CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Ridderkerk 2021 wijzigingen bijgehouden.pdf

Gemeenteraad RK 3 juni 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 13: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs32.172 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

€ 379.727,05 € 323.906,48

Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:

Paallengte 1<15m

112-120 m²

121-150 m²

€ 12.107,18 € 10.327,40

€ 15.136,35 € 12.911,29

Pagina 69 van 81

Paallengte 15<20m

€ 20.968,37 € 17.885,98

€ 26.205,67 € 22.353,39

Paallengte >=20m

€ 34.282,23 € 29.242,68

€ 42.853,75 € 36.554,17

OLP/meubilair De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs € 54.652,25.€ 53.807,47

2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs Er zijn geen scholen voor speciaal onderwijs in Ridderkerk. Gelet hierop is dit hoofdstuk niet uitgewerkt.

3

School voor voortgezet onderwijs

De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: - nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1); - tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2); - eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3); en - gymnastiek (paragraaf 3.4). De in dit deel opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de vergoedingen voor 2019. 3.1 Nieuwbouw en uitbreiding Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B). De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal kostencomponenten: - kosten van terreinen; - bouwkosten. Kosten van terreinen Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken.

Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bouwkosten Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen per m² bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een schoolgebouw. De indeling van

Pagina 70 van 81

deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in Bijlage III, deel B. De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m² bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m² bruto-vloeroppervlakte. De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde met vaste bedragen per m² brutovloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m² per type ruimte van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat.

De vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten. Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m² <460 m²

460<2500 m²

>=2500 m²

Algemene en specifieke ruimte

€ 3.790,12 € 3.232,97

€ 2.248,60 € 1.918,05

€ 2.195,51 € 1.872,77

Werkplaatsen

€ 3.703,07 € 3.158,71

€ 2.993,88 € 2.553,78

€ 2.993,88 € 2.553,78

Werkplaatsen consumptief

€ 4.495,07 € 3.834,29

€ 3.788,01 € 3.231,16

€ 3.788,01 € 3.231,16

Specifieke ruimte: - (uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; - handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren. Werkplaatsen: - techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek; - consumptief: werkplaats consumptieve techniek; - grafische techniek: werkplaats grafische techniek; - landbouw: groen-praktijk; De overige ruimte is algemene ruimte. Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening < 460 m²

> 460 < 2500 m²

>= 2500 m²

Vaste voet algemeen

€ 224.539,13 € 191.531,47

€ 224.539,13 € 191.531,47

Vaste voet algemene sectie

€ 440.752,71 € 375.961,27

€ 615.393,79 € 524.929,79

Vaste voet werkplaatssectie

€ 81.499,45 € 69.518,88

€ 81.499,45 € 69.518,88

Pagina 71 van 81

Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek, grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen. Aanvullende normkosten Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal aspecten, te weten fundering en bemaling. In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport. De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw in brutovloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de hand van de volgende formules: Nieuwbouw en uitbreiding < 1000 m² Paallengte 1 tot 15 meter

€ 6.970,86 € 5.946,13

+ (€ 36,58 * A)+ (€ 31,21 * A)

Paallengte 15 tot 20 meter

€ 7.421,01 € 6.330,11

+ (€ 61,88 * A)+ (€ 52,78 * A)

Paallengte 20 meter of langer

€ 8.285,20 € 7.067,26

+ (€ 110,72 * A)+ (€ 94,44 * A)

Paallengte 1 tot 15 meter

€ 8.514,52 € 7.262,87

+ (€ 12,83 * A)+ (€ 10,94 * A)

Paallengte 15 tot 20 meter

€ 11.102,85 € 9.470,71

+ (€ 33,24 * A)+ (€ 28,35 * A)

Paallengte 20 meter of langer

€ 16.861,31 € 14.382,66

+ (€ 67,22 * A)+ (€ 57,34 * A )

Uitbreiding >= 1000 m²

Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m² goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,1821 per m² terrein. 3.2 Tijdelijke voorziening Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden: - nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen; - huur van tijdelijke lokalen. Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: € 1.153,35

+ (€ 79.293,54 * A)€ 1.028,67* A + € 70.721,51

A = het toegekende aantal m² bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting. Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de

Pagina 72 van 81

voorziening moeten worden bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening. Huur van tijdelijke lokalen Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). 3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet geschikt is. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt gerealiseerd.

Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen. Normbedragen inventaris per ruimtetype Algemene ruimte Specifieke ruimte

Werkplaatsen

€ 169,29 € 166,67 (Uiterlijke) verzorging/mode en commercie

€ 392,87 € 386,80

Handel/verkoop/administratie

€ 241,69 € 237,95

Praktijkonderwijs

€ 323,67 € 318,67

Techniek algemeen

€ 412,04 € 405,67

Consumptief

€ 799,59 € 787,23

Grafische techniek

€ 1.528,91 € 1.505,28

Landbouw

€ - € 0,00

Specifieke ruimte: - (uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; - handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren; - praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken Werkplaatsen: - techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek; - consumptief: werkplaats consumptieve techniek; - grafische techniek: werkplaats grafische techniek; - landbouw: groen-praktijk; - praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken. De overige ruimte is algemene ruimte.

