CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan Rembrandtweg Fase 2.pdf

Gemeenteraad RK 18 april 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Vaststelling bestemmingsplan Rembrandtweg fase 222.610 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

REMBRANDTWEG FASE 2 Ridderkerk Bestemmingsplan Bestemmingsplan

1/2

2/2

DATUM KENMERK

18 april 2024 NL.IMRO.0597.BPWEST2023Rembrand-VG01

PROJECT PROJECTLEIDER

Rembrandtweg Fase 2 ir. L.C. Snel

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Ridderkerk 20221261

AUTEUR STATUS

ir. L.C. Snel vastgesteld

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Aanleiding

9

1.2

Ligging plangebied

9

1.3

Geldend bestemmingsplan

10

1.4

Leeswijzer

11

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

13

2.1

Huidige situatie

13

2.2

Beoogde ontwikkeling

13

Ruimtelijk beleidskader

19

3.1

Inleiding

19

3.2

Rijksbeleid

19

3.3

Provinciaal beleid

21

3.4

Gemeentelijk beleid

24

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

29

4.1

Milieueffectrapportage

29

4.2

Geluid

29

4.3

Verkeer en parkeren

30

4.4

Water

32

4.5

Bodem

38

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

40

4.7

Externe veiligheid

42

4.8

Bedrijven en milieuhinder

45

4.9

Ecologie

45

4.10

Stikstof

48

4.11

Luchtkwaliteit

49

4.12

Kabels en leidingen

50

Juridische planbeschrijving

51

5.1

Algemeen

51

5.2

Opbouw regels

51

5.3

De bestemmingen

51

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 5

3/114

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

53

6.1

Economische uitvoerbaarheid

53

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53

6.3

Vooroverleg

53

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Aanmeldnotitie m.e.r. Rembrandtweg Fase 2

