is van uitbreiding van bebouwing of verharding; • de mate waarin er sprake is van een wijziging van het gebruik; • de situatie rondom de ontwikkeling. 4.1.2 Resultaten onderzoek en conclusie Voor het Ontwikkelkader Havenkwartier is eerder een m.e.r.-beoordeling opgesteld, uitgaande van o.a. 2500 woningen en 70.000 m2 bedrijvigheid. In het kader van dit wijzigingsbesluit is een aanmeldnotitie mer-beoordeling is opgesteld om mogelijk belangrijke nadelige milieueffecten in beeld te brengen van het extra programma van het Addendum (bijlage 1 bij deze motivering). Voor de onderbouwing van deze aanmeldnotitie mer-beoordeling is gebruik gemaakt van informatie uit verschillende milieuonderzoeken. Deze milieuonderzoeken zien op het totale programma van het Havenkwartier fase 2 en niet uitsluitend gericht op het extra programma. Op deze manier is ook het totaal van het nog te ontwikkelen programma in beeld gebracht. Daar waar dit mogelijk relevant is, is cumulatie in beeld gebracht en opgenomen in de conclusies.
Cumulatie Voor zover ontwikkelingen in de nabije omgeving bekend zijn is in aanmeldnotitie de cumulatie op het gebied van verkeer, geluid, lucht en stikstof inzichtelijk gemaakt. Voor verkeer is daarvoor een scenario onderzocht waarin cumulatie van ontwikkelingen in de omgeving in beeld zijn gebracht. Ook zonder de herontwikkelingen zijn de kruispunten al zwaarbelast. Op de kruispunten op de Burgemeester Elsenlaan zijn inmiddels iVRI’s geplaatst. De extra capaciteit die dit levert, wordt gefaseerd toegevoegd afgestemd op de bouwontwikkelingen. De gemeente heeft een gemeentebrede Mobiliteitsstrategie (d.d. juli 2024) vastgesteld. Hierin wordt gewerkt met een gebiedsgerichte benadering, waarin maatwerk gegeven kan worden aan gebiedsontwikkelingen, maar wel met oog voor een integraal mobiliteitsnetwerk in Rijswijk. Bij daadwerkelijke invulling van het besluitgebied, al of niet gefaseerd, dient per woning berekend te worden wat de geluidbelasting is per bedrijf en gecumuleerd bij blootstelling aan het geluid van meerdere bedrijven. Tevens dient daarbij het geluid van wegen inzichtelijke 51 van 103
gemaakt te worden. Alleen het geluid van rijksweg A4 leidt tot overschrijding van de grenswaarde. Als maatregel voor het geluid van de rijksweg A4 dient bij overschrijding van de grenswaarde een niet-geluidgevoelige gevel gecreëerd te worden, al of niet met bouwkundige maatregelen. Daar waar de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 58 dB dient te bedragen om de gevels als geluidluw te bestempelen, dienen maatregelen als Harbour fensters, afsluitbare loggia’s, geluidgedempte ventilatieboxen o.d. te worden toegepast. Bewoners kunnen bij geopende geveldelen dan alsnog relatief stil ventileren. Voor zowel luchtkwaliteit als stikstof zijn de (cumulatieve) verkeersgegevens van scenario 3 gebruikt. Voor luchtkwaliteit is geconstateerd dat deze ruimschoots voldoen aan de rijksomgevingswaarden ten aanzien van stikstofdioxide en fijn stof. Uit onderzoek naar de stikstofdepositie is op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000 gebieden is gebleken dat in het laatste bouwjaar en de gebruiksfase de stikstofdepositie na intern salderen maximaal 0,01 mol/ha/jaar zou kunnen zijn. Een ecologische voortoets is uitgevoerd. De ecologische voortoets geeft aan dat significante (negatieve) gevolgen op de hiervoor genoemde gebieden nog niet (volledig) uitgesloten kunnen worden. In de AERIUS-berekening is de referentiesituatie echter nog niet meegenomen.
Vanuit de bestaande bedrijvigheid is saldo beschikbaar uit directe emissies (zoals gasverbruik), (vracht)verkeer en koude starts. Het ligt daarom voor de hand om intern salderen toe te passen als mitigerende maatregel bij dit plan. Hiervoor is l een passende beoordeling opgesteld. Op grond van artikel 16.36 lid 3 en 4 is sprake van een klein gebied en kan ook met passende beoordeling worden volstaan met een mer-beoordeling Conclusie Voor de voorgenomen activiteit geldt dat wanneer wordt voldaan aan de gestelde eisen en maatregelen uit de onderzoeken en onderhavige notitie er verwacht wordt dat er geen belangrijk nadelige milieugevolgen optreden. Dit volgt uit de volgende conclusies uit de onderzoeken die aan deze aanmeldnotitie ten grondslag hebben gelegen: • Verkeer: bepaalde kruispunten al (zwaar) belast zijn in de autonome en plansituatie in de ochtend- en/of avondspits. De plansituatie is daarvoor niet verantwoordelijk. Oplossingen worden aangedragen in de mobiliteitsstrategie (juli 2024); • Geluid: Op basis van het akoestisch onderzoek en het beoordelingskader voor zowel het geluid van bedrijven als verkeer kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling akoestisch inpasbaar is.
Dit vraagt dat in de verdere planuitwerking zorgvuldig wordt omgegaan met het geluid van bedrijven en verkeer en dat maatregelen, waaronder bouwkundige, voldoende effect sorteren; • Luchtkwaliteit: De luchtkwaliteit zal in de beoogde situatie ruimschoots voldoen aan de rijksomgevingswaarden ten aanzien van stikstofdioxide en fijn stof. In toekomstige jaren wordt zelfs voldaan aan de veel strengere WHO-waarden; • Externe veiligheid: Ten aanzien van het aspect externe veiligheid worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Wel zal het wijzigingsbesluit omgevingsplan moeten beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of de bescherming afdoende is; • Bodem: In het plangebied is sprake van bodemverontreiniging op aantal locaties. Door hiervoor maatregelen te treffen of de verontreinigingen te saneren, kunnen negatieve effecten voorkomen worden. Door deze sanering zullen de effecten van de ontwikkelingen binnen Havenkwartier positief zijn;
52 van 103
• •
•
•
•
Water: Er treden geen belangrijke nadelige milieueffecten op voor de waterhuishouding, waterkwaliteit of waterveiligheid; Ecologie, beschermde soorten: Uit onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van beschermde soorten niet op voorhand uitgesloten kan worden. Dit betekent dat er voorafgaande aan de uitvoering aanvullend onderzoek gedaan moet worden naar het voorkomen van vleermuizen en algemene broedvogels. Een dergelijk onderzoek geldt voor alle te slopen of realiseren gebouwen en geldt niet specifiek voor de ontwikkelingen binnen Havenkwartier; Ecologie, Natura 2000: Uit onderzoek naar de stikstofdepositie is op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000 gebieden is gebleken dat in het laatste bouwjaar en de gebruiksfase de stikstofdepositie na intern salderen maximaal 0,01 mol/ha/jaar zou kunnen zijn. Een ecologische voortoets is uitgevoerd. De ecologische voortoets geeft aan dat significante (negatieve) gevolgen op de hiervoor genoemde gebieden nog niet (volledig) uitgesloten kunnen worden. In de AERIUS-berekening is de referentiesituatie echter nog niet meegenomen. Vanuit de bestaande bedrijvigheid is saldo beschikbaar uit directe emissies (zoals gasverbruik), (vracht)verkeer en koude starts. Het ligt daarom voor de hand om intern salderen toe te passen als mitigerende maatregel bij dit plan. Hiervoor is een passende beoordeling worden opgesteld.
