Best. Plan Toelichting vast rev 2 comp.
Tekst van het document
Verleggen gastransportleiding van der Kooijweg
Vastgesteld Maart 2023
Inhoud 1.
Inleiding .................................................................................................................. 3
1.1.
Aanleiding ............................................................................................................ 3
1.2.
Ligging plangebied................................................................................................. 3
1.3.
Vigerende bestemmingsplannen .............................................................................. 5
1.4.Leeswijzer ................................................................................................................. 6 2.
Beschrijving plangebied ............................................................................................. 7
2.1 Bestaande situatie ...................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ................................................................................................... 7 3.
Beleidskader ............................................................................................................ 9
3.1.
Rijksbeleid ............................................................................................................ 9
3.1.1.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................. 9
3.1.2.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ........................................ 10
3.1.3.
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) ...................................... 11
3.1.4.
Besluit ruimtelijke ordening ........................................................................... 11
3.1.5.
Structuurvisie Buisleidingen ........................................................................... 11
3.1.6.
Besluit externe veiligheid buisleidingen ........................................................... 12
3.2.
Provinciaal beleid ................................................................................................ 12
3.2.1. Omgevingsbeleid Zuid-Holland ............................................................................. 12 3.3.Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 13 3.3.1
Stadvisie Rijswijk 2030 ..................................................................................... 13
3.3.2
Basisdocument energietransitie Rijswijk .............................................................. 14
3.3.3
Groenbeheerplan 2020-2023 ............................................................................. 14
3.4. Conclusie ................................................................................................................ 15 4.
Omgevingsaspecten ................................................................................................ 16
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling ................................................................................ 16
4.2
Archeologie ........................................................................................................ 17
4.2.1 Onderzoek ......................................................................................................... 17 4.2.3 Conclusie ........................................................................................................... 17 4.3
Cultuurhistorie .................................................................................................... 18
4.4
Explosieven ........................................................................................................ 18
4.5
Bodem ............................................................................................................... 19
4.6
Flora & Fauna ..................................................................................................... 20
4.6.1
Gebieden ........................................................................................................ 20
4.6.2
Soorten .......................................................................................................... 22
4.7 4.7.1
Watergangen en –keringen ............................................................................... 23
4.7.2
Grondwater ..................................................................................................... 24
4.7.3
Watertoets ...................................................................................................... 24
4.8
5
Water ................................................................................................................ 23
Externe veiligheid ................................................................................................ 24
4.8.1
Besluit externe veiligheid Buisleidingen ............................................................... 27
4.8.2
Kwantitatieve risicoanalyse ............................................................................... 27
4.8.3
Advies Veiligheidsregio ..................................................................................... 28
4.10
Kabels en Leidingen ............................................................................................. 29
4.9
Luchtkwaliteit ..................................................................................................... 29
4.10
Verkeer en parkeren ............................................................................................ 29
4.11
Geluid, geur, lichthinder en windhinder .................................................................. 30
4.12
Conclusie ........................................................................................................... 30
Juridische planbeschrijving ........................................................................................... 31 5.1
Planmethodiek .................................................................................................... 31
5.2 Functie van het bestemmingsplan .............................................................................. 31 5.2
6
Bestemmingsregeling........................................................................................... 31
5.2.1
Toelichting op de verbeelding ............................................................................ 32
5.2.2
Toelichting op de regels .................................................................................... 32
Uitvoerbaarheid en handhaving ..................................................................................... 35 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................... 35 6.2 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................... 35 6.3 Handhaving ............................................................................................................ 36
7
Bijlagen...................................................................................................................... 37
2
1. Inleiding 1.1.Aanleiding Gasunie heeft een bestaande 40 bar hoge druk regionale gastransportleiding, met een diameter van ca. 300m, gelegen vanaf een particulier perceel nabij de Prinses Beatrixlaan, onder de Rijksweg A4 richting de Van der Kooijweg te Rijswijk. Rijkswaterstaat (RWS) is voornemens om aanpassingen uit te voeren aan de Rijksweg A4 zodat er een verbreding kan worden gerealiseerd. De huidige ligging van de leiding past niet in het ontwerp dat Rijkswaterstaat voor de nieuwe Rijksweg A4 heeft uitgewerkt. Gasunie is verzocht om de leiding te verleggen vooruitlopend op de aanpassingen door RWS. De beoogde verlegging vindt plaats over een leidinglengte van ca. 440m en maximaal ca. 105 meter afwijkend ten op zichte van het huidige tracé. De verlegging wordt grotendeels uitgevoerd door middel van een horizontaal gestuurde boring. Met artikel 14 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is bepaald dat een 40-bar (en hoger) hoge druk gastransportleiding planologische relevantie kent en dat deze in bestemmingsplannen dienen te worden opgenomen. Binnen de op de locatie van de verlegging (relevante) vigerende bestemmingsplannen is geen mogelijkheid opgenomen om de verlegging van de leiding binnenplans mogelijk te maken.
In overleg met gemeente Rijswijk is overeengekomen om het juridisch planologisch vastleggen van de nieuwe gastransportleiding middels een bestemmingsplanherziening te realiseren. Het voorliggende plan biedt dit planologische kader. De aanpassingen van het gastransportnetwerk worden mogelijk gemaakt door het aanleggen van een nieuwe gastransportleiding. In overleg met enkele stakeholders zoals Rijkswaterstaat, perceeleigenaren en de gemeente is een tracé ontworpen en afgestemd op de tekeningen van de beoogde aanpassingen aan de Rijksweg A4. De huidige leiding ligt namelijk in een betonnen bak die hangt onder de brug die is gelegen tussen de Weidedreef en de Van Rijnweg. Met de verbreding van de Rijksweg A4 zal de brug verwijderd worden en zal de leiding vooruitlopend daarop ondergronds moeten worden gebracht. De leiding zal op dusdanige diepte worden aangelegd zodat het aanpassen en verbreden van de Rijksweg niet meer belemmerd wordt door de aanwezigheid van de nieuwe leiding.
1.2. Ligging plangebied Het project speelt zich af ter hoogte van de Rijksweg A4, tussen Rijswijk-Buiten en Steenvoorde.
3
Figuur 1 Locatie plangebied In onderstaande figuur is de ligging van de bestaande (rood) en nieuwe leiding (paars onderbroken) weergegeven.
