A Ontwerp Nota bodembeheer gemeente Rijswijk
Tekst van het document
Nota Bodembeheer gemeente Rijswijk 7 september 2022
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Verantwoording Titel
Nota Bodembeheer gemeente Rijswijk
Opdrachtgever
Gemeente Rijswijk
Projectleider
Erik Vonkeman
Auteur(s)
Sanne Kruize - Smouter
Tweede lezer
Odile Rutten
Projectnummer
1278094
Aantal pagina’s
38 (exclusief bijlagen)
Datum
7 september 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Rhijnspoor 209 Postbus 6 2900 AA Capelle aan den IJssel T +31 10 28 86 10 0 E info.rotterdam@tauw.com
2/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Inhoud 0
Samenvatting............................................................................................................................. 6
1
Inleiding ..................................................................................................................................... 8
2
3
4
5
6
1.1
Algemeen ........................................................................................................................... 8
1.2
Aanleiding en doelstelling .................................................................................................. 8
1.3
Reikwijdte en geldigheidsduur van de nota bodembeheer ................................................ 8
1.4
Aansprakelijkheidsclausule ................................................................................................ 9
Wettelijk kader ......................................................................................................................... 10 2.1
Algemeen ......................................................................................................................... 10
2.2
Bevoegd gezag ................................................................................................................ 10
2.3
Generiek en gebiedsspecifiek beleid ............................................................................... 10
2.4
Handelingskader PFAS .................................................................................................... 12
Bodemfunctie en bodemkwaliteit ............................................................................................. 13 3.1
Bodemfunctieklassenkaart ............................................................................................... 13
3.2
Bodemkwaliteitskaart ....................................................................................................... 13
3.2.1
Algemeen .................................................................................................................. 13
3.2.2
Bodemkwaliteit .......................................................................................................... 14
3.2.3
Bodemkwaliteit PFAS................................................................................................ 15
3.2.4
De bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring ....................................... 16
Ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot grondverzet ............................................................... 17 4.1
Algemeen ......................................................................................................................... 17
4.2
Rijswijk Buiten .................................................................................................................. 17
Gebiedsspecifiek beleid........................................................................................................... 19 5.1
Aanleiding voor gebiedsspecifiek beleid .......................................................................... 19
5.2
Voorwaarden voor gebiedsspecifiek beleid...................................................................... 20
5.3
Keuze lokale maximale waarden (LMW) .......................................................................... 20
5.4
Gebiedsspecifiek beleid voor wegbermen ....................................................................... 22
5.5
Percentage bodemvreemd materiaal ............................................................................... 23
5.6
Invasieve exoten .............................................................................................................. 24
5.7
Erkenning bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten ............................................ 25
Stappenplan voor het toepassen van grond en bagger........................................................... 26
3/38
Kenmerk
6.1
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Stap 1 Bepalen of er sprake is van uitzonderingen .......................................................... 26
6.1.1
Grootschalige bodemtoepassing............................................................................... 26
6.1.2
Wegberm................................................................................................................... 26
6.1.3
Verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen .................................. 28
6.1.4
Toepassing op een waterbodem ............................................................................... 28
6.1.5
Ontgraving/toepassing op een diepte groter dan 2,0 m – mv ................................... 28
6.1.6
Toepassing in een kinderspeelplaats of moestuin .................................................... 28
6.1.7
Tijdelijke uitname ...................................................................................................... 29
6.1.8
Tijdelijke opslag......................................................................................................... 29
6.2
Stap 2. Uitvoeren vooronderzoek ..................................................................................... 30
6.3
Stap 3. Bodemkwaliteitsklasse te ontgraven grond of bagger bepalen ........................... 30
6.4
Stap 4. Toepassingseis bepalen ...................................................................................... 31
6.5
Stap 5. Toetsen van de grond / bagger aan de toepassingseis ....................................... 32
6.6
Stap 6. Toepassen van de grond ..................................................................................... 32
7
Gebruik bodemkwaliteitskaart voor vaststellen veiligheidsklasse ........................................... 33
8
Overgang naar de omgevingswet ........................................................................................... 34
9
Melden, toezicht en handhaving .............................................................................................. 35 9.1
Inleiding ............................................................................................................................ 35
9.2
Melden ............................................................................................................................. 35
9.3
Toezicht en handhaving ................................................................................................... 36
10 Vaststellingsprocedure en mandatering .................................................................................. 37 10.1
Vaststellingsprocedure ..................................................................................................... 37
10.2
Delegatie bevoegdheden van de raad naar het college ................................................... 37
Bijlage 1
Toelichting
Bijlage 1a
Verklarende woordenlijst
Bijlage 1b
Overzicht bewijsmiddelen bodemkwaliteit
Bijlage 2
Bodemfunctiekaart
Bijlage 3
Homogene deelgebieden
Bijlage 4
Ontgravingskaart
Bijlage 5
Toepassingskaart
Bijlage 6
Statistische kentallen (gebiedsspecifiek)
4/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Bijlage 7
Risicobeoordelingen
Bijlage 8
Grondverzetsmatrix
Bijlage 9
Toelichting op het vooronderzoek
Bijlage 10
Grondverzet onder de Omgevingswet
5/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
0 Samenvatting De nota bodembeheer van gemeente Rijswijk beschrijft de voorwaarden voor hergebruik van grond als 'bodem' in de gemeente. De regels voor hergebruik zijn complex en daarmee is de onderbouwing omvangrijk maar ook technisch van aard. Onderstaand zijn daarom de belangrijkste onderwerpen uit de nota samengevat. Bij elk onderwerp is aangegeven in welke hoofdstukken en paragrafen in de nota nadere informatie te vinden is. Het toepassen van grond en baggerspecie is in heel Nederland gebonden aan de regels uit het Besluit bodemkwaliteit. Daarbinnen heeft elke gemeente de ruimte om eigen beleidsregels vast te stellen. Dit heet het ‘gebiedsspecifiek beleid’ (zie paragraaf 2.3 en hoofdstuk 5). Voor gebiedsspecifiek beleid geldt het ‘Stand Still principe’. Dat wil zeggen: binnen de grenzen van het beheergebied (gemeentegrenzen) moet de bodemkwaliteit minimaal gelijk blijven: verslechtering op de ene locatie gaat hand in hand met verbetering op een andere locatie. In deze nota bodembeheer zijn aanvullende regels gegeven voor het toepassen van grond en baggerspecie.
Gebiedsspecifiek beleid Bij het opstellen van het beleid heeft de gemeente, binnen de eisen die het Besluit bodemkwaliteit daaraan stelt, gekozen voor het vastleggen van eigen Lokale Maximale Waarden (zie paragraaf 5.3) en gebiedsspecifieke regels (paragraaf 5.4 tot en met 5.7) om op een verantwoorde wijze het grondverzet binnen de gemeentegrenzen vorm te geven. Functieklassen en kwaliteitsklassen Het beleid gaat uit van verschillende ‘bodemfunctieklassen’ (zie paragraaf 3.1). De volgende 3 functies worden onderscheiden: Wonen, Industrie en overig (Landbouw/natuur). De rijksoverheid heeft voor elk van die bodemfuncties normen voor de kwaliteit van de toe te passen grond vastgesteld. Dat zijn de zogenaamde kwaliteitsklassen (zie paragraaf 2.3). De ondergrens is de zogenaamde ‘Achtergrondwaarde’: de grond die daaraan voldoet, mag overal toegepast worden. De bovengrens is het ‘Saneringscriterium’: dat is de grens waarboven onaanvaardbare risico’s optreden. Grond waarvoor dat het geval is, mag nergens toegepast worden. Tussen die uitersten kan de gemeente Lokale Maximale Waarden (LMW) vaststellen voor de kwaliteit van de grond die bij een bepaalde functie toegepast mag worden. Zorgplichtbeginsel Naast alle regels voor grondverzet (in het Besluit bodemkwaliteit en in het gemeentelijke gebiedsspecifieke beleid) geldt bij het toepassen van grond altijd de wettelijke zorgplicht.