Op grond van artikel 16.36 lid 3 en 4 is sprake van een klein gebied en kan ook met passende beoordeling worden volstaan met een mer-beoordeling. Archeologie: Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat binnen het plangebied op verschillende locaties archeologische vondsten te verwachten zijn. Bij daadwerkelijke uitvoering van grondwerkzaamheden zal aanvullend proefsleuvenonderzoek en aanvullend booronderzoek noodzakelijk geacht worden. De ruimtelijke invulling is daarvoor niet bepalend voor mate van bodemverstoring; Cultuurhistorie: De aanwezige cultuurhistorische waarden in en rond het plangebied blijven behouden en worden niet negatief beïnvloed door de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat ook het thema cultuurhistorie geen belangrijke nadelige milieugevolgen oplevert.
Er is daarom in de aanmeldnotitie mer-beoordeling geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om een mer-procedure te doorlopen voor deze ontwikkeling. Het college van B&W heeft op 16 december 2025 besloten dat voor de wijziging van het omgevingsplan Havenkwartier fase 2 geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld vanwege de uitkomsten van de (plan- en project)mer-beoordeling.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Wettelijk kader
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) (art. 5.130) formuleert voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie beginselen voor de omgang met beschermde monumenten, archeologische vindplaatsen, rijksmonumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen die op grond van het Omgevingsplan zijn beschermd. Afdeling 8.8 Bkl bevat regels voor rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van monumenten. In de Erfgoednota 2024-2032 Gezichten om van te houden is een stevig gemeentelijk erfgoedbeleid neergezet waarin een aantal uitgangspunten en ambities duidelijk maken hoe de gemeente Rijswijk met erfgoed omgaat. Erfgoed omvat gebouwde, aangelegde groene en archeologische monumenten, inclusief rijks- en gemeentelijke monumenten zoals die in de Landgoederenzone, de Vlietzone en het bunkercomplex Park Overvoorde. Deze erfgoedlijnen 53 van 103
maken Rijswijk tot een stad met een unieke identiteit. Ook historisch groen, kunst die vastzit aan gebouwen, losse voorwerpen en immaterieel erfgoed zoals oude tradities en verhalen spelen een essentiële rol in de cultuurhistorische waarde van onze gemeente. De verwachtingswaarden van de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart zijn doorgaans vertaald naar dubbelbestemmingen in het omgevingsplan van rechtswege. Voor initiatieven binnen gebieden met een hoge verwachtingswaarde of dubbelbestemming Archeologie dient archeologisch onderzoek plaats te vinden.
4.2.2 Resultaten onderzoek en conclusie
Archeologie Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, mede bestaande uit bestemmingsplan ‘Plaspoelpolder, 1e algehele herziening’, is op de gronden die tot het plangebied van deze omgevingsplanwijziging behoren een dubbelbestemming Waarde – Archeologie opgenomen. Deze dubbelbestemming beschermt de archeologische waarden van de gronden. De regels over archeologie zijn reeds opgenomen in het nieuw deel van het omgevingsplan. Deze regels beschermen de archeologische waarden in de gronden binnen het plangebied. Wanneer het bevoegd gezag met zekerheid vast heeft kunnen stellen dat in het plangebied de kans op het aantreffen van archeologisch relicten laat is, kan de archeologische waarde op de gronden worden afgewaardeerd. Omdat artikel 4.46 en paragraaf 5.2.34 van het nieuw deel van het omgevingsplan reeds voorzien in een bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden hoeft in deze omgevingsplanwijziging geen specifiek beschermingsregime voor archeologie ingesteld te worden. Bouw- en aanlegwerkzaamheden (onder maaiveld) die de ondergrenzen van dit beschermingsregime overschrijden mogen pas worden uitgevoerd nadat daar een omgevingsvergunning voor verleend is. De omgevingsvergunning wordt verleend als de archeologische waarde van de onderzochte locatie voldoende is vastgesteld.
Cultuurhistorie Naast en deels in het plangebied is de historische landweg het ‘Jaagpad’ gelegen. Achter het jaagpad (een voormalig jaagpad langs het Rijn-Schiekanaal ligt het historisch water van dit kanaal. De route over het jaagpad verloopt ter plaatse van het plangebied via een zogenoemde hekwerkbrug die is aangemerkt als gemeentelijk monument. Het Rijn-Schiekanaal en de hekwerkbrug liggen niet in het plangebied. Uit de Cultuurhistorisch Waardenkaart blijkt verder dat in het plangebied geen cultuurhistorische waarden zijn gelegen.
54 van 103
Figuur 27 uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Rijswijk, plangebied in geel
In de gebiedspaspoorten die ten behoeve van de transformatie van het Havenkwartier naar een gemengd werk-woongebied gemaakt zijn wordt het jaagpad gevrijwaard van bebouwing. Nieuwe bebouwing en terreininrichting worden tevens zo gesitueerd dat zij het jaagpad of het tracé daarvan niet wijzigen. De hekwerkbrug wordt door deze omgevingsplanwijziging niet gewijzigd. Nabij de hekwerkbrug worden geen bouwwerken of andere activiteiten toegestaan die het cultuurhistorisch karakter van de hekwerkbrug en omgeving aantasten. Cultuurhistorie Eventueel aanwezige archeologische waarden worden beschermd door deze omgevingsplanwijziging. Het jaagpad is een cultuurhistorische structuur die deels in het plangebied van deze omgevingsplanwijziging ligt. In het plangebied wordt deze cultuurhistorisch waardevolle structuur niet gewijzigd. Voor cultuurhistorische waardevolle elementen in de omgeving van het plangebied geldt ook dat zij niet gewijzigd worden door deze omgevingsplanwijziging. De elementen liggen dermate ver van het plangebied dat wijzigingen in het Havenkwartier niet leiden tot een effect op de verschijningsvorm en herkenbaarheid van deze elementen.
