CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-018 (bijlage 2) Wissing-0443-Garages - van Vredenburchweg 93_vastgesteld Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 29 november 2022, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel definitieve vvgb Van Vredenburchweg 93 (RV 22-024)24.028 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing Garages Van Vredenburchweg 93 Uitgebreide procedure Wabo

Oktober 2022

Garages - van Vredenburchweg 93

Inhoudsopgave Besluitdocument Ruimtelijke onderbouwing

3 5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 8

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

9 9 10

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijks- en provinciaal beleid 3.2 Gemeentelijk beleid

13 13 13

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Bedrijven- en milieuzonering 4.2 Luchtkwaliteit, geluid, bodem, externe veiligheid 4.3 Water 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Archeologie 4.6 Flora en fauna 4.7 Stikstofonderzoek 4.8 M.e.r.

15 15 15 15 16 17 17 19 19

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Juridische planopzet 5.2 Economische uitvoerbaarheid 5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

21 21 21 21

Hoofdstuk 6

Conclusie

23

Bijlagen Ruimtelijke onderbouwing

24

Bijlage 1

Watersleutel

25

Bijlage 2

Quickscan wet Natuurbescherming

27

Bijlage 3

Stikstofonderzoek

62

Bijlage 4

Ontwerp verklaring van geen bedenkingen

80

Bijlage 5

Nota van Zienswijzen

82

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

2 - 97

Besluitdocument

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

3 - 97

Blanco besluitdocument - nog vervangen door getekende versie

Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel Ter plaatse van het perceel aan de van Vredenburchweg 93 Rijswijk is het voornemen om de huidige opstallen te slopen en te vervangen door nieuwe bebouwing in de vorm van vier garages. De garages worden uitsluitend gebruikt voor het stallen van particuliere voertuigen. Het perceel kent de bestemming 'Wonen' in het vigerende bestemmingsplan en het gebruik ten behoeve van parkeergelegenheid (in de vorm van de garages) is planologisch toegestaan. Er is wel sprake van de oprichting van een nieuw gebouw, wat zal functioneren als hoofdgebouw, hetgeen planologisch niet is toegestaan. Om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken wordt daarom een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure doorlopen (ex artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3). Voorliggende onderbouwing is een bijlage bij de uitgebreide omgevingsvergunning. Doelstelling van deze onderbouwing is om aan te tonen dat het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Vredenburchweg 93 in Rijswijk (perceelnummers 7301 en 7302, sectie D). Het plangebied grenst aan de west- en oostkant aan de Park de Wervelaan. Het bestaande hoofdgebouw is te bereiken via deze weg. De vergunningsaanvraag betreft alleen perceelnummer 7301, sectie D zoals weergegeven in de verbeelding bij vigerende bestemmingsplan. De erf-ontsluitingsweg (perceelnummer 7302, sectie D) maakt geen onderdeel uit van de aanvraag omgevingsvergunning, deze is reeds planologisch toegestaan. Ook grenst het plangebied aan de noordoostzijde aan een bestaande erfontsluitingsweg. Deze weg dient ter ontsluiting van de opstallen gelegen aan de Vredenburchweg 93 en 91. Van deze ontsluiting wordt in de huidige situatie gebruikt gemaakt om de achterzijde van het terrein te bereiken.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

5 - 97

Afbeelding ligging plangebied hoger schaalniveau

Afbeelding kaart met ligging plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen het vigerende bestemmingsplan ''Landgoederenzone'' (vastgesteld 15-12-2009). Het plangebied is bestemd voor 'Wonen'. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en beroepsmatige activiteiten, met daaraan ondergeschikt parkeervoorzieningen, fiets- en voetpaden, tuinen, erven, verhardingen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

6 - 97

Het gebruik van de gronden ten behoeve van parkeervoorzieningen, ondergeschikt aan de functie wonen, is toegestaan. Het initiatief voorziet in de bouw van vier garages die uitsluitend dienen voor het stallen van particuliere voertuigen. Het gebruik van deze garages is ondergeschikt ten opzichte van de functie wonen. Er is geen sprake van strijdigheid met de geldende bestemming 'Wonen' aangaande het gebruik van de gronden. Ten aanzien van de geldende bouwregels, is er geen bouwvlak opgenomen ter plaatse van het perceel. De nieuw te bouwen garages (hierna nieuwbouw) worden qua oppervlakte groter dan de huidige opstallen. Derhalve is geen sprake van herbouw op dezelfde locatie. Ook is er geen sprake van de oprichting van een bijgebouw, hetgeen buiten het bouwvlak wel zijn toegestaan. Onder bijgebouw wordt verstaan een gebouw behorende bij een hetzelfde bouwpercelen gelegen (hoofd)gebouw. De vier garages tezamen vormen het nieuwe hoofdgebouw op deze locatie. De nieuwbouw behoort niet toe aan de percelen van de aangrenzende woningen. Derhalve is sprake van de oprichting van een hoofdgebouw. Dit is planologisch niet toegestaan binnen de geldende bouwregels, daarom dient afgeweken te worden van het vigerende bestemmingsplan. Er dient uitsluitend te worden afgeweken voor het perceel met nummer 7301 (rood omkaderd in onderstaande afbeelding).