Dat betekent dat iedereen verplicht is maatregelen te nemen om verontreiniging te voorkomen of te beperken zodra je vermoedt dat een toepassing van grond nadelige gevolgen kan hebben.
6/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart (zie paragraaf 3.2) is een belangrijke bijlage bij de nota. Ze bestaat uit 2 onderdelen: Een ontgravingskaart (bijlage 4), die inzicht geeft in de feitelijke kwaliteit van de aanwezige
bodem Een toepassingskaart (bijlage 5), die per deelgebied aangeeft aan welke kwaliteitseisen de grond moet voldoen om daar te mogen worden toegepast
Grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart is alleen toegestaan, na vooronderzoek, binnen gelijke zones van de bodemkwaliteitskaart of van zones met een betere kwaliteit naar zones met een mindere kwaliteit. In de gemeente Rijswijk is de kwaliteit van de bovengrond niet overal gelijk. Het vooronderzoek dient te geschieden conform de NEN5725 en is nodig om te bepalen of de kaart gebruikt kan worden als geldig bewijsmiddel voor grondverzet of ter bepaling van de veiligheidsklasse (zie paragraaf 6.2). In sommige gevallen, als uit een vooronderzoek blijkt dat een locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreinigingen, moet er een partijkeuring worden uitgevoerd. Een partijkeuring is een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van een partij grond. Wil men afwijken van de bodemkwaliteitskaart, dan mag dat dus alleen na het overleggen van aanvullende bodeminformatie. Borging verantwoorde toepassing In de Nota bodembeheer wordt een werkwijze beschreven om het verantwoord toepassen van hergebruiksgrond te waarborgen. Daarnaast dienen alle toepassingen van grond gemeld te worden bij de rijksoverheid. Deze meldingen worden door de gemeente getoetst.
7/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
1 Inleiding 1.1
Algemeen
Voor u ligt de nota bodembeheer van gemeente Rijswijk: een instrument gericht op duurzaam omgaan met grond. De basis van dit document ligt in het Besluit bodemkwaliteit en de voor Rijswijk opgestelde bodemkwaliteitskaart1.
1.2
Aanleiding en doelstelling
Op 1 januari 2008 zijn het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit in werking getreden. Deze vormen het beleidskader voor hergebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Hierin zijn generieke regels opgenomen, waarbij de normen voor het toepassen van grond en bagger afhankelijk zijn van zowel de kwaliteit als de functie van de ontvangende bodem. Op grond van de lokale omstandigheden kan (binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden) worden afgeweken van het generieke kader. In dat geval is sprake van gebiedsspecifiek beleid. Met deze nota actualiseert de gemeente Rijswijk haar gebiedsspecifiek beleid teneinde de hergebruiksmogelijkheden van grond zo efficiënt mogelijk te benutten en nadere invulling te geven aan de regels met betrekking tot grondverzet. Het beleid is zodanig dat milieuhygiënisch verantwoord met grondstromen wordt omgegaan.
1.3
Reikwijdte en geldigheidsduur van de nota bodembeheer
De nota bodembeheer is van toepassing op het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem binnen het gehele grondgebied van de gemeente. De nota bodembeheer is niet van toepassing op waterbodems, deze vallen onder het bevoegd gezag van het Hoogheemraadschap van Delfland. De Nota Bodembeheer is in principe 10 jaar geldig. De nota behoudt ook bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn geldigheid en gaat dan op in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. De Nota Bodembeheer is gebaseerd op de bodemkwaliteitskaart. Deze kaart heeft een geldigheidstermijn van 5 jaar en valt onder het overgangsrecht als de Omgevingswet in werking treedt. Na 5 jaar moet de kaart geactualiseerd worden en opnieuw worden vastgesteld. Ook als eerder uit nieuwe bodemgegevens blijkt dat de actuele bodemkwaliteit afwijkt is een herziening van de bodemkwaliteitskaart nodig. Hoofdstuk 8 gaat nader in op de overgang naar de Omgevingswet.
1
Technische rapportage bodemkwaliteitskaart gemeente Rijswijk, TAUW, R002-1278094ESM-V03-hme-NL, d.d. 7 september 2022
8/38
Kenmerk
1.4
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Aansprakelijkheidsclausule
De bodemkwaliteitsdata en afgeleide kaarten in deze nota geven een indicatie van de kwaliteit van de bodem. Echter een garantie voor de kwaliteit van de bodem of de kwaliteit van een bepaalde partij vrijkomende grond kan niet worden geboden. Door bijvoorbeeld de aanwezigheid van (on)bekende verontreinigingen in de grond en het grondwater kunnen lokaal verschillen optreden met de op de kaarten aangegeven milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast zijn de kaarten gebaseerd op een beperkt aantal waarnemingen, waardoor een bepaalde mate van onzekerheid ontstaat die groter is dan bij een verkennend bodemonderzoek op de betreffende locatie of keuring van de betreffende partij. De eindverantwoordelijkheid voor het toepassen van een partij grond (of baggerspecie) ligt bij de eigenaar van de locatie waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. De gemeente Rijswijk kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortkomt uit fouten en onvolkomenheden in de bodemkwaliteitsdata.
9/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
2 Wettelijk kader 2.1
Algemeen
Het Besluit bodemkwaliteit heeft als doel zoveel mogelijk grond en baggerspecie her te gebruiken, zodat minder primaire grondstoffen nodig zijn. Hergebruik is verantwoord als grond of baggerspecie niet sterk verontreinigd is en op basis van een vooronderzoek ook niet verdacht is op het voorkomen van dit soort verontreinigingen. Het Besluit bodemkwaliteit omvat een landelijk geldend generiek kader dat direct door gemeenten kan worden toegepast. Indien het generieke kader niet volstaat, kunnen gemeenten voor (een deel van) hun beheergebied binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit gebiedsspecifiek beleid ontwikkelen. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten daarmee de mogelijkheid verantwoord hergebruik van grond en baggerspecie maximaal af te stemmen op de heersende omstandigheden binnen het beheergebied. Hierbij vormen bodemgebruik, bodemambities en ruimtelijke ontwikkelingen de randvoorwaarden.
2.2
Bevoegd gezag
De verdeling van de taken van het lokale bevoegd gezag voor grond en baggerspecie is als volgt:
Gemeente: het toepassen van grond en baggerspecie (op landbodem) binnen het eigen beheergebied Waterschap: het toepassen en verspreiden van grond en baggerspecie in niet-rijkswateren Rijkswaterstaat: het toepassen en verspreiden van grond en baggerspecie in rijkswateren en bermen van rijkswegen
Het lokale bevoegd gezag houdt toezicht op toepassingen binnen het eigen beheergebied en kan bestuurlijk handhaven op: De wijze van toepassing
2.3
De tijdige en correcte melding van de toepassing De kwaliteitsverklaringen
Generiek en gebiedsspecifiek beleid
Het generieke beleid gaat uit van verschillende ‘bodemfunctieklassen’. De volgende 3 functies worden onderscheiden: Wonen, Industrie en overig (Landbouw/natuur). De rijksoverheid heeft voor elk van die bodemfuncties eigen normen voor de kwaliteit van de toe te passen grond vastgesteld. Dat zijn de zogenaamde kwaliteitsklassen. De daadwerkelijke kwaliteit van de grond komt niet altijd overeen met de functie. Het generieke kader maakt daarom gebruik gemaakt van een dubbele toetsing voor het vaststellen van de toepassingseisen voor het hergebruik van grond. Hierbij wordt gekeken naar de daadwerkelijke bodemkwaliteit en de bodemfunctie. Uiteindelijk bepaalt de strengste van deze twee de toepassingseis in een deelgebied. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van de functie Industrie, maar de bodemkwaliteit is klasse Wonen, mag er enkel grond met de kwaliteitsklasse Wonen worden toegepast. In figuur 2.1 is weergegeven hoe via de dubbele toetsing wordt gekomen tot de toepassingseisen.
