CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-079 A Toelichting opties gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Rijswijk.pdf

Raadsvergadering 8 februari 2022, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling verordening op de gemeentelijke adviescie omgevingskwaliteit (21-079)3.461 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting opties gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Rijswijk De VNG heeft een Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie opgesteld. Deze Model Verordening heeft (naast de huidige Rijswijkse regelgeving) als basis gediend voor de Verordening en het Reglement op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Rijswijk. De Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie kent diverse artikelen die facultatieve of nader door de gemeente in te vullen onderdelen of keuzemogelijkheden (varianten) bevatten. Dit geldt enkel voor de artikelen 1, 2, 4, 5, 6, 8, 11, 15 en 16. Deze opties zijn integraal met alle betrokken collega’s besproken. In deze bijlage worden deze opties uiteengezet en de gemaakte keuzes beargumenteerd. Dit technische document dient gelezen te worden in samenhang met de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Rijswijk. Voor de overige artikelen geldt dat de Model Verordening van de VNG is aangehouden. Omdat er bij deze artikelen geen keuzes zijn gemaakt, behoeven deze ook geen beargumentering. Voor uitgebreide toelichting op beleidsmatige implementatie wordt verwezen naar de ‘Handreiking Adviesstelsel Omgevingskwaliteit’ (hierna: handreiking), opgesteld door de VNG, de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (februari 2020).

De regels voor de commissie staan op dit moment in de Bouwverordening Rijswijk 2012 en de Monumentenverordening Rijswijk 2008, op te halen via de volgende links: https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Actueel/Rijswijk/CVDR196954.html http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/historie/rijswijk/71530/71530_1.html Inhoud Artikel 1. Definities (stadsbouwmeester) .........................................................................................2 Artikel 2. Taak en werkzaamheden .................................................................................................2 Artikel 4. Samenstelling ...................................................................................................................4 Artikel 5. Benoeming .......................................................................................................................5 Artikel 6. Ondersteuning van de commissie ....................................................................................5 Artikel 8. Beraadslaging en standpuntbepaling ...............................................................................6 Artikel 11. Verwerking van het advies .............................................................................................6 Artikel 15.

Jaarverslag .....................................................................................................................7 Artikel 16. Overgangsrecht ..............................................................................................................7

1

Artikel 1. Definities (stadsbouwmeester) De stadsbouwmeester als wettelijke figuur vervalt onder de Omgevingswet (afdeling 17.2 of artikel 16.15 lid 2). Bij het aanstellen van een stadsbouwmeester kan hij/zij als adviseur (artikel 16.15, lid 2) of als lid van de adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente Rijswijk worden benoemd. Gemeenten die een stadsbouwmeester hebben/benoemen nemen ook de definitie daarvan op. De stadbouwmeester (ook dorpsbouwmeester of rayonarchitect genoemd) is lid van de commissie, met een door de raad aangewezen eigen takenpakket. De gemeente Rijswijk heeft in de huidige situatie geen stadsbouwmeester. Gebleken is dat aanstelling van een stadsbouwmeester ook niet noodzakelijk wordt geacht. Deze conclusie is getrokken op basis van ervaringen met de huidige praktijk en met het oog op het feit dat de stadsbouwmeester als wettelijke figuur vervalt onder de Omgevingswet en hij/zij enkel als adviseur of als lid van de commissie zou kunnen worden benoemd. Artikel 2. Taak en werkzaamheden De taak van de commissie is op dit moment opgenomen in artikel 9.1 van de Bouwverordening. Lid 1 Het eerste lid van artikel 2 beschrijft de adviestaak in algemene zin: het adviseren van de raad en het college van burgemeester en wethouders op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet.

De commissie adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Naar keuze kan aan de commissie ook een voorlichtende taak over de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit en over de werkzaamheden van de commissie zelf worden gegeven. Gebleken is dat het wenselijk is om op te nemen dat de commissie ook een voorlichtende taak heeft over de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit en over de werkzaamheden van de commissie zelf. Op deze wijze kan beter invulling worden gegeven aan de doelstelling van de commissie onder de Omgevingswet, te weten het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Lid 2 In het tweede lid van artikel 2 zijn de taken van de commissie uitgewerkt in concrete werkzaamheden. Daarbij is uitgegaan van een basispakket in de onderdelen a tot en met c en een aantal taken dat gemeenten naar keuze kunnen toevoegen (onderdelen d tot en met h). Lid 2, sub c In dit onderdeel staat dat de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit adviseert.