Er wordt geen bebouwing opgericht op het perceel met nummer 7302. Het gebruik van dit perceel ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwbouw is planologisch toegestaan. Ter plaatse van het plangebied geldt ook de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" wat verder wordt toegelicht in paragraaf 4.5. Ook geldt ter plaatste de "parapluherziening parkeernormering Rijswijk". De parapluherziening parkeernormering houdt in dat voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van bouwen en/of gebruiken de geldende parkeernormen in heel Rijswijk worden geregeld. Het aspect parkeren wordt toegelicht in paragraaf 4.4.

Afbeelding uitsnede vigerend bestemmingsplan

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

7 - 97

1.4 Leeswijzer In Hoofdstuk 2 wordt de huidige en toekomstige situatie beschreven. In Hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid toegelicht en in Hoofdstuk 4 worden de onderzoeken en beoordelingen van omgevingsaspecten beschreven. Daarna wordt in Hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Tot slot wordt geëindigd met de conclusie van de ruimtelijke onderbouwing.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

8 - 97

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie Op het perceel aan de van Vredenburchweg 93 staat een voormalige werkplaats annex opstal van een aannemersbedrijf, die niet in gebruik is. Achter de opstal bestaat het plangebied uit een met beton(tegels) verhard terrein en een deels onverharde oprit vanuit de van Vredenburchweg. Het terrein en de opstallen zijn bouwkundig in zeer slechte staat. De opstal, die nu het hoofdgebouw bedraagt, heeft een oppervlakte van 56m2 en heeft een verouderde betonnen gevel en een dak van golfplaten en is georiënteerd aan de openbare ruimte. Dit past niet in het straatbeeld van moderne woningen met groene voortuinen. Verder is er op het terrein ook een houten schuur aanwezig. De schuur zal ook gesloopt worden.

Afbeelding huidige situatie opstal met de woningen aan de Park de Wervelaan

Afbeelding bestaande erfontsluitingsweg van Vredenburchweg 93 en 91

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

9 - 97

Afbeelding overzicht te slopen bebouwing en te verwijderen begroeiing

2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden de bestaande opstal en houten tuinschuur gesloopt. Ter plaatse van de opstal wordt een gebouw met vier garages en een berging geplaatst. 2 garages worden ontsloten via het achter-terrein en de oprit aan de van Vredenburchweg. De andere 2 garages worden ontsloten aan de Park de Wervelaan. De nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 78m2 en wordt uitsluitend gebruikt voor het stallen van voertuigen (specifiek oldtimers) door particulieren. Gevolg hiervan is dat het gebruik overeenkomstig is met het bestemmingsplan en de garages niet bedrijfsmatig in gebruik worden genomen. De garages sluiten aan op de bestaande architectuur van de wijk en staat parallel aan de straat. Ook volgt de gevel de rooilijn en bouwhoogte van het naastgelegen trafostation, waardoor bij het aangrenzende perceel meer uitzicht ontstaat. In de nieuwe situatie is er sprake van een rustige uitstraling, hetgeen in lijn is met de omgeving.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

10 - 97

Afbeelding 3D impressie van de nieuwe situatie vanaf de Park de Wervelaan

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

11 - 97

Afbeelding plattegrond van de nieuwbouw

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

12 - 97

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijks- en provinciaal beleid Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen wordt het rijksbeleid niet nader toegelicht, uitzondering hierop betreft een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking welk hieronder wordt toegelicht. Ook het provinciaal beleid wordt nader toegelicht. Ladder Het planvoornemen voorziet in een gebouw met een ondergeschikte functie, namelijk een parkeervoorziening. Planologisch gezien is in de nieuwe situatie het gebruik van de gronden voor parkeervoorzieningen ondergeschikt aan wonen toegestaan. Daarom wordt gesteld dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een onderbouwing van de ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig is. Provinciaal beleid Het planvoornemen betreft een kleinschalige ontwikkeling. Er is geen sprake van een functiewijziging. Derhalve kan een toetsing aan provinciaal beleid achterwege blijven.

3.2 Gemeentelijk beleid Gelet op de kleinschaligheid van het planvoornemen en het gegeven dat er geen sprake is van een functiewijziging, wordt gesteld dat het planvoornemen niet in strijd is met relevant gemeentelijk beleid waaronder de stadsvisie Rijswijk. Relevant voor het planvoornemen betreft wel de toetsing aan het welstandsbeleid. Het plangebied ligt in een gebied waar sprake is van intensief welstandstoezicht. De ontwikkeling betreft de realisatie van een hoofdgebouw in de vorm van vier garages. Daarom wordt enkel getoetst aan de algemene welstandscriteria. Uitgangspunt voor de algemene welstandscriteria is de aanname dat de kwaliteit van een gebouw is gerelateerd aan de volgende criteria: A. Stedenbouwkundige samenhang B. Evenwichtig gevelbeeld C. Passende detaillering, materiaal- en kleurgebruik Door het bouwen in de lijn van de naastgelegen trafo en het volgen van de architectonische stijl van omliggende woningen, zoals beschreven in hoofdstuk 3, wordt aan deze uitgangspunten voldaan. De Welstand- en monumentencommissie heeft op 8 november 2021 akkoord gegeven op het bouwplan.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