10/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
AW2000
bodemkwaliteitsklasse
(Landbouw/ natuur)
Wonen
Industrie
Overig
AW1
AW
AW
Wonen
AW
MW Wonen2
MW Wonen
Industrie
AW
MW Wonen
MW Industrie3
bodemfunctieklasse
1
AW= achtergrondwaarde
3
2
MW Industrie= Maximale Waarde Industrie
MW wonen=Maximale Waarde wonen
Figuur 2.1 Afleiden toepassingseisen in het generieke kader
Indien het generieke beleidskader onvoldoende mogelijkheden biedt voor hergebruik van grond, kunnen gemeenten (binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit) gebiedsspecifiek beleid ontwikkelen. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen de volgende zaken worden geregeld:
Het vaststellen van lokale maximale waarden Het vaststellen van een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage dat in het Besluit is opgenomen (20 %)
Vastleggen welke bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten als bewijsmiddel gelden voor het toepassen van grond
Gebiedsspecifiek beleid gaat uit van stand-still op niveau van het beheergebied en is toegespitst op het gewenste hergebruik van grond binnen het eigen beheergebied. Voor de verschillende onderscheiden bodemfuncties kunnen Lokale Maximale Waarden (LMW) worden vastgesteld. Deze waarden bevinden zich tussen het niveau van de Achtergrondwaarden en het Saneringscriterium. Ter verduidelijking is in figuur 2.2 de normstelling voor het generieke en het gebiedsspecifieke kader samengevat.
Figuur 2.2 Normstelling voor toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem
11/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Het verschil tussen het generieke toepassingskader en het gebiedsspecifieke toepassingskader is dat bij het generieke kader getoetst wordt aan de generieke maximale waarden volgens de dubbele toets (zie figuur 2.1), terwijl in bij gebiedsspecifiek getoetst wordt aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarde (LMW) van de ontvangende bodem. Deze LMW kunnen gelijk zijn aan de maximale waarden die hoort bij de functieklasse van de ontvangende bodem, maar dat hoeft niet. De gemeente heeft besloten om gebruik te blijven maken van de mogelijkheden die het gebiedsspecifiek beleid biedt, om het grondverzet beter te faciliteren. In hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan.
2.4
Handelingskader PFAS
In het handelingskader voor PFAS-houdende grond en baggerspecie van 13 december 2021 zijn achtergrondwaarden en toepassingsnormen opgenomen voor PFAS die bij het bepalen van hergebruiksmogelijkheden binnen het generieke kader gehanteerd moeten worden. Voor de toepassingsnormen voor grond is onderscheid gemaakt in verschillende situaties, waar verschillende normen voor gelden (zie tabel 2.1). In tegenstelling tot eerdere versies van het handelingskader is geen onderscheid meer gemaakt tussen het toepassen van grond of baggerspecie boven of onder het grondwaterniveau. De toepassingseis voor PFAS wordt bepaald aan de hand van de toepassingseis voor de overige stoffen door middel van de dubbele toets (zie figuur 2.1 en paragraaf 2.3). De kwaliteit van de bodem ten aanzien van PFAS wordt hierin dus niet meegenomen. Het is mogelijk om hier met gebiedsspecifiek beleid van af te wijken. Zo is het mogelijk om een lokale achtergrondwaarden op te stellen. De gemeente Rijswijk heeft hier geen gebruik van gemaakt. Tabel 2.1 Toepassingswaarden voor PFAS conform het handelingskader PFAS van december 2021 Toepassingssituatie
Som PFOS
Som PFOA
Overige PFAS
(µg/kg d.s.)
(µg/kg d.s.)
(µg/kg d.s.)
3
7
3
1,4
1,9
1,4
Baggerspecie verspreiden op aangrenzend perceel
3
7
3
Grootschalige toepassingen
3
7
3
Toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden
Gebiedskwaliteit
Gebiedskwaliteit
Gebiedskwaliteit
of 0,1
of 0,1
of 0,1
Toepassingseis Wonen of Industrie (dubbele toets) Toepassingseis Landbouw/natuur (AW2000, dubbele toets)
12/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
3 Bodemfunctie en bodemkwaliteit 3.1
Bodemfunctieklassenkaart
De bodemfunctieklassenkaart beschrijft niet de feitelijke kwaliteit van de bodem maar is een kaart die aangeeft welke functie een bepaald gebied heeft. Bij de functie hoort een bepaalde bodemkwaliteit waarbij de bodem duurzaam geschikt is voor die functie. De volgende gebieden zijn te onderscheiden:
Gebieden met de bodemfunctieklasse Wonen Gebieden met de bodemfunctieklasse Industrie Overige gebieden, met de functieklasse overig (Landbouw/natuur)
Uitgangspunt bij de indeling in bodemfunctieklassen, is dat de klasse die wordt toegekend aan een gebied overeenkomt met de gevoeligste bodemfunctie binnen het betreffende gebied. Bovendien moet er rekening worden gehouden met de mate van blootstelling van de mens en de mate van bescherming van het ecosysteem. Voor de gebieden, die niet in een bodemfunctieklasse Wonen of Industrie zijn ingedeeld, moet de kwaliteit van toe te passen grond en baggerspecie altijd voldoen aan de achtergrondwaarden. Deze gebieden hebben de functie overig (Landbouw/natuur). De bodemfunctieklassenkaart is weergegeven in bijlage 2.