4.3 Bodem 4.3.1 Wettelijk kader
Omgevingswet Onder de Omgevingswet vindt de aanpak van bodemverontreinigingen plaats bij ontwikkelingen. De voorgenomen activiteit of gebiedsopgave staat dan voorop, in plaats van de verontreiniging. In het geval van bodemgevoelige locaties dient in het omgevingsplan een saneringsplicht opgenomen te zijn (o.g.v. de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving). Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Hieronder valt ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
55 van 103
Verder heeft de provincie in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en de daaraan gekoppelde voorbeschermingsregels, regels opgesteld voor grondwatergevoelige gebouwen op grondwatergevoelige locaties. Omgevingsplan - Toelaatbare kwaliteit bodem Via het omgevingsplan wordt voorkomen dat gebouwd wordt op een verontreinigde bodem met onaanvaardbare risico's voor de gezondheid. Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De gemeente stelt zelf deze waarden vast. Als waarde voor de toelaatbare kwaliteit is vooralsnog de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in het omgevingsplan. Voor de stoffen lood en PFAS zijn in de basisregeling strengere normen vastgelegd. De aangegeven waarden voor lood voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor gebruiksfuncties waar jonge kinderen dagelijks kunnen verblijven zijn gelijkgesteld aan de advieswaarden van de GGD waarboven sprake is van onvoldoende bodemkwaliteit. Voor de PFAS stoffen worden in dit lid waarden voor de toelaatbare kwaliteit vastgelegd. De waarden voor PFAS zijn gelijk aan de INEV (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging) (RIVM 29‑4‑21 en kamerbrief 2‑5‑2022). Een INEV is vergelijkbaar met de interventiewaarden bodemkwaliteit.
Deze waarden zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. Hierbij zijn de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig verminderd of dreigen te worden verminderd. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) - uitvoeren milieubelastende activiteiten (MBA) bodem Met de Omgevingswet is de systematiek van de wetgeving veranderd. In plaats van de Wet Bodembescherming (Wbb) zijn algemene rijksregels voor een aantal milieubelastend activiteiten opgenomen. Onder andere voor: het graven in de bodem, saneren van de bodem, het opslaan van grond en baggerspecie en het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen in of op de bodem. Voor het uitvoeren van deze activiteiten dient de initiatiefnemer op grond van het Bal doorgaans informatie aan te leveren en/of te melden. Soms kan bij verontreiniging sprake zijn van het overgangsrecht als bedoeld in Hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, dan is de Wbb (en bijbehorende regelgeving) nog van toepassing. Bijvoorbeeld bij een in het verleden ingediend saneringsplan, ernstig geval van bodemverontreiniging, welke spoedeisend is of opgelegde gebruiksbeperkingen in het kader van nazorg. Het Bal stelt ook regels voor MBA’s die de bodem mogelijk kunnen verontreinigen. In principe moet voorkomen worden dat de bodem verontreinigd kan raken.
Verontreiniging die toch ontstaan is als gevolg van een bodembedreigende activiteit moet zo snel en volledig als mogelijk worden verwijderd.
4.3.2 Resultaten onderzoek en conclusie
Conserverend deel Het conserverend deel zal het huidige gebruik vastleggen. Dit betekent dat het conserverende deel van de wijziging van het omgevingsplan geen bodemgevoelige functies zal toestaan. De gronden zijn reeds geschikt voor de daar aanwezige bedrijven, aangezien het gebruik reeds aanwezig is. Vanuit het conserverende deel vinden geen activiteitwijzigingen plaats en daarmee heeft het conserverende deel ook geen effect op de bodemkwaliteit. Activiteiten die op grond van de conserverende regels uitgeoefend worden moeten voldoen aan de rijksregels en decentrale regels over bodem. Bodemverontreiniging wordt daarmee voorkomen. Ontwikkelgericht deel 56 van 103
Met de transformatie van het Havenkwartier tot een gemengd werk-woongebied worden geen nieuwe bodembedreigende activiteiten toegestaan. Wel worden er bodemgevoelige functies toegestaan. Het omgevingsplan van de gemeente Rijswijk stelt in artikel 4.74 al extra regels aan het bouwen van bodemgevoelige bouwwerken. Raadpleging van het Bodemloket wijst uit dat een groot deel van het plangebied al voldoende onderzocht of gesaneerd is. Op de kruising van de Limpergstraat met de Koopmansstraat en de kruising van de Steenplaetsstraat met de Koopmansstraat is onderzoek nodig. Dat geldt ook voor het tracé van de Koopmansstraat tussen deze twee kruisingen en andere gronden aan de Steenplaetsstraat. Daarnaast is een aantal locaties in het plangebied niet gearceerd, wat inhoudt dat er geen gegevens beschikbaar zijn en er dus ook bodemonderzoek plaats moet vinden. Figuur 28 toont de informatie uit het Bodemloket.
Figuur 28 Plangebied (indicatieve begrenzing in geel voor fase 2) in het Bodemloket
In juli 2019 is bodemonderzoek5 uitgevoerd. Het doel van het historisch onderzoek was het in kaart brengen van alle bekende historische gegevens over mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging en daarmee het inzichtelijk krijgen waar nog informatie over de bodem ontbreekt. Op basis van deze bevindingen kan worden beoordeeld of en op welke wijze in de tweede fase (verkennend) bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden. Bij de uitvoering van het onderzoek naar eventuele verontreiniging is de NEN 5725 als leidraad gebruikt. Het onderzoeksgebied is verdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen, dit komt ook naar boven uit het historisch vooronderzoek. Er blijken binnen het plangebied meerdere sterke verontreinigde locaties voor te komen. Op deze plekken is nader onderzoek nodig om de omvang van de verontreiniging in beeld te brengen. Het gaat hierbij om de volgende locaties: ▪ Steenplaetsstraat 7; ▪ Koopmansstraat 9; Naast deze sterk verontreinigde locaties zijn er een aantal locaties binnen het gebied aanwezig die al gesaneerd zijn. Echter kan bij ontwikkeling van nieuwe bestemmingen extra sanering noodzakelijk zijn of is er onvoldoende informatie beschikbaar over de uitgevoerde sanering. Dit 5
AbelTalent, Vooronderzoek NEN 5725, Havenkwartier Rijswijk, juli 2019
57 van 103
geldt voor de Haven Rijswijk; Van nature komen er waarden van licht tot sterke verontreinigingen met arseen voor in het gebied die te relateren zijn aan het “plaatsingseffect”. Dit effect houdt in dat arseen uit een ijzer/arseenverbinding uit de bodem in oplossing in het grondwater gaat. Daardoor kan het plaatsen van peilbuizen de zuurstofbalans in de bodem tijdelijk worden verstoord. Dit arseen gehalte neemt na verloop van tijd weer af naar een concentratie rond de streefwaarde. Saneringsmaatregelen zijn daarom, conform het provinciaal beleid, niet noodzakelijk met betrekking tot de verontreiniging met arseen. Uit de voorgaande uiteenzetting volgt dat (nader) onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk is voor bijvoorbeeld het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk of voor voorgenomen grondverzet. Dit onderzoek moet allereerst conform NEN5725 uitgevoerd worden, waarna opvolgende bodemonderzoeken volgens specifieke NENnormen plaats kunnen vinden. Geadviseerd wordt om het moment van uitvoeren van het nieuwe bodemonderzoek af te stemmen op het moment van de uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden en wanneer er meer duidelijkheid is over de uiteindelijke inrichting van het plangebied.