13 - 97

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

14 - 97

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

4.1 Bedrijven- en milieuzonering Het planvoornemen voorziet enkel in de bouw van vier garages. Hierbij is de functie van het gebouw voor parkeren een ondergeschikte functie binnen de bestemming 'Wonen'. Er wordt geen, vanuit milieuwetgeving gezien, gevoelige functie en/of bebouwing opgericht. Ook wordt geen milieuhinderlijke functie opgericht. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor omliggende gevoelige functies, waaronder wonen. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.2 Luchtkwaliteit, geluid, bodem, externe veiligheid Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een gevoelige functie gezien vanuit luchtkwaliteit, geluid, bodem en externe veiligheid. Ook is het gebruik van de garages voor parkeren passend binnen de geldende bestemming 'Wonen'. De verkeersbewegingen van en naar de garages zijn, gelet op het gebruik voor de stalling van voertuigen van particulieren, van dermate ondergeschikte aard dat er geen gevolgen voor de luchtkwaliteit en geluid in de omgeving worden verwacht. Gelet op voorgaande wordt gesteld dat deze aspecten geen belemmering vormen.

4.3 Water Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Met het oog op de watertoets is een waterparagraaf opgesteld, waarin de voor dit plan relevante waterhuishoudkundige aspecten zijn beschreven. Deze waterparagraaf is hieronder opgenomen. Wettelijk kader De afweging van de diverse waterbelangen is geborgd in diverse plannen, wetten en beleidsdocumenten. De belangrijkste plannen en wetten op Rijksniveau en Europees niveau zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken. Op provinciaal niveau zijn dit het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland, de Omgevingsverordening Ruimte en het Actieprogramma Water. Voorts is relevant het beleid en de Keur van het hoogheemraadschap. Op gemeentelijk niveau staan relevante regels in Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 en de Wateragenda tot 2021.

Gelet op de aard van de ruimtelijke onderbouwing (kleinschalige herontwikkeling van een bestaand verstedelijkt gebied) is niet verder ingegaan op al deze beleidsdocumenten. Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland wil voorop lopen op het gebied van klimaatadaptief bouwen. In 2018 is het Convenant Klimaatadaptief Bouwen opgesteld dat ondertekend is door diverse partijen, zoals bouwbedrijven, gemeenten (waaronder Rijswijk), de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Vanuit het convenant wordt gezamenlijk opgetrokken om de Zuid-Hollandse delta zo adaptief mogelijk te maken. Het convenant stimuleert partijen om klimaatadaptief te bouwen en biedt daarvoor allerlei ondersteuning aan. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, droogte, hittestress, bodemdaling en overstromingen en het vergroten van de biodiversiteit bij bouwopgaven. Er worden maatregelen getroffen om zoveel mogelijk te voldoen aan het convenant. Hetgeen haalbaar is van een plan van een dergelijke kleinschalige omvang. Dit betekent concreet in elk geval de toepassing van groene daken en de aanleg van een hemelwaterafvoer, waar mogelijk vertraagd. Dit wordt nader toegelicht in deze waterparagraaf.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

15 - 97

Watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van het oppervlaktewater en/of grondwater leiden. Waterveiligheid In het plangebied zijn geen waterkeringen en/of oppervlaktewater aanwezig. Waterberging Voor het plan is de watersleutel van Hoogheemraadschap Delfland uitgevoerd. In de Bijlage 1 Watersleutel is het resultaat van de watersleutel getoond. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De watersleutel berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Het plangebied heeft een oppervlakte van 155m2. Dit is volledig verhard in de huidige situatie. zowel door bebouwing als bestrating. In de toekomstige situatie wordt 78m2 bebouwd en de rest van het plangebied wordt bestraat dichtgestraat. Hierdoor blijft de oppervlakte aan verharding gelijk.

Uit de watersleutel blijkt dat er een beperkte waterbergingsopgave ontstaat van 1,4 m3. Er wordt invulling gegeven aan de realisatie van deze waterberging door de daken van de garages uit te voeren met sedum. De sedumdaken kunnen (afhankelijk van het ontwerp) per m² ca. 50 liter opvangen. Op de garages wordt een oppervlakte van 78,0 m2 aan sedumdaken aangelegd. Dit kan een opvangcapaciteit opleveren van (78 x 50 = 3900 liter) 3,9 m3. Door het treffen van deze maatregelen wordt voorzien in de totale waterbergingsopgave. Riolering en hemelwater In de toekomstige situatie wordt het hemelwater gescheiden verwerkt van het huishoudelijk afvalwater. Voor het huishoudelijk afvalwater is een aansluiting nodig op de bestaande riolering. Waar mogelijk wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd. Conclusie De herontwikkeling van de plangebied leidt niet tot negatieve effecten op de waterhuishouding ter plaatse. Er is geen sprake van een toename aan verhard oppervlakte. Op het dak wordt een voorziening (sedum daken) gerealiseerd om voldoende waterbergende capaciteit te realiseren. Daarmee wordt voldaan aan de compensatieopgave die volgt uit de watersleutel. In het plan is afdoende aangetoond, dat er geen negatieve invloed op de waterhuishouding valt te verwachten en worden maatregelen genomen, om aan klimaatadaptatie bij te dragen.

Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Verkeer en parkeren Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een nieuwe functie, waarvoor een parkeernorm geldt. Ook zorgt het planvoornemen voor een niet significante toename van het aantal verkeersbewegingen. Een beoordeling verkeer en parkeren kan daarom achterwege blijven.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

16 - 97

4.5 Archeologie Ter plaatse van het plangebied geldt een archeologische dubbelbestemming. Het betreft een plangebied met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting vanaf het Neolithicum. Het is daarmee in principe een locatie waar archeologisch onderzoek nodig is. Maar dit hangt mede af van de diepte van het grondwerk. Volgens de archeologische waarden- en beleidskaarten (Nota Cultureel Erfgoed 2014 Rijswijk) is binnen het plangebied toegestaan om tot maximaal 0,30 m beneden maaiveld te ontgraven, zonder dat hiervoor archeologisch onderzoek nodig is. Vooralsnog is de aanname dat de funderingen niet dieper worden ontgraven dan deze 0,30 meter. In dit geval kan worden volstaan met een melding van de werkzaamheden aan de gemeente. Indien de funderingen toch dieper worden aangebracht dan de genoemde maximale diepte van 0,30 m beneden maaiveld, is een herbeoordeling noodzakelijk. Vooralsnog is geen sprake van belemmeringen gezien vanuit dit aspect en kan een archeologisch onderzoek achterwege blijven.

4.6 Flora en fauna Voor het planvoornemen is een quickscan wet natuurbescherming uitgevoerd door Econsultancy. Het rapport is als Bijlage 2 bijgesloten. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

17 - 97

Tabel overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen De bebouwing rondom de onderzoekslocatie is potentieel geschikt als broedlocatie voor huismussen en gierzwaluwen. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden op een afstand van 3 tot 5 meter van de gevels van de omliggende bebouwing of buiten het broedseizoen van de huismus en gierzwaluw uit te voeren. Dit betekent dat de werkzaamheden buiten de periode van maart tot en met augustus dienen plaats te vinden. Indien de werkzaamheden niet op een afstand van 3 tot 5 meter van de gevels van de omliggende bebouwing of buiten het broedseizoen plaats kunnen vinden, dienen nader onderzoeken naar broedlocaties van huismussen en gierzwaluwen uitgevoerd te worden. Voor algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de beplanting en vogelhuisjes buiten het broedseizoen (maart tot september) worden verwijderd, geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Wanneer de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt gesnoeid of verwijderd, wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen om broedgevallen hierin te voorkomen. Eventueel aanwezige nesten mogen worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Gelet op de geschiktheid van de bebouwing rondom de onderzoekslocatie voor vleermuizen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden overdag uit te voeren en daarbij de in- en uitvliegroutes van de potentiële verblijfplaatsen vrij te houden. Tevens dient, ten aanzien van mogelijk in de omgeving verblijvende of foeragerende vleermuizen,

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

18 - 97

vleermuisvriendelijke verlichting toegepast te worden in de nieuwe situatie en tijdens werkzaamheden die tussen zonsondergang en zonsopkomst plaatsvinden. Vleermuisvriendelijke verlichting kan toegepast worden door verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en daarmee zo min mogelijk strooilicht veroorzaken, of andere vleermuis-vriendelijke verlichting (amberkleurig) toe te passen. Deze maatregelen worden als voorwaarden opgenomen bij de vergunning. Indien de werkzaamheden niet op bovenstaand beschreven manier kunnen plaatsvinden, dient een nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen uitgevoerd te worden. Conclusie Het planvoornemen voorziet niet in belemmeringen wanneer de maatregelen in acht worden genomen.

4.7 Stikstofonderzoek Voor het planvoornemen is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd door Econsultancy. Het rapport is als Bijlage 3 bijgesloten. De berekening van het projecteffect van de gebruiksfase met peiljaar 2023 is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2021.0.5.). Onderstaand is in de tabel van het berekeningsresultaat weergegeven.

Tabel berekeningsresultaat bouwplan Het projecteffect op de Nederlandse Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zorgt het beoogde bouwplan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof.

