Was-wordt-lijst Verordening MO gemeente RK 2022.pdf
Tekst van het document
Was-wordt-lijst bij voorstel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2022 Inleiding Deze bijlage geeft een overzicht van de wijzigingen in de verordening 2022 ten opzichte van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2019.
Nr. 1
Verordening 2019
Verordening 2022
HOOFDSTUK 1.
HOOFDSTUK 1.
Begripsbepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken; b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; d. ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Ridderkerk; e. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel zal staan ingeschreven; dan wel het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. f. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; g. gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; h. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015; i. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; j.
persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; k. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet.
Toelichting
Begripsbepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: o niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; o daadwerkelijk beschikbaar is; o een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en; o financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke gemeente Ridderkerk 2022; d. besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2022; e. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; f. gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; g. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en o in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel o zal staan ingeschreven; dan wel o het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. h. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; i.
ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Ridderkerk; j. leefeenheid: een groep van personen die tezamen een huishouden vormen; k. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015; l. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; m. participatie: het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet. n. persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; o. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. p. zelfredzaamheid: het in staatzijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;
In het nieuwe artikel zijn de begrippen beleidsregels, besluit, leefeenheid, participatie en zelfredzaamheid toegevoegd.
2.
2
HOOFDSTUK 2.
Melding, onderzoek en aanvraag
Artikel 2. Melding hulpvraag 1. 2. 3.
3
Een hulpvraag kan schriftelijk door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Artikel 3. Cliëntondersteuning 1. 2.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2,eerste lid, van de Wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.
Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet. HOOFDSTUK 2. Melding, onderzoek en aanvraag
Gelijk gebleven
Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan schriftelijk door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld bij artikel 6. Artikel 3. Cliëntondersteuning 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van gratis cliëntondersteuning. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaand aan het onderzoek als bedoeld bij artikel 6 van deze verordening op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
Verwijzing in het tweede lid naar eigen verordening i.p.v. de wet. In het nieuwe tweede lid is het woord gratis gekozen i.p.v. kosteloos. De frase “waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is” is weggelaten. De toevoeging is overbodig en in verband met de leesbaarheid weggelaten. Het is evident dat het belang van de cliënt centraal staat, het woord “cliëntondersteuning” maakt dat ook al duidelijk. In het nieuwe tweede lid is “voor het onderzoek” vervangen door “voorafgaand aan het onderzoek”.
4
Artikel 4. Persoonlijk plan 1. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de Wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in lid 1 aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.
Artikel 4. Persoonlijk plan 1. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de Wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in lid 1 aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.
Gelijk gebleven
5
Artikel 5. Informatie en identificatie
Artikel 5. Informatie en identificatie
In het nieuwe lid 2 is gekozen voor het woord: ‘geldig’ i.p.v. verwijzing
1.
6
Voor het gesprek of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, is vaststelling van de identiteit aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voldoende. Artikel 6. Onderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie. 2. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie. 3. De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in lid 2: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; d.
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wet verschuldigd zal zijn, en
1.
2.
Voor het gesprek of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, is vaststelling van de identiteit aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.
Artikel 6. Onderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie. 2. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie. 3. De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in lid 2: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f.
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wet verschuldigd zal zijn, en
naar de wet.
j.
7
8
9
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 4. Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan in samenspraak met de cliënt worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in lid 3 van dit artikel. 5. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. 6. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in lid 2. Artikel 7. Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q.
met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd. b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. 3. Of in een andere situatie waarin het college dat wenselijk vindt. Artikel 8. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. 2. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 3. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier. 4. Een ondertekend verslag van het gesprek kan, indien de cliënt dit wenst, worden beschouwd als aanvraagformulier. 5. Het college neemt het verslag mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. HOOFDSTUK 3. Maatwerkvoorziening Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot
j. 4. 5.
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan in samenspraak met de cliënt worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in lid 3 van dit artikel. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een weergave van het gesprek als bedoeld in lid 2 Artikel 7. Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd. b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. 3. Of in een andere situatie waarin het college dat wenselijk vindt. Artikel 8. Aanvraag 1.
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. 2. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 3. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier. 4. Het college neemt het onderzoeksrapport mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.
In het nieuwe lid 5 is het algemene verzoek om toestemming voor het delen van persoonsgegevens verwijderd, dit in lijn de AVG waarin is vastgelegd dat een algemeen verzoek om gegevensdeling niet voldoende is.
6.
HOOFDSTUK 3.