Bijlage 2

Onderzoek wegverkeerslawaai Rembrandtweg fase 2

Bijlage 3

Actualiserend verkennend en nader bodemonderzoek Rembrandtweg fase 2

Bijlage 4

Soortenonderzoek flora- en faunawet

Bijlage 5

Activiteitenplan vleermuizen Rembrandtweg fase 2

Bijlage 6

Verkennend archeologisch onderzoek Rembrandtweg

Bijlage 7

Archeologisch advies (BOOR) Rembrandtweg

Bijlage 8

Stikstofmemo Rembrandtweg Fase 2

Bijlage 9

Stikstofberekening 2024 - Sloop en start aanlegfase

Bijlage 10

Stikstofberekening 2025 - Aanleg en gebruiksfase

Bijlage 11

Stikstofberekening 2026 - Gebruiksfase

Bijlage 12

Overzicht reacties informatieavond 29-06-2022

Bijlage 13

Uitnodiging informatieavond 15-02-2023

Bijlage 14

Overzicht reacties informatieavond 15-02-2023

Bijlage 15

Verslag informatieavond 3-10-2023

Bijlage 16

Vooroverlegreactie VRR

4/114

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

91

Artikel 1

Begrippen

91

Artikel 2

Wijze van meten

95

Bestemmingsregels

97

Artikel 3

Groen

97

Artikel 4

Tuin

98

Artikel 5

Verkeer

99

Artikel 6

Verkeer - Verblijfsgebied

100

Artikel 7

Wonen

101

Artikel 8

Waarde - Archeologie 3

103

Hoofdstuk 3

Algemene regels

105

Artikel 9

Anti-dubbeltelregel

105

Artikel 10

Algemene bouwregels

106

Artikel 11

Bestaande afstanden en bestaande andere maten

108

Artikel 12

Algemene afwijkingsregels

109

Artikel 13

Algemene wijzigingsregels

110

Artikel 14

Overige regels

111

Overgangs- en slotregels

113

Artikel 15

Overgangsrecht

113

Artikel 16

Slotregel

114

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

5/114

6/114

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Woningcorporatie Wooncompas heeft het voornemen de verouderde appartementcomplexen aan de Rembrandtweg te vervangen. In opdracht van Wooncompas heeft Ha-Ha Design & Development plannen opgesteld om deze verouderde appartementen te slopen en vervolgens op de vier bestaande kelderbakken vier nieuwe appartementencomplexen te bouwen. De plannen zijn in de basis ontworpen conform het stedenbouwkundig plan dat De Nijl Architecten voor fase 1 en 2 heeft opgesteld. Fase 1 betreft de bouwblokken aan de Coosje Ayalstraat en fase 2 de bouwblokken aan de westzijde van de Frans Halsstraat. Dit bestemmingsplan heeft alleen betrekking op fase 2. Fase 1 is inmiddels gerealiseerd.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten westen van het centrum van Ridderkerk en wordt globaal begrensd door de Blaakwetering en de Rembrandtweg, de Frans Halsstraat, de Pieter de Hoochstraat en enkele appartementcomplexen en eengezinsrijenwoningen gelegen aan de Pieter de Hoochstraat en de Adriaen van Ostadestraat. Deze woningen zijn particulier eigendom. In figuur 1.1 is de ligging en begrenzingen van het plangebied weergegeven; (fase 2, rood omlijnd) en fase 1 (rood gestippeld omlijnd). Voorliggend plan heeft uitsluitend betrekking op fase 2.

Figuur 1.1 Ligging en begrenzing plangebied (fase 2, rood omlijnd) en fase 1 (rood gestippeld omlijnd)

9/114

1.3

Geldend bestemmingsplan

Binnen het plangebied gelden twee bestemmingsplannen: Ridderkerk West (vastgesteld 2007-07-05) en Woongebied Ridderkerk (vastgesteld 2023-06-08). Grotendeels is het bestemmingsplan Ridderkerk West geldend, zie figuur 1.2. Voor een klein gedeelte in de zuidelijke punt van het plangebied is Woongebied Ridderkerk geldend, zoals te zien is in figuur 1.3. De bestemmingen ter plaatse van bestemmingsplan Ridderkerk West zijn: Groenvoorzieningen, Tuinen, Verblijfsgebied en Woondoeleinden. Het kleine gedeelte waar bestemmingsplan Woongebied Ridderkerk geldend is, is bestemd als Verkeer - Verblijfsgebied. In dit deel van het plangebied is ook de dubbelbestemming Waarde Archeologie 3 opgenomen. Strijdigheid bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling wordt op de bestaande kelderbak gebouwd. Echter zijn de beoogde appartementencomplexen enkele meters dieper dan de huidige bebouwing. Hierdoor vallen de beoogde appartementencomplexen binnen de bestemming Tuinen, waar wonen niet is toegestaan. Daarnaast is er een overschrijding van de oorspronkelijk toegestane bouwhoogte van ca. 2,5 tot 5,5 meter bij de vier beoogde appartementcomplexen.

Figuur 1.2 Uitsnede Ridderkerk West met plangebied rood omlijnd (2007) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

10/114

Figuur 1.3 Uitsnede Woongebied Ridderkerk met plangebied rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgestelde ontwikkeling. Hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan gaat in op het toepasselijke beleidskader. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van het benodigde onderzoek naar onder andere milieuaspecten. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid is opgenomen in hoofdstuk 5. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 6.

11/114

12/114

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Het plangebied bevindt zich aan de westzijde van het centrum van Ridderkerk. De Rembrandtweg zorgt samen met de Frans Halsstraat voor de ontsluiting van het plangebied. Ter plaatse zijn vier bijna identieke appartementcomplexen met in totaal 94 sociale huurwoningen gesitueerd. De twee grootste gebouwen staan langs de Rembrandtweg en zijn hier ook naartoe gericht. De andere twee gebouwen staan langs de Hobbemastraat en zijn hierop gericht. De appartementen zijn verouderd en toe aan vervanging.

