CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-016 Raadsvoorstel Verordening Jeugdhulp

Forum Samenleving 15 november 2022, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening Jeugdhulp (RV 22-016)13.598 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raadsvoorstel

Datum besluit B&W Forumverg. d.d. Agendapunt nr. Portefeuillehouder(s)

6 september 2022 (datum) (nummer) L.I. Bentvelzen - Sociaal Domein, Jeugd, Participatie en Dierenwelzijn

Redacteur Doorkiesnummer Domein / Team Corsanummer

B. de Niet - van Schaijik (070) 326 11 94 Beleid Sociaal Domein 22.052568

Aan de Raad, 1.

Onderwerp Verordening jeugdhulp Rijswijk 2022

2.

Voorstel De verordening jeugdhulp 2021 in te trekken De verordening jeugdhulp 2022 vast te stellen

3.

In de jeugdwet is opgenomen wie allemaal wettelijke verwijzer zijn voor de inzet van jeugdhulp. Voor de inzet van behandeling van ernstige dyslexie is het college bevoegd om hiervoor een verwijzing te doen. De behandeling van ernstige dyslexie is wetenschappelijk bewezen en conform een vast protocol. Deze vorm van hulp staat op zichzelf en is dan ook geen onderdeel van een ondersteuningsplan. Het college is bevoegd op grond van de jeugdwet om verwijzers aan te wijzen voor de inzet van jeugdhulp. Met de wijziging van de verordening jeugdhulp voor Rijswijk 2022 wordt het basisonderwijs aangewezen als verwijzer voor de inzet van ernstige dyslexie. De doelgroep is jeugdige van zeven tot en met dertien jaar met een ernstige verstoring in de verwerking van taal specifieke informatie vastgesteld conform het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0 en waarvan de behandeling start terwijl zij op de basisschool zitten. In dit protocol is opgenomen welke procedure de school doorloopt om goed om te gaan met leerlingen die dyslexie hebben. Het college zorgt voor de inzet van diagnostisch onderzoek en behandeling van ernstige dyslexie na verwijzing door de school naar een jeugdhulpaanbieder, indien en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp conform de wet nodig is.

Op grond van diverse ontwikkelingen in de zorgketen en nieuwe wetenschappelijke inzichten is het protocol voor behandeling van dyslexie onlangs aangepast Waarbij voorheen geen sprake mocht zijn voor co morbiditeit (ernstige enkelvoudige dyslexie, EED), is dit nu gewijzigd in ernstige dyslexie (ED): Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling 3.0. Dyslexie komt vaker voor in combinatie met andere leerstoornissen, zoals dyscalculie, met aandachtstoornissen (ADHD) etc. Als hier sprake van was kon behandeling voor dyslexie niet via de jeugdwet worden ingezet. Met het vaststellen van het nieuwe protocol (n.a.v. wetenschappelijke inzichten) is de eis enkelvoudig vervallen. Tevens is toegevoegd aan artikel 4 lid 1 onder i vervoer van jeugdige op basis van de Jeugdwet. Soms kunnen jeugdige niet door hun ouders/opvoeders of sociaal netwerk naar de benodigde jeugdhulp voorziening worden gebracht. Dan is een voorziening nodig op basis van de jeugdwet, namelijk vervoer, Deze voorziening was nog niet opgenomen als individuele voorziening op basis van de jeugdwet in de verordening.

Raadsvoorstel (vervolg)

4.

Beoogd effect De inzet voor jeugdhulp voor wat betreft de diagnose en behandeling van ernstige dyslexie via onderwijs (basisonderwijs) te laten verlopen en onderwijs het mandaat te verlenen. Zo zijn processen efficiënt en doorlooptijden zo kort mogelijk.

5.

Argumenten Momenteel is het onderwijs al verwijzer alleen hebben zij hier geen formeel mandaat voor. Door dit te wijzigen in de verordening wordt de verwijzing rechtmatig.

6.