Maatwerkvoorziening
Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot
Gelijk gebleven
Een aanvraag kan enkel middels een aanvraagformulier worden ingediend, derhalve is het oude lid 4 verwijderd. Het gespreksverslag is opgenomen als onderdeel van het onderzoeksrapport. Het nieuwe lid 4 is hier op aangepast. Het oude lid 2 is herschreven als het nieuwe lid 2 en het nieuwe artikel 17 lid 1 sub d;
zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of b. gebruikelijke hulp en/of c. mantelzorg en/of d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of f. algemene voorzieningen en/of g. andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw. 2. Het college kent slechts: a. een maatwerkvoorziening toe voor zover deze overwegend op het individu is gericht, met uitzondering van respijtzorg; b. de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening toe.
10
Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf 1. Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo moet naast de algemene voorwaarden genoemd in artikel 9, nog worden voldaan aan de hieronder genoemde voorwaarden: a. de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; b. ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk.
11
Artikel 11. Aanvullende criteria beschermd wonen Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente.
zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of b. gebruikelijke hulp en/of c. mantelzorg en/of d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of f. algemene voorzieningen en/of g. andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw. 2. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening. 3. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 4. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als en voor zover de cliënt in staat is om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden. Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf 1. Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo moet naast de algemene voorwaarden genoemd in artikel 9, nog worden voldaan aan de hieronder genoemde voorwaarden: a. de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap, én; b. de ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert noodzakelijk is. Artikel 11.
Aanvullende criteria beschermd wonen Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente. Op beschermd wonen en opvang in de zin van artikel 1.1.1, lid 1 van de wet zijn de artikelen 1.2 lid 3, 2.3 lid 2, 3.2.1 lid 1 onder f, 3.2.10, 3.4.1. lid 6 onder e, 3.4.4 lid 1 onder a, 3.4.4 lid 2 onder a en 4.1.5. van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 van toepassing zoals die op 1 januari 2018 luiden.
12
Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden
Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden
Doel binnen IBSD is zo lang mogelijk veilig thuis wonen. Op basis hiervan is het nieuwe lid 3 en 4 toegevoegd.
Gelijk gebleven
Aan artikel 11 is een passage toegevoegd waarin is verduidelijkt welke artikels uit de Verordening Wmo en Jeugdhulp Rotterdam van toepassing zijn. Aan de verordening is een bijlage toegevoegd met de genoemde artikels uit de Verordening van de centrumgemeente.
1.
13
De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden heeft als beoogde resultaten: a. een schoon en leefbaar huis b. beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften c. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding d. thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.
Artikel 13. Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare beperkingen vanwege een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen. 2.
Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een maatwerkvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken van die woning.
3.
Het college verleent slechts een woningaanpassing van een woonwagen of woonschip als: a.
de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minstens 5 jaar is;
b.
de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt;
c.
het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen.
d.
de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond;
1.
De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden heeft als basis doelstelling het realiseren van een schoon en leefbaar huis: a. Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen; b. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen; c. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. 2. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen aantoonbaar onvoldoende ondersteund worden met de inzet op de basis doelstelling schoon en leefbaar huis, kunnen aanvullende doelstellingen gesteld worden. Dit betreft de volgende doelstellingen: a. Wasverzorging: het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding; b. Boodschappen- en/of maaltijdenverzorging: beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften; c. Kindzorg: thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; d. Advies, instructie en voorlichting. 3. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. 4. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van hulp bij het huishouden. Artikel 13. Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1.
Een cliënt komt in aanmerking voor een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare ernstige beperkingen in het gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij is aangetoond dat enkel het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen. 2. 3.
Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een maatwerkvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken van die woning. Het college verleent slechts een woningaanpassing van een woonwagen of woonschip als: a. de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minstens 5 jaar is; b. de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt; c. het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen. d. de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; e. de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.
Per 1 januari 2022 indiceren we Hulp bij het Huishouden inspanningsgericht i.p.v. resultaat gericht zoals voorheen. Met dat doel is het nieuwe artikel opnieuw geformuleerd en de oude lid 1 verwijderd.
Lid 1 is geherformuleerd
e.
14
de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.
Artikel 14. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen 1. Vervoersvoorzieningen kunnen als verstrekking worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken: a. Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel. b. Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale relaties. 2. Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Op het collectief vervoer zijn de volgende criteria van toepassing: a. De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas. Een pgb is hiervoor niet mogelijk. b. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer. c. Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook vanuit de Wmo een maatwerkvoorziening in natura of pgb is verstrekt, ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, wordt cliënt in staat gesteld om maximaal 1000 km te reizen met de taxipas. d. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder a en b van dit artikellid, niet volstaat dan kan cliënt in staat worden gesteld om meer kilometers met de taxipas te reizen. e.