Figuur 2.1 Zicht op het plangebied vanaf de kruising van de Rembrandtweg en Frans Halsstraat (bron: Google Street View)

2.2

Beoogde ontwikkeling

Het doel van de herstructurering is het vervangen van de kwalitatief slechte en sterk verouderde huurwoningen door kwalitatief goede huurwoningen (sociale huur) die voldoen aan de eisen van deze tijd. Naast de nieuwe woningbouw wordt ook het openbaar gebied opnieuw én klimaatadaptief ingericht. In samenhang daarmee wordt ook het groene karakter van de Blaakwetering langs de Rembrandtweg versterkt. In opdracht van Wooncompas is door De Nijl Architecten een stedenbouwkundig plan opgesteld voor de fasen 1 en 2. Hierin komen achtereenvolgens de uitgangssituatie, opgave, verkavelingsplan en beeldkwaliteit aan de orde. De hoofdpunten uit die totaalvisie gelden ook voor de actuele uitwerking van fase 2 en zijn hieronder samengevat. Uitgangssituatie  Het gebied ten westen van het centrum heeft een gemengde opzet. Aan de noordkant ligt een groene singel, de Blaakwetering, een oude polderwetering, die in de dorpsstructuur is opgenomen. Aan de zuidkant van de woonbuurt ligt de Lagendijk, een oud agrarisch lint, met grote percelen en een begraafplaats. 13/114

De Frans Halsstraat is onderdeel van de 'centrumring'. Aan de oostkant ligt fase 1 en aan de westkant liggen centraal in de woonbuurt vooral straten met eengezinswoningen. Gestapelde bouw(waaronder fase 2) staat vooral langs de randen van het gebied, langs de Rembrandtweg en langs de Burgemeester de Zeeuwstraat. De kwaliteiten van de omgeving lopen uiteen van de brede, groene Blaakwetering aan de noordkant van de locatie tot een parkeerterrein en de binnenterreinen van de bouwblokken langs de Pieter de Hoochstraat aan de zuidkant. Het parkachtige karakter van de wetering brengt een prettige sfeer met zich mee. De architectuur van de woonbebouwing weerspiegelt het tijdsbeeld: conventioneel, baksteen en beton. De locatie zelf betreft een langgerekte strook van circa 175 meter langs de Rembrandtweg en langs een dwarsstraat: de Hobbemastraat. De bebouwing bestaat uit portieketageflats met woningen op een halfverdiepte onderbouw met bergingen; langs de Rembrandtweg vier woonlagen (4,5 bouwlagen) en langs de Hobbemastraat drie woonlagen (3,5 bouwlagen). De woongebouwen zijn regelmatig gesitueerd en hebben een samenhangende architectuur, waardoor het complex als een samenhangende eenheid herkenbaar is. Die eenheid is met name vanaf de Blaakwetering te ervaren.

Opgave  Wooncompas benut de herontwikkeling van het complex Rembrandtweg voor de vernieuwing van haar voorraad sociale woningbouw. Een belangrijke factor daarbij is de parkeeropgave, die vanuit kostenoverwegingen op maaiveldniveau binnen het plangebied moet worden gerealiseerd.  Het plan voorziet in een nieuw profiel voor de Rembrandtweg met als uitgangspunt een rustige, prettige sfeer, gedragen door groen en een samenhangend architectuurbeeld.  In ruimtelijk opzicht is gezocht naar continuïteit aangezien het plan opnieuw een samenhangende wand langs de Blaakwetering moet vormen.  Aangezien de meest representatieve kant van de locatie de weteringzijde is, vraagt de opzet van de nieuwe woningen daar bijzondere aandacht. Galerijen aan deze kant zijn niet wenselijk. De galerij komt daarom aan de zuidkant te liggen en zal met buitenruimtes worden gecombineerd. Zo ontstaan woongebouwen met een dubbele oriëntatie.

Figuur 2.2 Verkavelingsplan fase 2 (bron: HA-HA Design & Development)