Aan onderdeel c kan worden toegevoegd dat de commissie ook uit eigen beweging over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit adviseert. Gebleken is dat het, met het oog op de doelstelling van de commissie onder de Omgevingswet, wenselijk is om toe te voegen dat de commissie ook uit eigen beweging over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit adviseert. Lid 2, sub d Dit onderdeel gaat over de opgavegerichte advisering in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave, zoals in de handreiking van de VNG is beschreven. Gebleken is dat het, met het oog op de doelstelling van de commissie onder de Omgevingswet, wenselijk is om toe te voegen dat de commissie adviseert op verzoek van burgemeester en wethouders in een geval van een verkenning als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de wet en in andere gevallen waarin burgemeester en wethouders een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving.

2

Lid 2, sub e Dit onderdeel betreft de ontwerpgerichte advisering, zoals die in de handreiking van de VNG is beschreven. Deze taak is soms ondergebracht bij een ambtelijk ontwerpteam, een kwaliteitsteam, regievoerder of supervisor voor de planontwikkeling in (delen van) de gemeente. Dit onderdeel biedt de mogelijkheid deze adviseurs in de commissie op te nemen. Dit gebeurt door benoeming van deze adviseurs als lid van de commissie. Aangegeven is dat er binnen de gemeente Rijswijk sprake is van kwaliteitsteams waarmee nauw samengewerkt wordt, het is daarom wenselijk om dit lid op te nemen. Lid 2, sub f

Dit onderdeel heeft betrekking op vooroverleg bij een vergunningaanvraag. Veel gemeenten kennen een procedure voor het aanvragen van een beginseluitspraak omgevingsvergunning, waarin ook de welstand- en monumentencommissies worden geraadpleegd. Die praktijk kan op grond van dit onderdeel worden voortgezet. Het belang van een goed vooroverleg neemt toe, aangezien het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet is overgenomen in de wet. De initiatiefnemer is er verantwoordelijk voor dat hij of zij voor alle activiteiten beschikt over de vereiste vergunningen. Het is aan hem of haar om de verschillende eisen op elkaar af te stemmen. Vooral bij complexe projecten is vooroverleg van groot belang. De VNG ontwikkelt daarvoor het model van de Omgevingstafel waarbij (een lid van) de commissie ook een rol speelt. De mogelijkheid bestaat om voor het vooroverleg leges te heffen. Dit mag niet een bijkomende heffing zijn, maar een deel (bijvoorbeeld 10 tot 20%) van de totale leges zoals berekend op basis van de indieningsgegevens. Voor aanvragen die na het vooroverleg daadwerkelijk tot indiening komen, wordt het voor het vooroverleg in rekening gebrachte bedrag daarop in mindering gebracht.

Men kan voor gevallen waarin het vooroverleg niet wordt gevolgd door een formele aanvraag een gedeeltelijke terugbetaling toepassen, zoals dat ook kan voor vergunningen, die na verlening op verzoek van de aanvrager worden ingetrokken. Dergelijke oplossingen behoeven uiteraard een formele grondslag in de te actualiseren Verordening leges. Gebleken is dat, met het oog op de huidige praktijk en de doelstelling van de commissie onder de Omgevingswet, wenselijk is om toe te voegen dat de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning voert. Lid 2, sub g Gemeenten kunnen ervoor kiezen ook met betrekking tot het stellen van maatwerkvoorschriften advies te vragen. Dit in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen. Gebleken is dat het, met het oog op de huidige praktijk en de doelstelling van de commissie onder de Omgevingswet, wenselijk is om toe te voegen dat de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders adviseert over het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen.