Figuur 2 Locatie te verleggen leiding (paars is nieuw, rood is bestaand, bruin is vervallen) De aanleg van de nieuwe gastransportleiding zal plaatsvinden door middel van een horizontaal gestuurde boring waardoor de leiding op voldoende diepte wordt aangebracht. Het aansluiten van de boring op de bestaande leiding vindt plaats in open ontgraving. Daarbij wordt een sleuf gegraven en de leiding vanaf maaiveld in de sleuf aangelegd en aangesloten op het bestaande
4
netwerk. Nadat de nieuwe leiding in bedrijf is genomen, wordt de bestaande leiding buiten bedrijf gesteld. Deze oude leiding wordt dan gereinigd en (waar mogelijk) verwijderd.
1.3.Vigerende bestemmingsplannen De vigerende planologische situatie is geborgd in de bestemmingsplannen ‘Sion ’t Haantje, 2e herziening’ dat is vastgesteld op 6 maart 2018, ‘Steenvoorde’ vastgesteld op 25 september 2012’ en ‘parapluherziening parkeernormering Rijswijk’ vastgesteld op 12 juni 2018. In geen van deze plannen is ter hoogte van de nieuw geprojecteerde lijn van de toekomstige leiding een dubbelbestemming ‘leiding-gas’ opgenomen. De gastransportleiding kan derhalve op basis van de vigerende bestemmingsplannen niet worden aangelegd, bestemd en beschermd middels de regels. De in bovengenoemde bestemmingsplannen geldende regels zijn en blijven onverminderd van toepassing na van kracht worden van het voorliggende bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan neemt de vigerende bestemmingen en bijbehorende regels over vanuit die plannen.
Figuur 3 Bestaande planologische situatie (Steenvoorde)
5
Figuur 4 Bestaande planologische situatie (Sion ‘t Haantje)
1.4.Leeswijzer Na deze inleiding en beschrijving van de werkzaamheden volgt in hoofdstuk 2 een beknopte beschrijving van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader nader aan de orde gesteld. In hoofdstuk 4 komen de omgevingsaspecten met de resultaten uit de uitgevoerde onderzoeken aan bod, gevolgd door de juridische planopzet in hoofdstuk 5. Hierin worden de gewenste ontwikkelingen vertaald in een juridisch-planologische regeling. Daarmee vormt dit hoofdstuk een toelichting op de planregels. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 aandacht besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het voorliggende plan, waarbij ook inspraak en overleg van belang zijn. De toelichting wordt afgesloten met een overzicht van bijlagen.
6
2. Beschrijving plangebied De gemeente Rijswijk grenst aan de zuidoostzijde aan de gemeente Delft, aan de zuidwestzijde aan de gemeente Westland en aan de overige zijden aan de gemeente Den Haag. Dwars door de gemeente, van zuidwest naar noordoost, loopt de A4. En van zuidoost naar noordwest loopt de belangrijke hoofdverkeersader, de Prinses Beatrixlaan, komende vanuit Delft. Het gebied wordt gekenmerkt door het stedelijke karakter, de historische landgoederenzone en diverse parken, zoals het Wilhelminapark, Park Overvoorde en Park de Voorde. De gemeente Rijswijk is bezig met een herontwikkeling van het winkelgebied 'In de Bogaard'. Deze plannen houden onder andere in dat de bestaande Prinses Beatrixlaan anders ingericht zal gaan worden. Daarnaast wordt de wijk Rijswijk-Buiten ontwikkeld ten zuiden van het Wilhelminapark.
2.1 Bestaande situatie De reeds aanwezige gastransportleiding kruist de A4 door middel van de brug tussen de Van Rijnweg en de Weidedreef. Vanaf het particuliere perceel, fungerend als grasland, gaat de leiding door de groenstructuur, over de brug naar de groenstructuur parallel gelegen aan de Weidedreef. De A4 heeft een verdiepte ligging en in het verleden is ervoor gekozen om de leiding aan de brug te laten hangen.
2.2 Toekomstige situatie Met de aanpassingen aan de A4 zal er een verbreding van het aantal rijstroken worden gerealiseerd. Door de verbreding is het niet mogelijk dat de bestaande brug voor gemotoriseerd verkeer, fietsers en voetgangers behouden blijft. Doordat de leiding als het ware ligt in een bak die onder de brug hangt, zal ook deze leiding met de verbreding niet meer op deze wijze aanwezig kunnen blijven. Om de gaslevering toch doorgang te kunnen laten vinden wordt vooruitlopend op de werkzaamheden voor de verbreding van de A4 de gastransportleiding alvast verlegd. In de toekomstige situatie zal de leiding diep onder de A4 worden geboord vanaf het grasperceel aan de Prinses Beatrixlaan en weer bovenkomen ter hoogte van de bestaande leiding nabij de Weidedreef. De begrenzing van het voorliggende plan is afgestemd op de toekomstige ligging en begrenzing van de gasleiding en bijbehorende belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Binnen de belemmeringenstrook gelden restricties zoals het niet zonder meer mogen uitvoeren van werkzaamheden of plaatsen van gebouwen en bouwwerken zodat de leiding extra beschermd is. In onderstaande figuur is het beoogde plangebied bij benadering weergegeven met daarop de nieuwe ligging van de leiding (paars) tevens de ligging van de bestaande leiding (rood).
De blauwe contour omvat de bestemmingsplangrens (bij benadering) waarbinnen de verlegging zich dient plaats te vinden (par 1.4). Deze strook van ca. 8m breedte is tevens de belemmeringenstrook die Gasunie hanteert bij haar regionale gastransportleidingen. De toekomstige planologische situatie geeft de daadwerkelijke ligging van de nieuwe leiding aan middels een dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’ van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Het voorliggende bestemmingsplan zal worden getoond op www.ruimtelijkeplannen.nl met
7
slechts de strook waarop de dubbelbestemming van toepassing is en is daarmee zichtbaar voor eenieder.
Figuur 5 ligging en begrenzing plangebied
8
3. Beleidskader Op zowel Rijks-, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau bestaan er diverse beleidsstukken waarbij met het opstellen van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan de relevante beleidsstukken.