3.2
Bodemkwaliteitskaart
3.2.1
Algemeen
Grondverzet vindt plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Om grondverzet efficiënt te kunnen laten plaatsvinden is een bodemkwaliteitskaart nodig. De bodemkwaliteitskaart geeft de gemeten achtergrondwaarden weer en dient als wettig bewijsmiddel conform artikel 4.3.5 van de Regeling bodemkwaliteit. Zo wordt voorkomen dat er voor elke partij grond en elke ontvangende locatie een partijkeuring c.q. bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Een bodemkwaliteitskaart bestaat uit 2 onderdelen:
Een ontgravingskaart (bijlage 4), die inzicht geeft in de feitelijk bestaande kwaliteit van de aanwezige bodem Een toepassingskaart (bijlage 5), die aan geeft aan welke kwaliteitseisen een toe te passen partij grond in de verschillende deelgebieden dient te voldoen
13/38
Kenmerk
3.2.2
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Bodemkwaliteit
Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld voor de gemeente Rijswijk op basis van de parameters uit het standaardpakket grond, aangevuld met een aantal bestrijdingsmiddelen. Een volledig overzicht van de opgenomen parameters is te vinden in de technische rapportage van de bodemkwaliteitskaart2. Voor PFAS is eerder al een bodemkwaliteitskaart3 opgesteld. Voor meer informatie over PFAS zie paragraaf 3.2.3. In tabel 3.1 is een samenvatting gegeven van de resultaten van de bodemkwaliteitskaart. Hieruit blijkt dat de kwaliteit niet overal gelijk is. In de toepassingskaart (bijlage 5) is aangegeven aan welke kwaliteit de grond moet voldoen die ergens toegepast mag worden. In bijlage 8 is een grondstromenmatrix opgenomen waarin te zien is welke grondverplaatsingen binnen Rijswijk mogelijk zijn met de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel. De bodemkwaliteit is gebaseerd op het gebiedsspecifieke beleid dat nader toegelicht wordt in hoofdstuk 5. Tabel 3.1 Resultaten ontgravingskaart-gebiedsspecifiek Homogeen deelgebied
Bodemkwaliteitsklasse bovengrond
Bodemkwaliteitsklasse ondergrond
0-0,5 m-mv
0,5-2,0 m-mv
Buitengebied
Klasse Wonen
Klasse Landbouw/natuur (AW2000)
Wonen I
Klasse Wonen
Klasse Industrie (partijkeuring nodig)
Wonen II
Klasse Wonen
Klasse Landbouw/natuur (AW2000)/ klasse Wonen (kassengebied)
Rijswijk Buiten
Klasse Wonen
Klasse Wonen
Bedrijventerreinen
Klasse Industrie
Klasse Industrie
In de zone Wonen I is voor grondverzet vanuit de ondergrond altijd een partijkeuring noodzakelijk vanwege de relatief hoge loodgehalten. Voordat de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als bewijsmiddel, dient op zowel de herkomstlocatie als de toepassingslocatie een vooronderzoek volgens NEN 5725 aanleiding F uitgevoerd te worden. Hieruit kan blijken dat de bodemkwaliteitskaart op de desbetreffende locatie niet van toepassing is. Dit is het geval bij: Locaties die worden gesaneerd of gesaneerd zijn (Wbb-locaties). Aan de hand van de eindsituatie (eventuele restverontreinigingen) wordt door de gemeente bepaald in hoeverre de
bodemkwaliteitskaart een representatief beeld geeft van de bodemkwaliteit op de locatie Onderzochte locaties waar een geval van ernstige bodemverontreiniging is geconstateerd, maar waarvoor nog geen beschikking is afgegeven op ernst en spoedeisendheid dan wel op
het saneringsplan Locaties waar sprake is van een niet-ernstige bodemverontreiniging als gevolg van lokale puntbronnen
Locaties waar mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (niet onderzochte locaties uit het historisch bodembestand)
2
Technische rapportage bodemkwaliteitskaart gemeente Rijswijk, TAUW, R002-1278094ESM-V02-hme-NL d.d. 7 september 2022
3
Bodemkwaliteitskaart PFAS gemeente Rijswijk, TAUW, d.d. 15 mei 2020, R001-1274461ESM-V01-sal-NL
14/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Meer informatie over het uitvoeren van vooronderzoek is opgenomen in paragraaf 6.2. In bovengenoemde situaties is een partijkeuring noodzakelijk als erkend bewijsmiddel in het kader van het Besluit bodemkwaliteit (zie ook bijlage 1b) als er grond wordt afgevoerd en hergebruikt binnen de gemeente Rijswijk. 3.2.3 Bodemkwaliteit PFAS Voor PFAS is in 2020 een bodemkwaliteitskaart4 opgesteld. De resultaten van deze bodemkwaliteitskaart zijn in deze nota geïntegreerd. Conform het Handelingskader PFAS mag voor PFAS het beheergebied als 1 zone worden gezien. Dat komt door de beïnvloedingswijze (atmosferische depositie) die bepalend is voor zonering. De analyseresultaten zijn getoetst op ruimtelijke spreiding en heterogeniteit. Op basis van deze gegevens is er geen aanleiding om het beheergebied voor PFAS in meerdere zones te verdelen. Wel is er onderscheid waarneembaar tussen de bovengrond (0-0,5 m -mv) en de onderzochte lagen in ondergrond (0,5-3,0 m -mv). In de ondergrond worden beduidend lagere gehalten aangetroffen. In tabel 3.2 zijn de P80 (waarde waar 80 % van de gehalten onder ligt) opgenomen voor de som PFOS en som PFOA. De P80 wordt vaak gebruikt om zones in bodemkwaliteitskaarten te kwalificeren en is ook in de bodemkwaliteitskaart van Rijswijk gebruikt om de kwaliteit van de zones te bepalen. Tabel 3.2 P80 som PFOS en som PFOA gemeente Rijswijk Bodemlaag
P80
P80 som PFOA
som
(µg/kg d.s.)
Toepasbaarheid
PFOS (µg/kg d.s.) Bovengrond
1,7
1,9
Klasse Wonen/Industrie
0,2
0,3
Altijd toepasbaar
(0-0,5 mmv) Ondergrond (0,5-1,0 mmv)
Uit de resultaten van de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de P80 van de bovengrond hoger is dan de toepassingsnorm Landbouw/natuur (AW2000), maar lager dan de maximale toepassingswaarden voor de klasse Wonen en Industrie. De bovengrond is daarmee toepasbaar als klasse Wonen of Industrie. De P80 van de ondergrond overschrijdt de toepassingsnorm Landbouw/natuur niet en is altijd toepasbaar (op basis van PFAS). Andere PFAS-verbindingen zijn niet of nauwelijks aangetoond. Zoals blijkt uit paragraaf 3.2.2 is de kwaliteit van de bovengrond in de gemeente Rijswijk geclassificeerd als klasse Wonen of klasse Industrie. Dit komt overeen met de PFAS-kwaliteit. De
4
Bodemkwaliteitskaart PFAS gemeente Rijswijk, TAUW, d.d. 15 mei 2020, R001-1274461ESM-V01-sal-NL
15/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
PFAS-kwaliteit heeft hiermee dus geen invloed op de mogelijkheden voor het grondverzet van deze bodemlaag. Doordat de ondergrond op basis van PFAS beoordeeld is als ‘altijd toepasbaar’, heeft ook voor deze bodemlaag de PFAS-kwaliteit geen invloed op de mogelijkheden voor grondverzet. 3.2.4 De bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring De ontgravingskaart en de toepassingskaart van de gemeente Rijswijk kunnen als milieuhygiënische verklaring dienen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit voor respectievelijk de kwaliteit van de toe te passen grond en de kwaliteit van de ontvangende bodem. Dit betekent dat, behalve in een aantal uitzonderingen (zie paragraaf 6.1), geen partijkeuringen noodzakelijk zijn. Uit een partijkeuring kan blijken dat de lokale bodemkwaliteit afwijkt van de bodemkwaliteitskaart. Aangezien een partijkeuring een meer intensieve onderzoeksintensiteit hanteert dan een bodemkwaliteitskaart vervalt de geldigheid van de kaart. De partijkeuring (conform BRL1001) dient dan als geldig milieuhygiënisch bewijsmiddel te worden gebruikt voor het grondverzet. De resultaten van deze partijkeuring dienen getoetst te worden aan het gebiedsspecifiek beleid van de gemeente Rijswijk om te bepalen welke mogelijkheden voor grondverzet er zijn voor de desbetreffende partij.
16/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
4 Ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot grondverzet 4.1
Algemeen
Het grootste deel van de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Rijswijk vindt plaats in Rijswijk Buiten. Daarnaast zijn er nog een aantal herontwikkelingen die in de ontwerpfase zijn waarbij mogelijk grond vrij komt, met name in verband met de aanleg van parkeerkelders of grondverbetering in de bermen. Deze plannen zijn minder concreet dan de ontwikkelingen in Rijswijk Buiten, waar de ontwikkelingen al gestart zijn. Voorafgaand aan de herontwikkeling van deze gebieden is hoogstwaarschijnlijk ook tijdelijk grond nodig in verband met de voorbelasting. De verschillende herontwikkelingslocaties zijn weergegeven in figuur 4.1. Tevens is in deze figuur de totale hoeveelheid grond, die naar verwachting vrijkomt, weergegeven. In totaal komt er de komende jaren naar verwachting 130.000 tot 250.000 m3 grond vrij in Rijswijk. Meer informatie over de ruimtelijke ontwikkelingen en het grondverzet in Rijswijk Buiten is gegeven in paragraaf 4.2.