De resultaten van een bodemonderzoek worden gedurende een periode van vijf jaar representatief geacht voor onverdachte locaties en korter voor verdachte locaties. Het is aan het bevoegd gezag om dat te beoordelen. Daarnaast wordt geadviseerd om ter plaatse van de bebouwing bodemonderzoek te laten uitvoeren na eventuele sloop van de bebouwing, zodat ook een uitspraak kan worden gedaan over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem onder de bebouwing. De regels van het omgevingsplan borgen al dat dit bodemonderzoek plaats moet vinden en om die reden is het dan ook niet nogmaals geborgd in deze omgevingsplanwijziging. In de omgevingsplanregels is onder andere bepaald wat voor bodemonderzoek een initiatiefnemer die een vergunning aanvraagt voor het bouwen van een bouwwerk op een plek waar (nader) onderzoek naar de bodemkwaliteit nodig is, in moet dienen en hoe beoordeeld wordt of een aangevraagde omgevingsvergunning verleend kan worden. De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Als deze kwaliteit wel wordt overschreden, moet aannemelijk worden gemaakt dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Of de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden, moet blijken uit onderzoek (in overeenstemming met NEN 5725), en zo nodig een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740). Mocht uit het aanvullende onderzoek blijken dat sanering of andere maatregelen nodig zijn, dan zullen deze worden getroffen en in stand gehouden worden. Zodoende zijn er vanuit de bodemkwaliteit geen belemmeringen om de beoogde ontwikkeling op deze plek toe te staan. Conclusie De bodemkwaliteit van het plangebied is op de meeste locaties voldoende vastgesteld en op die locaties is geen vervolgonderzoek nodig. Activiteiten die op grond van de conserverende regels uitgeoefend mogen worden moeten voldoen aan de rijksregels en decentrale regels over bodem. Op een beperkt aantal locaties in het plangebied is nog wel vervolgonderzoek nodig. Dergelijk vervolgonderzoek wordt afgedwongen door de regels van het omgevingsplan . De regels in het omgevingsplan borgen dat er geen ontwikkelingen toegestaan kunnen worden als de bodemkwaliteit onvoldoende aansluit bij de activiteit die op die locatie voorzien is. Bodemonderzoek kan verder plaatsvinden in het vervolg van het planvormingstraject en met de waarborgen in de regels van het omgevingsplan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 58 van 103
4.4 Duurzaamheid 4.4.1 Wettelijk kader Landelijke ambitie duurzaamheid De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO₂-uitstoot moet terugdringen: 55% minder CO₂-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. Om dit doel te halen, hebben de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties een Klimaatakkoord gesloten. Er staan ook afspraken in die partijen onderling hebben gemaakt. Hierin staat ook de ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Op basis van de Wet Voortgang Energietransitie mogen geen vergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die wordt aangesloten op een gasnet, tenzij de gemeente hiervoor om zwaarwegende redenen ontheffing verleent. Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland wil vooroplopen op het gebied van klimaatadaptief bouwen. Op 4 oktober 2018 is het Convenant Klimaatadaptief Bouwen opgesteld. Vanuit het convenant wordt gezamenlijk opgetrokken om de Zuid-Hollandse delta zo adaptief mogelijk te maken. Het convenant stimuleert partijen om klimaatadaptief te bouwen en biedt daarvoor allerlei ondersteuning aan. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, droogte, hittestress, bodemdaling en overstromingen en het vergroten van de biodiversiteit bij bouwopgaven.
Rijswijkse Adaptatiestrategie en Aanpak Klimaatverandering (RAAK 2023-2030) Rijswijk moet beter uitgerust worden om de effecten van klimaatverandering te kunnen opvangen. De RAAK 2023-2030, vastgesteld door de raad op 30 juni 2023, vloeit voort uit de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Met deze strategie tot 2030 kunnen we de klimaatrisico’s als gevolg van klimaatverandering op termijn geleidelijk terugdringen, met positieve gevolgen voor de leefbaarheid in onze stad. Er wordt ingezet op de aanpak van hittestress en bewustwording, maar ook het bewaken van biodiversiteit. Tevens is afgesproken om het Convenant Klimaatadaptief Bouwen toe te passen op alle nieuwbouwprojecten. Daarmee voldaan aan de eisen van de Landelijke Maatlat voor een Groene Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving. Daarnaast is op 20 september 2022 de Verordening Afvoer Hemelwater vastgesteld, waarbij 50 mm waterberging en compensatie van extra afvalwater verplicht wordt gesteld. Deze verordening zal worden ingetrokken met het vaststellen van de basisregeling. De materiele regels zijn in de basisregeling verwerkt. Warmteprogramma 2025-2030 De gemeente Rijswijk wil in 2050 energieneutraal zijn. Het Warmteprogramma 2025-2030 bevat de kaders en uitgangspunten voor de gemeentelijke bijdrage aan de Regionale Energiestrategie. Dit programma vloeit voort uit de gemeentelijke Transitievisie Warmte.
Daarin heeft de gemeente aangegeven op welke wijze wordt gewerkt aan de overstap naar duurzame warmte voor de gebouwde omgeving: • Het verkleinen van de warmtevraag. Hiervoor wordt ingezet op het isoleren van woningen, maar ook gedragsverandering. • Lokale initiatieven stimuleren en faciliteren. • De overstap naar duurzame energie moet voor inwoners haalbaar en betaalbaar zijn. • Communicatie en participatie is onmisbaar in het proces van de overstap naar duurzame energie.
59 van 103
Daarnaast is per wijk aangeven welke alternatieve warmte opties mogelijk zijn voor het verwarmen van woningen en gebouwen zonder aardgas. Voor de wijken waar aansluiting op een warmtenet tot de opties behoort, is aangegeven in welke fasering de aanleg van warmtenetten wordt uitgewerkt. Met het bodemenergieplan geeft de gemeente sturing aan de verdeling van de schaarste in de ondergrond en het optimaal gebruik van bodemenergie.
4.4.2 Resultaten onderzoek en conclusie
Conserverend deel Het conserverende deel van deze wijziging van het omgevingsplan houdt in dat het huidige gebruik en de huidige bebouwing wordt vastgelegd. Er wordt met het conserverende deel geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt binnen het plangebied en daarmee geen nieuwbouw gerealiseerd. Tevens vinden dan geen wijzigingen in de openbare ruimte plaats. De kansen voor verduurzaming binnen het plangebied kunnen voornamelijk in het ontwikkelgerichte deel een plaats krijgen. Ontwikkelgericht deel Tevens zijn in deze omgevingsplanwijziging regels gesteld over het klimaatadaptief en natuurinclusief ontwikkelen waar bij nieuwe bouwactiviteiten aan voldaan moet worden. Deze regels zijn gesteld om bij de transformatie naar een gemengd werk-woongebied het Convenant Klimaatadaptief Bouwen na te kunnen leven. Ten behoeve van het stellen van deze regels is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om natuurinclusief te bouwen. De resultaten van dat onderzoek zijn verwerkt in deze regels. Ook is opgenomen dat voldaan moet worden aan het Bodemenergieplan Rijswijk – Bogaard stadscentrum en Plaspoelpolder’.