3.1.Rijksbeleid 3.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De op 11 september 20201 vastgestelde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van onze leefomgeving. Hiermee wil het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes het Rijk maakt en welke richting het Rijk meegeeft aan decentrale keuzes. Deze keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. De NOVI sorteert voor op de Omgevingswet (die naar verwachting in 2022 in werking treedt). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang met elkaar. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt worden. Prioriteiten De NOVI schetst een toekomstperspectief naar 2050 waarin vier prioriteiten worden vastgesteld: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Zeespiegelstijging, hoge rivierafvoeren, wateroverlast en lange periodes van droogte zijn hier voorbeelden van. In 2050 zal Nederland klimaatbestendig en waterrobuust zijn.
In 2050 moet Nederland ook een duurzame energievoorziening hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Voorwaarde is dat bewoners goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik en kunnen meeprofiteren in de opbrengsten. Voor de ontwikkeling van duurzame energie zijn regionale energiestrategieën (RES) essentieel. Medeoverheden geven, in samenwerking met de energiesector, gebruikers en andere belanghebbenden, in de RES invulling aan de inpassing van duurzame energie op het land. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. De Nederlandse economie dient toekomstbestendig te worden, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair. Het gebruik van duurzame energiebronnen en verandering van productieprocessen wordt gestimuleerd. Steden en stedelijke regio's zijn belangrijk voor onze economie. Dit geldt vooral daar waar sprake is van een aantrekkelijke en gezonde omgeving en diversiteit in aanwezige economische functies, opleidingen en andere voorzieningen. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's 1
Staatscourant nr. 48104, 15 september 2020
9
behouden blijven. De leefbaarheid van stedelijk gebied staat voorop. Hiervoor dienen deze gebieden in te zetten op klimaatadaptatie om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Ook dient de bouw van nieuwe woningen te zijn gericht om een zo breed mogelijk aantal inwoners te bereiken. Mobiliteit dient aan te sluiten op nieuwe ontwikkelingen waarbij onder meer de CO2 uitstoot wordt verminderd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Er dient een balans tussen de ontwikkeling van natuur en landbouw te worden gevonden. Hiernaast dient het een prettige omgeving te zijn om te werken, wonen en te recreëren. Biodiversiteit van gebieden en de verduurzaming van landbouw zijn kernpunten. Afwegingsprincipes Het stellen van de bovenstaande prioriteiten kan een situatie maken dat belangen soms botsen. Om in zo'n situatie keuzes te maken worden drie afwegingsprincipes gebruikt: •
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoekt het Rijk naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
•
•
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
• De uitvoering van de NOVI moet gezamenlijk worden aangepakt. Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. Ook staat participatie centraal. Daarnaast is de NOVI continu in beweging. Het is de bedoeling dat het zich continu aanpast aan ontwikkelingen, in een permanent en cyclisch proces. De voorgenomen ontwikkeling(en) raakt de belangen die in de NOVI worden genoemd niet.
3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen die juridische borging vragen, staan in de AMvB Ruimte (ook wel bekend als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening – Barro). De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen moeten gemeenten zich houden aan bij AMvB of verordening gestelde regels. Nieuwe of gewijzigde regels moeten binnen een bepaalde termijn in de bestaande bestemmingsplannen worden verwerkt. Dit kan betekenen dat gemeenten bestemmingsplannen moeten aanpassen aan de nieuwe AMvB Ruimte. De AMvB Ruimte is in
10
december 2011 in werking getreden. Door het bestemmen van de nieuw aan te leggen buisleiding strookt de voorgenomen ontwikkeling met het Barro. 3.1.3. Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De regels uit het Barro zijn verder uitgewerkt in het Rarro. In het Rarro zijn ruimtereserveringen opgenomen voor de nieuwe aanleg en voor de uitbreiding van de infrastructuur. Ter plaatse van de in het Rarro bepaalde ruimtereservering mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op basis van het vigerende bestemmingsplan niet reeds mogelijk waren, met uitzondering van tijdelijke bouwwerken en bijbehorende bouwwerken. Een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende plan biedt daarin mogelijkheden. De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen in een ruimtereservering conform het Rarro. 3.1.4. Besluit ruimtelijke ordening Sinds 1 oktober 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de “ladder voor duurzame verstedelijking” zoals opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. De “stappen van de ladder” worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte; 2.
kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins; 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid). Met ingang van 1 januari 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking aangepast. De minister wil daarmee de knelpunten oplossen die in de dagelijkse praktijk worden ervaren bij toepassing van de ladder. Signalen uit de praktijk en de daaruit voortgekomen jurisprudentie hebben er toe geleid dat de Minister met betrokken partijen verkend heeft welke knelpunten de toepassing van de ladder kent. De voornaamste knelpunten zijn: • •
onduidelijk begrippenkader toepassing bij globale en flexibele bestemmingsplannen
• •
onderzoekslasten regionale afstemming
Voor het voorliggende plan heeft de aanpassing van de ladder van duurzame verstedelijking verder geen gevolgen ten opzichte van voorheen en past daarmee binnen het beleidsdocument. 3.1.5. Structuurvisie Buisleidingen Op 12 oktober 2012 is de Structuurvisie Buisleidingen vastgesteld. Dit is een visie waarmee het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Op basis van de hoofdlijnen uit de Structuurvisie Buisleidingen kunnen provincies en gemeenten het exacte buisleidingtracé bepalen. Uitgangspunt daarbij is zoveel mogelijk bundeling met bestaande buisleidingen(-stroken). De gastransportleiding in dit plan valt niet onder de werkingssfeer van de Structuurvisie Buisleidingen, maar draagt wel bij aan het streven om het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen te laten verlopen.
11
3.1.6. Besluit externe veiligheid buisleidingen Op 1 januari 2011 is middels de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de oude circulaire “Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen” uit 1984 vervangen. Op grond van dit besluit (artikel 6, lid 4) mag een buisleiding slechts worden aangelegd of vervangen indien dit in overeenstemming is met het geldend bestemmingsplan of indien voor die aanleg of vervanging een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor een nadere uitwerking van de externe veiligheidsaspecten wordt verwezen naar paragraaf Externe veiligheid van het volgende hoofdstuk. Hierin worden de resultaten van de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse (QRA, bijlage 2) voor de te verleggen leiding nader besproken.