4.8 M.e.r. Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden. Onderdeel B is reeds vervallen. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is. Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Het planvoornemen betreft geen activiteit genoemd in de D-lijst in de bijlage van het Besluit m.e.r. Er is geen sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is daarom geen vormvrije m.e.r. beoordeling benodigd.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

19 - 97

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

20 - 97

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

5.1 Juridische planopzet Om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken wordt een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure doorlopen (ex artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3) om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan (bouwregels bestemming 'Wonen'). Ten behoeve van deze afwijking is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld als zijnde motivatiedocument.

5.2 Economische uitvoerbaarheid De aanvraag omgevingsvergunning komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De verwezenlijking van het plan is niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Wel is er sprake van een aangewezen bouwplan en is er vanuit wettelijk oogpunt verplichting tot het (anderszins) verzekeren van de kosten. Derhalve is een anterieure overeenkomst gesloten.

5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Het bouwplan voor de nieuwbouw is besproken met diverse omwonenden in oktober 2021. Een aantal omwonenden hebben ingestemd met het bouwplan. Procedure Voor de verlening van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van de Wabo van toepassing. Tevens dient in het kader van beoogde planontwikkeling door de gemeenteraad een ontwerpverklaring te worden afgegeven. Deze ontwerpverklaring is toegevoegd als Bijlage 4. Dit betekent dat het bouwplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure conform Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt doorlopen. Dit houdt in dat de ontwerp omgevingsvergunning samen met de ontwerpverklaring van geen bedenkingen met bijbehorende stukken gedurende een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen in de periode van vrijdag 1 juli 2022 tot en met donderdag 11 augustus 2022. Tijdens deze periode kon eenieder een zienswijze indienen. In totaal zijn 2 zienswijzen in het kader van de ontwerp omgevingsvergunning ontvangen. Deze zienswijzen zijn beantwoord in de Nota van Zienswijzen die opgenomen is in de Bijlage 5. De zienswijzen hebben deels geleid tot wijzigingen van voorliggende ruimtelijke onderbouwing, dit is in Bijlage 5 nader toegelicht.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

21 - 97

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

22 - 97

Hoofdstuk 6

Conclusie

Op basis van voorgaande ruimtelijke onderbouwing wordt gesteld dat de realisatie van het bouwplan ruimtelijk en milieuhygiënisch aanvaardbaar wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

23 - 97

Bijlagen Ruimtelijke onderbouwing

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

24 - 97

Bijlage 1

Watersleutel

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

25 - 97

Watersleutel

Versie 07-2020

Beweeg cursor over begrippen voor toelichting. Blauwe vakjes invullen. Druk vervolgens op update. Projectnaam & omschrijving 6-10-2022

Van Vredenburchweg 93 Rijswijk

12 26 0 0 44

Ruimtelijke onderbouwing Garages - v

Watersysteem Plaspoel-, Schaapweipolder en Hoekpo

polder/boezem gemaalcapaciteit peilgebied

mm/etmaal

16.5

kaart

GPG2006PSH I noord

Oppervlakteverdeling plangebied

HUIDIG

TOEKOMSTIG

Stedelijk verhard infrastr./bebouwing

m²

155

155

onverhard stedelijk

m²

0

0

verhard glasgebied

m²

0

0

onverhard glasgebied

m²

0

0

verhard landelijk

m²

0

0

onverhard landelijk

m²

0

0

huidig aanwezig water

m²

0

0

oppervlakte plangebied

m²

155

155 1

Huidig, actueel klimaat, T100

Agrarisch glastuinbouw

Agrarisch gras, akkerbouw, natuur

Water

Totaal

Gebiedskenmerken aangepast

HUIDIG

TOEKOMSTIG

gemiddeld maaiveld

NAP m

-0.80

-0.35

maatgevend peil

NAP m

-1.19

-1.19

m

0.39

0.84

gemiddelde drooglegging

Ontwikkeling, klimaat 2050, T100

Oppervlaktewater in m² Totaal kruimelgeval

Ontwikkeling

Klimaat 2050

2

0

huidig aanwezig

0

0

totaal te realiseren

2

0

2

1.5%

0.0%

1.5%

extra te realiseren

aandeel plangebied

2

Waterberging in m³ Totaal extra te realiseren

kruimelgeval

Ontwikkeling 1.4

0.0

Klimaat 2050 1.4

Grafieken dienen alleen ter verduidelijking van de principes

Bijlage 2

Quickscan wet Natuurbescherming

(vastgesteld) Garages - van Vredenburchweg 93 NL.IMRO.0603.OvVredenburchweg93-VA01

27 - 97

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING VAN VREDENBURCHWEG 93 TE RIJSWIJK

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Van Vredenburchweg 93 te Rijswijk Opdrachtgever

Gemeente Rijswijk Postbus 5305 2280 HH Rijswijk

Rapportnummer Versienummer

18674.001 D3

Status

Eindrapportage

Datum

16 augustus 2022

Vestiging

Zuid-Holland Hoofdweg 240 3067 GJ Rotterdam 010 - 7640828 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

De heer J. Lerou, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Mevrouw K.J. van der Hulst, MSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Planten ............................................................................................................................ 15