14/114

Verkavelingsplan Het verkavelingsplan (figuur 2.2) gaat uit van vier appartementcomplexen. Twee appartementcomplexen staan langs de Rembrandtweg en bevatten 63 appartementen van circa 75 m² gebruiksoppervlak. De andere twee appartementcomplexen bevatten 39 kleinere appartementen van circa 50-60 m² gebruiksoppervlak en staan aan weerszijde van de Hobbemastraat. De gebouwen beschikken alle vier over vier woonlagen, op een half verdiepte onderbouw met bergingen. Dit is de bestaande kelderbak die hergebruikt wordt. De nieuwe gebouwen worden twee aan twee gekoppeld met loopbruggen, waardoor per twee met één centraal stijgpunt kan worden volstaan. Bij de koppeling worden ook de hoofdentrees gesitueerd. Dit is ook te zien in figuur 2.2. De woningen worden ontsloten met een galerij aan het binnenterrein met een buitenruimte, zoals ook te zien is in de impressie; figuur 2.3. Naast een buitenruimte aan het binnenterrein beschikken de woningen ook over een buitenruimte aan de straatzijde. Aan de Hobbemastraat zijn de buitenruimtes van de eerste woonlaag te bereiken te bereiken vanaf de straat door middel van trappen (zie figuur 2.5.) Die impressie geeft ook een beeld van de nieuwe (groene) inrichting van deze nu stenige straat.

Figuur 2.3 Beeld binnenterrein met galerijen/balkons én speelplaats (bron: Ha-Ha Design & Development)

15/114

Figuur 2.4 Beeld Rembrandtweg (bron: Ha-Ha Design & Development)

Figuur 2.5 Beeld Hobbemastraat (bron: Ha-Ha Design & Development)

16/114

Openbare ruimte De appartementen in de onderste woonlaag van de huidige bebouwing beschikken over een achtertuin. De nieuwe ontwikkeling voorziet in twee binnentuinen die toegankelijk zijn voor alle omwonenden. Het huidige speelterreintje op de hoek van de Hobbemastraat en de Pieter de Hoochstraat komt te vervallen. In de oostelijke binnentuin, hier direct naast, is een nieuwe speelplaats voor de buurt voorzien. Verder zal in de groenzone van de Blaakwetering nabij de aansluiting van de Frans Halsstraat op de Jonkheer van Karnebeekstraat een speelplek worden gerealiseerd. Verder wordt het zicht vanuit de appartementencomplexen en vanaf de Rembrandtweg op de Blaakwetering verbeterd. De haakse parkeerplaatsen die nu aan de weteringzijde van de Rembrandtweg liggen worden daartoe verplaatst naar de zijde van de appartementen, zie figuur 2.4. Doordat de eerste woonlaag is gelegen op een halfverdiepte kelderbak kan over de geparkeerde auto's heen gekeken naar de wetering. Het zicht vanuit woningen en vanaf de straat op het groen en water wordt zo niet meer geblokkeerd door auto's. De wegenstructuur in en om het plangebied verandert niet. Met de herstructurering verandert de ligging van veel parkeerplaatsen wel. De parkeerplaatsen blijven met de beoogde ontwikkeling op het maaiveld. Zoals eerder genoemd worden de parkeerplaatsen aan de Rembrandtweg verplaatst naar de woningzijde.

Langs deze weg zullen -net als nu- de meeste parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Op de plek waar in de huidige situatie een speelplaats te vinden is, wordt een nieuwe parkeerkoffer gerealiseerd die bereikbaar is vanaf de Hobbemastraat. Verder zullen er (nieuwe) langs- en haaksparkeerplaatsen gerealiseerd worden aan de Hobbemastraat en de Pieter de Hoochstraat, zie ook figuur 2.6. In paragraaf 4.3 Verkeer en parkeren wordt nader ingegaan op de parkeerbalans.

Figuur 2.6 Beeld Hobbemastraat vanuit het zuiden, met diverse parkeergelegenheden (bron: Ha-Ha Design & Development)

17/114

18/114

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleidskader

Inleiding

In dit hoofdstuk staat een samenvatting van de ruimtelijke beleidskaders die van toepassing zijn voor het plangebied. Iedere paragraaf besluit met een conclusie waarin de betekenis van het beleid voor het plangebied is opgenomen.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) (2020) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:  dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodemen en veel ruimte voor groen en water;  met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is.

Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;  waar het goed wonen en werken is, met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;  met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;  waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen, zowel in de stad als daarbuiten;  dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;  waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;  dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.