3.2.Provinciaal beleid 3.2.1. Omgevingsbeleid Zuid-Holland De Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in ons Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan wordt richting gegeven door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit onze provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het Omgevingsbeleid krijgt verder vorm via een opgavegerichte aanpak. Dat wil zeggen dat we vanuit maatschappelijke opgaven bepalen welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden aangepast.
Voorziene aanpassingen in het omgevingsbeleid zijn terug te vinden in de Lange Termijn Agenda Omgevingsbeleid van Provinciale Staten. De filosofie van de Omgevingswet die in 2022 in werking treedt, wordt onderschreven: minder en overzichtelijker regels, lokaal maatwerk, meer ruimte voor maatschappelijke initiatieven en meer vertrouwen. De wet gaat uit van samenwerking en gecoördineerd optreden van de verschillende overheidslagen. De grote maatschappelijke opgaven zijn vrijwel altijd multischalig en vragen inzet van meerdere overheden en maatschappelijke partijen. Men ondersteunt vanuit de provincie het uitgangspunt van de wet dat taken en bevoegdheden in principe op lokaal niveau worden uitgevoerd, tenzij een expliciet provinciaal belang betrokkenheid van de provincie noodzakelijk maakt. Gelet op de aard en schaal van deze samenhangende beleidskeuzes, behoren deze tot het provinciaal belang. Het is bovenal de bedoeling dat overheden ontwikkelingsgericht, integraal en samen met belanghebbenden gaan werken aan de maatschappelijke opgaven die zich voordoen. Dit is precies de manier waarop het provinciale bestuur van Zuid-Holland wil werken: een partner die open staat voor vernieuwing, samenwerkt, zich dienstbaar opstelt en waar nodig haar verantwoordelijkheid neemt. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland.
De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon:
12
1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zeven ambities draagt Zuid-Holland bij aan een betere leefomgeving in de provincie. In het omgevingsbeleid wordt niet nader ingegaan op de ligging en aanwezigheid van gastransportleidingen en diens toebehoren. De verplaatsing van de gastransportleiding raakt (indirect) de ambities 1, 2 en 7.
Het geheel aan voorbereiding en planvorming om te komen tot het leidingontwerp kan gezien worden als een samenwerking tussen verschillende partijen waarbij verschillende organisaties (o.a. Rijkswaterstaat, gemeente Rijswijk en Hoogheemraadschap van Delfland), bedrijven (gasunie) en inwoners (bijv. perceeleigenaar waar de boring start). Met de verlegging van de leiding wordt de verbreding van de A4 mogelijk gemaakt(en daarmee de bereikbaarheid over de weg verbeterd). De komt van een nieuwe leiding op grotere diepte bevordert verder de veiligheid van transport door buisleidingen. Verder heeft de verlegging heeft geen negatieve invloed op de benoemde elementen, waardoor de ontwikkeling past binnen het beleid van de provinciale omgevingsvisie en -verordening.
3.3.Gemeentelijk beleid 3.3.1
Stadvisie Rijswijk 2030
In de stadvisie zijn de ambities voor Rijswijk beschreven, waarbij drie gebieden zijn onderscheiden waarbinnen de verschillende, toekomstige vraagstukken het best kunnen worden ondergebracht: de pijlers sociaal, ruimtelijk en economisch. Voor de beoogde ontwikkeling is met name de Economische pijler relevant, waarvoor de volgende algemene ambitie is beschreven; Rijswijk biedt ruimte voor ondernemen. In de Plaspoelpolder en op andere plekken in de stad zijn er uitstekende plekken beschikbaar voor start-ups, MKB en grote bedrijven. In Rijswijk kunnen ze allemaal terecht, en dat is uniek in de drukke metropoolregio. Rijswijk wil aanhaken en meedoen met de profilering van de omliggende gemeenten. Rijswijk faciliteert de doorgroei van (tech)bedrijven uit Den Haag en Delft en dienstverlenende bedrijven in de keten van deze (tech)bedrijven. Doelen die bij dit economische domein horen zijn ‘het behouden en aantrekken van bedrijvigheid/verbeteren van het vestigingsklimaat’ en ‘stimuleren van werkgelegenheid en participatie’. Enkele acties die daarbij worden benoemd zijn; • •
Verbindingen met andere steden en regionale functies zoals vliegveld verbeteren De wijken van Rijswijk zijn alle goed bereikbaar (met openbaar vervoer)
13
De verbreding van de A4 zorgt voor een verbetering en bevordering van de bereikbaarheid van Rijswijk. Het verleggen van de gastransportleiding vooruitlopend daarop, vindt dan ook een indirecte aansluiting bij de Stadvisie Rijswijk 2030.
3.3.2
Basisdocument energietransitie Rijswijk
In maart 2020 heeft de gemeenteraad van Rijswijk het Basisdocument Energietransitie Rijswijk vastgesteld. In dit document zijn de hoofdlijnen van de energietransitie vastgelegd en zijn de uitgangspunten van dit vraagstuk meer uitgekristalliseerd. Een van de uitgangspunten is dat de energietransitie alleen kan slagen als er groot draagvlak is. Hierin zijn het behoud van comfort, betaalbaarheid en realisme voor Rijswijk kernbegrippen. Rijswijk zal staan voor de wettelijke opgave die het Rijk bij de gemeente heeft neergelegd. De focus ligt voor de gemeente op betaalbaarheid, efficiency en realisme in het tijdpad. Rijswijk ziet dat de energietransitie ook kansen biedt. Zo draagt het afbouwen van fossiele bronnen bij aan het verbeteren van de leefomgeving, bijvoorbeeld in de strijd tegen de slechte luchtkwaliteit. Rijswijk zal daarbij niet voorop lopen, maar ze zal zoveel mogelijk aansluiten bij (markt) initiatieven die de omslag in Rijswijk op efficiënte wijze verder kunnen brengen en deze faciliteren. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet direct bij aan de ambities vanuit het basisdocument, echter het loslaten van de fossiele bron aardgas is op korte termijn nog geen haalbare optie. De gaslevering dient, via de te verleggen leiding, in de komende jaren dan ook nog te blijven plaatsvinden.