Lid 2, sub h Dit onderdeel betreft de adviesvragen op grond van gemeentelijke verordeningen met regels over de fysieke leefomgeving die niet in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om de Ligplaatsenverordening of de regels over objecten in de openbare ruimte in de Algemene plaatselijke verordening. De gemeente kan deze regels tot het einde van de overgangsfase (2029) omzetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het college kan op grond van dit onderdeel ook hierover advies vragen aan de commissie, ook al zijn deze regels nog niet overgeheveld naar het omgevingsplan. Gebleken is dat het, met het oog op de huidige praktijk en de doelstelling van de commissie onder de Omgevingswet, wenselijk is om toe te voegen dat de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders adviseert over het geven van beschikkingen op grond van regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de omgevingskwaliteit bevatten, bijvoorbeeld regels over reclame in de openbare ruimte, voorwerpen op of aan de weg, standplaatsvergunningen, exploitatievergunningen horecabedrijven en ligplaatsvergunningen.

3

Artikel 4. Samenstelling De samenstelling van de commissie is op dit moment opgenomen in artikel 9.2 van de Bouwverordening. Lid 1 De raad stelt het aantal leden vast. Het is mogelijk om plaatsvervangers te benoemen, zodat de commissie ook kan functioneren wanneer één of meer vaste leden zijn verhinderd. In de huidige situatie is dit minimaal drie en maximaal negen leden, inclusief de voorzitter. Met het oog op de goede ervaringen met de huidige praktijk, wordt voorgesteld om de aantallen uit de huidige situatie te handhaven. Ook wordt het wenselijk geacht dat (bij afwezigheid van de voorzitter) ondervoorzitters ter plaatse zullen worden benoemd, dit sluit aan bij de huidige werkwijze. Lid 3 De leden en de plaatsvervangers worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Naar keuze kan bij artikel 4 een derde lid worden opgenomen, te weten: “3. In afwijking van het tweede lid kunnen maximaal [aantal] burgerleden en hun plaatsvervangers worden benoemd. Zij worden benoemd op persoonlijke titel op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.” Dit lid wordt enkel opgenomen indien ook burgerleden en hun plaatsvervangers worden benoemd. Een groot deel van de gemeenten in Nederland kiest ervoor om geen burgerleden te benoemen.

Ook voor de gemeente Rijswijk geldt dat, op basis van ervaringen met de huidige praktijk, met name daar het gaat om beschikbaarheid, is gebleken dat het niet wenselijk wordt geacht om burgerleden te benoemen. Lid 5 Naar keuze kan bij artikel 4 het vijfde lid worden aangevuld. Lid 5 luidt als volgt: “5. De disciplines die de leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap, stedenbouw, architectuur en archeologische monumentenzorg.” Dit lid ziet toe op de deskundigheidsgebieden die in de commissie vertegenwoordigd moeten zijn. De vijf gebieden die in de Memorie van toelichting zijn genoemd voor de advisering over rijksmonumenten zijn hier als basis opgenomen. Deze kunnen worden aangevuld met andere deskundigheden. Het is mogelijk dat één persoon meerdere disciplines in zich verenigt. De Handreiking Gemeentelijke Monumentencommissies legt er de nadruk op dat een duidelijk profiel van de commissieleden van belang is. Daar hoort ook het gewenste niveau van de deskundigen bij. “In aanmerking komen architectuur- en bouwhistorici, architecten, archeologen, stedenbouwkundigen, planologen, historisch geografen of landschapsarchitecten op HBO of WO-niveau. Architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten zijn bij voorkeur ingeschreven in het Register.

De gemeente kan bijvoorbeeld als eis stellen dat aspirant-leden hun verdiensten op hun vakgebied hebben bewezen.” (Handreiking Gemeentelijke Monumentencommissies, 2009, p.17-18Fout! De hyperlinkverwijzing is ongeldig.). Het gewenste profiel van de leden wordt niet opgenomen in de verordening. Dit kan worden uitgewerkt in het reglement van orde (artikel 12). Wanneer de deskundigheden in de modelverordening van de VNG worden afgezet tegenover de deskundigheden die genoemd worden in de Bouwverordening Rijswijk 2012, ontbreekt enkel de expertise tuinarchitectuur. Archeologische monumentenzorg wordt niet genoemd in de Bouwverordening 2012, maar is bij de wet verplicht. De expertise landschap is daarom in overleg met de betrokken collega’s aangevuld met de expertise tuinarchitectuur. Lid 6 Naar keuze kan bij artikel 4 een zesde lid worden opgenomen, te weten: “6. De leden en de plaatsvervangers zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur.” Gemeenten kunnen kiezen voor een aanscherping van de wettelijke eis van onafhankelijkheid ten opzichte van het gemeentebestuur. Artikel 17.8 van de wet stelt slechts als eis, dat de leden van het gemeentebestuur geen lid zijn van een gemeentelijk adviesorgaan. Daarmee is naar het oordeel van de wetgever voldoende verzekerd dat de commissie niet door bestuurlijke belangen wordt geleid.