De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is. Uitgangspunt is dat 5 openbaar vervoer zones voldoende zijn f. voor lokale verplaatsingen. De 5 zones worden vanaf de instapzone berekend. 3.
4.
Begeleiding bij een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als cliënt: a. agressief gedrag vertoont; b. dwaalgedrag vertoont; c. afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit. Voor vertrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat cliënt zijn bestemmingsdoel niet kan bereiken met een taxi of autorit. b. De cliënt moet in staat zijn zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen; c. De cliënt heeft een substantiële vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern; d. De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks; e. Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van
Artikel 14. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen 1. Vervoersvoorzieningen kunnen als verstrekking worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken: a. Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel. b. Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale relaties. 2. Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Op het collectief vervoer zijn de volgende criteria van toepassing: a. De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas, een pgb is hiervoor niet mogelijk. b. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer. c. Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook gebruik kan maken van een hulpmiddel om korte tot middellange afstanden te overbruggen ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woonen leefomgeving, wordt cliënt in staat gesteld om maximaal 1000 km te reizen met de taxipas. d. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder a en b van dit artikellid, niet volstaat dan kan cliënt in staat worden gesteld om meer kilometers met de taxipas te reizen. e.
De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is. f. Uitgangspunt is dat 5 openbaar vervoer zones voldoende zijn voor lokale verplaatsingen. De 5 zones worden vanaf de instapzone berekend. g. Een cliënt maakt tenminste 1 maal in een aaneengesloten periode van 6 maanden gebruik van het collectief vervoer. 3. Begeleiding bij een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als cliënt: a. agressief gedrag vertoont; b. dwaalgedrag vertoont; c. afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit. 4. Voor verstrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat cliënt zijn bestemmingsdoel niet kan bereiken met een taxi of autorit. b. De cliënt moet in staat zijn zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen; c. De cliënt heeft een substantiële vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern; d. De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks; e. Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van
In het nieuwe artikel in aanvulling op het bestaande beleid is aan lid 2 sub g. toegevoegd, dit in lijn met Artikel 2.3.10 1e lid sub b en d van de Wmo 2015.
f. 5.
220 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden. Cliënt is in staat om –na instructie- op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel.
Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. b. c. d.
cliënt is aangewezen op een rolstoel; cliënt is in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (1,5 km) binnen redelijke tijd te verplaatsen; cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost; er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt.
15
Artikel 15. Aanvullende criteria rolstoelen 1. Cliënten komen in aanmerking voor een rolstoel als zij langdurig zijn aangewezen op zittend verplaatsen. Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel gelden de volgende criteria: a. cliënt heeft medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan; b. cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen; c. cliënt kan veilig deelnemen aan het verkeer; d. de woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast.
16
Artikel 16. Aanvullende criteria sportvoorzieningen 1. Cliënt komt in aanmerking voor een sportvoorziening als is voldaan aan de volgende criteria. a. cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; b. cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening; c. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk; d. cliënt is lid van een sportvereniging. Artikel 17. Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond
17
f. 5.
220 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden. Cliënt is in staat om –na instructie- op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel.
Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. b. c. d.
cliënt is aangewezen op een rolstoel; cliënt is in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (1,5 km) binnen redelijke tijd te verplaatsen; cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost; er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt.
Artikel 15. Aanvullende criteria rolstoelen 1. Cliënten komen in aanmerking voor een rolstoel als zij langdurig zijn aangewezen op zittend verplaatsen. 2. Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel moet cliënt voldoen aan alle volgende criteria: a. cliënt heeft medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan; b. cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen; c. cliënt kan veilig deelnemen aan het verkeer; d. de woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan door middel van (voorliggende) (woon)voorzieningen geschikt gemaakt worden. Artikel 16. Aanvullende criteria sportvoorzieningen 1. Cliënt komt in aanmerking voor een sportvoorziening als is voldaan aan de volgende criteria. a. cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; b. cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening; c. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk; d. cliënt is lid van een sportvereniging. Artikel 17. Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a.
wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond
Het tweede lid is ook als zodanig genummerd en herschreven.
Gelijk gebleven
In aanvulling op het oude lid 1 sub b is het nieuwe sub b toegevoegd en het oude sub b hernoemd naar sub c. Hiermee onderscheid makend
b.
c.
voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;
d.
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt na afloop van de duur waarvoor de voorziening is verstrekt; tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase.
e.
