21-056 A. Samengevoegd bestemmingsplan vastgesteld.pdf
Tekst van het document
28
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
-
-
een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.
Onderhavige initiatief voorziet in de realisatie van maximaal 64 gestapelde woningen binnen het bestaand stedelijk gebied van Rijswijk. Deze nieuwbouw vindt plaats in het bebouwde gebied van Rijswijk. Ter plaatse is thans nog een kantoorgebouw gesitueerd. Een toevoeging van een woonfunctie is aan te merken als een gebiedseigen ontwikkeling nu in de directe omgeving van het plangebied in vrijwel alle windrichtingen tevens sprake is van een woonfunctie. Qua schaal en maat is onderhavige ontwikkeling niet afwijkend ten opzichte van de directe omgeving. Aan de Sir Winston Churchilllaan 275, gelegen op circa 60 meter zuidelijk van het plangebied, is immers recent voorzien in de bouw van een tweetal wooncomplexen met in totaal 259 woningen en een maximum bouwhoogte van 60 meter. Ook de Generaal Swartlaan 60 e.v., gelegen op circa 35 meter ten westen van het plangebied, kent een wooncomplex met 40 wooneenheden. Tot slot kennen drie wooncomplexen gelegen aan de van Vollenhovenlaan 26 e.v., circa 30 meter tot het plangebied, in totaal 69 wooneenheden en een bouwhoogte van 17,5 meter. Onderhavig initiatief is daarmee, gelet op het aantal wooneenheden en de verdeling daarvan over twee bouwmassa’s, passend in de directe omgeving van het plangebied. Tevens wordt het bestaande pand gesloopt waardoor de ruimtelijke impact van onderhavige ontwikkeling per saldo beperkt van aard is.
Onderhavig initiatief voldoet voorts aan de richtpunten van de kwaliteitskaart, namelijk: - ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; - ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; - cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; Hiervoor geldt dat de hoogteaccenten ten gevolge van onderhavig initiatief zoals gesteld samenvallen met bestaande hoogbouw in de omgeving. Voorts wordt natuurlijk groen uit het aangrenzende park ‘De Driesprong’ doorgetrokken naar onderhavig plangebied waarbij het groen nadrukkelijk wordt verweven met de twee wooncomplexen. De gevolgen voor het watersysteem met betrekking tot onderhavige ontwikkeling worden besproken in hoofdstuk 4 Tot slot geldt dat: • onderhavig plangebied is niet gelegen in een gebied met beschermingscategorie 1 of 2; • op onderhavige ontwikkeling een beeldkwaliteitplan van toepassing is (zie paragraaf 2.5 en 3.5.9); • aan de ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 3.2.3 is getoetst en dat hieraan wordt voldaan.
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
29
Conclusie Onderhavig planvoornemen past binnen de regels van de Omgevingsverordening ZuidHolland.
3.3.3 Ontwerp Omgevingsbeleid 2020 Toetsingskader Op dit moment zijn wijzigingen van zowel de provinciale Omgevingsvisie als Omgevingsverordening in voorbereiding. De ontwerpversie van deze beleidsdocumenten heeft van 3 december 2020 tot en met 1 februari 2021 ter inzage gelegen. Het ontwerp Omgevingsbeleid 2020 is op het moment van schrijven van deze toelichting nog niet definitief vastgesteld, maar zal na vaststelling de beleidsdocumenten die in de voorgaande twee paragrafen getoetst zijn (deels) vervangen. Om die reden is hierna ook kort beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling past binnen het ontwerp Omgevingsbeleid 2020. Ontwerp-wijziging van de Omgevingsvisie Zuid-Holland De wijzigingen in de Omgevingsvisie betreffen in hoofdzaak aanscherpingen en verbeteringen van diverse onderdelen van de huidige Omgevingsvisie. Deze wijzigingen hebben geen relevante gevolgen voor de inpasbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling in de Omgevingsvisie. Op twee specifieke onderdelen is wel sprake van beleidsaanpassingen: klimaatadaptatie en circulariteit. Met name het eerste onderdeel is relevant voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat op dit punt ook een wijziging in de Omgevingsverordening is beoogd (zie verder hierna).
Ontwerp-wijziging van de Omgevingsverordening Zuid-Holland De voor dit bestemmingsplan relevante wijziging van de Omgevingsverordening betreft de toevoeging van het volgende artikel over de risico’s van klimaatverandering: In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. overstroming; 3. hitte; 4. droogte. Beoordeling en conclusie Uit de toelichting op deze wijziging van de Omgevingsverordening blijkt dat dit artikel een beleidsmatige ‘doorvertaling’ van het (provinciale) convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland is. Dit convenant is nader toegelicht in paragraaf 4.13, waarbij ook nadrukkelijk is ingegaan op hoe in het plan rekening is gehouden met klimaatadaptatie c.q. de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. Hiermee voorziet paragraaf 4.13 in de toets aan het betreffende ‘nieuwe’ artikel in de Omgevingsverordening. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee ook inpasbaar in de gewijzigde Omgevingsverordening.