Hoofdzaak is dat de samenstelling van de commissie zodanig dient te zijn dat een onafhankelijk en

4

deskundig oordeel kan worden gevormd. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om ervoor te zorgen dat deskundigheid in de commissie voorhanden is. Gemeenten die dit lid overnemen, kunnen geen gemeenteambtenaren als lid benoemen. Het lijkt vanzelfsprekend dat de gemeente Rijswijk het recht wil behouden om gemeenteambtenaren als lid van de commissie te benoemen, mocht dit ooit nodig worden geacht. Het is daarom niet wenselijk om dit lid op te nemen. Artikel 5. Benoeming De benoeming, de zittingsduur en het ontslag van de commissie is op dit moment opgenomen in artikel 9.3 van de Bouwverordening. Lid 1, 2 en 3 De leden 1, 2 en 3 hebben betrekking op de benoemingstermijn als bedoeld in artikel 17.7, eerste lid, van de wet. Het eerste lid regelt de benoeming voor de eerste termijn. Het tweede lid ziet toe op de herbenoeming. Gebruikelijk is een benoemingstermijn van drie jaar met eenmalige mogelijkheid voor herbenoeming. De regels voor de herbenoeming zijn logischerwijs alleen van toepassing op de leden, niet op hun plaatsvervangers. In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om leden een aantal jaar na hun aftreden opnieuw te benoemen. Ook hier kan een termijn van drie jaar worden aangehouden. In de huidige situatie is de termijn voor het benoemen van de leden en de plaatsvervangers van de commissie 3 jaar.

De termijn voor het herbenoemen van de leden en de plaatsvervangers is ook 3 jaar. De termijn waarna leden na hun aftreden weer benoembaar zijn is ook 3 jaar. Voorgesteld wordt om de huidige praktijk te handhaven. Lid 4 Naar keuze kan bij artikel 5 een vierde lid worden opgenomen, te weten: “4. De voorzitter, de ondervoorzitters, de stadsbouwmeester en de plaatsvervangers wordt/worden in functie benoemd.” De wet schrijft niet voor dat de voorzitter, de ondervoorzitters, de stadsbouwmeester en de plaatsvervangers in functie worden benoemd. Dit lid voorziet in die mogelijkheid, in lijn met wat in veel gemeenten bij de bestaande commissies op gebied van welstand en monumentenzorg gebruikelijk is. Voorgesteld wordt om de huidige praktijk te handhaven. De voorzitter en de plaatsvervangers wordt/worden in functie benoemd. Ook wordt het wenselijk geacht dat (bij afwezigheid van de voorzitter) ondervoorzitters ter plaatse zullen worden benoemd, dit sluit aan bij de huidige werkwijze. In Rijswijk is geen sprake van een stadsbouwmeester. Artikel 6. Ondersteuning van de commissie Artikel 6 regelt de ondersteuning van de commissie. Er zijn twee varianten: de commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris of ondersteund door een regionale adviesorganisatie. De keuze is als volgt: Artikel 6. Ondersteuning van de commissie 1. De commissie heeft een ambtelijk secretaris. 2.

De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. 3. De secretaris kan worden ondersteund door andere ambtelijke medewerkers, die voor hun werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de secretaris. 4. De secretaris noch de medewerkers zijn lid van de commissie. OF Artikel 6. Ondersteuning van de commissie 1. Het secretariaat van de commissie berust bij [naam regionale adviesorganisatie]. 2. Het secretariaat wordt bij de uitoefening van zijn taak rechtstreeks aangestuurd door de voorzitter.