2.
3.
van een andere wettelijke bepaling bestaat; indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wet en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;
Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: a. als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden en een vervoerspas. Een uitzondering hierop is verder de kortdurende hulp aan de cliënt die leerbaar is. De voorziening is dan gericht op vermindering van de ondersteuningsbehoefte. b. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b.
c.
ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen
van een andere wettelijke bepaling bestaat; als de cliënt de gevraagde voorziening vóór de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; c. als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; d. voor zover deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht, met uitzondering van respijtzorg; e. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt na afloop van de duur waarvoor de voorziening is verstrekt; tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of; als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. f.
Als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase. g. als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is; Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: a. als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden en een vervoerspas. Een uitzondering hierop is verder de kortdurende hulp aan de cliënt die leerbaar is. De voorziening is dan gericht op vermindering van de ondersteuningsbehoefte. b. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c.
indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen b.
2.
3.
tussen de periode vóór melding en periode tussen melding en besluit. Het nieuwe lid 1 sub d is uitgebreid. Zie ook toelichting artikel 9. In lijn de het IBSD is het nieuwe lid 1 sub g toegevoegd.
In lijn met jurisprudentie is het nieuwe lid 3 sub a nader gespecificeerd.
d. e. f. g. h.
4.
18
aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien cliënt verhuisd is naar een woning waarvan op grond van de aanwezige beperkingen voorzienbaar was dat cliënt hierin beperkingen zou ondervinden; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. de cliënt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van coouderschap; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting.
Geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt verstrekt indien: a. een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. een persoon met beperking verhuist naar een Wlz-instelling. 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving Artikel 18. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb,
aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; d. indien cliënt verhuisd is naar een woning waarvan op grond van de aanwezige beperkingen voorzienbaar was dat cliënt hierin beperkingen zou ondervinden; e. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. f. de cliënt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; g. indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van coouderschap; h. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting. i. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; 4. Geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt verstrekt indien: a.
een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. een persoon met beperking verhuist naar een Wlz-instelling. 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel 18. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de beoogde doelstelling daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk doel het pgb moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb,
In lijn de het IBSD is het nieuwe lid 3 sub i toegevoegd.
Gelijk gebleven
c. d.
waaronder de verplichting dat de zorgverlener een voor de verleende ondersteuning relevante Verklaring omtrent het gedrag (Vog) aanvraagt en desgevraagd kan tonen, die niet ouder is dan drie maanden; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;
e. f.
19
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Artikel 19. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wet. 2. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger een ondersteuningsplan overleggen waaruit minimaal het volgende blijkt: inzicht in de problematiek van de ondersteuningsvrager; de duur en wijze van de ondersteuning; het resultaat van het te behalen doel van de ondersteuning; welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de ondersteuning.
3.
4.
5.
6.
Cliënt is verplicht, als de ondersteuning wordt geboden door een niet professioneel persoon uit de sociale omgeving, bij het ondersteuningsplan een Verklaring omtrent gedrag (Vog) te voegen van deze persoon, die niet ouder is dan drie maanden. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft het vervoer is gebaseerd op het collectief vervoer in natura, waarbij het uitgangspunt geldt dat maximaal 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Als aan de cliënt ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woonen leefomgeving een vervoersvoorziening is verstrekt, wordt een maximum van 1000 km als uitgangspunt gehanteerd. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor overige zaken wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura of de door het college geaccepteerde offerte en is toereikend voor de aanschaf en het onderhoud daarvan. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt
waaronder de verplichting dat de zorgverlener een voor de verleende ondersteuning relevante Verklaring omtrent het gedrag (Vog) aanvraagt en desgevraagd kan tonen, die niet ouder is dan drie maanden; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is bepaald; d. wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; f. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Artikel 19. Regels voor pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. 2. De cliënt dient om in aanmerking te komen voor een PGB een budgetplan in.
In het budgetplan is in elk geval opgenomen: a) hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; b) wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; c) welke maatwerkvoorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; d) de kosten van de maatwerkvoorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; e) hoe cliënt de voorziening volgens een puntsgewijze begroting dan wel een gespecificeerde offerte wenst te financieren; f) inzicht in de problematiek van de cliënt; g) de duur en wijze waarop de maatwerkvoorziening wordt ingezet; h) het resultaat van het te behalen doel van de inzet van de maatwerkvoorziening; i) welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de inzet van de maatwerkvoorziening plaatvinden; j) op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. 3.