30
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
3.4
Regionaal beleid
3.4.1 Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 Op 16 april 2008 is het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) vastgesteld. Dit plan heeft onder de huidige Wet ruimtelijke ordening de status van provinciale structuurvisie. In het RSP wordt de ruimtelijke visie voor Haaglanden aangegeven. Haaglanden is een regio met een heel eigen karakter. Dit karakter moet in de toekomst behouden blijven en daar waar mogelijk versterkt worden. Het regionale structuurplan bouwt voort op de sterke punten van de regio: de economische specialisaties, de mooie landschappen en de kwaliteit van leven. Haaglanden blijft daardoor een aantrekkelijk gebied om te wonen. Al deze kwaliteiten zijn een voorwaarde om nieuwe bedrijven en instellingen aan te kunnen trekken en zo voor nieuwe werkgelegenheid te zorgen. Beoordeling Vanuit het belang voor Haaglanden en voor de betekenis van Haaglanden in Randstaden Zuidvleugelverband zijn er tien investeringsprioriteiten bepaald: drie centrale gebiedsontwikkelingen en zeven dragende projecten. Eén van de zeven belangrijkste projecten uit het RSP betreft 'herstructurering en intensiever gebruik van stedelijke wijken’. Met de herontwikkeling binnen het plangebied wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de herstructurering en het intensievere gebruik. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020.
3.4.2 Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021 Toetsingskader Op 29 maart 2017 is de Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021 vastgesteld. Als belangrijkste doel van de nieuwe regionale woonvisie zien de gemeenten het samen verder versterken van de woningmarktregio Haaglanden. In woonvisie Haaglanden wordt met feiten en cijfers het wonen in Haaglanden beschreven. Het maakt inzichtelijk voor welke woonopgaven de regio gesteld staat. De gemeenten geven hun visie op het toekomstige wonen in de regio en hun belangrijkste uitgangspunten voor een goed woonbeleid in de periode tot 2025. Beoordeling De regionale woonvisie omarmt de visie van de provincie Zuid-Holland dat het wenselijk is om in de toekomst voorrang te geven aan binnenstedelijke woningbouw ten opzichte van ‘bouwen in het weiland’. Dit uitgangspunt draagt ook bij aan het zorgvuldig gebruiken van de ruimte en het versterken van bestaande steden en dorpen. De gemeenten zetten dan ook nadrukkelijk in op het herontwikkelen van transformatielocaties en -gebieden naar wonen. Het onderhavige plan vormt hier een uitwerking van, nu het plangebied is gelegen op een binnenstedelijke inbreidingslocatie. Daarmee is het planvoornemen in lijn met de regionale woonvisie. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2020.
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
31
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1 Stadsvisie Rijswijk 2030 Toetsingskader Rijswijk staat de komende jaren voor veel uitdagingen: • de regio houdt rekening met een sterke bevolkingsgroei; • veel van de woningen die tijdens de wederopbouw zijn gebouwd, verouderen; • de verschillen in de bevolkingssamenstelling groeien; • de arbeidsmarkt en bedrijvigheid veranderen; • de impact van klimaatverandering is ook in Rijswijk merkbaar. Om deze ontwikkelingen in goede banen te leiden en kansen voor Rijswijk te benutten, is het noodzakelijk om bewust na te denken over de toekomst. Met welke ontwikkelingen krijgt Rijswijk het meest te maken? Welke gevolgen hebben ze voor Rijswijk? En wat moet gedaan worden om ze ten goede van Rijswijk te laten komen? De Stadsvisie beschrijft de ambities van Rijswijk. Deze ambities worden door de stad zelf bepaald: inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven en bestuur. De stad zelf heeft ook een eigen identiteit. Die is gevormd door de geschiedenis, de ambities van eerdere inwoners, de ligging tussen grotere steden en de cultuur van de bewoners in de verschillende wijken. De kenmerken, de kwaliteiten en het karakter vormen samen de identiteit van Rijswijk. De stadvisie steunt op drie pijlers, namelijk: • betrokken inwoners pakken kansen; • groene buitenplaats voor stedelijk wonen; • innovatieve katalysator van de regionale economie.
Deze drie pijlers vormen de grootste uitdaging van de stadsvisie. Voor onderhavig initiatief is hoofdzakelijk de pijler ‘groene buitenplaats voor stedelijk wonen’ van belang. Binnen deze pijler staat de gewenste ontwikkeling van Rijswijk op het gebied van wonen beschreven. Daarbij dient ook aandacht te zijn voor de groene longen van de stad. Groen en water zorgen voor een aantrekkelijke leef- en recreatieomgeving. De parken, groene zones en het water zijn cruciaal voor het leefklimaat in de stad, om de effecten van klimaatverandering, waaronder hittestress en hevige regenbuien, te temperen. Het weghalen van stenen is een manier om groen meer ruimte te geven. Nieuwbouw van woningen vindt voornamelijk plaats binnen het stedelijk gebied. Dit geschiedt door transformatie van leegstaande gebouwen of door woningbouw in bebouwde gebieden. De verouderde woningen in de naoorlogse wijken uit de jaren ‘50 en ‘60 maken fasegewijs plaats voor nieuwbouw of duurzaam gerenoveerde woningen. In de wijken worden de groenvoorzieningen slim geïntegreerd. Beoordeling Het onderhavige initiatief voorziet in de realisatie van 64 appartementen binnen het bestaand stedelijk gebied van Rijswijk op de plaats waar thans een leegstaand en 32
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
incourant pand is gevestigd. Herontwikkeling van dergelijke gebieden heeft blijkens de stadsvisie de voorkeur boven het verder uitbreiden van het stedelijk gebied van Rijswijk. Natuurlijk groen uit het aangrenzende park ‘De Driesprong’ wordt doorgetrokken naar onderhavig plangebied waarbij het groen nadrukkelijk wordt verweven met de te realiseren wooncomplexen. Hierdoor wordt bijgedragen aan een groen Rijswijk, hetgeen de stadsvisie nastreeft. Conclusie Onderhavig initiatief is in lijn met de Stadsvisie Rijswijk 2030.