4.5 Geluid 4.5.1 Wettelijk kader
De regels over geluid met betrekking tot de fysieke leefomgeving gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). De gemeente heeft nog geen basisgeluidemissie. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Artikel 3.20 Bkl wijst aandachtsgebieden aan waarbij het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Binnen een geluidaandachtsgebied dient het bevoegd gezag te beoordelen of het geluid op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De gemeente Rijswijk heeft nog geen geluidaandachtsgebieden vastgesteld, dus worden er standaard afstanden aangehouden, namelijk: • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100m;
60 van 103
•
•
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200m; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350m.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat standaardwaarden (artikel 3.34) en grenswaarden (artikel 3.35) voor geluid door wegen als instructieregels. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw binnen het geluidaandachtsgebied van een weg gelden de standaardwaarden en grenswaarden zoals vermeld in respectievelijk artikel 5.78t en artikel 5.78u. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van een geluidbronsoort. Geluidkader Geluid speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het Havenkwartier. Om ‘goede buren’ te kunnen zijn, is duidelijkheid nodig over hoe je met elkaar om kan gaan in een gemengd werk- en woongebied en wat je van elkaar mag verwachten. De geluidbelasting wordt veroorzaakt door wegverkeersgeluid en industriegeluid. Dit geluidkader fase 2 Havenkwartier gaat specifiek in op industriegeluid in relatie tot de ontwikkeling van fase 2. In tegenstelling tot bij fase 0 en 1 liggen bij fase 2 de locaties waar woningen zijn voorzien ten opzichte van de bestaande bedrijven niet op voorhand vast. Hierdoor is gericht akoestisch onderzoek om de geluidbelasting van die bedrijven op de nog te projecteren woningen inzichtelijk te maken nog niet mogelijk en kan ook nog niet bepaald worden of nadere maatregelen bij de bedrijven en/of woningen noodzakelijk zijn.
Wel is van belang dat bestaande bedrijven hun huidige en voorziene toekomstige activiteiten kunnen voortzetten. Het geluidkader industriegeluid geeft aan hoe een aanvaardbaar akoestisch klimaat gerealiseerd kan worden in fase 2, rekening houdend met de mogelijkheden en beperkingen die de Omgevingswet biedt en met de belangen van de gevestigde bedrijven. Geluidregister Binnen het Havenkwartier wordt gebruik gemaakt van een geluidregister. Per bedrijf met geluidruimte is een ‘geluidcontour - bedrijf’ vastgelegd. Het gaat dan om geluidruimte van geluidveroorzakende activiteiten en de eventueel verleende maatwerkbesluiten. Het geluidregister maakt het mogelijk om per bedrijf actueel inzichtelijk te hebben wat de geluidruimte is. Andersom geldt het ook als richtinggevend kader, bedrijven dienen zich te houden aan deze geluidruimte. Dit geluidregister is tot stand gekomen door akoestisch onderzoek uit te voeren bij alle bedrijven in het Havenkwartier. In dit akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de bestaande feitelijke werkzaamheden en bekende toekomstige ontwikkelingen. Hiermee geeft het geluidregister een actueel beeld van de geluidcontouren. De bedrijven aan de Nijverheidsstraat zijn niet opgenomen in het geluidregister, omdat deze niet in het plangebied vallen van deze wijziging. Wel is voor hen een gezamenlijke contour bepaald.
Hieruit blijkt dat deze contour , net op de kade van fase 2 valt. Dit betekent dat de eventuele ontwikkeling van deze kwadranten rekening dient te houden met de geluidcontouren van de bedrijven van Harbour Village.
61 van 103
Figuur 29: gezamenlijke contour geluidactiviteiten Harbour Village (op resp. 5 en 20 m hoogte)
4.5.2 Resultaten onderzoek en conclusie
Uit onderzoek van Peutz (bijlage 3 bij deze motivering) blijkt dat het gecumuleerde geluid van wegen (rijksweg en gemeentewegen) blijkt de gecumuleerde geluidbelasting varieert van <50 tot 65 dB. De beoordeling varieert daarmee tussen goed en tamelijk slecht. Het hoogst gecumuleerde geluid wordt veroorzaakt op de woningen waarbij de zuidoost- en noordoostgevels gericht zijn naar rijksweg A4 en de toerit naar de A13. Veel gevels zijn geluidluw te bestempelen. Minimaal één gevel van een woning dient geluidluw te zijn. Bij daadwerkelijke invulling van het besluitgebied, al of niet gefaseerd, dient per woning berekend te worden wat de geluidbelasting is per bedrijf en gecumuleerd bij blootstelling aan het geluid van meerdere bedrijven. Tevens dient daarbij het geluid van wegen inzichtelijk gemaakt te worden. Alleen het geluid van rijksweg A4 leidt tot overschrijding van de grenswaarde. Als maatregel voor het geluid van de rijksweg A4 dient een niet-geluidgevoelige gevel gecreëerd te worden, al of niet met bouwkundige maatregelen. Daar waar de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 58 dB dient te bedragen om de gevels als geluidluw te bestempelen, dienen maatregelen als Harbour fensters, afsluitbare loggia’s, geluiddempende ventilatieboxen o.d. te worden toegepast. Bewoners kunnen bij geopende geveldelen dan alsnog relatief stil ventileren. Dit is in de regels geborgd.
Voorts zijn er door de GGD Haaglanden uitgangspunten geformuleerd voor het 'bouwen in akoestisch belast gebied’. De suggesties over stille zijde en niet-geluidgevoelige gevels die hierin worden gedaan worden daar waar mogelijk meegenomen in de transformatieopgave.
4.6 Luchtkwaliteit 4.6.1 Wettelijk kader
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening 62 van 103
worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden rijksomgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) maatgevend zijn. Voor een aantal specifieke activiteiten moet de luchtkwaliteit beoordeeld worden. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als de gemeenteactiviteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden (art. 5.51 Bkl). Omdat Rijswijk in het aandachtsgebied Den Haag/Leiden valt voor zowel stikstofdioxide als fijnstof, moet er altijd getoetst en gemonitord worden aan de rijksomgevingswaarden van NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijnstof), tenzij er in niet betekenende mate wordt bijgedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiervoor kan de NIBM-tool worden ingevuld. Daarnaast moet luchtkwaliteit beoordeeld worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.
Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan minimaal één van de volgende voorwaarden: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Voor het bepalen van de achtergrondconcentratiewaarden kan er gebruik worden gemaakt van gegevens van het CIMLK.