4.2
Rijswijk Buiten
De meest zuidelijk gelegen woonwijk van Rijswijk staat bekend als ‘Rijswijk Buiten’. Deze wijk is nog gedeeltelijk in ontwikkeling en onderverdeeld in de deelwijken Sion, Parkrijk en Pasgeld (zie figuur 4.1). Dit gebied is voorheen grotendeels in gebruik geweest voor agrarische doeleinden (waaronder glastuinbouw). Dit houdt in dat in het gebied verhoogde gehaltes bestrijdingsmiddelen kunnen voorkomen in de bodem, hetgeen belemmerend werkt op de afzetmogelijkheden van de grond. Als voorbereiding op de bouw is voorbelasting toegepast. Het gedeelte ‘Sion’ is inmiddels voor circa 90 % ontwikkeld naar woonwijk. Er zal daarom niet veel grondverzet meer plaatsvinden in dit gebied. De voorbelasting die in het verleden is aangebracht, is bijna volledig verplaatst naar ‘Parkrijk’ en ‘Pasgeld’. Ook in Parkrijk verloopt de ontwikkeling naar woonwijk momenteel in hoog tempo. De voorbelasting wordt in fasen naar Pasgeld-West vervoert (het gedeelte tussen de Lange Kleiweg en het spoor). Naar verwachting zal nog circa 75.000 m3 verplaatst moeten worden naar Pasgeld. Vanwege het overschot aan grond in Parkrijk is besloten om binnen Pasgeld West alvast te starten met het voorbelasten van het gebied. De daadwerkelijke bouw binnen Pasgeld West zal niet eerder dan 2023 worden opgestart.
Afhankelijk van de nog vast te stellen voorbelastingsstrategie, zal naar verwachting in de periode 2025 -2027 circa 50.000 m3 – 100.000 m3 grond vrijkomen. Mogelijk dat deze vrijkomende grond toegepast kan worden in de gebiedsontwikkeling Pasgeld Oost.
17/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Figuur 4.1 Gebieden in Rijswijk waar herontwikkeling plaatsvindt, inclusief de hoeveelheid grond die waarschijnlijk vrijkomt
18/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
5 Gebiedsspecifiek beleid 5.1
Aanleiding voor gebiedsspecifiek beleid
Uit de bodemkwaliteitskaart5 blijkt dat in een aantal deelgebieden koper, zink en drins licht verhoogd voorkomen als gevolg van langdurig gebruik waaronder tuinbouw. Conform de generieke normen is de grond in een aantal zones niet opnieuw toepasbaar indien deze vrijkomt. Dit geldt voor de volgende zones:
In de bovengrond van de zone Wonen I (oudste woongebieden) is de kwaliteit Industrie op basis van zink terwijl de functie Wonen is. Deze grond zou onder het generieke beleid niet hergebruikt kunnen worden
In de bovengrond van de zone Rijswijk Buiten is de kwaliteit Industrie op basis van koper en zink terwijl de functie in het grootste deel van het gebied Wonen is. Deze grond zou onder het generieke beleid niet hergebruikt kunnen worden in het gebied, terwijl er juist veel grondverzet
plaatsvindt In de bovengrond van de zone Buitengebied is de kwaliteit Wonen op basis van kwik, lood, zink, PAK en PCB terwijl de functie overig is. Dat betekent dat de grond uit de bovengrond van het buitengebied niet kan worden hergebruikt in het eigen deelgebied. Omdat dat natuurlijk op basis van tijdelijke uitname wel in hetzelfde werk teruggeplaatst kan worden en er weinig tot geen ontwikkelingen gepland staan in deze zone is de impact hiervan beperkt.
De grond kan natuurlijk wel in andere gebieden in de gemeente worden hergebruikt met de toepassingseis Wonen of Industrie Voor de bestrijdingsmiddelen in de voormalige kassengebieden geldt dat de grond beoordeeld is als niet toepasbaar of Industrie op basis van som drins. Dit betekent dat al deze grond onder het generieke beleid niet of alleen in gebieden met de toepassingseis Industrie kan worden toegepast
Indien de grond niet binnen de gemeente Rijswijk kan worden toegepast moet hiervoor een andere toepassingslocatie worden gevonden of moet de grond naar een erkende verwerker. Tevens moet voor werkzaamheden binnen de gemeente Rijswijk dan grond worden aangevoerd. Dit leidt niet alleen tot hogere kosten, maar ook tot een grotere milieubelasting. Door het opstellen van een lokale maximale waarde voor koper, zink en som drins kan de grond uit bovengenoemde zones (met uitzondering van de zone Buitengebied) toch worden hergebruikt binnen het grootste gedeelte van Rijswijk. Op basis van de risicobeoordeling brengt dit ook geen onaanvaardbare risico’s met zich mee. Het opstellen van lokale maximale waarden (LMW’s) bevordert dus verantwoord hergebruik van grond binnen de gemeente Rijswijk. Volgens het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit mag toe te passen grond en baggerspecie ten hoogste 20 gewichtsprocent bodemvreemd steenachtig materiaal en hout 5
Technische rapportage bodemkwaliteitskaart gemeente Rijswijk, TAUW, R002-1278094ESM-V03-hme, d.d.
7 september 2022
19/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
bevatten. Daarnaast mogen in de grond of baggerspecie andere bodemvreemde materialen (bijvoorbeeld plastic of piepschuim) slechts sporadisch voorkomen. Binnen het gebiedsspecifieke beleid kunnen hier afwijkende percentages voor worden vastgesteld. Ook de eventuele erkenning van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten dient via de nota bodembeheer geregeld te worden. In de volgende paragrafen worden de voorwaarden en keuzemogelijkheden in het kader van gebiedsspecifiek beleid nader toegelicht.
5.2
Voorwaarden voor gebiedsspecifiek beleid
Aan het opstellen van gebiedsspecifiek beleid stelt het Besluit de volgende eisen: De gekozen Lokale Maximale Waarden (LMW) mogen niet leiden tot onaanvaardbare risico’s. Daarom moet een risicobeoordeling worden uitgevoerd met de Risicotoolbox
Ruimte Lokale Maximale Waarden (LMW): Tussen achtergrondwaarden (AW 2000) en saneringscriterium Op basis van gebiedskwaliteit, maatschappelijke opgave grond- en baggerverzet,
ontwikkeling en ambities Wanneer wordt toegestaan dat plaatselijk de bodemkwaliteit verslechtert, dan mag daar alleen gebiedseigen grond of baggerspecie worden toegepast, zodat elders in hetzelfde
gebied de kwaliteit verbetert. Op deze manier is sprake van stand-still op gebiedsniveau De actuele bodemkwaliteit en de gekozen Lokale Maximale Waarden (LMW) worden vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart en in de nota bodembeheer
5.3
Het gebiedsspecifiek beleid wordt met onderbouwing vastgelegd in een nota bodembeheer Het besluit tot vaststelling van het gebiedsspecifiek beleid door de gemeenteraad staat open voor bezwaar en beroep
Keuze lokale maximale waarden (LMW)
Om knelpunten in het grondverzet op te lossen en vanuit het circulariteitsprincipe is gekozen om voor koper, zink en drins lokale maximale waarden voor de klasse Wonen op te stellen. De gekozen waarden zijn afgeleid van de statistische kentallen die in de bodemkwaliteitskaart bepaald zijn. Er is niet gekozen voor een specifieke percentielwaarde als lokale maximale waarde, maar voor de minimale waarde die voor de gewenste verruiming in het grondverzet zorgt. Voor alle parameters liggen de gekozen lokale maximale waarden ver beneden de interventiewaarde (en dus ook onder het saneringscriterium). De lokale maximale waarden zijn weergegeven in tabel 5.1.