Kanttekeningen Door aanpassingen van deze verordening heeft het basisonderwijs formeel het mandaat om verwijzer te zijn voor de inzet van ernstige dyslexie.

7.

Financiën Het college is bevoegd om verwijzers aan te wijzen op grond van de Jeugdwet. Met deze wijziging wijst het college het basisonderwijs in Rijswijk aan als verwijzer voor de inzet van ernstige dyslexie. Vervoer op basis van de jeugdwet wordt reeds ingezet. Hierdoor zitten er geen financiële consequenties aan dit voorstel.

8.

Vervolg Als gevolg van de wijziging van de verordening van artikel 6 is het basisonderwijs verwijzer voor de inzet van ernstige dyslexie. Hierdoor verloopt het proces van inzet van diagnostiek en behandeling van ernstige dyslexie sneller.

9.

Communicatie Via het overleg dat de gemeente Rijswijk heeft met de directeuren van het basisonderwijs en via publicatie.

10.

Bijlagen 1. Bekendmaking raadsbesluit 2. Metadata Verordening

Burgemeester en wethouders, de secretaris,

de burgemeester (wnd),

P.M. Schuit

mr.drs. G.A.A. Verkerk

Raadsvoorstel (vervolg)

VERORDENING JEUGDHULP Rijswijk 2022 De raad van de gemeente Rijswijk, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 september 2022 gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; overwegende dat: • de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; • het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; • het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; overwegende dat het voorts

wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp Rijswijk 2022

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulp op grond van artikel 1.1 van de wet, die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouder(s); b. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet; c. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet; d. budgetvertegenwoordiger: degene die namens de budgethouder het pgb beheert; e. gebruikelijke zorg: zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; f. hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; g. individuele voorziening: een op de jeugdige en/of ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

Raadsvoorstel (vervolg)

h.

i.

j. k. l.

ondersteuningsplan: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen/beoogde resultaten en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of ouder, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder(s) een sociale relatie onderhoudt; Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; wet: Jeugdwet.

2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen Artikel 2. Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouder(s). Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn onder andere beschikbaar: a. Basishulp: ambulante opvoedhulp; begeleiding van jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking; kortdurende generalistische basis-ggz bij enkelvoudige problematiek; jongerentrajecten en intensief casemanagement, mede met het oog op jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast; onafhankelijke cliëntondersteuning gezinsondersteuning waaronder gezinscoaching. b. Informatie, trainingen en (opvoed)advies; c. Jeugdgezondheidszorg; d. Jongerencoaching en participatiebevordering; e. Schoolmaatschappelijk werk. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen Paragraaf 1. Voorzieningen Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen 1. De volgende individuele voorzieningen zijn onder andere beschikbaar: a. ambulante jeugdhulp b. dagbehandeling c. logeren d. specialistische GGZ e. pleegzorg f. crisiszorg

Raadsvoorstel (vervolg)

g. h. i.

residentieel verblijf voor jeugdigen gesloten jeugdhulp vervoer van de jeugdige van of naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Paragraaf 2. Toegang procedureel Artikel 5. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt schriftelijk ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 2. Het college wijst de jeugdige of zijn ouder op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. 3. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening. Artikel 6. Toegang en besluit 1. Het college legt het besluit omtrent het al dan niet verlenen van een individuele voorziening vast in een beschikking. 2. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag, evenals het onderzoek en het daaruit volgende ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 8. 3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt het besluit omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 4. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking. 5.

Het college zorgt voor de inzet van diagnostisch onderzoek en behandeling van ernstige dyslexie na verwijzing door de school naar een jeugdhulpaanbieder, indien en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp conform de wet nodig is. Artikel 7. Inhoud en geldigheidsduur beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt vastgelegd: a. welke individuele voorziening verstrekt wordt, wie de jeugdhulp gaat bieden en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt, en als van toepassing; c. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 2. Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de beschikking. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking naast de in het eerste lid genoemde zaken bovendien: a. de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. de wijze van toezicht en verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Het besluit tot toekenning van een individuele voorziening wordt afgegeven met een in de beschikking vastgestelde geldigheidsduur. 5. Bij de beschikking wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of ouder(s) op grond van de wet, de verordening en de nadere regels. 6.

Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en stelt hierover nadere regels.

Raadsvoorstel (vervolg)

Paragraaf 3. Beoordeling Artikel 8. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of ouder(s) zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of ouder(s) en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige en/of ouder(s) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; g. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; h. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; i. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 2.

Het college kan, met instemming van de jeugdige of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. 3. Het college en de jeugdige en/of ouder(s) leggen de zaken genoemd in het eerste lid vast in het ondersteuningsplan. 4. Met toestemming van de jeugdige en/of ouder(s) worden in het ondersteuningsplan afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het ondersteuningsplan met de jeugdige en/of ouder(s), jeugdteam en de jeugdhulpaanbieder besproken worden. 5. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Artikel 9. Criteria individuele voorzieningen 1. Jeugdigen en/of ouder(s) kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a. binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder wordt verstaan: i. gebruikelijke zorg van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; ii. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. b. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. door gebruik te maken van een andere voorziening. 2.

Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 3. De voorziening als bedoeld in het tweede lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. 4. Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid.

Raadsvoorstel (vervolg)

Artikel 10. Aanvullende criteria pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. van de wet. 2. Als een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; b. de wijze waarop het gewenste resultaat bereikt en geëvalueerd wordt; c. de voorgenomen formele en/of informele uitvoerder(s) van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; e. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 3. Het college kan slechts een pgb verlenen als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. De jeugdige en/of ouder(s) zijn naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat tot een redelijke waardering van de belangen ter zake. Of ze zijn met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. b.

De jeugdige en/of ouder(s) stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten. c. Naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en/of ouder(s) van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. d. De budgetvertegenwoordiger is in staat tot een redelijke waardering van de belangen van de budgethouder bij het beheer van het pgb. e. De jeugdhulpaanbieder moet een andere persoon betreffen dan de budgetvertegenwoordiger. 4. Onder lid 3a wordt verstaan: de jeugdige en/of ouder(s) dient in staat te zijn een pgb-plan in te dienen en een zorgovereenkomst met de jeugdhulpaanbieder af te sluiten. 5. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, voor zover het niet gaat om een ggz-behandeling. 6. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. 7. Het college kan een pgb weigeren: a.

voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de natura voorziening, of b. als het college het pgb eerder heeft ingetrokken of herzien omdat sprake is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking, niet voldaan is aan de voorwaarden of het pgb niet goed is besteed. 8. Er bestaat geen recht op pgb voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland tenzij het college hier vooraf expliciet toestemming voor verleent. 9. Het college kan uit oogpunt van rechtmatigheid en kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van het pgb onderzoeken. 10. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 11 Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:

Raadsvoorstel (vervolg)

a.

2.

3. 4. 5.

personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of: b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. Personen als bedoeld in het eerste lid dienen eveneens: a. ingeschreven te staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet (zoals SKJ), voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp; b. in het bezit zijn van een Verklaring Omtrent Gedrag. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 en 2, is sprake van informele hulp. Het college kan nadere regels vaststellen over de kwalificaties van formele hulp.

Artikel 12. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb is gebaseerd op een door de jeugdige en/of ouder(s) opgesteld en door het College vastgesteld plan, zoals bedoeld in artikel 10; 2. De hoogte van het pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten en andere maatregelen die tot de individuele voorzieningen behoren, van derden te betrekken. 3. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt maximaal: a. 90% van de kostprijs van de in de betreffende situatie individuele voorziening in natura, als het een aanbieder betreft. b. 80% van de kostprijs van de in de betreffende situatie individuele voorziening in natura, als de zorg wordt betrokken van een ZZP- er. 4. Als het op basis van lid 3 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 5. De hoogte van het pgb voor informele hulp bedraagt maximaal €20 per uur. 6.

Bij jeugdhulp die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 8ab lid 1 Regeling Jeugdwet bedraagt het pgb de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab lid 1 van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het pgb-plan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming. 7. Het college kan nadere regels vaststellen over de hoogte van het pgb.