3.5.2 Woonvisie 2015-2025 - Vertrouwd stedelijk wonen in Rijswijk Toetsingskader Op 24 november 2015 heeft de gemeenteraad van Rijswijk de Woonvisie 2015-2025 vastgesteld. In de woonvisie zijn de uitgangspunten en ambities voor het wonen tot 2025 beschreven. De woonvisie vormt de basis voor de strategische afwegingen die Rijswijk maakt op het gebied van wonen. Centraal hierbij staat de vraag hoe Rijswijk het beste kan inspelen op de woonbehoeften van de toekomst. De gemeente streeft naar kwalitatief goede woningen en onderscheidende woonmilieus voor huidige en toekomstige generaties. Locatie is daarbij van groot belang. Qua doelgroepen wordt breed ingezet. Voor zowel starters, (jonge) gezinnen als voor ouderen is er behoefte aan extra woningen. Beoordeling Onderhavig plangebied ligt in grensovergang van de wijk ‘Te Werve’ en ‘Plaspoelpolder. Blijkens de woonvisie liggen met name aan de randen van de Plaspoelpolder kansen. De gemeente faciliteert en stimuleert ontwikkelaars om hier woningen te realiseren voor verschillende doelgroepen en om vernieuwende concepten op de markt te zetten. Vooral herstructurering en transformatie van leegstaande panden verdienen hierbij prioriteit. In de wijk Te Werve wordt gestreefd naar meer verscheidenheid in woonvormen, doelgroepen en daarmee een minder eenzijdige bevolkingsopbouw.
Mede daarom wordt er ingezet op de middeldure huur- en koopsector. Dit bevordert namelijk de doorstroming vanuit de sociale huurvoorraad. Dit bouwplan draagt hier aan bij, omdat het plan uit vrije sector huurappartementen in het middensegment bestaat. Onderhavig initiatief sluit aan bij het streefbeeld uit de woonvisie. Onderhavige ontwikkeling betreft immers een binnenstedelijke ontwikkeling op de rand van de wijk Te Werve en Plaspoelpolder waarbij een leegstaand pand wordt herontwikkeld. Onderhavige planvoornemen draagt bij aan de woonvoorraad die geschikt is voor meerdere doelgroepen op de woningmarkt. Op 11 mei 2021 is de Actualisatie van de Woonvisie 2015 – 2025 door de raad vastgesteld. Deze Actualisatie vervangt de huidige woonvisie niet, maar brengt nieuwe speerpunten (pijlers) aan. Voor onderhavig plan is de pijler “Doelgroepgericht woningbouwprogramma” van belang. Hierin wordt gesteld dat de woningvoorraad in Rijswijk de komende jaren fors mag toenemen en dat hierbij vooral wordt ingezet op de middeldure en dure huur- en koopsegmenten. Het streven is om deze segmenten in Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
33
zowel absolute als relatieve zin te laten toenemen. Het onderhavige plan valt in het gebied dat in de Actualisatie wordt weergegeven met “Fysieke wijkaanpak op korte termijn”. In verschillende wijken wil de gemeente de woningvoorraad gevarieerder maken, te beginnen bij Te Werve. De gemeente vernieuwt dat wat is verouderd en voegt toe dat wat ontbreekt. De gemeente focust hier vooral op doorstroming van ouderen en jonge stellen en gezinnen en op de komst en behoud van huishoudens met middeninkomens. Het plan draagt hier aan bij. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de kaders van de gemeentelijke woonvisie.
3.5.3 Structuurvisie mobiliteit 2020 Toetsingskader In de Structuurvisie mobiliteit 2020 worden tien kernpunten benoemd die verdeeld zijn onder drie thema’s: ‘Bereikbaarheid’, ‘Verkeersveiligheid’, en ‘Leefbaarheid’. Deze zijn opgesteld aan de hand van de nieuwste inzichten over mobiliteit, interne beleidsplannen, het beleid van omliggende gemeenten en uitkomsten van de enquêtes die onder belanghebbenden, burgers en raadsleden zijn verspreid. Voor onderhavig initiatief zijn de thema’s bereikbaarheid en leefbaarheid van belang. Bereikbaarheid: Bij programmatische ontwikkelingen, zoals nieuwe woningen, kantoren of winkelvoorzieningen, ontstaat nieuwe vraag naar mobiliteit en infrastructuur. De structuurvisie mobiliteit legt de koppeling tussen deze ontwikkelingen en de benodigde extra infrastructuur om de mobiliteitseffecten van deze ontwikkelingen op te vangen. Daarnaast geeft de structuurvisie de gemeente ook bevoegdheden op grond van afdeling 6.4 van de Wro voor het verevenen van (bovenplanse) kosten c.q. het opleggen van een bijdrage. Leefbaarheid: De parkeerdruk neemt de laatste decennia toe door groei van het autobezit en toename van het gebruik van de auto. Er worden meer locaties met de auto bezocht en zijn meer parkeerplaatsen nodig om dit te faciliteren.