20/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Tabel 5.1 Lokale maximale waarden (LMW) in standaardbodem (lutum 25 %, organisch stof 10 %) Parameter
Generieke maximale waarde
LMW – maximale waarde Wonen
Wonen Koper (mg/kg d.s.)
54
100
Zink (mg/kg d.s.)
200
300
Som Drins (mg/kg d.s.)
0,04* (40 µg/kg d.s.)
0,2** (200 µg/kg d.s)
*Generieke maximale waarde industrie 140 µg/kg d.s, interventiewaarde 4.000 µg/kg d.s **Tevens de maximale waarde voor de klasse Industrie
Binnen het gebiedsspecifieke kader moet worden getoetst of de berekende lokale maximale waarden humane en ecologische risico’s opleveren en of de waarden daarop moeten worden aangepast. Bij humane risico’s wordt de bescherming bepaald door: Veel of weinig bodemcontact (bij veel bodemcontact moet de concentratie lager zijn dan bij
weinig bodemcontact om voldoende bescherming te bieden) Veel, gemiddeld, beperkt of geen gewasconsumptie (bij veel gewasconsumptie moet de concentratie lager zijn dan bij geen gewasconsumptie om voldoende bescherming te bieden)
De lokale maximale waarden zijn getoetst met alle verschillende functies. De rapportages van de risicotoolbox zijn opgenomen in bijlage 7. Hieruit blijkt dat er voor de functie moestuinen/volkstuinen humane risico’s zijn voor drins (risicoindex 3,12, bij een hoge gewasconsumptie). Voor de overige functies zijn er geen humane risico’s. De lokale maximale waarde voor drins wordt daarom niet van toepassing verklaard voor moestuinen en volkstuinen. Bij ecologische risico’s wordt de bescherming bepaald door de invloed van de bodemverontreinigingen op het ecosysteem: hoe lager het beschermingsniveau des te hoger mag de concentratie zijn. Er bestaan drie niveaus: Hoog ecologisch beschermingsniveau Gemiddeld ecologisch beschermingsniveau
Matig ecologisch beschermingsniveau
De resultaten van de ecologische risico’s uit toetsing in de risicotoolbox zijn opgenomen in bijlage 7. Omdat de lokale maximale waarden de interventiewaarden niet overschrijden is toetsing aan het saneringscriterium niet nodig. Ecologische risico’s zijn enkel relevant in zones waar een ecologisch beschermingsniveau wordt nagestreefd. Dit is in de gemeente Rijswijk enkel van toepassing binnen de gebieden die binnen het Natuur Netwerk Nederland vallen (zie functiekaart). Deze gebieden hebben allemaal de functie overig (Landbouw/natuur) en daardoor mag in deze gebieden geen grond met de kwaliteit klasse Wonen toegepast worden. De lokale maximale waarde voor de klasse Wonen is daardoor in deze gebieden niet van toepassing. De ecologische risico’s van de lokale maximale waarden kunnen daardoor verwaarloosd worden.
21/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Voor grond met waarden die de lokale maximale waarden overschrijden, geldt dat deze binnen de gemeente Rijswijk moet zijn vrijgekomen. Op die manier is er binnen de gemeente sprake van stand-still. Het, binnen de gemeente Rijkswijk, toepassen van grond met verhoogde gehalten aan koper, zink of som drins, afkomstig uit andere gemeenten, is dus niet toegestaan.
5.4
Gebiedsspecifiek beleid voor wegbermen
Een berm is gedefinieerd als de strook grond vanaf de weg tot aan een fysieke afscheiding (bijvoorbeeld een bermsloot) met een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of het ballastbed. Zie ook figuur 5.1. Voor bermen en taluds bij rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen zijn in artikel 63, lid 6 van het Besluit bodemkwaliteit uitzonderingen opgenomen voor de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie als grootschalige bodemtoepassing. Hiervoor geldt dat de kwaliteit dient te voldoen aan de Maximale Waarden voor de klasse industrie. Omdat het om een grootschalige bodemtoepassing gaat, dient een laagdikte van minimaal 0,5 meter te worden aangebracht (let op: hier gelden meer eisen; zie paragraaf 6.1.1). Het is echter wenselijk om binnen alle wegbermen van wegen met een hoge verkeersintensiteit in de gemeente Rijswijk grond uit te kunnen wisselen en in de bermen grond met klasse industrie toe te kunnen passen. Deze bermen hebben daarom de functie industrie toegekend gekregen. Niet al deze wegen zijn aangegeven op de functiekaart in bijlage 2, omdat deze niet voldoende detail biedt om de bermen weer te geven. Voor de definitie van de wegbermen dient figuur 5.1 gehanteerd te worden.
Figuur 5.1 Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009). De begrenzing van maximaal 10 meter geldt voor alle vier de dwarsdoorsneden
22/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Er is voor gekozen om in de wegbermen enkel te toetsen aan de bodemfunctie (functie Industrie) en niet aan de ontvangende bodemkwaliteit. Dit geldt alleen voor grond die binnen de gemeente Rijswijk is vrijgekomen. Daardoor kan in de wegbermen grond met de kwaliteitsklasse Industrie worden toegepast, ook als de kwaliteit van de ontvangende berm op dat moment beter is. Feitelijk gezien worden de maximale waarden voor de klasse Industrie dus als lokale maximale waarden voor de wegbermen vastgesteld ook daar waar de kwaliteit Wonen of AW2000 is. Deze keuze heeft als consequentie dat in voornoemde situatie verslechtering van de bodemkwaliteit optreedt maar er is nog steeds sprake van stand-still binnen het beheergebied. De bodemkwaliteitskaart kan dan niet meer gebruikt worden voor toepassing van bermengrond naar locaties buiten de wegbermen maar nog wel voor toepassing daarbinnen. Er zijn geen humane of ecologische risico’s te verwachten aangezien de kwaliteit van de toe te passen grond voldoet aan de normen behorende bij de functie van de wegbermen (industrie).
5.5
Percentage bodemvreemd materiaal
Conform het Besluit bodemkwaliteit mag herbruikbare grond en baggerspecie maximaal 20 gewicht-% bodemvreemd materiaal bevatten in de vorm van steenachtig materiaal en hout. De gemeente Rijswijk maakt gebruikt van de mogelijkheid om dit te verlagen naar 10 % voor de functie Industrie en 5 % voor de functie Wonen en overig. Overige bodemvreemde materialen (zoals piepschuim en (micro)plastics) mogen conform het generieke beleid slechts sporadisch voorkomen. De gemeente Rijswijk interpreteert dat als: hergebruik van grond met visueel waarneembare bodemvreemde materialen (met uitzondering van steenachtig materiaal en hout) is niet toegestaan. Samengevat betekent dat:
Gebieden met functie overig (Landbouw/natuur) en Wonen: maximaal 5 gewichts-% steenachtig materiaal en hout Gebieden met functie Industrie en de wegbermen: maximaal 10 gewichts-% steenachtig
materiaal en hout Overige bijmengingen mogen visueel niet waarneembaar zijn (geldt voor alle gebieden)
Bij twijfel of grenssituaties beslist het bevoegd gezag. Als de grond verder toepasbaar is op de beoogde toepassingslocatie, is het toegestaan om door civieltechnisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal te verlagen naar de bovenstaande percentages. Het civieltechnisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het bodemvreemd materiaal moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Als zeven niet mogelijk is dan moet een alternatieve toepassings- of verwerkingslocatie voor de grond worden gezocht. Het toepassen van grond en baggerspecie met hogere percentages steenachtig materiaal en hout is niet toegestaan. Indien plaatselijk lagere percentages wenselijk zijn, dan kan dit privaatrechtelijk geregeld worden (bijvoorbeeld in een bestek).