19/114

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn:  Duurzame energie inpassen met het oog voor omgevingskwaliteit;  Ruimte voor overgang naar een circulaire economie;  Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden;  Landgebruik meer in balans is met natuurlijke systemen. Toetsing Met de NOVI zet het Rijk in op een duurzame toekomst met goed wonen en werken en een goed functionerende economie. Klimaatbestendige, duurzame en circulaire ontwikkelingen worden hierbij gestimuleerd. De ontwikkeling welke mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan sluit aan bij die ambities. Er worden woningen voor de sociale huursector gerealiseerd met oog voor duurzaamheid, groen en klimaatbestendigheid.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Toetsing De ontwikkeling binnen het plangebied raakt geen van bovenstaande rijksbelangen. Het Rijksbeleid zoals vastgelegd in het Barro geeft hierdoor geen uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.

20/114

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking, artikel 3.1.6 Bro De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in het SVIR geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke functies mogelijk maken, de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Toetsing In fase 2 worden 94 sociale huurwoningen gesloopt waarvoor (maximaal) 102 sociale huurwoningen terugkomen. Omdat het aantal woningen met maar 8 woningen toeneemt is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening. De ontwikkeling hoeft daarom niet te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Wel kent de regio een forse herstructureringsopgave. Er is regionale behoefte aan het vervangen van verouderde woningen door nieuwe eigentijdse woningen en appartementen. Herstructurering en kwaliteitsverbetering binnen bestaand stedelijk gebied voldoet aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking. Deze 102 woningen opgenomen in de planmonitor van gemeente Ridderkerk en maken onderdeel uit van de regionale woningbouwafspraken (geactualiseerd regioakkoord 2022). Het plangebied is ook passend ontsloten.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie (geconsolideerd 2023) De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening (3.3.2) en het Omgevingsprogramma het Omgevingsbeleid van de provincie. Deze omgevingsvisie geldt onder andere als provinciale structuurvisie tot de Omgevingswet in werking gaat. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6.

Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

21/114

Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende opgaven relevant: 

Wonen: Voorzien in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen in Zuid-Holland is van provinciaal belang. Omdat het aanbod van woningen onvoldoende aansluit op de vraag en de ontwikkelingen op de woningmarkt zich niet beperken tot gemeente- en/of regiogrenzen is een samenhangende aanpak op bovenlokale en bovenregionale schaal noodzakelijk. Ook hebben de woonopgaven nauwe samenhang met andere (ruimtelijke) opgaven op het vlak van bijvoorbeeld regionale economie, groen en recreatie en infrastructuur.

Uitgangspunten van dit provinciaal beleid die van belang zijn voor deze ontwikkeling zijn: 1. Voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar (toekomstige) inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert: de juiste woning op de juiste plek (en op het juiste moment). Dat gaat allereerst over voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. De toevoeging en onttrekking van woningen moet bijdragen aan een adequate en gedifferentieerde woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over de ruimtelijke ordeningskant van het wonen: het wonen zo situeren dat het - in samenhang met (investeringen in) infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving - bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Het toevoegen van woningen als de enige of primaire oplossing voor behoud van de sociaaleconomische vitaliteit in steden en dorpen is in de ogen van de provincie geen duurzame lange termijn strategie. 2. Huisvesting voor doelgroepen van de sociale huursector De provincie vindt passende huisvesting voor de doelgroepen van woningcorporaties van belang.

Dit betekent dat er enerzijds voldoende voorraad sociale huurwoningen in verhouding tot de omvang van de doelgroepen moet zijn en anderzijds voldoende aanbod sociale huurwoningen in verhouding tot de omvang van de actief woningzoekende doelgroepen moet zijn. Daarvoor is kwantitatief en kwalitatief inzicht nodig in aan de ene kant de ontwikkeling van de sociale huurvoorraad, onderscheiden naar prijsklassen, en het aanbod sociale huurwoningen en aan de andere kant de ontwikkeling van de omvang van de doelgroepen en de actief woningzoekenden die daarop aangewezen zijn. Daarmee wordt inzichtelijk of er sprake is van een passende huisvestingsmogelijkheden voor deze doelgroepen. In het bijzonder is er aandacht voor een passende voorraad en een passend aanbod van huurwoningen onder de liberalisatiegrens voor de primaire en secundaire doelgroepen van corporaties. De doelgroep bestaat uit diverse groepen, die door hun inkomen zijn aangewezen op de sociale huursector, zoals bijvoorbeeld jongeren, senioren, grote gezinnen, urgent woningzoekenden, dak- en thuislozen, vergunninghouders en arbeidsmigranten. Onder passend verstaat de provincie ook dat op lokaal niveau wordt bijgedragen aan een evenwichtig gespreide sociale huurvoorraad. In het provinciaal Omgevingsprogramma kunnen Gedeputeerden Staten een maatregel wonen opnemen ten aanzien van de sociale huurvoorraad.

