CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Rioolheffing 2022 .pdf

Gemeenteraad RK 16 december 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 6: Vaststelling belastingverordeningen en -tarieven 20221.371 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening Onderwerp: Verordening rioolheffing 2022

Gemeenteraad: 16 december 2021 Commissie: Samen wonen 2 december 2021

BBVnr:

388489

De raad van de gemeente Ridderkerk; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 november 2021; gelet op het advies van de commissie Samen wonen van 2 december 2021; overwegende dat de verordening voor 2022 dient te worden vastgesteld door de gemeenteraad; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

BESLUIT: Vast te stellen de volgende verordening: VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN RIOOLHEFFING 2022

(VERORDENING RIOOLHEFFING 2022) Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; b. onder voorziening of combinatie van voorzieningen wordt mede verstaan een open water; c. onder gemeentelijke riolering wordt mede de in het kader van het Gemeentelijk Rioleringsplan door of vanwege de gemeente geplaatste individuele afvalwaterbehandeling (IBA) begrepen d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater; Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht Pagina 1 van 4

1. De belasting wordt geheven: a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; c.

het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld. Artikel 4 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel. Artikel 6 Vrijstellingen De belasting is niet verschuldigd ter zake van: a. Percelen met een WOZ-waarde tot maximaal € 25.000,-, die geen directe aansluiting voor het afvoeren van afvalwater op de riolering hebben. b. Percelen die in eigendom en gebruik zijn bij de gemeente. Artikel 7 Maatstaf van heffing 1. De rioolheffing wordt geheven naar een vast bedrag per perceel, indien deze in hoofdzaak een woning betreft. 2.

De rioolheffing wordt geheven naar de waarde van het economische verkeer van het perceel, indien deze een niet-woning betreft.

Pagina 2 van 4

3. Ingeval het perceel een niet-woning is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde in het voorafgaande belastingjaar zoals het in artikel 9 bedoelde kalenderjaar geldt. 4. Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 8 Belastingtarieven 1. Woning: De belasting bedraagt per jaar, per perceel als bedoeld artikel 7 lid 1, zijnde in hoofdzaak een woning: a) Eigenarendeel: € 80,-; b) Gebruikersdeel: € 80,-. 2. Niet-woningen De belasting bedraagt per jaar, per perceel als bedoeld artikel 7 lid 2, zijnde niet in hoofdzaak een woning; a) Eigenarendeel: 0,05174% van de WOZ-waarde, met een minimum van € 80,- en een maximum van € 5.000,-; b) Gebruikersdeel: 0,05174% van de WOZ-waarde met een minimum van € 80,- en een maximum van € 5.000,-;. Artikel 9 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 10 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 11 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,-4. Belastingbedragen van minder dan € 10,-- worden niet geheven. Artikel 12 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald in drie gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet en de daarop volgende termijnen telkens twee maanden later.

Pagina 3 van 4

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 2.100,--, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 13 Kwijtschelding Er wordt kwijtschelding verleend voor het bedrag dat meer is dan € 23,47 van het in het eerste lid onder a of b van artikel 8 verschuldigd belastingbedrag. Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening rioolheffing 2021” van 14 december 2020, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening Rioolheffing 2022'.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 16 december 2021.

De griffier,

De voorzitter,

mr. J.G. van Straalen

mw. A. Attema

Pagina 4 van 4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/778/documents/30617