Door de toenemende parkeerdruk komt het functioneren van gebieden en met name de economische centra, onder druk te staan. Het is daarom nodig om prioriteiten te stellen en maatregelen te nemen om de huidige situatie te verbeteren en in te springen op de toekomstige problemen. In dit licht is het parkeerbeleid aangepast. Uitgangspunt is dat de geldende parkeereis op eigen terrein wordt voorzien. Beoordeling Met betrekking tot bereikbaarheid is de werkwijze dat met de veroorzaker van mobiliteit afspraken worden gemaakt over de bijdrage aan (bovenplanse) kosten zoals voor de aanleg van noodzakelijke extra infrastructuur. In ieder geval worden de kosten in rekening gebracht die direct zijn toe te rekenen aan de te realiseren ontwikkeling. Indien sprake is van een bepaalde mate van profijt van de getroffen verkeersmaatregel buiten een specifiek plangebied (ofwel: het ontwikkelingsgebied van de initiatiefnemer), zullen deze (buitenplanse) kosten naar rato worden verhaald. Het uitgangspunt is dat de 34
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
gemeente Rijswijk is dat kostenverhaal en het verhaal van bovenplanse kosten via overeenkomsten met initiatiefnemers verloopt. Van belang is dat onderhavig plangebied blijkens de structuurvisie niet ligt op een zogenoemde ‘toplocatie’. Deze locaties trekken veel bezoekers en/of hebben een belangrijke economische functie in de gemeente. Voor deze locaties is een betrouwbare bereikbaarheid extra belangrijk. Met betrekking tot leefbaarheid is de parkeerbalans beschreven in hoofdstuk 2. Parkeren vindt overeenkomstig het uitgangspunt van de structuurvisie plaats op eigen terrein. Conclusie Onderhavig initiatief is passend binnen de Structuurvisie mobiliteit 2020 van de gemeente Rijswijk.
3.5.4 Hoogbouwvisie Rijswijk Toetsingskader Op 24 april 2007 heeft de gemeenteraad van Rijswijk de Hoogbouwvisie van Rijswijk vastgesteld als richtinggevend kader voor nieuwe ontwikkelingen die hoogbouw behelzen. Met de samenhangende visie op hoogbouwontwikkelingen in Rijswijk is het mogelijk geworden om in een breder kader te beoordelen of hoogbouw op een voorgestelde plek wel of niet wenselijk is. De hoogbouwvisie vervult de behoefte aan een beoordelingskader om de discussie over hoogbouwplannen beter te kunnen structureren. Een belangrijk kenmerk van de huidige Rijswijkse bebouwing is de veelen overal voorkomende hoogbouw. Door meer structuur aan te brengen in deze hoogbouw wordt de ruimtelijke en landschappelijke structuur van Rijswijk nog verder benadrukt. De eigenheid, uniciteit en herkenbaarheid van Rijswijk in de regio wordt daarmee vergroot. Tevens kan met hoogbouw een belangrijke bijdrage worden geleverd aan de herstructureringsopgave. Er is in de visie voor gekozen om de gelaagde opbouw van Rijswijk te accentueren en daarom hoogbouw te concentreren aan de belangrijke structuur dragende lijnen. Beoordeling Onderhavig plangebied is gelegen aan de Sir Winston Churchilllaan. De Generaal Spoorlaan en de Sir Winston Churchilllaan worden benoemd als 'Stedelijke boulevard'.
Deze stedelijke boulevards zijn de belangrijkste routes naar de voorzieningencentra Oud-Rijswijk en In de Bogaard. Langs deze routes ligt het voor de hand om de bebouwde ruimte te intensiveren met hoogbouw, vooral in de vorm van woonbebouwing. Zoals in paragraaf 3.3.2 nader uiteengezet, is er in de directe omgeving van het plangebied reeds sprake van omvangrijke hoogbouw. Gelet op het aantal wooneenheden en de verdeling daarvan over twee bouwmassa’s, is het onderhavige initiatief aldus visueel passend in de directe omgeving van het plangebied. Ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden, is door middel van een bezonningsstudie de schaduwwerking van de beoogde bouwmassa inzichtelijk gemaakt. De bezonningsstudie is als bijlage 2 gevoegd bij deze toelichting. Uit de studie blijkt niet van een relevante toename van schaduwwerking op omliggende percelen. Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
35
Visiekaart hoogbouw Rijswijk met plangebied aangeduid met een gele ster. Bron: hoogbouwvisie van de gemeente Rijswijk.
Conclusie Onderhavig initiatief is in lijn met de Hoogbouwvisie van Rijswijk. Het plangebied ligt in een gebied waar de bebouwde ruimte kan worden geïntensiveerd met hoogbouw. Uit de bezonningsstudie blijkt niet dat er sprake is van een relevante toename van schaduwwerking op omliggende percelen.