Hoofdstuk 4. Inlichtingen- en medewerkingsplicht, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 13. Inlichtingen- en medewerkingsplicht 1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een individuele voorziening. 2. De jeugdige en/of ouder(s) zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de inlichtingen en medewerkingsplicht.

Raadsvoorstel (vervolg)

Artikel 14. Herziening, intrekking en terugvordering 1. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige en/of ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere besluit zou hebben geleid; b. de jeugdige en/of ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige en/of ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of; e. de jeugdige en/of ouder(s) de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 2. Als het college een besluit inzake een pgb op grond van het eerste lid onderdeel a heeft herzien of ingetrokken, kan het college het teveel of ten onrechte genoten pgb terugvorderen. 3. Na terugvordering zoals genoemd in het tweede lid kan het college bij dwangbevel het teveel of ten onrechte genoten pgb invorderen. Artikel 15. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik 1.

Het college informeert jeugdige en/of ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

Hoofdstuk 5. Afstemming met andere voorzieningen Artikel 16. Afstemming met gezondheidszorg 1. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g van de wet en artikel 6 het vierde lid van deze verordening, plaatsvindt. 2. Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader. 3. Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of ouder(s) ondersteund worden richting het CIZ, als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Artikel 17. Afstemming met gecertificeerde instellingen 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de gecertificeerde instellingen. 2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over: a.

het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet, b. het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en die het college daarvan op de hoogte gesteld wordt, d. wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders,

Raadsvoorstel (vervolg)

e.

3.

hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden. Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 lid van de wet.

Artikel 18 Afstemming met het justitiedomein 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet. 2. Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 16 lid 3 van deze verordening en het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de wet. Artikel 19. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1. Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het toegangsteam van de gemeente. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren. 3. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of ouder(s). Artikel 20. Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen. Artikel 21. Afstemming met Wmo-voorzieningen 1.

Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen dan wel ouders op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Artikel 22. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Het college draagt zorg dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen - te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.

Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel.

Raadsvoorstel (vervolg)

Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap Artikel 24. Klachtregeling Het college behandelt klachten van de jeugdige en/of ouder(s) die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de interne klachtenregeling gemeente Rijswijk 2009. Artikel 25. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt de Adviesraad Sociaal Domein vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat de Adviesraad Sociaal Domein kan deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 26. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt op basis van de Kadernota Sociaal Domein geëvalueerd. Artikel 27. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing van de verordening tot onredelijkheid van overwegende aard leidt. Artikel 28. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening jeugdhulp gemeente Rijswijk 2021 wordt ingetrokken. 2. Een jeugdige en/of ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Rijswijk 2021, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. De Verordening jeugdhulp gemeente Rijswijk 22021 blijft van toepassing op aanvragen van jeugdigen en/of zijn ouder(s) voor jeugdhulp die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, als dit voor de belanghebbende gunstiger is. 4. De Verordening jeugdhulp gemeente Rijswijk 2021 blijft van toepassing op bezwaar- en beroepsprocedures betreffende bezwaar- en beroepschriften die vóór de dag van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, als dit voor belanghebbende gunstiger is. Artikel 29. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 29 november 2022. 2.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Rijswijk 2022.

Raadsvoorstel (vervolg)

Algemene toelichting Deze verordening Jeugdhulp 2022 van de gemeente Rijswijk geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Het college moet een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige en/of ouder (s) dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De gemeente bepaalt de aard en de omvang van deze voorzieningenplicht (maatwerk). De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: • over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen; • met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; • over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; • over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; • over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;

• ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt dus ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen

Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen is een algemene voorziening misschien wel voldoende Hier kunnen de jeugdige en/of ouder () gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp moet eerst worden beoordeeld of de jeugdige en/of ouder (s) deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 3 en artikel 4.