4.6.2 Resultaten onderzoek en conclusie
De voorgenomen ontwikkeling van Havenkwartier Fase 2 draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt ruim voldaan aan rijksomgevingswaarden. Dit is toegelicht in bijlage 4 bij deze motivering. Conserverend deel In het conserverende deel van de wijziging van het omgevingsplan wordt het huidige gebruik en de huidige bebouwing vastgelegd. Dit betekent dat er geen sprake is van een bouwfase waarin verslechtering van de luchtkwaliteit optreedt. Ook zal er geen sprake zijn van een toename van verkeersbewegingen, aangezien gebruik wordt beperkt door hetgeen in de huidige situatie aanwezig is. Als gevolg van het conserverende deel van de wijziging van het omgevingsplan treedt er geen verslechtering van de luchtkwaliteit op. Er zal eerder een positief effect ontstaan op de luchtkwaliteit, aangezien activiteiten beperkt blijven tot de huidige activiteiten en dus niet verder uitgebreid kunnen worden. Daarmee zijn in het conserverend deel van deze omgevingsplanwijziging geen negatieve effecten op gezondheid te verwachten. Ontwikkelgericht deel De ontwikkellocatie ligt in een aandachtsgebied voor zowel NO2 als PM10, namelijk het aandachtsgebied ‘Den Haag/Leiden’ waar 12 gemeenten in liggen. Daarom dient onder de Omgevingswet (Ow) getoetst te worden aan de (rijks)omgevingswaarden of dient aannemelijk te 63 van 103
worden gemaakt dat deze toetsing niet nodig is. Er is daarom een NIBM-toets uitgevoerd. Ter aanvulling is de heersende luchtkwaliteit in en rond het plangebied onderzocht en is het plan afgezet tegen het Actieplan Luchtkwaliteit. Niet in betekende mate (NIBM) Het plan omvat maximaal 663 woningen, wat ruim onder het standaardgeval voor woonfuncties blijft. De woonfuncties worden gecombineerd met bedrijfsfuncties, voor deze combinatie bestaat geen standaardgeval. De bedrijvigheid is grotendeels al toegestaan in het vigerende planologische regime. Zekerheidshalve is de NIBM-tool (versie 20 april 2025) ingevuld met worstcase de verkeersgeneratie per weekdag van het totale plan vanuit het verkeersmodel, zie onderstaand figuur 30.
Figuur 30: Berekening met de NIBM-tool voor Havenkwartier fase 2
Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Hierdoor kan nader onderzoek naar de gevolgen van luchtkwaliteit achterwege blijven. Achtergrondconcentraties In het kader van een evenredige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) zijn met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) de jaargemiddelde concentraties in de huidige situatie (2023) en toekomstige situatie (2030) in beeld gebracht. Onderstaande tabel toont de hoogste concentraties stikstofdioxide en fijn stof van de dichtstbijzijnde receptoren aan de Burgemeester Elsenlaan. Stof
Totale concentratie 2023 Totale concentratie 2030 [µg/m3] [µg/m3]
Stikstofdioxide NO2
21,41
19,01
Fijn stof PM10*
16,60
15,27
Fijn stof PM2,5
8,19
7,51
* Bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van meer dan 31,2 µg/m is sprake van meer dan 35 keer overschrijding van de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 (50 µg/m3). 3
64 van 103
Uit de tabel blijkt dat er wordt voldaan aan de rijksomgevingswaarden. Ook wordt in 2030 voldaan aan de aangescherpte Europese Richtlijn. Actieplan Luchtkwaliteit Voor ontwikkelingen als Havenkwartier Fase 2 wordt bijgedragen aan het Actieplan luchtkwaliteit door aandacht te besteden aan energiezuinig bouwen en wonen, emissievermindering van mobiele werktuigen en het gebruik van deelmobiliteit. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van Havenkwartier Fase 2 draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt ruim voldaan aan rijksomgevingswaarden. Dit is toegelicht in bijlage 4 bij deze motivering. Hierdoor kan een uitgebreid onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit achterwege blijven en staat de luchtkwaliteit verdere besluitvorming niet in de weg.
4.7 Mobiliteit 4.7.1 Wettelijk kader
Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Ook zijn richtlijnen voor verkeer en parkeren zijn opgenomen in de publicaties van het CROW. Rijswijk heeft gemeentelijk beleid op parkeernormen. Mobiliteitsstrategie Rijswijk De mobiliteitsstrategie van Rijswijk (2024) is ontwikkeld als uitwerking van het Mobiliteitsprogramma 2040 en richt zich op het vinden van een nieuw evenwicht tussen bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in een groeiende stad. De strategie kiest expliciet voor schone vervoermiddelen met een lage ruimtelijke impact, waarbij het STOMP-principe (Stappen, Trappen, OV, deelMobiliteit, Personenauto) centraal staat. Dit betekent dat lopen, fietsen en openbaar vervoer prioriteit krijgen boven de auto, met een wijkgerichte aanpak die rekening houdt met de specifieke kenmerken van verschillende gebieden. De zeven strategische pijlers zijn: nabijheid (voorzieningen dichtbij), efficiënt ruimtegebruik, doorstroming, keuzevrijheid, veiligheid, leefbaarheid en gezondheid. Deze pijlers zijn leidend voor de inrichting van de stad en het stimuleren van duurzaam mobiliteitsgedrag. Bij gebiedsontwikkelingen, zoals het Havenkwartier Fase 2, wordt vanaf het begin ingezet op striktere parkeernormen, meer ruimte voor lopen en fietsen, en een goede aansluiting op het openbaar vervoer.
Dit voorkomt parkeeroverlast in omliggende wijken en stimuleert het gebruik van duurzame vervoersmiddelen. De maximumsnelheid wordt, daar waar kan, teruggebracht van 50 km/u naar 30 km/u om zo de verkeersveiligheid te bevorderen. De strategie voorziet in een integrale aanpak waarbij infrastructurele maatregelen, gedragsverandering en participatie met bewoners en bedrijven samenkomen. Door deze samenhang wordt de groeiende mobiliteitsbehoefte grotendeels opgevangen door meer lopen, fietsen en OV-gebruik, wat bijdraagt aan een veiligere, gezondere en leefbaardere stad.