3.3.3
Groenbeheerplan 2020-2023
Rijswijk is een stedelijke gemeente met een groen karakter, vooral met de parken en landgoederen aan de rand van de stad. Deze vormen een belangrijke drager van Rijswijk als ‘groene buitenplaats’. Rijswijk wil een groene, duurzame woon- en werkstad zijn. Er zijn veel ambities voor behoud en versterken van het groen. Het huidige groenbeleidsplan (2010-2020) is verlopen, maar de uitgangspunten en inhoud zijn nog steeds van toepassing en aangescherpt in dit beheerplan. De belangrijkste ambities voor beheer van het groen zijn: • Behoud en versterken van het groene karakter: met de groene hoofdstructuur uit het groenbeleidsplan als basis; • Basis op orde voor beheer: beeldkwaliteitsniveau ‘B’ in de hele gemeente, met een ‘A’ niveau in de centra; • Natuurvriendelijk beheer van het groen, rekening houdend met de functie en ligging; • Duurzaam en klimaatbestendig: versterken en vergroten van de biodiversiteit, bij-vriendelijk beheer, klimaatadaptatie zoals het voorkomen van wateroverlast en hittestress en toepassen principes van duurzaam inkopen en elektrisch onderhoud; • Leefbaarheid en participatie: meedenken en betrokkenheid van bewoners, zowel bij het beleid, het onderhoud, als het doen van meldingen. Op onderstaande figuur is de ligging van het plangebied gelegen op de kaart waarop de verschillende structuren binnen Rijswijk zijn weergegeven.
Het plangebied is gelegen in de structuur ‘parkzones’.
14
De parkzones met stadsparken en landgoederen vormen in Rijkswijk grote groene buffergebieden aan de rand van de stad. De landgoederen met een meer cultuurhistorisch karakter en de stadsparken met deels intensief gebruik. Robuuste groene elementen, met veel bosplantsoen en kruidenrijk gras. Ten behoeve van de aanleg van de leiding zullen tijdelijke graafwerkzaamheden worden uitgevoerd en zal de bestaande groenstructuur bij het begin- en eindpunt van de boring tijdelijk worden verwijderd. Er zullen aan de noordzijde van de Rijksweg A4 9 bomen worden gekapt. Na afloop van de werkzaamheden is de leiding volledig ondergronds aangelegd en niet meer zichtbaar. Voor iedere te kappen boom geldt binnen gemeente Rijswijk de herplantverplichting, initiatiefnemer zal hier dan ook voldoen en herplanten na afloop van de werkzaamheden. De groenstructuur zal ter plaatse weer worden hersteld in overleg met gemeente Rijswijk.
3.4. Conclusie De noodzakelijke verlegging van de gastransportleiding conflicteert niet met de bovengenoemde beleidsdocumenten. Indirect kan de gastransportleiding worden gezien als ontwikkeling waarmee de bereikbaarheid van Rijswijk via de Rijksweg A4 wordt verbeterd en daarmee bijdragen aan de economische pijler binnen de Stadvisie Rijswijk 2030. Het beleidskader biedt dan ook voldoende aanleiding om de verlegging van de gastransportleiding te realiseren. In het volgende hoofdstuk wordt in het kader van omgevingsaspecten nader geanalyseerd en beoordeeld in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.
15
4. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verantwoording van de ontwikkelingen van de voorliggende planologische afwijking met het oog op milieu- en omgevingsaspecten.
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het verplaatsen van een gastransportleiding. Daarmee wordt een activiteit mogelijk gemaakt die wordt genoemd in bijlage II bij het Besluit m.e.r.: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van aardgas” (D 8.1). Een m.e.r.-beoordelingsplicht is aan de orde in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied (zoals Natura 2000-gebied, Ecologische hoofdstructuur of grondwaterbeschermingsgebied). Alhoewel de activiteit ruimschoots onder de drempelwaarde ligt, is een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk (artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage 1994). Op grond van het Besluit Milieueffectrapportage moet het besluit om geen MER te verlangen separaat (als zelfstandig besluit) worden genomen, dit proces kan parallel met de bestemmingsplanherziening meelopen. Het doel van een m.e.r.-beoordeling is om te analyseren in hoeverre sprake is van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen. Als uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kan het bevoegd gezag besluiten een m.e.r.procedure op te starten. Als de milieugevolgen beperkt zijn of hier in het plan goed mee om kan worden gegaan, volstaat deze m.e.r.-beoordelingsnotitie.
De m.e.r.-beoordeling is dan afgerond en vormt dan een bijlage bij dit bestemmingsplan. De verlegging van het leidingwerk die met dit plan mogelijk wordt gemaakt is minimaal. Het leidingwerk komt nagenoeg op dezelfde locatie te liggen. De invloed op de omgeving is dan ook verwaarloosbaar. De leiding komt niet dichter bij gevoelige gebieden of bestemmingen te liggen. Gedurende de werkzaamheden kan er sprake zijn van enige verstoring van de omgeving. Gelet op de beperkte tijdsduur en de kleinschaligheid van het project, betreft het hier echter een gering effect. De milieugevolgen van het plan zijn in deze onderbouwing inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat geen grote gevolgen zijn te verwachten. Met de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan kan dan ook worden geconcludeerd dat het voornemen niet leidt tot significant nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet Milieubeheer waardoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure kan worden uitgesloten. Uit de conclusie van de mer-notitie2 blijkt dat, gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan, de kenmerken van de potentiële effecten en de te treffen maatregelen, geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage in het kader van het bestemmingsplan.
Het bovenstaande in aanmerking genomen besluit het college dat een MER voor dit plan niet noodzakelijk is. De mer-aanmeldnotitie kan parallel lopen aan de bestemmingsplanherziening.
9-11-2022, WSP Nederland B.V., SOL018929A, Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk 2
16
4.2
Archeologie
Het Verdrag van Malta is een verdrag dat in 1992 werd ondertekend door alle lidstaten van de Raad van Europa. Eén van de doelstellingen van het Verdrag is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening. Dat is dan ook de reden dat de wetgever ervoor gekozen heeft om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening. Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg op 1 september 2007 is de beleidsuitvoering van het archeologische beleid bij gemeenten komen te liggen. De gemeenten hebben de plicht om in bestemmingsplannen aan te geven welke archeologische waarden worden verwacht en mogelijk in het geding zijn. In de vigerende bestemmingsplannen ‘Sion ’t Haantje’ en ‘Steenvoorde’ is bij zowel het in- als uittredepunt een archeologische bescherming (Waarde-Archeologie)opgenomen. Op deze specifieke locaties zullen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd die mogelijk gevolgen hebben voor aanwezige waarden.