5

In de huidige praktijk wordt de commissie ondersteund door een ambtelijk secretaris. Voorgesteld wordt om de huidige praktijk te handhaven. Er is daarom gekozen voor opname van de eerste variant. Artikel 8. Beraadslaging en standpuntbepaling De werkwijze van de commissie is op dit moment opgenomen in artikel 9.5 van de Bouwverordening. Lid 2 Met betrekking tot de openbaarheid van vergaderingen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. Uit artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van een plan ten overstaan van de commissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. Gemeenten kunnen ervoor kiezen ook andere belanghebbenden spreekrecht te verlenen. De keuze is als volgt: 2. De aanvrager van de omgevingsvergunning of zijn gemachtigde heeft de mogelijkheid tot toelichting van de aanvraag ten overstaan van de commissie. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht. OF 2. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht in door de commissie gehouden openbare vergaderingen. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht.

In de huidige situatie heeft de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen het recht om zijn aanvraag in een vergadering van de WMR toe te lichten dan wel toe te laten lichten. Voor zover bekend is het in Rijswijk één enkele keer voorgekomen dat een belanghebbende gebruik wilde maken van zijn spreekrecht. Betreffende belanghebbende is destijds niet op komen dagen. In de huidige praktijk wordt deze dialoog elders gevoerd, dit gebeurt voorafgaand aan het proces of in de raad. Met het oog op de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt voor participatie en met inachtneming van het feit dat participatie zo vroeg mogelijk in het proces dient plaats te vinden, wordt opname van de eerste variant voorgesteld. Lid 3 Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een rijksmonument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg. De gemeente mag een minimum aantal leden stellen dat aanwezig moet zijn bij besluiten over de overige uit te brengen adviezen. In de huidige praktijk is het minimum aantal leden dat aanwezig moet zijn bij besluiten over de overige uit te brengen adviezen 1. Voorgesteld wordt om de huidige praktijk te handhaven. Artikel 11. Verwerking van het advies Naar keuze kan bij artikel 11 een eerste lid worden opgenomen, te weten: “1.

Burgemeester en wethouders kunnen eenmaal per activiteit een second opinion inwinnen bij een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente. Zij stellen de commissie van het voornemen tot het plaatsen van die opdracht op de hoogte.” Dit facultatieve lid ziet toe op het vragen van een second opinion aan een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente in geval het college zich niet kan verenigen met het advies van de commissie. Bij de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit is een protocol voor een zorgvuldige second-opinion procedure te verkrijgen. Uit overleg met de betrokken collega’s is gebleken dat dit in Rijswijk nog nooit is voorgekomen. Het lijkt vanzelfsprekend dat de gemeente Rijswijk het recht wil behouden om een second opinion in te winnen bij een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente, mocht dit ooit nodig worden geacht. Dit lid is daarom opgenomen. Artikel 15. Jaarverslag

6

Het jaarverslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de wet kan voor de raad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk beleid. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Voorgesteld wordt om 1 maart op te nemen als wenselijke datum voor het uitbrengen van het verslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de wet (verslag van de werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar). Met deze datum wordt geborgd dat het jaarverslag tijdig voor de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente wordt uitgebracht. Artikel 16. Overgangsrecht Naar keuze kan bij artikel 16 een eerste lid worden opgenomen, te weten: “1. De op grond van de Bouwverordening Rijswijk 2012 en de Monumentenverordening Rijswijk 2008 benoemde leden worden geacht te zijn benoemd op grond van dit besluit. De termijn van ten hoogste [aantal] jaar als bedoeld in artikel 5, eerste lid, loopt vanaf de datum van de benoeming op grond van de Bouwverordening Rijswijk 2012 en de Monumentenverordening Rijswijk 2008.” Gemeenten kunnen ervoor kiezen dit lid niet over te nemen. Benoeming van de leden van de nieuwe commissie gebeurt in dat geval in een apart benoemingsbesluit. Omdat het wenselijk is gebleken de huidige praktijk voort te zetten, wordt voorgesteld om dit lid wel op te nemen.

Op grond van dit lid gaan de bestaande leden van de welstands- en monumentencommissies of adviescommissies ruimtelijke kwaliteit zonder aparte benoemingsbesluiten over naar de commissie.

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=739793b5-610d-4b77-b128-58a3d43f3526