3.5.5 Integraal Groen en Stedenbouwkundig Raamwerk Te Werve Toetsingskader Het Integraal Groen en Stedenbouwkundig Raamwerk Te Werve is een onderdeel van de integrale wijkverbetering en richt zich hoofdzakelijk op de openbare ruimte. Het gaat om het vastleggen van een ruimtelijk raamwerk en het benoemen van later in te vullen woonvelden en deelgebieden. Het thema ‘groen’ maakt hiervan een belangrijk onderdeel uit. Door inventarisatie en analyse is een duidelijk beeld ontstaan van de huidige groenstructuur, ambities en benodigde samenhang tussen woningbouwopgave, parkeeropgave, waterberging en beheer en onderhoud van de verschillende deelgebieden. Dit is vastgelegd en verbeeld in een ruimtelijk raamwerk, dat de basis vormt voor de verdere invulling van de deelgebieden en waarmee bij de uitwerking de groene kwaliteit van Te Werve gewaarborgd wordt. Beoordeling Het Integraal Groen en Stedenbouwkundig Raamwerk Te Werve voorziet op wijkniveau in een integraal ruimtelijk raamwerk. Het ruimtelijk raamwerk voor Te Werve bestaat uit een robuuste ruimtelijke hoofdstructuur. De hoofdstructuur heeft een eigen kwaliteit, los van de concrete invulling van diverse gebieden binnen Te Werve. De kwaliteit zit vooral in de groene opzet. Onderhavige ontwikkeling is van dusdanig kleine schaal dat feitelijk enkel kan worden bijgedragen aan opschaling van deze groene opzet. Het onderhavige 36
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
bestemmingsplan voorziet hierin door ruimte te bieden voor de realisatie van voldoende groen, onder andere tussen beide bouwmassa’s. In vergelijking met de huidige situatie binnen het plangebied groeit hiermee het aandeel aan groen. Voorts geldt dat de parkeercapaciteit binnen het ruimtelijk raamwerk niet verslechtert. Zoals in paragraaf 2.6 gemotiveerd, wordt met onderhavig bestemmingsplan voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Conclusie Onderhavig initiatief is in lijn met het Integraal Groen en Stedenbouwkundig Raamwerk Te Werve.
3.5.6 Groenbeleidsplan 2010-2020 Toetsingskader Rijswijk heeft een groen imago en is een groene woon- en werkstad midden in Haaglanden. Rijswijk is een stad met twee belangrijke parkgebieden: de landgoederenzone in het noorden en de stadsparkzone in het zuiden. Dit zijn gebieden met een eigen groene identiteit die door hun omvang ook belangrijk zijn in de regionale groenstructuur. Door de bebouwde kom van Rijswijk lopen meerdere groene aders die in vorm, omvang en uiterlijk sterk van elkaar verschillen. Deze groene aders verbinden de landgoederenzone en de stadsparkzone met elkaar. Dat groen is in Rijswijk belangrijk, want door groen krijgt de stad een prettig woon- leef en werkgebied en zorgt groen voor een gezond klimaat in de stad. Beoordeling Onderhavig plangebied is gelegen ten zuiden van park ‘Te Werve’, grenzend aan park ‘De Driesprong’. Het plangebied ligt blijkens het Groenbeleidsplan 2010-2020 in de hoofdroute tussen de noordelijke en zuidelijke parkgebieden. Met onderhavig planvoornemen wordt geen wijziging beoogd aan deze hoofdroute.
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
37
Hoofd recreatiestructuur van Rijswijk. Het plangebied is aangeduid met een gele ster en ligt in een hoofdroute tussen de twee belangrijke parkgebieden van Rijswijk. Bron: Groenbeleidsplan 2010-2020 van de gemeente Rijswijk.
Op basis van het Groenbeleidsplan is het plangebied gelegen in ‘Deelgebied G’ (Te Werve west). Voor dit gebied worden een aantal ‘zwakke punten’ genoemd, namelijk: • langs de Sir Winston Churchilllaan zijn de bomenrijen plaatselijk onderbroken; • er is geen optimale doorgaande recreatieve en natuurverbinding via groengebied de Driesprong vanaf de Plaspoelpolder naar de landgoederenzone; • de Generaal Spoorlaan en Sir Winston Churchilllaan vormen een barrière voor onder andere kleine zoogdieren die gebruik maken van de dwarsverbindingen die uitkomen op deze wegen; • de beschikbare open ruimte langs de Burgemeester Elsenlaan is zeer beperkt om een natuurverbinding aan te leggen. Onderhavige ontwikkeling is echter van dusdanig beperkte schaal dat hierbij geen grote bijdrage kan worden geleverd aan de verbetering van de bovengenoemde ‘zwakke punten’. Wel geldt dat de bomenlanen aanwezig in het deelgebied deel uitmakend van de hoofd boomstructuur (langs de Huis te Landelaan, Generaal Spoorlaan, Burgemeester Elsenlaan en Sir Winston Churchilllaan) intact blijven. Ook geldt dat door de beoogde groenzone tussen de gebouwen binnen het plangebied, de ecologische verbinding tussen de Landgoederenzone en de Plaspoelpolder wordt versterkt. Dat is een kwaliteitsimpuls van het openbaar gebied ten opzichte van de bestaande situatie waarin het pand de verbindingszone als het ware blokkeert.
38
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
Ten behoeve van de aanleg van de parkeergarage dienen aan de Karel Doormanlaan een vijftal bomen te worden gekapt. Blijkens het Groenbeleidsplan is het streefbeeld langs deze straat echter dat hier bomen staan van de 1 e grootte (hoger dan 15 meter). Het verdwijnen van deze bomen is aldus niet in lijn met het Groenbeleidsplan. Het aantal te vellen bomen is echter beperkt tot het meest noodzakelijke. Bovendien geldt dat tussen beide bouwmassa’s in ruimte blijft voor de realisatie van nieuwe groenstructuren. Hiermee worden plaatselijke groenstructuren versterkt en wordt het groen binnen het plangebied opgewaardeerd. Conclusie Natuurlijk groen uit het aangrenzende park ‘De Driesprong’ wordt doorgetrokken naar onderhavig plangebied waarbij het groen nadrukkelijk wordt verweven met de twee wooncomplexen. Hierdoor wordt bijgedragen aan een groen Rijswijk.