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 18674.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gemeente Rijswijk opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Van Vredenburchweg 93 te Rijswijk. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

18674.001 versie D3

Pagina 1 van 23

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 155 m²) ligt aan de Van Vredenburchweg 93, te Rijswijk en omvat het perceel kadastraal bekend als gemeente Rijswijk, sectie D nummer 7301. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft de tuin van het adres Van Vredenburchweg 93 te Rijswijk en is aan de noordelijke en zuidelijke rand met houten schuttingen afgeschermd. De onderzoekslocatie is bebouwd met twee schuren die niet langer in gebruik zijn. De schuren staan in de noordoostelijke hoek en de zuidwestelijke hoek van de onderzoekslocatie. De schuur in de noordoostelijke hoek is uit hout opgetrokken en heeft een afgeplat, golfplaten dak. Deze schuur is begroeid met klimop. Twee vogelhuisjes zijn bevestigd aan deze schuur. Direct ten zuiden van deze schuur staan twee bomen van het genus Prunus. De schuur in de zuidwestelijke hoek is opgetrokken uit stenen en heeft een golfplaten dak. Beide schuren bevatten geen openingen in de gevels of aan het dak in de vorm van gaten, gleuven, scheuren en dergelijke. De tuin is grotendeels verhard met tegels. Langs de noordelijke, oostelijke en zuidelijke randen van de onderzoekslocatie is beplanting aanwezig. De beplanting bestaat onder andere uit Prunus sp., kardinaalsmuts, mansbloed, hulst en klimop. Aan een Prunus boom die langs de zuidelijke rand staat, is een vogelhuisje bevestigd. Op de onderzoekslocatie zijn ook op verschillen plekken stenenstapels opgeslagen. Ook is op de onderzoekslocatie kapot bouwmateriaal en puin aanwezig in de vorm van hout, resten van golfplaten, oude brandblussers en verschillende plastic materialen.

18674.001 versie D3

Pagina 2 van 23

De schuur van het aangrenzende adres, Van Vredenburchweg 97, grenst aan de noordelijke rand van de onderzoekslocatie. Circa 10 meter ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich de hoofdbebouwing van de Van Vredenburchweg 95 en 97. Tevens is direct ten oosten van de onderzoekslocatie de hoofdbebouwing aanwezig van de Van Vredenburchweg 91 en 93. Circa 12 meter ten noordoosten van de onderzoekslocatie is bebouwing van de Van Vredenburchweg 87 gelegen. Direct ten zuiden van de onderzoekslocatie bevindt zich de bebouwing van de Park de Wervelaan 1. De bebouwing op de bovengenoemde adressen zijn uit bakstenen opgetrokken. Tevens hebben alle gebouwen een dakpannen zadeldak met overhangende kantpannen en een voorgehangen dakgoot. Bij alle gebouwen zijn ruimtes onder de dakpannen aanwezig. Tevens bevinden zich bij alle gebouwen bij de kopgevels ruimtes onder de kant- en nokpannen. Circa 60 meter ten oosten van de onderzoekslocatie bevindt zich het Rijswijkse Bos. Het Rijswijkse Bos wordt omgeven door watergangen. Het park Te Werve ligt circa 200 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. In het zuidelijke deel van het park Te Werve is het natuurbad De Put gelegen. Tevens bevindt zich het Kruisvaarderpark op een afstand van circa 600 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie.

Daarnaast is het park Overvoorde op een afstand van circa 1 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie gelegen. De Rijksweg A4 bevindt zich op een afstand van circa 1,2 kilometer ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

18674.001 versie D3

Pagina 3 van 23

Figuur 3. Noordwestelijke gevel van de hoofdbebouwing van Van Vredenburchweg 91 en 93.

Figuur 4. Uitzicht op het zuidwestelijke deel van het terrein.

Figuur 5. Noordoostelijk gelegen ingang van het terrein. Links op de foto is de hoofdbebouwing van Van Vredenburchweg 95 gelegen, rechts de bebouwing van Van Vredenburchweg 87.

Figuur 6. Uitzicht op het noordoostelijke deel van het terrein.

Figuur 7. Uitzicht op het noordoostelijke deel van het terrein.

Figuur 8. De te slopen schuur in de noordoostelijke hoek.

Figuur 9. Overzicht van de onderzoekslocatie met zicht op het zuidwesten. Links op de foto staat de te slopen schuur in de zuidwestelijke hoek van de onderzoekslocatie, rechts de te slopen schuur in de noordoostelijke hoek van de onderzoekslocatie.

Figuur 10. Kapot bouwmateriaal onder afdak naast de te slopen schuur in de zuidwestelijke hoek van de onderzoekslocatie.

Figuur 11. Westelijke en zuidelijke gevels van de te slopen schuur in de zuidwestelijke hoek van de onderzoekslocatie.