4.2.1 Onderzoek In opdracht van initiatiefnemer heeft recent bureauonderzoek3 plaatsgevonden. Uit het onderzoek blijkt de kans zeer klein dat op de locaties van de te graven werkputten bij de in- en uittredepunten van de HDD en het tracé van de HDD archeologische resten aanwezig zijn. Er worden relatief beperkte ingrepen uitgevoerd in al geroerde grond en/of in zones met een lage archeologische verwachting. Op enkele boorlocaties op de omliggende werkterreinen blijkt de bodemopbouw beter intact en onder meer te bestaan uit een oude bouwvoor op oeverafzettingen. Er wordt aanbevolen om op de werkterreinen rondom boringen 5 en 9-10 geen bodemingrepen dieper dan 50 cm -mv te laten plaatsvinden (niet dieper dan 0,54 m –NAP rondom boring 5 in deelgebied Van Zijlweg en niet dieper dan 0,8 m -NAP in deelgebied Van der Kooijweg). Deze ‘grens’ van 50 cm –mv is gebaseerd op basis van de resultaten van het veldonderzoek en komt overeen met de in het bestemmingsplan opgenomen vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek. Door minder diep dan deze niveaus te graven wordt de kans op het verstoren van archeologische resten geminimaliseerd. Indien op deze werkterreinen plaatselijk, in het kader van de huidige of toekomstige plannen, toch diepere bodemingrepen noodzakelijk blijken, wordt geadviseerd om op deze locaties gravend vervolgonderzoek uit te voeren.
Verwijderen bestaande leidingen De bodemopbouw ter hoogte van de bestaande leidingen is bij de aanleg daarvan geroerd. Om deze te verwijderen worden smallere sleuven gegraven dan bij de aanleg, daarom is ook hier de kans dat archeologische resten worden verstoord klein. 4.2.3 Conclusie De aanwezigheid van sporen van archeologische waarden wordt op basis van het uitgevoerd onderzoek minimaal verwacht. Indien er op de werkterreinen diepen dan 50cm-mv gegraven wordt, dan wordt een vervolgonderzoek geadviseerd. Vooralsnog is dat niet aan de orde en vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering ten aanzien van mogelijk aanwezig archeologische waarden.
3
11-07-2022, RAAP Rapport 5572, Plangebied Verlegging W-514-01 v/d Kooijweg te Rijswijk.
17
Indien tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden alsnog onverhoopt archeologische waarden worden aangetroffen dan zal opdrachtgever hiervan melding maken conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. De gemeente Rijswijk zal hiervan op de hoogte worden gebracht als bevoegd gezag zijnde.
4.3
Cultuurhistorie
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat gemeenten bij het maken van nieuwe bestemmingsplannen, maar ook bij het afwijken van bestemmingsplannen door toepassing van de zogenaamde uitgebreide afwijkingsbevoegdheid uit de Wabo, rekening moeten houden met de in en rondom het projectgebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Onder cultuurhistorische waarden vallen naast archeologische waarden ook monumenten, beeldbepalende panden en beschermde stads- en dorpsgezichten, die op basis van de Monumentenwet zijn aangewezen. In, en in de directe omgeving van, het projectgebied zijn geen historische bouwwerken of monumentale panden met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen. De verlegging van de gastransportleiding is dan ook niet van (negatieve) invloed op de cultuurhistorie ter plaatse.
4.4
Explosieven
Om meer informatie te achterhalen van mogelijke Niet Gesprongen Explosieven (NGE) is door opdrachtgever een onderzoek4 uitgevoerd. Er is een ruim gebied aan weerszijden van de aan te leggen leiding als onderzoeksgebied aangegeven. Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat een zeer beperkt gedeelte van het plangebied getroffen is door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog waardoor conventionele explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Onderstaande inventarisatiekaart geeft het beeld weer van oorlogshandelingen die in het plangebied hebben plaatsgevonden. Slechts het gedeelte waar de uitlegstrook van de boring (het gebied waar alle buizen worden uitgelegd en gelast tot één lange lengte) wordt neergelegd, en grondroeractiviteiten niet noodzakelijk zijn, is aangewezen als verdacht gebied voor afwerpmunitie.
1-03-2022, AVG Explosieven Opsporing, Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten, Rijswijk-Den Haag, 2162264-VO-02, versie 02 4
18
Figuur 9 Ligging NGE verdacht gebied, in rood de nieuwe leiding, in paars de uitlegstrook Op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden; • Er is in de meidagen van 1940 en voorafgaand aan de bevrijding door de geallieerden geen sprake geweest van grondgevechten in het onderzoeksgebied • In het onderzoeksgebied waren geen militaire objecten aanwezig. • Er is mogelijk een militair vliegtuig in het onderzoeksgebied neergekomen. De exacte locatie kan echter alleen op basis van een luchtfotoanalyse worden vastgesteld. Op de geraadpleegde luchtfoto’s zijn geen sporen van een vliegtuigcrash in en nabij het onderzoeksgebied waargenomen. Het betrof bovendien vermoedelijk een noodlanding. • Ter plaatse van het onderzoeksgebied is sprake geweest van een bombardement. • Ter plaatse van het onderzoeksgebied is geen sprake geweest van vliegtuigbeschietingen en noodafworpen • Het onderzoeksgebied heeft geleden onder gevechtshandelingen. • Er zijn in het verleden ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied geruimd. Het betrof onder andere een rookgranaat aan de Prinses Beatrixlaan. • Er is na de Tweede Wereldoorlog sprake geweest van naoorlogse bodemingrepen in het onderzoeksgebied (contraindicaties). Het betreft onder meer de aanleg van de Rijksweg A4 en het Wilhelminapark.