3.5.7 Welstandsnota 2015 Toetsingskader De Woningwet schrijft voor dat een gemeente die haar aanvragen om een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk toetst aan ‘redelijke eisen van welstand’ een welstandsnota moet vaststellen met daarin de criteria, waaraan omgevingsvergunningsplichtige bouwplannen moeten voldoen. Conform de wettelijke verplichting (Woningwet) heeft de gemeente Rijswijk de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie in de bouwverordening opgenomen. In deze welstandsnota zijn op zo concreet en objectief mogelijke wijze welstandscriteria met betrekking tot het bouwen vastgelegd. De voorgenomen bouwplannen moeten voldoen aan de uitgangspunten van de welstandsnota. Uitgangspunt voor de algemene welstandscriteria is de aanname dat de kwaliteit van een gebouw is gerelateerd aan de volgende criteria: A. Stedenbouwkundige samenhang; B. Evenwichtig gevelbeeld; C. Passende detaillering, materiaal- en kleurgebruik. Beoordeling Voor onderhavig bestemmingsplan geldt dat wordt voorzien in de realisatie van twee wooncomplexen voor in totaal 64 gestapelde woningen. De maximale bouwhoogte bedraagt 21 meter. Zoals besproken in paragraaf 3.3.2 betreft dit een gebiedseigen ontwikkeling in een omgeving waar reeds sprake is van diverse hoogbouw. Derhalve is het planvoornemen passend in de directe omgeving.
Door ruimte te laten voor groenstructuren wordt de kwaliteit van het openbaar gebied gerespecteerd. Het onderhavig plan betreft echter de facto een bestemmingsplan. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor ‘bouwen’ zal het bouwplan worden getoetst aan de overige eisen van welstand. Van belang daarbij is dat voor onderhavig bouwplan een beeldkwaliteitplan wordt opgesteld. Het beeldkwaliteitplan geeft inzicht in de gewenste identiteit van het woongebied en de vertaling ervan in de uitstraling van de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Voor de welstandscommissie vormt het beeldkwaliteitplan een toetsingskader, als onderdeel van het welstandsbeleid.
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
39
Conclusie Het bouwplan zal worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand. Hiervoor wordt een beeldkwaliteitplan opgesteld.
3.5.8 Beeldkwaliteitsplan Te Werve Toetsingskader Voor de wijk Te Werve is een beeldkwaliteitplan opgesteld. Dit betreft het ‘Beeldkwaliteitsplan Te Werve’ uit 2014. Het Beeldkwaliteitsplan biedt op drie niveaus handvaten voor de gewenste beeldkwaliteit. Ten eerste op niveau van de verkaveling van woonvelden. Ten tweede op het niveau van het openbaar gebied en de overgang openbaar-privé. Ten derde op niveau van de bebouwing. Beoordeling en conclusie Het ‘Beeldkwaliteitsplan Te Werve’ schetst de gewenste beeldkwaliteit voor de gehele wijk Te Werve. Voor onderhavig bouwplan is een gespecificeerd beeldkwaliteitplan opgesteld, benoemd in paragraaf 2.5.
3.5.9 Nota Parkeernormen Gemeente Rijswijk 2011 Toetsingskader Op 8 februari 2011 heeft de gemeenteraad de gemeentelijke Nota Parkeernormen vastgesteld. De nota is opgesteld om in de toekomst voldoende parkeergelegenheid te kunnen houden en duidelijkheid te krijgen over de implementatie van de parkeernormen. De nota is het toetsingskader voor de komende jaren. Het parkeerbeleid is tevens vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeernormering Rijswijk’ (vastgesteld op 12 juni 2018). Door herziening van de bijlagen bij de nota kan de komende jaren flexibel worden ingespeeld op bijvoorbeeld maatschappelijke trends of een gewijzigde beleidsvisie. Momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe versie van de Nota Parkeernormen op basis van voortschrijdende inzichten. Het gebruik van parkeernormen heeft tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen (of bij uitbreidingen) voor te schrijven, dat de plaatsen voorzien in de vooraf in te schatten parkeervraag. Daarmee moet worden voorkomen dat door aanleg van te weinig parkeerplaatsen een tekort en daarmee parkeeroverlast ontstaat. Tevens voorkomen de normen dat te veel parkeerplaatsen worden aangelegd, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid nadelig wordt beïnvloed.
Beoordeling en conclusie Aan de parkeernormen wordt actief getoetst bij (nieuwe) ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen vereist is, zoals nieuwbouwprojecten, uitbreidingen van bestaande bebouwing en functiewijzigingen waarvoor tevens een vergunning is vereist. In paragraaf 2.6.1 is nader ingegaan op de invulling van de parkeernorm.
40
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
4
PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN
4.1
Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: ▪ luchtkwaliteit; ▪ akoestiek; ▪ bodem; ▪ externe veiligheid; ▪ bedrijven en milieuzonering; ▪ waterhuishouding; ▪ ecologie; ▪ cultuurhistorie; ▪ archeologie; ▪ kabels en leidingen; ▪ milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2
Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3.
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
41
Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.