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens op de onderzoekslocatie vier garages met buitenterrein en oprit te realiseren. Hiervoor zullen de twee schuren op de onderzoekslocatie gesloopt worden. Tevens zullen de Prunus bomen op de onderzoekslocatie gekapt worden. Mogelijk wordt andere beplanting ook verwijderd. De te bouwen garages zullen een aantal meter ten noordoosten gerealiseerd worden van de locatie waar nu de zuidwestelijk gelegen schuur staat. De oprit wordt ten westen van de te bouwen schuren gerealiseerd zodat deze aansluit op de Park de Wervelaan. De hoofdbebouwing op de Van Vredenburchweg 91 en 93 blijft behouden.

18674.001 versie D3

Pagina 4 van 23

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 7 april 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zuid-Holland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

18674.001 versie D3

Pagina 5 van 23

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

18674.001 versie D3

Pagina 6 van 23

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

18674.001 versie D3

Pagina 7 van 23

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

18674.001 versie D3

Pagina 8 van 23

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels met een jaarrond beschermd nest (categorie 1-4)

Deze categorieën betreffen broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van het uitvoerportaal van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze categorie 1-4 broedvogelsoorten zijn: boomvalk, ransuil, buizerd, havik, sperwer, wespendief, slechtvalk, ooievaar, huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart en kerkuil. De soorten boomvalk, ransuil, buizerd, havik, sperwer en wespendief kunnen op voorhand al worden uitgesloten op de onderzoekslocatie. Dit zijn soorten die broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin waar ze grote nesten maken en hergebruiken. De onderzoekslocatie biedt geen geschikte broedmogelijkheden en habitat voor deze soorten. Daarnaast zijn deze soorten, nesten en sporen van hun aanwezigheid niet aangetroffen op of rond de onderzoekslocatie tijdens het veldbezoek. Het is daarom voor deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten dat ze op of nabij de onderzoekslocatie broeden. Nader onderzoek naar deze soorten wordt niet benodigd geacht. De slechtvalk broedt op hoge stenige gebouwen zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen.

De onderzoekslocatie is ongeschikt als broedlocatie voor de slechtvalk omdat dit soort hoge elementen ontbreken. De klokkentoren aan de Generaal Spoorlaan circa 250 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie is wel potentieel geschikt als broedlocatie, omdat deze de hoogste bebouwing in de omgeving is. Tijdens het veldbezoek zijn geen slechtvalken of sporen die duiden op aanwezigheid van de soort waargenomen. Gezien de afstand tot de onderzoekslocatie en de aard van de ingreep zullen eventueel broedende slechtvalken op de klokkentoren geen negatieve effecten ondervinden van de werkzaamheden. Een nader onderzoek naar de slechtvalk wordt niet benodigd geacht. De ooievaar broedt eveneens op hoge gebouwen, maar vooral nestpalen, bomen en hoogspanningsmasten worden gebruikt als broedlocatie. Nestpalen, bomen en hoogspanningsmasten zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie niet aanwezig. Daarnaast zijn geen ooievaars of sporen die wijzen op hun aanwezigheid waargenomen tijdens het veldbezoek. Nader onderzoek naar de ooievaar wordt niet benodigd geacht. De huismus en gierzwaluw broeden voornamelijk in nissen en onder dakpannen op daken van bebouwing. De schuren op de onderzoekslocatie zijn ongeschikt als broedlocatie voor deze soorten vanwege het ontbreken van geschikte nissen en andere openingen of ruimtes.

Echter zijn in de directe omgeving wel geschikte broedlocaties voor huismussen en gierzwaluwen aanwezig. Het gaat hierbij om de bebouwing op de adressen van de Van Vredenburchweg 87, 91, 93, 95 en 97. Bij alle ge-

18674.001 versie D3

Pagina 9 van 23

bouwen zijn ruimtes onder de dakpannen aanwezig (zie figuren 12 en 13). Deze ruimtes worden vaak door huismussen gebruikt als broedlocatie. Onder voorgehangen dakgoten kunnen gierzwaluwen tevens ruimtes onder de daken bereiken om vervolgens een nest te bouwen. Tevens zijn bij de kopgevels van alle gebouwen ruimtes onder de kant- en nokpannen aanwezig (zie figuren 14 t/m 16). Gierzwaluwen kunnen deze openingen en ruimtes gebruiken als broedlocatie of om toegang te krijgen tot andere ruimtes die geschikt zijn als broedlocatie. Indien de gebouwen in gebruik zijn als rustof broedlocatie van de huismuis en/of gierzwaluw, kan de voorgenomen ingreep verstorend werken voor eventueel broedende huismussen en gierzwaluwen vanwege de korte afstand tot de onderzoekslocatie. Het verstoren van potentieel broedende huismussen en gierzwaluwen, en daarmee het overtreden van de Wet natuurbescherming, is te voorkomen door te werken buiten het broedseizoen van de huismus en gierzwaluw (zie hoofdstuk 6). Het aanwezige groen op de onderzoekslocatie zou eventueel ook door huismussen als kwetterplek gebruikt kunnen worden. Tevens kan de onderzoekslocatie potentieel deel uitmaken van foerageergebied van de huismus en gierzwaluw. De onderzoekslocatie betreft echter geen essentiële kwetterplekken of foerageergebied.