4.7.2 Resultaten onderzoek en conclusie 4.7.2.1 Parkeren
In de Kadernota parkeren staat de strategische parkeervisie in hoofdlijnen omschreven. Deze bevat handvatten voor het verder uitwerken en aanpakken van parkeervraagstukken die nu en in de toekomst (gaan) spelen, hoofdzakelijk de toename van parkeerdruk. Voor het Havenkwartier zijn in het Ontwikkelkader Havenkwartier parkeernormen opgenomen. De Kadernota parkeren 65 van 103
verwijst naar deze normen. De normen uit het Ontwikkelkader Havenkwartier zijn in dit gebied van toepassing. Voor de ontwikkeling van het Havenkwartier Fase 2 is onderzoek gedaan naar de parkeerbehoefte, rekening houdend met het woningprogramma, werkfuncties en voorzieningen (zie bijlage 5 van voorliggende motivering). Autoparkeren De gemeente Rijswijk heeft voor de verschillende functies van de ontwikkeling een (gemiddelde) parkeernorm gehanteerd bij het voorkeursmodel. Deze norm volgt uit het 'Ontwikkelkader Havenkwartier Fase 2 Rijswijk' en zijn weergegeven in onderstaande tabel. Functie Woningen Woning – sociale huur Woning – betaalbaar (koop/huur) Woning – duur – appartement (koop/huur) Woning – duur – eengezinswoning Overige functies Bedrijfsruimte Voorzieningen
Oppervlakte
Parkeernorm (inclusief bezoekers)
60 m² bvo 100 m² bvo 120 m² bvo
0,6 1 1,15
150 m² bvo
1,6
Per 100 m² bvo Per 100 m² bvo
1,4 1,7
De totale parkeerbehoefte voor het gebied komt uit op circa 1.251 parkeerplaatsen (woningen, werken en voorzieningen), verdeeld over de vier kwadranten van het plangebied. Daarnaast zijn er voor de ontwikkeling ‘De Havenmeester’ nog eens 213 tot 220 parkeerplaatsen benodigd, waardoor het totaal op 1.464 parkeerplaatsen uitkomt. Bij de uitwerking dient op basis van de normen uit het ontwikkelkader een exacte parkeerbalans te worden opgesteld om te bepalen hoeveel parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Fietsparkeren Naast parkeerplaatsen voor het autoverkeer dienen er ook parkeervoorzieningen voor de fiets gerealiseerd te worden. De gemeente Rijswijk kent het Fietsplan 2040 welke in 2023 is vastgesteld. Het plan bevat maatregelen op het gebied van infrastructuur, gedragsverandering en verkeersveiligheid, met als doel het fietsen te stimuleren door een uitgebreid fietsnetwerk en betere voorzieningen voor fietsparkeren te realiseren. In de Beleidsregels parkeernormen Rijswijk (2025) staat benoemd dat de kengetallen gehanteerd worden conform de meest recente publicatie van het CROW. Dit betreft op het moment de Leidraad fietsparkeren 2025. Gezien het mobiliteitsbeleid van de gemeente erop gericht is het autogebruik en -bezit te verminderen, wordt het maximale kengetal gehanteerd om zo het gebruik van de fiets te stimuleren met voldoende fietsenstallingen.
De parkeerbehoefte van Havenkwartier Fase 2 komt neer op 4.447 fietsparkeerplaatsen. Hiervan zijn 3.315 bestemd voor de woningen, 1.082 voor de werkfuncties en 50 voor de voorzieningen. Bij de uitwerking dient op basis van de normen uit het ontwikkelkader een exacte parkeerbalans te worden opgesteld om te bepalen hoeveel parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Uitwerking parkeerbehoefte bij definitief programma
66 van 103
Zodra het integrale plan per kwadrant is ontworpen, dient een definitieve berekening gemaakt te worden om aan te tonen dat voor parkeren voldaan kan worden aan de regels, behorend bij dit plan. Op die manier kan worden aangetoond dat het aantal benodigde parkeerplaatsen daadwerkelijk past binnen de beschikbare ruimte en kan de invulling van de parkeervoorzieningen optimaal worden afgestemd op de uiteindelijke plannen.
4.7.2.2 Verkeersgeneratie en afwikkeling
Conserverend deel Het conserverend deel legt de huidige bebouwing en het huidige gebruik binnen de gronden vast. Dit leidt ertoe dat er geen sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Ontwikkelgericht deel Het ontwikkelprogramma en bijbehorende verkeersgeneratie van het Havenkwartier Fase 2 is bepaald in samenspraak met de gemeente Rijswijk. Dit is gedaan op basis van de gebiedspaspoorten en de aanwezige bedrijven in het gebied. Dit programma betreft een realistische en representatieve prognose van het definitieve programma van Havenkwartier Fase 2. De netto-verkeersgeneratie behorende bij het plan bedraagt 2.388 mvt/werkdag6. Hierbij is rekening gehouden met de mobiliteitsstrategie van de gemeente Rijswijk die inzet op een lager autogebruik en -bezit. Dit wordt onder andere gedaan door de invoering van 30 km/u op veel wegen in Rijswijk en lagere parkeernormen. Vervolgens is het effect van de ontwikkelingen in het Havenkwartier Fase 2 onderzocht op de verkeersbelasting van zeven omliggende kruispunten (zie bijlage 5 bij voorliggende motivering). Voor alle kruispunten geldt dat de ontwikkeling van het Havenkwartier Fase 2 een beperkte impact heeft op de cyclustijden. Vijf van de 7 kruispunten kennen zowel in de autonome als plansituatie een acceptabele cyclustijd.
Wat opvalt is dat kruispunt 4 (Diepenhorstlaan – Veraartlaan) in de ochtendspits van autonome situatie al bijna aan zijn maximale cyclustijd zit. In de plansituatie loopt de cyclustijd iets verder op en komt daarmee precies uit op de grens wat nog acceptabel is. Daarnaast overschrijdt kruispunt 6 (Gen. Spoorlaan – Burg. Elsenlaan) in de avondspits van de autonome situatie al de acceptabele cyclustijd. In de plansituatie neemt deze niet verder toe. Kijkend naar de benodigde opstellengtes valt te concluderen dat alle kruispunten meerdere signaalgroepen kennen waarvan de opstelcapaciteit een bottleneck vormt, met uitzondering van kruispunt 5 (Diepenhorstlaan – A4). Deze knelpunten worden niet door het Havenkwartier Fase 2 veroorzaakt: het netwerk is ook zonder Havenkwartier Fase 2 al zwaarbelast met wachtrijen langer dan de opstelvakken tot gevolg. Aanbeveling Optimalisatie van kruispunten Nader onderzoek zal uitwijzen op welke wijze de onderzochte kruispunten verder geoptimaliseerd kunnen worden en welke flankerende en mitigerende maatregelen kunnen worden genomen. Hierbij dient gekeken te worden naar maatregelen waarmee de cyclustijden en benodigde opstellengtes zoveel mogelijk kunnen worden teruggebracht. Dit draagt bij aan een betere doorstroming en vermindert de kans op wachtrijen en knelpunten in het netwerk. Met een 6
Verkeersonderzoek Havenkwartier Fase 2 Rijswijk, 0504789.100, bijlage 5 bij dit plan.
67 van 103
dynamisch verkeersmodel kan daarbij de samenhang van de doorstroming van verschillende kruispunten in de omgeving van Havenkwartier Fase 2 diepgaander worden beoordeeld.