In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de bouw van 64 gestapelde woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit.
Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Tot slot blijkt uit hoofdstuk 2 dat het aantal verkeersbewegingen ten aanzien van het onderhavige planvoornemen slechts beperkt toeneemt. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. 42
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.3
Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
43
Beoordeling Onderhavig plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de Sir Winston Churchilllaan, de Treubstraat en de Diephorstlaan. Dit betreffen binnenstedelijke wegen met een snelheidsregime van 50 k/m per uur. Door Wematech akoestisch onderzoek in het kader van wegverkeerslawaai uitgevoerd. Rapportage van het onderzoek is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Treubstraat en de Diephorstlaan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Het aanvragen van hogere grenswaarden voor deze wegen is niet noodzakelijk. Als gevolg van de Sir Winston Churchilllaan wordt ter plaatse van de nieuwe appartementen ten hoogste 55 dB berekend. Om te bezien of voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, is gekeken of mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen. Het treffen van mitigerende maatregelen in de vorm van bronmaatregelen is niet als reële maatregel te stellen vanwege de hoge kosten. Afscherming van het bouwplan middels geluidsschermen, het verplaatsen van de appartementen en het verlagen van de maximum snelheid is vanuit financieel oogpunt, stedenbouwkundig oogpunt dan wel verkeerskundig oogpunt eveneens niet als reële maatregel te stellen.
Derhalve dienen door de gemeente Rijswijk hogere grenswaarden aangevraagd te worden voor de geveldelen van de nieuwe appartementen waar de geluidbelasting meer dan 48 dB bedraagt als gevolg van de Sir Winston Churchilllaan. De gemeente Rijswijk beschikt nog niet over een vastgesteld hogere waardenbeleid. Wel is reeds een conceptversie beschikbaar van het hogere waardenbeleid. Getoetst is of aan dit beleid kan worden voldaan. Om aan het hogere waardenbeleid (concept) van de gemeente Rijswijk te kunnen voldoen dient iedere woning een geluidluwe zijde te hebben. Hieronder wordt verstaan een gevel waarop de cumulatieve geluidbelasting niet meer bedraagt van 58 dB voor wegverkeerslawaai. Omdat enkel aan de zuidoostzijde van de bebouwing sprake is van een belasting hoger dan 58 dB, zal derhalve voor elke woning, ongeacht de indeling, altijd sprake zijn van minimaal één geluidluwe zijde. Op dit punt kan dus worden voldaan aan het hogere waardenbeleid. Tevens dient bij de indeling van de woning voldaan te worden aan de navolgende eisen: • Elke woning bevat minimaal één slaapkamer die aan de geluidluwe zijde is gelegen. • Een buitenruimte bevindt zich aan de geluidluwe zijde of is voldoende afgeschermd dat er sprake is van een geluidluwe buitenruimte.
Het onderhavige bestemmingsplan biedt voldoende flexibiliteit om er voor zorg te dragen dat ook aan bovengenoemde punten kan worden voldaan. Voor het onderhavige initiatief kunnen derhalve hogere waarden worden verleend. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is inzicht verkregen in de cumulatieve geluidbelasting. Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de nieuwe appartementen sprake is van een geluidbelasting van 40 - 55 dB. Een dergelijke belasting is te kwalificeren als een redelijk tot zeer goed woon- en leefklimaat. Bovendien geldt dat op basis van het Bouwbesluit een binnenwaarde van ten hoogste 33 dB is gegarandeerd. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.
44
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Treubstraat en de Diephorstlaan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Als gevolg van de Sir Winston Churchilllaan wordt ter plaatse van de nieuwe appartementen ten hoogste 55 dB berekend. Omdat voldaan kan worden aan het (concept) hogere waardenbeleid van de gemeente Rijswijk, zijn hogere waarden verleend. Het besluit hogere waarden is tegelijkertijd met het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Gelet op de cumulatieve geluidbelasting en de vereisten uit het Bouwbesluit, is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd.
4.4
Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering.
Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven met eventuele bodembedreigende activiteiten aanwezig (geweest). Wel zijn bij enkele gebouwen (ondergrondse) huisbrandolietanks aanwezig (geweest). Het is niet bekend of deze tanks inmiddels verwijderd en/of gesaneerd zijn. Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
45
De indicatieve kwaliteit van de bovengrond (0-0,5 m-maaiveld) is “wonen” en die van de ondergrond (0,5-2,0 m-maaiveld.) is “AW2000” op basis van de vigerende Nota bodembeheer van de gemeente Rijswijk. Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Op en in de directe omgeving van het plangebied zijn in het verleden bodemonderzoeken uitgevoerd in verband met aangetroffen verontreinigingen, herinrichting en/of bouwplannen. De hierbij aangetroffen verontreinigingen zijn inmiddels gesaneerd. Verder is in de nabijheid van de locatie geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hiervan is sprake bij een gemiddelde overschrijding van de interventiewaarde in meer dan 25 m 3 vaste bodem en/of 100 m3 grondwater (bodemvolume), of bij de overschrijding van de norm voor asbest van 100 mg/kg.ds. In het kader van het onderhavige bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy. De rapportage daarvan is als bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek komt naar voren dat de bovengrond licht verontreinigd is met kwik, zink en/of PAK. Deze gehaltes bevinden zich onder de achtergrondwaarden voor de bodemgebruiksvorm “woon midden”, die door de gemeente Rijswijk wordt gehanteerd. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd.