De provincie hecht er waarde aan dat gemeenten en/of regio's met de in hun gebied werkzame woningcorporaties concrete (prestatie)afspraken maken over de ontwikkeling van de sociale huurvoorraad inclusief afspraken over de omvang van toevoegingen, sloop, verkoop en effecten van huuraanpassingen ter uitvoering van de lokale en regionale woonvisies waarin de provinciale uitgangspunten zijn uitgewerkt.

22/114

Toetsing Voor deze herontwikkeling worden 94 sociale huurwoningen gesloopt en 102 sociale huurwoningen teruggebouwd. Deze ontwikkeling sluit aan bij de ambitie van de provincie in het voorzien van voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. De woningen die mogelijk worden gemaakt liggen binnen bestaand stedelijk gebied en sluit hierbij aan bij de verstedelijkingsambitie van de provincie. 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd 2023) De Omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Voor de beoogde ontwikkeling zijn onderstaande artikelen relevant. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b.

als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:  zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en  het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:  een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en  het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van:  wateroverlast door overvloedige neerslag;  overstroming;  hitte;  droogte.

Toetsing De kwaliteitskaart Zuid-Holland heeft de gebiedsidentiteit aangemerkt als 'steden en dorpen'. Hiermee is er sprake van inpassen. De ontwikkeling sluit aan bij de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet geen wijzigingen op structuurniveau. In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op maatregelen in het plan die inspelen op klimaatverandering.

23/114

Conclusie Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling van het bouwplan 'Rembrandtweg fase 2' aansluit bij de doelstellingen en regels uit de provinciale verordening.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Ridderkerk (2017) De gemeenteraad heeft op 14 september 2017 de Omgevingsvisie Ridderkerk 2035 vastgesteld. In deze omgevingsvisie anticipeert de gemeente op het in werking treden van de nieuwe Omgevingswet. Daarnaast beoogt de gemeente Ridderkerk met deze nieuwe visie in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de vraag naar levensloopbestendige woningen en de druk op de detailhandelsstructuur. Verder bevat de omgevingsvisie aanpassingen in de beleidsambities ten opzichte van de Structuurvisie Ridderkerk 2020. De omgevingsvisie beoogt de ruimtelijke kwaliteit van Ridderkerk als rustige en aantrekkelijke woongemeente met een goede binnenstedelijke groenstructuur en omliggend groen te behouden en waar mogelijk te versterken. Onderhavige ontwikkeling is in de omgevingsvisie in het projectoverzicht specifiek aangeduid als 'projecten Woonvisie' (tegenwoordig Wooncompas), ontwikkeling nummer 42: 'Rembrandtweg' (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1 Uitsnede ontwikkelingenkaart Omgevingsvisie Ridderkerk

24/114

Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling geeft uitwerking aan Omgevingsvisie Ridderkerk. Het plangebied is aangeduid als project (nummer 42) in de uitvoeringsagenda. Verder speelt de beoogde ontwikkeling in op de maatschappelijke ontwikkelingen door de voorraad sociale huurwoningen te verduurzamen en er enkele toe te voegen. Met de beoogde ontwikkeling wordt de groenstructuur versterkt doordat privé-tuinen vervangen worden door een semi-openbare binnentuin. Daarnaast worden de parkeerplaatsen langs de singel naar de andere kant van de weg verplaatst. Hierdoor wordt het zicht op de singel versterkt.