23/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Asbest Het uitvoeren van een vooronderzoek conform NEN 5725 is altijd verplicht voorafgaand aan het toepassen van grond (ongeacht welk bewijsmiddel gebruikt wordt). Indien hieruit blijkt dat de locatie verdacht is voor asbest moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707 of NEN 5897 plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. Tevens geldt dat indien bij het ontgraven asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond ook een onderzoek naar asbest uitgevoerd moet worden conform NEN 5707 of NEN 5897. Voor asbestverdachte grond geldt dus dat er altijd een bodemonderzoek conform de NEN5707 moet zijn uitgevoerd. Voor asbest geldt een hergebruiksnorm van 100 mg/kg ds. De concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg d.s. De gemeente heeft geen bevoegdheid om hogere of lagere normen aan te wijzen. De gemeente Rijswijk vindt het toepassen van asbesthoudende grond echter niet wenselijk en hanteert daarom voor projecten in opdracht van de gemeente Rijswijk strengere normen. De gemeente Rijswijk staat in deze projecten het toepassen van grond met visueel waarneembaar asbest niet toe in gebieden met de functie Wonen.
Bij gevoelige locaties zoals een (onverharde) kinderspeelplaats of moestuin, streeft de gemeente Rijswijk naar asbestvrije grond en wordt daarom een streefnorm van 0 mg/kg ds gehanteerd. Voor overig bodemgebruik bevat de grond bij voorkeur geen asbest maar streeft de gemeente Rijswijk naar een maximaal gehalte van 10 mg/kg ds (gewogen).
Particulieren en bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente Rijswijk te volgen.
5.6
Invasieve exoten
Invasieve exoten zijn planten die niet van nature in Nederland voorkomen, maar inheemse soorten verdringen en schade op kunnen leveren. Een voorbeeld is de Japanse duizendknoop. De Japanse duizendknoop is een invasieve exoot die in meerdere gemeenten in Nederland voorkomt en schade veroorzaakt aan natuur, infrastructuur, openbaar groen en bouwwerken. De plant verspreidt zich via stengeldelen en wortelstokken en is moeilijk te bestrijden. Op dit moment komt de Japanse duizendknoop weinig voor in de gemeente Rijswijk (www.waarneming.nl). Op basis van het Besluit natuurbescherming is sinds 1 januari 2022 de handel in Aziatische duizendknopen verboden. Dat verbod geldt ook voor (partijen) grond waar deze planten (of delen daarvan) in voorkomen. Het betreft de:
Japanse duizendknoop (Fallopia japonica, waaronder de dwergvariëteit Fallopia japonica var.compacta) Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis)
Bastaardduizendknoop (Fallopia x bohemica)
24/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Voor meer informatie over het herkennen van de duizendknopen wordt verwezen naar infoblad A uit het landelijk protocol Aziatische duizendknopen6. Grondverzet is een potentieel risico voor verspreiding en introductie van invasieve exoten binnen de gemeente Rijswijk. Daarom geldt naast bovenstaand verbod een zorgplicht bij grondverzet dat de grond vrij is van zaden en plantendelen van invasieve exoten. Dit geldt voor invasieve exoten in bredere zin. Naast de bovenstaande soorten wordt daarom ook speciale aandacht gevraagd voor de Reuzenberenklauw. Om te bepalen of er invasieve exoten in de te ontgraven grond aanwezig zijn, moet een vooronderzoek uitgevoerd worden. Dit kan gecombineerd worden met het verplichte vooronderzoek volgens NEN 5725 (zie paragraaf 6.2) of tijdens het uitvoeren van een bodemonderzoek of partijkeuring (zie bijlage 1b). Van grond die afkomstig is uit zandwinputten mag worden aangenomen dat deze grond geen sporen van invasieve exoten bevat.
5.7
Erkenning bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten
De gemeente heeft er vooralsnog voor gekozen om geen bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten te erkennen. Wel is zij voornemens om met de andere gemeenten in de regio afspraken te maken over het erkennen voor elkaars kaarten en gaat de mogelijkheden hiervoor verkennen. Zodra de gemeente Rijswijk besluit om een kaart van een buurgemeente te erkennen kan dit worden vastgesteld met een collegebesluit (zie paragraaf 10.2 voor meer details). Zolang de kaarten van buurgemeenten nog niet zijn erkend, kan grond uit andere gemeenten alleen worden hergebruikt, wanneer de kwaliteit is bepaald door middel van een partijkeuring (of een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 indien het waterbodem betreft) en voldoet aan de generieke toepassingsnormen voor de toepassingslocatie. De lokale maximale waarden gelden ook als een andere bodemkwaliteitskaart erkent is, niet voor grond van buiten de gemeente Rijswijk.
6
Landelijk protocol Aziatische duizendknopen, Aequator Groen & Ruimte, Stichting Probos, Geofoxx milieu expertise, 2019,
www.bestrijdingduizendknoop.nl/protocol
25/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
6 Stappenplan voor het toepassen van grond en bagger De voorwaarden voor toepassen van grond en bagger zijn in dit hoofdstuk samengevat. Voor de gevallen dat er een conflict bestaat tussen de nota bodembeheer en de bodemfunctiekaart/bodemkwaliteitskaart, prevaleren de regels uit de nota bodembeheer. Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen. Deze zorgplicht betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat nadelige gevolgen kunnen optreden als gevolg van een toepassing, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor het toepassen van grond en bagger is het stroomschema uit figuur 6.1 van toepassing. De zes stappen in deze figuur zijn nader uitgewerkt in paragraaf 6.1 tot en met 6.6. De mogelijkheid van grondverzet binnen en tussen deelgebieden is gevisualiseerd in bijlage 8.
6.1
Stap 1: Bepalen of er sprake is van uitzonderingen
In de navolgende paragrafen worden de afwijkende regels voor de verschillende uitzonderingen verder toegelicht: 6.1.1 Grootschalige bodemtoepassing Er is sprake van een grootschalige toepassing als het volume minimaal 5.000 m3 bedraagt en
de minimale toepassingshoogte 2 meter (bij wegen en sporen minimaal 0,5 meter). De grootschalige toepassing wordt afgedekt met een leeflaag van ten minste 0,5 meter Grootschalige toepassingen moeten nuttig zijn maar niet bestemd voor het ophogen van een
perceel (zie paragraaf 4.4.4 Nota van Toelichting op het Besluit bodemkwaliteit). Dit kader is dus niet van toepassing voor de ophoging van bijvoorbeeld een industrieterrein De toepassing moet blijvend worden beheerd
De partij toe te passen grond mag de maximale waarden voor de klasse Industrie niet overschrijden De kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de emissietoetswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit Als de kwaliteit niet voldoet aan de emissietoetswaarden, dan moet een uitloogonderzoek worden uitgevoerd om te toetsen of voldaan wordt aan de maximale emissiewaarden De leeflaag van een grootschalige toepassing moet voldoen aan de bodemfunctieklasse ter plaatse
6.1.2 Wegberm Voor wegbermen geldt binnen de gemeente Rijswijk gebiedsspecifiek beleid. Meer informatie staat in paragraaf 5.4.