• Ontplofbare oorlogsresten zijn mogelijk ten gevolge van deze bodemingrepen verwijderd of binnen het onderzoeksgebied verplaatst. Op basis van de beschikbare feiten zijn er voldoende indicaties beschikbaar waaruit blijkt dat er mogelijk ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. De werkzaamheden die nu door Gasunie zijn voorzien, hebben geen overlap met de door AVG als verdacht aangemerkte gebieden. Indien de werkzaamheden daadwerkelijk in onverdacht gebied plaatsvinden is het niet noodzakelijk om het vooronderzoek aan te vullen en kunnen de werkzaamheden zonder beheersmaatregelen (opsporing) worden uitgevoerd. Mocht in een latere fase alsnog werkzaamheden worden gepland in de door AVG als verdacht aangemerkte gebieden dan adviseren wij om invulling te geven aan een aanvullend onderzoek. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden in de niet-verdachte gebieden onder reguliere condities uit te voeren. De kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten is net zo groot als de gemiddelde kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten op als ‘onverdacht’ aangemerkte locaties in de rest van Nederland.
4.5
Bodem
Omdat de werkzaamheden zich met name in en op de bodem zullen plaatsvinden is historisch milieukundig onderzoek5 verricht binnen het plangebied, zowel voor de bodem als de waterbodem. Hiermee is getracht relevante informatie met betrekking tot het voormalig en huidige gebruik te verzamelen en tevens potentieel verdachte activiteiten zichtbaar te maken die de bodemkwaliteit op de locatie mogelijk hebben beïnvloed. Uit het onderzoek blijkt het volgende: Bodem • tijdens de veldwerkzaamheden zijn zeer zwakke tot plaatselijk sterke bijmengingen met puin, baksteen, glas, bitumen en/of slib waargenomen in de boven- en/of ondergrond langs de te verwijderen gasleidingen. Onder het fietspad langs de Van der Kooijweg is een puinfundering aangetroffen; • uit de analyseresultaten komt naar voren dat in de boven- en ondergrond plaatselijk licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en/of PCB voorkomen; • in het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium (van nature verhoogd) en xylenen gemeten; 5
1 juni 2022, WSP, Verkennend (water)bodemonderzoek verlegging van de gasleiding W-514-01 nabij de van Rijnweg (ong.) te Rijswijk,SOL01829MK-B, versie 1.0
19
•
in de onderzochte mengmonsters van de puinfundering en de zeer zwak tot matig puin- en baksteenhoudende bovengrond is geen asbest aangetoond die de triggerwaarde voor nader onderzoek van 50 mg/kg d.s. overschrijdt.
Waterbodem • in de onderzochte watergang is een sliblaag waargenomen die van dikte variëren tussen de 5 en 50 centimeter. In de sliblaag en de vaste waterbodem zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen; • de onderzochte sliblaag is altijd toepasbaar op de landbodem of in oppervlaktewater en is vrij verspreidbaar op aangrenzende percelen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een (water)bodem-verontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek en/of sanerende maatregelen. Ter bepaling van de veiligheidsklasse zijn de gemeten waarden tevens getoetst aan de CROW400. Uit deze toetsing blijkt dat er bij graafwerkzaamheden, naast de basishygiëne, geen veiligheidsklasse van toepassing is. Het uitgevoerde onderzoek is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan Omgevingsdienst Haaglanden. Er zijn geen opmerkingen op de documenten en daarmee akkoord.
4.6
Flora & Fauna
Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet zijn de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet samengevoegd tot één nieuwe wet. De bevoegdheden zijn hierbij meer komen te liggen bij de provinciale overheden. Een uitzondering hierop zijn ruimtelijke ingrepen die gevolgen voor de natuur hebben, waaronder het gastransportnetwerk van Gasunie. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) blijft hiervoor het bevoegd gezag. 4.6.1
Gebieden
In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt in soorten en gebieden. Met name voor gebieden valt de wetgeving terug op Europese regelgeving van de Habitat- en Vogelrichtlijn waardoor er weinig verandert. Het plangebied is niet gelegen in, of in nabijheid van, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied. Provinciale gebiedsbescherming De projectlocatie is niet gelegen in het NatuurNetwerk Nederland (NNN) of weidevogelgebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op respectievelijk 550 meter ten westen van het plangebied. Tussen het plangebied en het NNN-gebied bevinden zich meerdere drukke wegen. Gezien de kleinschalige ingrepen en de afstand tot het NNN-gebied zijn effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden op de NNN uit te sluiten. Een nadere toetsing (‘nee, tenzij’-toets) is niet noodzakelijk.
20
Figuur 10 Situatie plangebied ten aanzien van NNN-gebieden (paars en groen) Gebiedsbescherming conform Wet Natuurbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied ligt op ruim 7,3 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Het gaat hier om het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen.
Figuur 11 Situatie plangebied ten opzichte van Natura2000-gebieden Tussen het plangebied en het Natura2000-gebied bevinden zich meerdere drukke wegen. Gezien de aard van de ingreep (kleinschalige ingrepen) in het plangebied worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht. Er is geen kans op fysieke aantasting of verstoring. Verdere toetsing aan de Wnb voor het onderdeel gebiedsbescherming is niet noodzakelijk.