Raadsvoorstel (vervolg)

Toeleiding naar een individuele voorziening jeugdhulp De toeleiding naar een individuele voorziening jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: • via de gemeente; • via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting; • na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; • via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK). Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige en/of ouder(s) kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een besluit af. Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur).

Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.

Toegang via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: AMHK) Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.

Raadsvoorstel (vervolg)

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Voor deze voorzieningen hoeft geen toegangsbeoordeling te worden gedaan, zoals bij een individuele voorziening. Dit betekent dat voor deze voorzieningen geen onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Voor een algemene voorziening is geen verleningsbeschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene dan wel vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is en bovendien ook binnen de Wmo2015 wordt gehanteerd, is deze overgenomen in de verordening Lid 1 onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige en/of ouders (s) kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet.

Lid 1 onderdeel c: budgethouder De budgethouder is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouders jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige en/of om ouder(s). Lid 1 onderdeel d: budgetvertegenwoordiger De budgetvertegenwoordiger is degene die gemachtigd is om het Pgb te beheren. Soms is de budgethouder niet degene die het budget ook daadwerkelijk beheert. De budgethouder kan iemand machtigen om het [pgb te beheren, dan is dat een gemachtigd budgetvertegenwoordiger. Er zijn ook wettelijke vertegenwoordigers. Voor kinderen onder de 18 zijn dit de ouders of de voogd. (Mits deze niet zelf de zorg verlenen of de budgethouder zijn) Maar het kan ook een persoon zijn die door de rechter is aangewezen, zoals een curator of een bewindvoerder. Lid 1 onderdeel e: gebruikelijke zorg Gebruikelijke zorg in het kader van de Jeugdwet is de zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de zorg die de gebruikelijke zorg te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening.

De regels omtrent gebruikelijke en boven gebruikelijke zorg worden nader uitgewerkt in de beleidsregels Lid 1 onderdeel f : hulpvraag Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. Lid 1 onderdeel g: individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige en/of ouder (s) afgestemde vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele toegangsbeoordeling en ook een beschikking nodig. Lid 1 onderdeel h: ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van jeugdige en/of ouder (s). Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Lid 1 onderdeel i: persoonsgebonden budget (pgb)

Raadsvoorstel (vervolg)

Een jeugdige en/of ouder(s) kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige en/of ouder (s) zelf de benodigde hulp inkopen. Lid 1 onderdeel j: sociaal netwerk Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige en/ of ouder (s) regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige en/of ouder (s) zich meldt met een ondersteuningsvraag. Lid 1 onderdeel k: Veilig Thuis In de Jeugdwet wordt het begrip 'advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling' gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis in gebruik. In de verordening wordt daarom laatstgenoemde term gebruikt. Lid 1 onderdeel l: wet Deze bepaling spreekt voor zich.

Lid 2 Het aantal definities van artikel 1 is beperkt omdat de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. De algemene regels over een aanvraag zitten bijvoorbeeld in de AWB. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen Artikel 2. Toegang algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af. Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het college daar naar verwijzen en de aanvraag voor de individuele voorziening dus afwijzen. Zie in dit verband ook artikel 9 lid 1 onderdeel b van deze verordening. Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen Lid 1 en 2 Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. In dit artikel worden enkele algemene voorzieningen benoemd die op het moment van het schrijven van deze verordening beschikbaar waren. Omdat dit aanbod kan variëren is de term ‘’onder andere’’ opgenomen. Het college kan de algemene voorzieningen nader uitwerken in beleidsregels.

Raadsvoorstel (vervolg)

Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen Paragraaf 1. Voorzieningen Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen In dit artikel worden enkele individuele voorzieningen benoemd die op het moment van het schrijven van deze verordening beschikbaar waren. Omdat dit aanbod kan variëren is ‘’onder andere’’ opgenomen. Het college kan de individuele voorzieningen nader uitwerken in beleidsregels.

