Beantwoording vragen BVR
Tekst van het document
Beter voor Rijswijk heeft de volgende vragen over de zienswijze SBJH; Over de begroting en kostenontwikkeling: 1) Waarom stijgt het personeelsbestand van het Servicebureau nog steeds terwijl gemeenten juist oproepen tot kostenbeheersing? Antwoord: De stijging van het personeelsbestand vloeit voort uit extra taken die gemeenten gezamenlijk bij het Servicebureau hebben belegd. Het gaat onder meer om benodigde capaciteit bij control, contractmanagement en data-analyse in verband met een verhoogde vraag naar meer informatievoorziening en het centraal organiseren van maatwerkovereenkomsten. 2) Is de groei van het aantal fte's tijdelijk of structureel? Antwoord: Een deel van deze taken is tijdelijk van aard, waaronder externe inzet voor ziekteverzuim. De inzet van inkoop- en contractmanagement en informatiemanagement is structureel van aard. 3) wat gebeurt er als de taakstelling van 6,2% ook in de komende jaren niet wordt gehaald? Antwoord: In De Kaderbrief begroting 2027 Gemeenschappelijke Regelingen wordt ingegaan op de taakstelling van 6,2% en hebben de gemeenten alle gemeenschappelijke regelingen opgeroepen kritisch te blijven kijken op de balans tussen de gemeentelijke bijdragen en de uit te voeren taken.
Wanneer de gemeenschappelijke regelingen niet aansluiten op de budgettaire realiteit waar gemeenten mee te maken hebben, neemt de druk op de gemeentelijke begrotingen verder toe. Om tot toekomstbestendige en structureel sluitende meerjarenbegrotingen te komen, is meer gezamenlijk inzicht nodig, bijvoorbeeld in de relatie tussen de taken die bij gemeenschappelijke regelingen zijn belegd en de middelen die daarvoor worden ingezet. Daarom werken de wethouders financiën, in overleg met de kring van gemeentesecretarissen, aan een voorstel om dit inzicht te vergroten. Op basis daarvan kunnen colleges en besturen van de gemeenschappelijke regelingen het gesprek voeren over de te nemen maatregelen. Doel is om samen te komen tot meer inzicht én meer grip op de financiële opgaven waar wij gezamenlijk voor staan. Een andere belangrijke passage gaat over het Haagse Toekomstperspectief. Rijswijk noemt expliciet een risico als Den Haag zijn bijdrage verlaagt. Vragen: 1) Hoe afhankelijk is het Servicebureau financieel van de bijdrage van Den Haag? Antwoord: Het Servicebureau wordt gefinancierd door de negen deelnemende gemeenten gezamenlijk. De verdeling van de kosten vindt plaats op basis van het bewonersaantal per 1 januari van het jaar voorafgaande aan de begroting. Den Haag is als deelnemende gemeente onderdeel van de gemeenschappelijke regeling en heeft daarin een aandeel van 48,41%.
Wat is het financiële effect als Den Haag zijn bijdrage vermindert? Antwoord: Op dit moment is er geen sprake van een vermindering van de bijdrage van de gemeente Den Haag. Den Haag blijft deelnemer aan de gemeenschappelijke regeling Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden. De raad van de gemeente Den Haag heeft echter zijn college verzocht om de gevolgen van het Haags toekomst perspectief (HTP) qua werkzaamheden van het Servicebureau in beeld te brengen. De uitkomsten van dit onderzoek zijn voor de gemeente Den Haag leidend voor de aanpassingen van de financiële verdeelsleutel in de toekomst. In 2025 heeft de gemeente Den Haag besloten dit onderzoek
deel uit te laten maken van de nieuwe inkoop. Te zijner tijd worden de raden in de regio Haaglanden hier nader over bericht. 2) Zijn hiervoor scenario's uitgewerkt? Antwoord: Nee. De uitkomsten van het onderzoek zijn leidend voor eventuele vervolgstappen. Welke gevolgen zou dit hebben voor dienstverlening, personeel en regionale samenwerking? Antwoord: Zie antwoord hierboven. Op dit moment zijn er geen gevolgen voor de dienstverlening, het personeel of de regionale samenwerking. Echter, dit zal naar verwachting op termijn onderwerp van gesprek worden in de regio. We zullen hier ons op gaan voorbereiden. 3) Welke maatregelen kunnen andere gemeenten nemen om dit risico op te vangen? Antwoord: Welke maatregelen passend en noodzakelijk zijn, is afhankelijk van de aard en omvang van eventuele wijzigingen en zal altijd in regionaal verband moeten worden besproken en afgestemd binnen de governance van de gemeenschappelijke regeling. Het toetreden tot en uittreden uit de Gemeenschappelijke regeling is overigens niet vrijblijvend. We hebben hierover afspraken vastgesteld. Hoofdstuk 9 van de gemeenschappelijke regeling behandelt de toetreding, uittreding, wijziging en opheffing.
Artikel 20, lid 6 stelt: Het financiële nadeel dat voor de andere deelnemende gemeenten ontstaat door het beëindigen van de deelname door de uittredende gemeente aan het uitvoeringsprogramma, wordt over een periode van drie jaar vanaf datum uittreding zichtbaar gemaakt en door de uittredende gemeente ter compensatie aan het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden vergoed.