Pagina 73 van 81

3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een brutovloeroppervlakte van 455 m² bedraagt € 1.285.833,79 € 1.146.828,61 (op het schoolterrein) respectievelijk € 1.311.839,66 € 1.170.023,11 (op afzonderlijk terrein). De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Paallengte 1<15 meter:

€ 23.066,86 € 23.066,86

Paallengte 15<20 meter:

€ 31.800,39 € 31.800,39

Paallengte >=20 meter:

€ 44.660,96 € 44.660,96

Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: a. Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden. b. Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik.

Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. c. Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs moet vergoeden. Huur sportvelden

Pagina 74 van 81

Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten bedraagt € 22,29 € 21,95 per klokuur. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Meubilair

L.h.m

Totaal

Eerste lokaal

€ 1.154,14 € 1.136,30

€ 68.829,83 € 67.765,91

€ 69.983,97 € 68.902,20

Tweede lokaal

€ 1.154,14 € 1.136,30

€ 53.692,95 € 52.863,00

€ 54.847,09 € 53.999,30

Derde lokaal

€ 1.154,14 € 1.136,30

€ 23.343,61 € 22.982,78

€ 24.497,75 € 24.119,07

Oefenplaats 1

€ 15.200,76 € 14.965,80

€ 15.200,76 € 14.965,80

Oefenplaats 2

€ 1.755,70 € 1.728,56

€ 1.755,70 € 1.728,56

4

Indexering

De in deze bijlage genoemde normbedragen voor nieuwbouw en uitbreiding zijn gebaseerd op prijspeil 1 januari 2019oktober 2020 volgens Bouwkostenkompas IGG utiliteitsbouw. Voor inventaris en meubilair gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 20198 en gecorrigeerd met de MEV-indexcijfer 202019. Werkelijke prijsontwikkeling Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling. Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het prijsindexcijfer voor bouwkosten utiliteitsbouw 1 januari oktober van het lopende jaar en het voorliggende jaar (bron: Bouwkostenkompas IGG). Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens’ (NRreeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande jaar. Indien de CBS-indexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100” over het tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.

Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma Het bedrag voor nieuwbouw en uitbreiding wordt voorlopig vastgesteld op het prijspeil van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld. Het bedrag wordt naderhand vastgesteld op het prijspeil geldende in het jaar van uitvoering.

Pagina 75 van 81

Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.

Pagina 76 van 81

DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten, dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden voldaan. Europese aanbesteding Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag uitkomt, worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de Europese Unie (2014/24/EU) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende bedragen: · 214.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten; · 5.350.000 euro (exclusief BTW) voor werken. Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn uiteraard niet van toepassing. Opdrachten onder het Europees drempelbedrag Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag is de Aanbestedingswet 2012 van toepassing.

Pagina 77 van 81

Met opmaak: Markeren Met opmaak: Markeren

DEEL C Bepaling medegebruikstarieven Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een vergoeding. Tenzij partijen anders overeenkomen is deze vergoeding gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Pagina 78 van 81

Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen 1. Volgorde van hoofdprioriteiten Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit. Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: 1. voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen; 2. voorzieningen noodzakelijk om een adequaat huisvestingsniveau te handhaven; Ad 1 Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te heffen.

Ad 2 Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, herstel van constructiefouten en herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden vormen de tweede hoofdprioriteit.

2. Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor de hoofdprioriteit 2 de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast. Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten. Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw. Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein. 2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking: a. als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen; b. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen en c. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.

2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat huisvestingsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking: a. als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; b. vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;

Pagina 79 van 81

c. vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; d. vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; e. vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.

Pagina 80 van 81

Toelichting Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële toekenningen – alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de beoordelingscriteria en die niet spoedeisend zijn – een nadere en eenduidige volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeve de urgentiecriteria niet te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlage I tot en met IV. Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt de gemeente niet aan de toepassing van de urgentiecriteria. Met de hieronder gehanteerde indeling in hoofd- en subprioriteiten is dit mogelijk. De zorg voor een adequate huisvesting volgens de wet betekent concreet dat het vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat: a. elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden; b. vervanging en herstel dat absoluut noodzakelijk is om de voortgang van het onderwijs niet in gevaar te brengen, wordt vergoed; c. voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt vergoed.

Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan van invloed zijn op het budget voor de volgende programma’s en op de mogelijkheden andere minder urgente voorzieningen toe te kennen. Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in aanmerking komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te vinden om te bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt geplaatst. De volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te keuren voorzieningen. In de subprioriteiten is met een enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen niet nodeloos gecompliceerd te maken. De gemeente kan één integraal budget vaststellen voor alle drie de onderwijssectoren tezamen. Dit zorgt voor een integrale afweging. Van die systematiek is in de modelverordening uitgegaan. De gemeente kan ook deelbudgetten vaststellen. Dat dient dan echter vóór de beoordeling van de voorzieningen plaats te vinden. Een dergelijke handelswijze komt overeen met die van het ministerie vóór 1997. Indien een gemeente een bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de systematiek van de modelverordening te geschieden door een wijziging van de urgentiecriteria , en dus door een wijziging van de verordening.

De voorzieningen die in het kader van dat beleid aan de orde zijn worden opgenomen als hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog subprioriteiten worden onderscheiden. (Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit wordt dus in een percentage uitgedrukt). Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor individuele aanvragen. De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat huisvestingsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als eerste gehonoreerd.

In de subprioriteit bij de hoofdprioriteit 2 is een volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het gehele gebouw een zekere mate van onderhoud of aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige ruimten en niet lesgebouwen.

Pagina 81 van 81

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/759/documents/28819