3.4.2 Woonvisie Ridderkerk 2021-2026 In de Woonvisie is het beleid van de gemeente op het gebied van wonen in de komende jaren beschreven. Hierin is te lezen voor welke belangrijke opgaven Ridderkerk staat om de inwoners nu en in de toekomst van een goede woning en woonomgeving te voorzien. Woningen moeten niet alleen passen qua grootte en prijs, maar nieuwe én bestaande woningen moeten ook duurzaam zijn. Er zijn vijf centrale thema's: 1. voldoende woningen; 2. de juiste woningen; 3. duurzame woningvoorraad; 4. wonen en zorg; 5. leefbare wijken. Toetsing De herontwikkeling voorziet zowel kwalitatief als kwantitatief voor een impuls voor het plangebied. De huidige verouderde bebouwing wordt afgebroken en er komen duurzamere woningen uit hetzelfde segment voor terug. De openbare ruimte krijgt ook een kwaliteitsimpuls waardoor de leefbaarheid verbeterd wordt. Daarnaast voorziet de herontwikkeling in extra sociale huurwoningen. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de woningbouwopgave van gemeente Ridderkerk.

3.4.3 Groenvisie Ridderkerk De gemeentelijke ambitie is om de groenste gemeente van het eiland IJsselmonde te worden. Ridderkerk heeft een aantal natuurlijke parels, zoals onder andere de dijklinten, de Waal, de Noord, de Crezeepolder en de Donckse Velden. Dit groen bevindt zich voornamelijk aan de randen van de wijken en er is te weinig groen in de wijken zelf. Hier wil de gemeente graag verandering in brengen. Bij nieuwbouwprojecten stelt de Groenvisie ook dat er rekening moet worden gehouden met klimaatadaptatie en behoud van natuur. Er moet maatwerk worden geleverd om klimaatadaptief of natuurinclusief te bouwen. Dit betekent dat een ontwikkeling geen schade brengt aan de natuur en mogelijk zelfs voor verbetering zorgt. Groen wordt ook als gelijkwaardig component meegenomen in de afweging van belangen. Hierbij wordt er belang gehecht aan het in gesprek blijven met ontwikkelaars. Toetsing Het huidige groen in het plangebied is voornamelijk privé en daarom niet toegankelijk voor alle bewoners van de appartementcomplexen. Met de beoogde ontwikkelingen zal deze private binnentuin omgezet worden naar een collectieve binnentuin die ook publiek toegankelijk zijn. 25/114

Verder zal het parkeren langs de singel anders worden georganiseerd (verplaatst naar de woonzijde, waardoor het groene beeld aldaar wordt versterkt. Veel van de huidige bomen in het plangebied worden ingepast en er zullen tientallen bomen worden toegevoegd. Het aantal vierkante meters groen in het plangebied neemt toe met ruim 1000 m2. Conclusie Het bestemmingsplan en de herontwikkeling zijn in lijn met de Groenvisie Ridderkerk.

3.4.4 Groen is onze toekomst Groen is onze toekomst is opgesteld aan de hand van de 6 ambities die gesteld zijn in de Groenvisie. In dit beleidsstuk wordt uitwerking gegeven aan deze 6 ambities door middel van 33 maatregelen. Het doel van deze maatregelen is om ervoor te zorgen dat ecosysteem van Ridderkerk versterkt wordt. Toetsing De beoogde ontwikkeling speelt in op drie maatregelen. Namelijk 1, 12 en 26. 1. Zorg voor groenblauwe verbindingen: van groot (park) naar klein (tuin) Het plangebied is gelegen aan de Blaakwetering, wat een grote groenstructuur is. De binnentuinen kunnen gezien worden als een kleinere groenstructuur. Deze twee structuren worden met elkaar verbonden door middel van de groene planopzet waardoor de beoogde ontwikkeling inspeelt op maatregel 1 12. Vergroot met groene en bruine daken het aandeel groen in de versteende omgeving Zoals te zien is in figuur 2.2 en 2.6 is er voor groene daken gekozen in combinatie met zonnepanelen. De beoogde ontwikkeling ligt dus in lijn met maatregel 12. 26. Leg wadi's aan voor extra waterberging en meer biodiversiteit Met de beoogde ontwikkeling worden vier wadi's aangelegd in de binnentuinen. Hierdoor is meer waterberging mogelijk en stimuleert het de biodiversiteit. De beoogde ontwikkeling speelt dus ook in op maatregel 26.