Paragraaf 2. Toegang procedureel Artikel 5. Aanvraag Lid 1 Als een jeugdige en/of ouder (s) aanspraak willen maken op een individuele jeugdhulpvoorziening, dan moeten zij dit schriftelijk doen door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 van de Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college. Het college kan op grond van lid 3 nadere regels stellen over de procedure voor de aanvraag. Lid 2 Een ondersteuner kan met de jeugdige en/of ouder (s) meedenken over de juiste vorm van hulp en hen ondersteunen tijdens de aanvraagprocedure. Dit wordt ook genoemd op het aanvraagformulier, zodat de jeugdige en/of ouder (s) hier tijdig gebruik van kunnen maken. Lid 3 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen met betrekking tot de aanvraagprocedure. Artikel 6. Toegang en besluit Lid 1 en 2 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) en de ingediende aanvraag.

Lid 3 Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 4 weken, na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Lid 4 In artikel 2.6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige en/of ouder(s) rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp.

Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en

Raadsvoorstel (vervolg)

richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Het college legt de te verlenen individuele voorziening, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige en/of ouder(s). Op die manier wordt de jeugdige en/of ouder(s) de benodigde rechtsbescherming geboden. Artikel 7. Inhoud en geldigheidsduur beschikking In dit artikel zijn de noodzakelijke onderdelen opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden Genoemd. Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de jeugdige en/of ouder (s) bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet (zie artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb). De jeugdige en/of ouder(s) moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen.

Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige en/of ouder(s) goed en volledig informeert. Paragraaf 3. Beoordeling Artikel 8. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige en/of ouder(s)daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of ouder(s) plaatsvindt. Lid 1 De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Lid 2

Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of ouder (s) en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. Als dat noodzakelijk is kan de toegangsmedewerker informatie opvragen namens en met instemming van de jeugdige en/of ouder(s). Daarnaast kan het advies van een onafhankelijke expert worden betrokken bij het onderzoek. Lid 3 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt. De in lid 1 van deze bepaling genoemde onderzoeksvragen moeten ook terugkomen in het ondersteuningsplan. Lid 4. Hiermee worden afspraken vastgelegd over het moment en de manier waarop de voortgang van het geboden hulptraject wordt besproken. Lid 5 Deze bepaling geeft het college de ruimte nadereregels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze. Artikel 9. Criteria individuele voorzieningen

Raadsvoorstel (vervolg)

In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is dit verder uitgewerkt. Lid 1 Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s) en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Onderdeel van die eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen is gebruikelijke zorg (zie voor dit begrip de toelichting bij artikel 1 lid 1 onderdeel e van deze verordening). Voor zover gebruikelijke zorg mag worden verwacht, hoeft geen jeugdhulp te worden ingezet. In beleidsregels wordt verder uitgewerkt wanneer sprake is van gebruikelijke zorg. Een aanvullende verzekering wordt ook als onderdeel van het eigen probleemoplossend vermogen gezien. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is waarvoor de jeugdige en/ ofouder (s) aanvullend verzekerd zijn, mag van hen verwacht worden dat ze die verzekering aanspreken. Als de aanvullende verzekering de jeugdhulp niet voldoende vergoed, moet het college op grond van de jeugdhulpplicht aanvullen. Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel b).

Met andere woorden: als er een algemene voorziening beschikbaar is die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s), dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen. Het college hoeft ook geen voorziening te verstrekken als de jeugdige en/of ouder (s) gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel c). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo, ZvW of Wlz). Met “voor zover” bedoelen wij het volgende. Als na de inzet van alle mogelijkheden die hierboven zijn opgesomd, nog steeds een ondersteuningsbehoefte aanwezig is dan zal het college hiervoor een individuele voorziening moeten treffen. Lid 2 en 3 In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of ouder(s) al zelf jeugdhulp hebben ingeschakeld en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het college kan onder omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp, voor een periode gelegen tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag (lid 3). Uiteindelijk is het immers de eigen verantwoordelijkheid van de jeugdige en/of ouder (s) om zich tijdig te melden bij de gemeente.

Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige en/of ouder (s) op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college namelijk ook geen jeugdhulpplicht. Bovendien moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Dat is niet meer mogelijk als de problematiek al verdwenen is. Als het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige en/of ouder (s) zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Lid 4 Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening verder uit te werken in nadere regels. Artikel 10. Aanvullende criteria pgb Lid 1 Het spreekt voor zich dat het college gehouden is aan de wettelijke bepalingen en voorschriften in de verordening.

Raadsvoorstel (vervolg)

Lid 2 Als een jeugdige en/of ouder (s) in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij een pgb-plan opstellen. In deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat pgb-plan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het pgb-plan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. In dat plan moet ook naar voren komen waarom de jeugdige en/of ouder(s) van oordeel zijn dat een voorziening in natura niet voldoende is voor het behalen van de gestelde doelen. Wanneer een pgb-plan niet tijdig of niet volledig wordt ingediend, kan de voorzieningsvorm van een pgb niet beoordeeld worden. Er zal dan beoordeeld worden of een voorziening in natura passend en geschikt is. Lid 3 Het college heeft als taak om bij de pgb-aanvraag te beoordelen of de in te kopen jeugdhulp van de juiste kwaliteit is. Dat houdt in dat het college moet vaststellen of de hulp die de jeugdprofessional/jeugdhulpaanbieder zal verlenen een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige. Het gaat hier vooral om een toets op de doelmatigheid: gaat de in te zetten jeugdhulp een oplossing bieden voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige en/of ouder(s).

Het college moet dus altijd onderzoeken welke hulp de jeugdige en/of ouder(s)nodig heeft. Het gaat dan niet alleen om de vorm, frequentie en duur. Ook moet beoordeeld worden of de situatie van de jeugdige en/of ouder(s) professionele hulp noodzakelijk maakt, of dat de jeugdige en/of ouder(s) de doelen ook kan bereiken als er hulp wordt geboden door iemand uit het sociaal netwerk. Als de beoordeling van de situatie van de jeugdige en/of ouder(s) tot de conclusie leidt dat – gelet op zijn specifieke problematiek – alleen professionele hulp een doeltreffende oplossing voor de hulpvraag biedt, dan kan deze hulp niet door iemand uit het sociaal netwerk worden geboden. Professionele hulp betekent immers niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en de betreffende professional de noodzakelijke diploma’s heeft, maar ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Een ouder (of andere persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige) kan door zijn persoonlijke relatie met de jeugdige niet volledig objectief en onafhankelijk handelen. De kwaliteit van de hulp die hij/zij de jeugdige kan bieden is in dat geval onvoldoende. Let op: als het college een aanvraag om een pgb wil afwijzen omdat de hulp van de persoon uit het sociaal netwerk niet toereikend is, moet deze afwijzing uitgebreid en zorgvuldig worden gemotiveerd in de beschikking.

Overbelasting kan ook een rol spelen. Daarvoor moet het college kunnen aantonen dat de persoon uit het sociaal netwerk daadwerkelijk overbelast zal worden als hij de hulp aan de jeugdige gaat verlenen. Degene die de ingekochte jeugdhulp uitvoert (zorgverlener), mag niet dezelfde persoon zijn als degene die het pgb beheert (budgetvertegenwoordiger). In het kader van de Wmo 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat als de client wil dat de beoogd zorgverlener zelf het pgb gaat beheren, het college zich op het standpunt mag stellen dat dat niet mogelijk is. Dit omdat de zorgverlener niet met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken zal kunnen vervullen (CRvB 27-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761). Deze jurisprudentie is tevens van toepassing op de Jeugdwet. Degene die de ondersteuning levert door middel van het pgb, is niet tevens in staat zichzelf aan te sturen en aan te spreken en dus het pgb-beheer uit te voeren. De beheerstaken zijn onder de Jeugdwet immers niet anders dan onder de Wmo 2015. Verschillende belangen raken hierdoor verstrengeld. Lid 4 Het is belangrijk dat de aan een pgb verbonden taken en verantwoordelijkheden goed uitgevoerd kunnen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=4917579a-07aa-4675-aa8a-369ee7efba4d