De onderzoeksresultaten komen overeen met de resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten, waardoor Econsultancy adviseert geen onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 uit te voeren. Wel is er tijdens de terreininspectie een kelder aangetroffen onder de bebouwing. Het uitgevoerde bodemonderzoek maakt de bodemkwaliteit onder deze kelder niet inzichtelijk. Uit omliggende boorpunten blijkt echter niet van een verontreiniging. Mocht de bodem onder de kelder zijn verontreinigd, dan geldt dat deze verontreiniging op dusdanige diepte is gesitueerd dat deze redelijkerwijs niet van invloed is op de beoogde woonfunctie binnen het plangebied. Bovendien zal onder de beoogde appartementen een parkeergarage worden gerealiseerd. Gelet hierop zal de beoogde woonfunctie niet in contact komen met mogelijk verontreinigde grond. Gelet hierop kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt is voor de beoogde functie ‘wonen’. Conclusie Geconcludeerd wordt dat op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen c.q.
beperkingen zijn voor de geplande nieuwbouw binnen het plangebied.
46
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
4.5
Externe veiligheid
4.5.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met een LPG-installatie aan de Burgemeester Elsenlaan 156 te Rijswijk. De grens van de inrichting ligt op een afstand van circa 468 meter tot het plangebied.
Er is sprake van een PR 10-6 risicocontour waar het onderhavige plangebied niet binnen in gelegen is. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bovendien zal deze LPGinstallatie worden ontmanteld ten gevolge van een te realiseren sporthal aan de Burgemeester Elsenlaan. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied.
Uitsnede risicokaart met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster. Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
47
Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.5.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd.
Het plangebied ligt op 860 meter ten zuidoosten van de Rijksweg A4, op 1.200 meter ten oosten van het knooppunt Ypenburg en op 1.750 meter ten zuidoosten van de Rijksweg A13. In geval van een calamiteit kan zich een incident voordoen op een van bovenstaande wegen waarbij giftige stoffen vrijkomen. Gezien de afstand van het plangebied tot aan bovenstaande transportroutes met gevaarlijke stoffen zal het groepsrisico als gevolg van de (eventuele) ontwikkelingen niet significant toe- of afnemen. De Veiligheidsregio adviseert wel enkele maatregelen om incidenten te verkleinen, de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren. Gezien de afstand van de risicobronnen tot aan het plangebied worden de volgende maatregelen geadviseerd: • Afschakelbare ventilatie; • Voorbereiding interne organisatie; • Risicocommunicatie. Waar mogelijk wordt hieraan gevolg gegeven. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.5.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen 48
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
(Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen waarop de circulaire van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk buisleiding is gelegen op een afstand van circa 1,1 kilometer tot het plangebied. Gelet op deze ruime afstand vormt de ligging van deze buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.6
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als rustige woonwijk. Richtafstanden uit de VNG-brochure gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van 64 woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid.
Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De woningen binnen het plangebied bevinden zich binnen of nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. In onderstaande tabel is hier een overzicht van gegeven:
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
49
Plangebied Karel Doormanlaan 155-157 te Rijswijk Inrichting
Locatie
Milieucategorie
Kiwa Nederland
Sir Winston Churchilllaan Bedrijventerrein Plaspoelpolder Treubstraat 4c Dr. H. Colijnlaan 3
Diverse inrichtingen Godfried Bomansschool SSBO Rehobothschool
1
Richtwaarde VNG 10 meter
Afstand tot plangebied circa 48 meter
3.2
100 meter
circa 130 meter
2
30 meter
circa 110 meter
2
30 meter
circa 155 meter
Zoals blijkt uit de tabel kan ten aanzien van de beoogde woningen binnen het plangebied aan alle richtafstanden uit de VNG-brochure worden voldaan. Derhalve kan worden gesteld dat omliggende hindergevende bedrijven niet van invloed zijn op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Omgekeerd hindert het planvoornemen bedrijven niet in hun bedrijfsvoering. Immers liggen andere woningen in alle windrichtingen op kortere afstand tot eventuele relevante bedrijvigheid. Uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven worden derhalve niet belemmerd door het onderhavige initiatief. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Voorts belemmert onderhavig initiatief omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.
4.7
Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid Hoogheemraadschap van Delfland In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie.
Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar
50
Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021
zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Standstill-beginsel (thema voorkomen wateroverlast) Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijke plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthoudenbergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater) riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Wanneer bij sloop en nieuwbouw het verhard oppervlak afneemt, hoeft geen extra waterberging te worden gerealiseerd.
Beoordeling Door Econsultancy is in juni 2018 een watertoets uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van ± 1.820 m 2 (met inbegrip van bijgebouwen, erfverharding en/of bestrating). In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.
Huidig en toekomstig verhard oppervlak binnen het plangebied.
Ten opzichte van de voormalige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak afnemen met circa 250 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 3.000 m2. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren, is de Watersleutel van hoogheemraadschap Delfland ingevuld. Conform het beleid van hoogheemraadschap van Delfland en de watersleutel is ten aanzien van de ontwikkeling geen compenserende berging nodig. Daar de planlocatie wordt begrensd door enkele watergangen wordt, mede ook vanuit de gemeente Rijswijk, verwacht dat het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) in de voormalige situatie niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; Bestemmingsplan “Karel Doormanlaan 155-157” Toelichting Vastgesteld d.d. oktober 2021