In de directe omgeving zijn voldoende alternatieve kwetterplekken en foerageergebieden aanwezig, zoals de bomen rondom de onderzoekslocatie, het Rijswijkse Bos en het park Te Werve.

Figuur 12. Hoofdbebouwing op Van Vredenburchweg 91 en 93 met ruimtes onder dakpannen.

Figuur 13. Hoofdbebouwing op Van Vredenburchweg 95 en 97 met ruimtes onder dakpannen.

Figuur 14. Ruimtes onder de kant- en nokpannen bij kopgevel van de schuur van Van Vredenburchweg 97.

Figuur 15. Ruimtes onder de kant- en nokpannen bij kopgevel van de hoofdbebouwing op Van Vredenburchweg 93.

Figuur 16. Ruimtes onder de kant- en nokpannen bij kopgevel van de hoofdbebouwing op Van Vredenburchweg 95.

De grote gele kwikstaart nestelt graag bij stromend water in een nis in de muur, bij boomwortels in natuurlijke oevers en onder bruggen. Tijdens het veldbezoek zijn rond de onderzoekslocatie geen waterelementen of stromend water waargenomen, waardoor de onderzoekslocatie ongeschikt is voor de grote gele kwikstaart. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek in de omgeving van de onderzoekslocatie geen individuen van de soort waargenomen. Het kan dus redelijkerwijs worden uitgesloten dat er een grote gele kwikstaart broedt op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart wordt niet benodigd geacht.

18674.001 versie D3

Pagina 10 van 23

De kerkuil heeft de voorkeur voor halfopen tot open cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. De soort broedt regelmatig in leegstaande bebouwing zoals schuren of in nissen van gebouwen, maar broedt in Nederland ook vooral in speciale nestkasten. De kerkuil broedt ook incidenteel in boomholtes. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van geschikte boomholtes, leegstaande bebouwing met openingen of nestkasten ongeschikt als broedlocatie voor de kerkuil. Op de onderzoekslocatie zijn geen individuen gezien of sporen die wijzen op hun aanwezigheid zoals braakballen en krijtsporen. Nader onderzoek naar de kerkuil wordt niet benodigd geacht. 5.1.2

Broedvogels met in uitzonderlijke gevallen een jaarrond beschermd nest (categorie 5)

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. De bomen op de onderzoekslocatie kunnen eventueel geschikt zijn als nestgelegenheid voor deze soorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten of boomholtes aangetroffen in de aanwezige bomen op de locatie. Wel zijn drie vogelhuisjes op de onderzoekslocatie aanwezig (zie figuren 17 en 18). Tijdens het veldbezoek zijn geen broedende vogels waargenomen. In de directe omgeving zijn ook voldoende broedgelegenheden aanwezig. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat potentieel aanwezige nesten van categorie 5 broedvogelsoorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat categorie 5 broedvogels in de bomen en vogelhuisjes zullen broeden. Echter worden, vanwege de afwezigheid van een jaarrond beschermde status voor potentiële nestgelegenheden, eventuele broedvogels op de onderzoekslocatie als algemene broedvogels gerekend. Verstoringen van eventuele broedgevallen zijn te voorkomen door te werken buiten het broedseizoen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 17. Twee vogelhuisjes aan de schuur in de noordoostelijke hoek van de onderzoekslocatie.

5.1.3

Figuur 18. Vogelhuisje in Prunus boom langs de zuidoostelijke rand van de onderzoekslocatie.

Overige broedvogels

Tijdens het veldbezoek zijn geen algemene broedvogels waargenomen. De struiken en andere beplanting op de onderzoekslocatie kunnen echter wel nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, heggemus, roodborst en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Hoewel tijdens het veldbezoek geen nesten zijn waargenomen, kunnen algemene broedvogels wel gebruik maken van de drie vogelhuisjes die op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat algemene broedvogels in de bomen, vogelhuisjes en andere beplanting zullen broeden. Gezien de bomen gekapt dienen te worden en de schuur waar twee van de vogelhuisjes aan gemonteerd zijn, gesloopt dient te

18674.001 versie D3

Pagina 11 van 23

worden, zouden eventueel in de bomen en vogelhuisjes broedende vogels wel verstoring kunnen ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden. Verstoringen van eventuele broedgevallen zijn te voorkomen door te werken buiten het broedseizoen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van het uitvoerportaal en de Verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis en tweekleurige vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen spouwmuren aanwezig die middels stootvoegen bereikbaar zijn voor vleermuizen. De ruimte langs de dakranden geeft geen toegang tot ruimte onder de golfplaat. Verder zijn geen ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich gebouwen met open stootvoegen en ruimtes onder de kant- en nokpannen. Het gaat om de bebouwing op de adressen Park de Wervelaan 1 en Van Vredenburchweg 87, 91, 93, 95 en 97.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=a46e09cd-c3b1-47ac-a7e3-fbf45b469c47