4.7.2.3 Verkeersveiligheid
Conserverend deel Het conserverend deel legt de huidige bebouwing en het huidige gebruik binnen de gronden vast. Er vindt geen wijziging plaats ten aanzien van de verkeersveiligheid op de gronden als gevolg van het conserverende deel van de wijziging van het omgevingsplan. Ontwikkelgericht deel In het Ontwikkelkader van het Havenkwartier staat aangegeven dat de Koopmansstraat de belangrijkste autoverbinding door het gehele gebied blijft. Daar waar kan, is de ambitie om de maximumsnelheid terug te brengen tot 30 km/u. Dit draagt bij aan de leefbaarheid van het gebied door afname van trillingen, geluid en CO2-uitstoot. Daarbij ontstaat met een lagere maximumsnelheid een comfortabele en verkeersveilige situatie voor fietsers en voetgangers. De verwachte verkeersintensiteiten op de Koopmansstraat en omliggende wegen in de plansituatie blijven beperkt en passen binnen de capaciteit van een GOW 30km/u en ETW 30 km/u. Daarmee kan overwogen worden de maximumsnelheid op de Koopmansstraat ook terug te brengen naar 30 km/u. Dit bevordert de verkeersveiligheid en leefbaarheid in en rondom het plangebied. Fase 2 is daarnaast verkeerskundig belangrijk omdat er in de stedebouwkundige structuur een extra route ontstaat. Dit betreft de autovrije kade en de Doorsteek voor voetgangers van het RijnSchiekanaal naar oud-Rijswijk.
Hier is de doorsteek alleen voor voetgangers, zo ontstaan er minder kruisingen met fietsers en vrachtwagens. Vrachtwagens krijgen ook zo veel mogelijk een directe route. Dit draagt bij aan de verkeersveiligheid. Het plangebied is centraal gelegen in Rijswijk. Dit zorgt ervoor dat veel (dagelijkse) voorzieningen op korte afstand zijn gelegen en te voet of met de fiets makkelijk te bereiken zijn. Daarnaast is een breed aanbod aan openbaar vervoer (bus, tram en trein) op korte afstand te bereiken. Daarmee wordt het autogebruik beperkt wat de verkeersveiligheid ten goede komt.
4.8 Groen en natuurbescherming 4.8.1 Wettelijk kader
Het wettelijk kader voor natuurbescherming is opgenomen in diverse wetgeving: Bal, Bbl, de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. De wetgeving is onderverdeeld in drie thema's: gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden. Voorafgaand aan een ruimtelijke ingreep dient onderzocht te worden of de voorgenomen werkzaamheden negatieve gevolgen hebben voor deze thema’s. Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming heeft betrekking op Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere nationale of provinciale natuurgebieden en landschappen. Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als er geen sprake is van een (mogelijke) significant negatieve invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Dit wordt beoordeeld met een voortoets. Indien nodig volgt een passende beoordeling. In NNN-gebieden zijn activiteiten alleen toegestaan als deze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke
68 van 103
kenmerken en waarden van het gebied, of als deze effecten kunnen worden voorkomen of beperkt met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming Iedereen die activiteiten uitvoert die nadelige effecten kunnen hebben op beschermde soorten, is verplicht deze effecten te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Voor soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de lijst van nationaal beschermde soorten, geldt een vergunningsplicht bij schadelijke handelingen. Toetsing van het planvoornemen vindt doorgaans plaats via een ecologische QuickScan. Na de QuickScan is soms nader onderzoek nodig. Bij het aantreffen van beschermde soorten zijn vaak mitigerende maatregelen nodig met een gewenningstijd. Houtopstanden Het vellen van houtopstanden is gereguleerd door een meldplicht en herplantplicht. Deze verplichtingen gelden voor houtopstanden met een oppervlakte van 10 are of meer, of voor bomenrijen van meer dan 20 bomen, buiten de zogenaamde ‘bebouwingscontour houtkap’, zoals aangegeven in het omgevingsplan. Groenbeleid Rijswijk Om een goede balans tussen verstedelijkte ruimte en groene ruimte in Rijswijk te kunnen behouden zijn de Rijswijkse groengebieden en groenstructuren belangrijk. Dit kan worden bereikt door de hoeveelheid groen in de stad op pijl te houden en tegelijkertijd de kwaliteit van datzelfde groen te versterken.
Bij het verwijderen van bomen en beplantingen door gebiedsontwikkelingen of noodzakelijk onderhoud wordt dit voldoende gecompenseerd binnen de gemeente
4.8.4 Resultaten onderzoek en conclusie Conserverend deel Voor het conserverend deel geldt dat met de conserverende regels de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het Havenkwartier beperkt worden tot de huidige bouwwerken en huidige activiteiten. Uit ecologisch onderzoek blijkt dat in de huidige situatie in bouwwerken in het Havenkwartier beschermde vleermuizen kunnen leven. Daarnaast zijn er algemeen beschermde broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig in het Havenkwartier. Deze broedvogels kunnen zowel op gebouwen als in de openbare ruimte (bomen en struiken) aanwezig zijn. Gebouwen in het Havenkwartier bieden geen nestgelegenheid voor de gierzwaluw en huismus. De navolgende tabel (figuur 31) laat zien welke beschermde soorten in het Havenkwartier aanwezig zijn. Tevens laat die tabel zien dat er geen beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden, planten en mossen in het Havenkwartier aanwezig zijn. In de conserverende situatie worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die tot verstoring van beschermde soorten kunnen leiden. De aanwezigheid van de beschermde soorten vormt daarmee geen belemmering voor de niet evidente onuitvoerbaarheid van het conserverend deel van deze omgevingsplanwijziging.
Omdat er geen activiteiten mogelijk worden gemaakt die tot verstoring van beschermde soorten kunnen leiden is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
69 van 103
Figuur 31 Beschermde soorten in het Havenkwartier (Equipe, 2025)
Ontwikkelgericht deel Beschermde soorten Het Havenkwartier is een gebied dat voor vleermuizen geschikt is als verblijfplaats in de vorm van zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats, paarverblijfplaats en/of winterverblijfplaats voor groepen vleermuizen (massawinterverblijf). Het gaat hier om verblijfplaatsen in gebouwen in het Havenkwartier. Daarnaast is het Havenkwartier voor vleermuizen geschikt als foerageergebied en vliegroute. Vanwege de functie van het Havenkwartier als verblijfplaats is nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen noodzakelijk om het voornemen tot transformatie van het Havenkwartier verder te toetsen aan regelgeving. In de quickscan ecologie (zie bijlage 7 bij deze motivering) is beschreven wanneer het nader onderzoek plaats moet vinden. Voor het ontwikkelgericht deel van deze omgevingsplanwijziging geldt dat er wel activiteiten mogelijk worden gemaakt die mogelijk negatieve effecten op beschermde soorten kunnen hebben. Deze effecten kunnen bijvoorbeeld optreden door bouw- of aanlegactiviteiten. Voor de beschermde vleermuizen die op basis van de huidige inzichten aanwezig kunnen zijn geldt dat zij beschermd worden door de omgevingsvergunning voor de zogenoemde flora- en fauna-activiteit die indien nodig verleend kan worden door Gedeputeerde Staten van ZuidHolland.