26/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Figuur 6.1 Toepassingsschema van grond en bagger binnen de gemeente Rijswijk
27/38
Kenmerk
6.1.3
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen
Voor het verspreiden van baggerspecie vanuit watergangen over aangrenzende percelen (“het op de kant zetten van baggerspecie”) gelden speciale regels. Er geldt een onderzoeksplicht conform NEN 57207. De baggerspecie mag worden verspreid op het aangrenzend perceel en de gehalten moeten voldoen aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen. Deze maximale waarden worden bepaald door de zogenaamde msPAF-toets. Voor een aantal parameters (minerale olie en een aantal metalen) geldt een samenstellingseis. Voor de toepassing zijn een aantal belangrijke voorwaarden: Voor bagger die voldoet aan de maximale waarden volgens de msPAF-toets of de
samenstellingseis geldt een ontvangstplicht voor verspreiden over het aangrenzende perceel De baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid Er hoeft niet getoetst te worden aan de kwaliteit van de ontvangende bodem
De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld
Voor het elders toepassen van (gerijpte) baggerspecie gelden dezelfde regels als voor het toepassen van grond. 6.1.4
Toepassing op een waterbodem
Voor het toepassen op een waterbodem is het Hoogheemraadschap van Delfland bevoegd gezag. Dit valt buiten de reikwijdte van deze nota. 6.1.5 Ontgraving/toepassing op een diepte groter dan 2,0 m – mv Bij het ontgraven van grond dieper dan 2,0 m -mv hoeft de kwaliteit niet middels bodemonderzoek of een milieuhygiënische verklaring vastgesteld te worden. Er wordt van uitgegaan dat ongeroerde grond dieper dan 2 meter gelijke of betere kwaliteit is als de bodemlaag 0,5 tot 2 m -mv. Dit betekent dat voor vrijkomende grond van dieper dan 2 meter de ontgravingskaart van de ondergrond (0,5-2 m -mv) gebruikt kan worden om de kwaliteit te bepalen. Dieper dan 2,0 m -mv mag alleen grond worden toegepast met een kwaliteit die voldoet aan de klasse landbouw/natuur (AW2000), behalve als door middel van een bodemonderzoek of een (insitu) partijkeuring op de ontvangende locatie een andere kwaliteit is vastgesteld en deze voldoet aan de functie van het gebied. 6.1.6 Toepassing in een kinderspeelplaats of moestuin Voor toepassing in een kinderspeelplaats of moestuin gelden vanwege de gevoelige functie een aantal aanvullende regels. Som drins De lokale maximale waarde van de klasse Wonen voor som drins geldt niet voor moestuinen. Grond die in moestuinen toegepast wordt in een gebied met toepassingsnorm Wonen, moet daarom voldoen aan de generieke maximale waarde Wonen van som drins (40 µg/kg).
7
NEN 5717 Bodem — Waterbodem — Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, december 2017
28/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Lood De Provincie Zuid-Holland heeft een beleidsregel8 opgesteld voor diffuus lood die van toepassing is op kinderspeelplaatsen en moestuinen. De beleidsregel richt zich op het terugdringen van blootstellingsrisico’s aan lood voor jonge kinderen tot een aanvaardbaar niveau. De gemeente Rijswijk vindt het toepassen van loodhoudende grond niet wenselijk op kinderspeelplaatsen en in moestuinen en hanteert daarom voor projecten waarbij de gemeente betrokken is als initiatiefnemer of perceeleigenaar de achtergrondwaarde. De gemeente Rijswijk adviseert andere initiatiefnemers dezelfde norm aan te houden. Asbest Bij gevoelige locaties zoals een (onverharde) kinderspeelplaats of moestuin, streeft de gemeente Rijswijk daarnaast naar asbestvrije grond en wordt daarom een streefnorm van 0 mg/kg ds gehanteerd. Meer informatie over dit beleid in paragraaf 5.5. 6.1.7 Tijdelijke uitname Er is sprake van tijdelijke uitname bij het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie als deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, ‘op of nabij’ dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Op of nabij dezelfde plaats is in het Besluit niet gedefinieerd als afstand.
Aangezien lokale omstandigheden van invloed zijn, wordt, indien gevraagd, door het bevoegd gezag (gemeente Rijswijk) per geval beoordeeld of sprake is van 'op of nabij'. In het geval van tijdelijke uitname hoeft de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem of van de terug te plaatsen grond of baggerspecie niet te worden aangetoond en is er geen meldingsplicht in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het kader van andere wet- en regelgeving, zoals de Wet bodembescherming en de CROW 400, is het wel noodzakelijk om vast te stellen of op de locatie sprake is van een locatiespecifieke verontreiniging. Indien uit het vooronderzoek conform NEN 5725 blijkt dat dat het geval is, kunnen de werkzaamheden niet zonder aanvullende onderzoeken of maatregelen plaatsvinden. 6.1.8
Tijdelijke opslag
In tabel 6.1 is een samenvatting gegeven van de voorwaarden die bij de verschillende vormen van tijdelijke opslag horen. Indien aan deze voorwaarden voldaan wordt is geen vergunning nodig op grond van de Wet milieubeheer (Wm). Wanneer niet aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, bijvoorbeeld omdat de kwaliteit niet voldoet of de maximale duur van de opslag wordt overschreden, is een vergunning op grond van de Wm noodzakelijk. Onder de Omgevingswet treedt verruiming op voor deze regels. De gemeente kan desgewenst aanvullende bepalingen opnemen.
8
https://www.zuid-holland.nl/@25639/beleidsregel-diffuus-lood/
29/38
Kenmerk
R001-1278094ESM-V03-hme-NL
Tabel 6.1 Overzicht verschillende vormen van tijdelijke opslag Vorm van tijdelijke opslag
Voorwaarden van het Besluit Maximale duur van de
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
opslag Kortdurende opslag
6 maanden
-
Ja
Tijdelijke opslag op
3 jaar
Kwaliteit moet voldoen
Ja, met voorziene duur
aan de kwaliteit van de
van opslag en
ontvangende bodem.
eindbestemming
-
Nee
landbodem Opslag bij tijdelijke uitname
Looptijd van de werkzaamheden
6.2
Stap 2: Uitvoeren vooronderzoek
Voorafgaand aan het toepassen van grond op basis van de bodemkwaliteitskaart dient zowel op de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie een vooronderzoek uitgevoerd te worden volgens NEN 57259, aanleiding F (zie ook bijlage 9). Indien er bagger of droge waterbodem wordt ontgraven en toegepast op de landbodem dan dient het vooronderzoek op de ontgravingslocatie uitgevoerd te worden volgens NEN 571710. Het vooronderzoek dient om vast te stellen of de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden voor de desbetreffende locatie. Dit is ook van belang voor de toepassingslocatie, onder andere om vast te stellen of er geen maatregelen en meldingen in het kader van de Wet Bodembescherming nodig zijn. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat een locatie verdacht is, is de bodemkwaliteitskaart niet geldig voor de desbetreffende locatie. De potentiële verontreiniging moet dan eerst verder in beeld gebracht worden door middel van een (verkennend) bodemonderzoek. Een eventuele verontreiniging (> Interventiewaarde) die wordt aangetoond valt onder het kader van de Wet Bodembescherming, waarbij mogelijk sanerende maatregelen nodig zijn. Indien de verdenking onterecht is, kan grondverzet plaatsvinden volgens de regels uit deze nota bodembeheer.
6.3