Het pgb mag niet worden besteed aan: a) kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b) kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c) kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d) kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; e) Kosten voor bijkomende zorg, waaronder cursuskosten en entreegelden van de zorgverlener; f) Kosten voor overlijdensuitkering; g) Kosten voor reisen.
Het oude artikel 19 is onderverdeeld in het nieuwe artikel 19, 20 en 21. Het oude lid 6 sub a is opgenomen in het nieuwe artikel 20 en het oude lid 4, 5, 6, 7 en 8 zijn in het nieuwe artikel 21 opgenomen. Aan het nieuwe lid 2 zijn vereisen aan een budgetplan toegevoegd ter ondersteuning van een doelmatige inzet- en rechtmatige besteding van een PGB.
Het nieuwe lid 3,4,5 is toegevoegd ter ondersteuning van een doelmatige inzet- en rechtmatige besteding van een PGB. Het oude lid 3 is hernoemd naar het nieuwe lid 6. Het oude lid 11 is hernoemd naar nieuwe lid 7, tevens is de formulering aangescherpt ter ondersteuning van een doelmatige inzet- en rechtmatige besteding van een PGB. Door te vragen specifieker op te schrijven waarvoor een PBG wordt ingezet willen we
bepaald op basis van het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen: a. Het tarief voor professionals. Tot deze groep behoren personen die: i. (bijvoorbeeld) werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. ii. aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. Zulks met uitsluiting van bloedverwanten in de eerste en tweede graad. b. Informeel netwerk: hulp die geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van cliënt en die niet voldoet aan de onder a genoemde punten. 7.
De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft begeleiding wordt voor professionals per uur bepaald op basis van 90% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling. 8. Het persoonsgebonden budget voor personen van het informeel netwerk wordt voor begeleiding per uur bepaald op basis van 70% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling, maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. 9. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke hulp bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Voor de huishoudelijke hulp betreft dit de maatwerkvoorziening Schoonmaak en Persoonlijke Dienstverlening. a.Een pgb voor huishoudelijke hulp Schoonmaak en Persoonlijke Dienstverlening wordt vastgesteld in uren en minuten. De hoogte van het pgb uur- tarief dat wordt gebruikt om de hoogte van de pgb te bepalen bedraagt maximaal 85% van het Zorg in natura (ZIN)tarief. 10.
Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 11. De kwaliteit van de dienstverlening die ingezet wordt door een pgb moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als de dienstverlening in zorg in natura. In het gemotiveerd plan dient aangetoond te worden op welke wijze deze
4. 5.
Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. 6. Cliënt is verplicht, als de ondersteuning wordt geboden door een niet professioneel persoon uit de sociale omgeving, niet zijnde de directe leefeenheid, bij het ondersteuningsplan een Verklaring omtrent gedrag (Vog) te voegen van deze persoon, die niet ouder is dan drie maanden. 7. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte maatwerkvoorziening, met uitzondering van informele hulp, voldoet minimaal aan de eisen die zijn gesteld aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare voorzieningen leveren in zorg in natura; 8. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 9. Een pgb voor gebruik van eigen auto, van een taxi of het gebruik van een rolstoeltaxi is slechts mogelijk indien de cliënt medisch en/ of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer met de regiotaxi. 10. Een pgb is niet mogelijk als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet. 11.
Een pgb is niet mogelijk voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college, op basis van nader door het college te stellen regels. 12. Een pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld in uren en minuten. 13. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder een pgb wordt verstrekt.
misverstanden voorkomen. Het oude lid 10 is hernoemd naar het nieuwe lid 8. Het oude lid 12 is hernoemd naar het nieuwe lid 9. Toegevoegd is lid 13 om mogelijk te maken dat het college nog nadere regels stelt.
kwaliteit geborgd is. 12. Een pgb voor gebruik van eigen auto, van een taxi of het gebruik van een rolstoeltaxi is slechts mogelijk indien de cliënt medisch en/ of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer met de regiotaxi. 13. Voor regulier taxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die algemeen maatschappelijk wordt toegepast door de belastingdienst. 14. Voor rolstoeltaxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die wordt toegepast door de zorgverzekeraars voor medische ritten. 15. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb. Artikel 20. Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel.
Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3. Informele hulp is: a. Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. 4. Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd ten gunste van de cliënt afwijken van de onder lid 2 en 3 gestelde eisen. Artikel 21. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op: a. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; b. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten. 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget vervoer is gebaseerd op de voorziening collectief vervoer in natura, waarbij het uitgangspunt geldt dat maximaal 2000 kilometer op jaarbasis binnen