21
Na aanleiding van een recente uitspraak van de Raad van State isde partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor activiteiten van de bouwsector komen te vervallen. . Dat houdt in dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie zal moeten worden berekend aan de hand van een Aerius-berekening. Op basis van de Aerius-berekening wordt per Natura2000-gebied zichtbaar in hoeverre en in welke mate er sprake is van stikstofdepositie. Op dit moment wordt er een berekening uitgevoerd op basis van de verwachting van in te zetten materieel. Gezien de ligging van het plangebied en de beperkte omvang van de ingreep ligt in de lijn der verwachting dat de stikstofdepositie op Natura2000-gebied 0,00mol/ha bedraagt. . 4.6.2
Soorten
De verandering die de Wet natuurbescherming voor soorten met zich mee heeft gebracht is dat er nieuwe soorten beschermd zijn en eerder beschermde soorten juist geen beschermde status meer hebben. Per provincie is hierin onderscheid gemaakt waardoor de soortenbescherming niet meer landelijk gelijk is. Vanuit de natuurwetgeving blijft bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden of (mitigerende) maatregelen kunnen worden genomen. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer heeft dan ook een natuurtoets6 naar flora en fauna verricht op en rond de projectlocatie. Resultaten Aan de hand van gegevens uit de bureaustudie, de aanwezige biotoop en ecologische expertise is een inschatting gemaakt met betrekking tot het (mogelijk) voorkomen van beschermde plantenen diersoorten. Tevens is natuurinformatie opgevraagd bij de Nationale Databank Flora en Fauna. Uit het onderzoek wordt het volgende geconstateerd: •
Opstart van de werkzaamheden dient buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Globaal loopt het broedseizoen van half februari tot en met eind augustus. o Werkzaamheden kunnen worden opgestart vanaf september en kunnen dan doorlopen in de broedperiode. o Indien de werkzaamheden in de broedperiode uitgevoerd worden, kan het plangebied ongeschikt gemaakt worden voor de meeste broedvogels door de ondergroei (rietkragen en graslanden) kort te houden. o Ten aanzien van de struweel en boomvogels dienen aanvullende maatregelen getroffen te worden in de vorm van het tijdelijk plaatsen van plastic haviken en/of linten. Deze verjagingsmiddelen dienen, om gewenning te voorkomen, wekelijks verplaatst te worden. o Indien de werkzaamheden in de broedperiode uitgevoerd worden, wordt een overleg gepland voorafgaand aan het broedseizoen (februari) met een ecoloog voor de te nemen maatregelen. Deze maatregelen worden daarna toegevoegd aan het advies van deze rapportage.
6
6 juli 2022, WSP Nederland B.V., Natuurtoets verlegging W-514-01 te Rijswijk, SOL018929FF, definitief
22
•
Het plangebied is geschikt voor algemene grondgebonden zoogdieren, deze zijn vrijgesteld ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, hetgeen in deze situatie inhoudt dat bij het aantreffen van deze soorten, zij de gelegenheid
•
krijgen te vluchten. Het plangebied is mogelijke geschikt als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen. Mits geen bomen worden gekapt aan de van Zijlweg en de werkzaamheden overdag worden uitgevoerd, wordt een mogelijk negatief effect op een vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen voorkomen. Zodra werkzaamheden na zonsondergang uitgevoerd worden, dient te worden gewerkt met vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige verlichting). Zodra bomen van de Van Zijlweg worden gekapt, dient nader onderzoek naar een mogelijke vliegroute te worden gedaan.
• Er is geen sprake van een effect op Natura 2000-gebieden of NNN-gebieden. Op basis van het verrichte onderzoek is er geen aanvullend ecologisch onderzoek benodigd en geen ontheffing in het kader van de Wnb. Opgemerkt moet worden dat voor werkzaamheden aan het hoge druk gastransportnetwerk van Gasunie het ministerie van EZ (RVO) bevoegd gezag is in het kader van de Wnb7.
4.7
Water
Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. 4.7.1
Watergangen en –keringen
De leggerkaart van het Hoogheemraadschap laat zien dat de leiding tweemaal een overige waterkering – polderkade kruist. Deze waterkering, en de beschermingszones daarvan, zijn in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen met de dubbelbestemming ‘waterstaat-waterkering’ en daarmee zijn restricties opgenomen t.b.v. eventuele ontwikkelingen hierbinnen.
Figuur 13 Situatie leggerkaart HH Delfland (in rood de leiding bij benadering) 7
Zie artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming
23
Om de leiding te kunnen verleggen is het noodzakelijk dat er wordt voldaan aan de Keur van het waterschap door voldoende afstand te houden vanuit de insteek van de waterloop en de waterloop op voldoende diepte te kruisen. Beide onderdelen zullen worden getoetst bij het aanvragen van de watervergunning. De (permanente) invloed voor de watergangen is daarmee zeer beperkt. Voor het kruisen van de waterkeringen zal een watervergunning zal worden aangevraagd door de aannemer die de werkzaamheden uitvoert in opdracht van Gasunie. De aan te vragen watervergunning staat los van dit bestemmingsplan en zal als onderdeel van het project, in een later stadium, worden uitgevoerd. 4.7.2
Grondwater
Het leidingmateriaal is, mede vanwege veiligheidsredenen, zodanig afgesloten dat lekkage van het aardgas en infiltratie van grondwater in de leiding onmogelijk is. Invloed op de grondwaterkwaliteit is daarom afwezig. Zoals beschreven wordt de gastransportleiding gedeeltelijk aangelegd (aan de bestaande leiding worden gelast) door middel van open ontgraving. De te graven sleuf dient ten tijde van aanleg volledig droog te zijn. Naar verwachting zal bouwputbemaling benodigd zijn om deze droogte te kunnen realiseren. Het te onttrekken water zal geloosd worden op nabij gelegen oppervlakte water. Naar verwachting zal de invloed op de omgeving nihil zijn. Over het aspect water zal voorafgaande aan de uitvoering nader overleg worden gevoerd met Hoogheemraadschap van Delfland, en zal worden voldaan aan de gestelde (vergunnings- of meldings)voorwaarden. 4.7.3
Watertoets
Bij nieuwe bestemmingsplannen en afwijkingen daarvan dient het betreffende waterschap gehoord te worden in het kader van vooroverleg, alsmede het verrichten van een watertoets. In voorliggend geval betreft het een ontwikkeling voor de aanleg van een ondergrondse gastransportleiding. Er wordt geen bebouwing gerealiseerd en van een permanente toename van verharding is geen sprake. Na de werkzaamheden wordt alles overeenkomstig weer ingericht conform de huidige situatie. Van blijvende invloeden van de ontwikkeling op de waterhuishouding is dan ook geen sprake Door de realisatie van de leiding wordt geen negatief hydrologisch of waterhuishoudkundig effect in de eindsituatie verwacht, omdat: • De leiding wordt ondergronds aangelegd en heeft een beperkte diameter. Door de geringe diameter heeft de leiding geen invloed op de grondwaterstroming; • Door de opdrachtgever is aangegeven dat de leiding onder de watergangen wordt doorgelegd. De leiding levert dus geen belemmering op voor de doorstroming van het oppervlaktewater, wel dient rekening te worden gehouden met de eisen van het Hoogheemraadschap; • Door de ondergrondse ligging is geen toename van het verhard oppervlak; Het uitvoeren van een watertoets wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
4.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in