3.4.5 Klimaatvisie Ridderkerk In de Klimaatvisie Ridderkerk staat de route die de gemeente voor ogen heeft en waarmee zij met partners en inwoners op weg gaat naar een duurzaam 2050; een samenleving die bijna CO2 neutraal is, klimaatbestendig en circulair. De Klimaatvisie gaat over 8 thema’s: 1. energiebesparing, bijvoorbeeld door isolatie van huizen en panden; 2. opwekken van duurzame energie door zon en wind (opwekking); 3. opslag van duurzame energie in bijvoorbeeld batterijen; 4. warmtetransitie: aardgasvrij wonen; 5. mobiliteit: duurzame vormen van vervoeren en reizen; 6. circulaire samenleving: (dreigend) tekort aan grondstoffen tegengaan door producten, materialen en grondstoffen zo lang mogelijk te gebruiken; 7. klimaatadaptatie: effecten van klimaatverandering, zoals meer hitte en droogte en hoe we daarmee omgaan; 8. milieu: bodem, ondergrond, luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid. 26/114

Uitgangspunten bij deze thema's zijn haalbaarheid en betaalbaarheid. Dit betekent dat de weg stap voor stap maar wel gestaag wordt bewandeld. Toetsing Het voorliggende bestemmingsplan en de herontwikkeling van de planlocatie die hiermee mogelijk wordt gemaakt voldoet aan de Klimaatvisie van de gemeente Ridderkerk. Er wordt werk gemaakt van circulariteit, aardgas wordt niet aangesloten en energiebesparing is meegenomen in de plannen.

3.4.6 Visie Externe Veiligheid In de Visie Externe Veiligheid van de gemeente Ridderkerk (vastgesteld november 2011) zet de gemeente in op een duurzame en zo veilig mogelijke ontwikkeling van Ridderkerk. In de visie wordt voornamelijk gefocust op de uitwerking van de kaders voor het groepsrisico. Met het groepsrisico kan de gemeente aangeven welke risico's zij aanvaardbaar vindt. Het gemeentebestuur heeft namelijk een wettelijke verantwoordingsplicht bij toename van het groepsrisico door een toename van personendichtheid of externe veiligheidsbronnen. Gemeente Ridderkerk hanteert de volgende ambities ten aanzien van externe veiligheid: 1. Ridderkerk is en blijft zo veilig mogelijk voor risico’s van gevaarlijke stoffen. Deze ambitie wordt als volgt bereikt: 2. Waar mogelijk het advies van de VRR opvolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. 3. Als dit niet mogelijk is dan wordt de MAL Groepsrisico toegepast (zie kader, pag. 18) 4. Nieuwe risicobronnen worden in principe geweerd uit de gemeente, uitgezonderd op bedrijventerreinen mits aan concrete voorwaarden wordt voldaan. 5. Streven naar uitplaatsing van de risicobronnen uit de woonomgeving (tankstations). 6. De gemeente brengt de beheersbaarheid op orde (inzet hulpdiensten, bereikbaarheid ed). 7. Aanpassen route gevaarlijke stoffen als ruimtelijke ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. 8.

Voor risicocommunicatie wordt aangesloten bij de landelijke overheidscampagnes Toetsing Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico verantwoord worden. Dit wordt gedaan in paragraaf 4.7 van deze toelichting. Hier is een beknopte verantwoording van het groepsrisico beschreven.

27/114

28/114

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Milieueffectrapportage

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling voegt 8 woningen toe. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r- beoordeling opgesteld. De rapportage is toegevoegd in bijlage 1.

De aard en omvang van het project leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit blijkt ook uit de uitgevoerde onderzoeken in dit hoofdstuk. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is zodoende niet noodzakelijk.

4.2

Geluid

Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Toetsing en conclusie In opdracht van Wooncompas heeft Rho Adviseurs onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de nieuwe woningen. Dit onderzoek opgenomen als bijlage 2. Uit onderzoek is duidelijk geworden dat op 16 gevels niet voldaan kan worden aan de voorkeurswaarde voor wegverkeerslawaai. Deze voorkeurswaarde wordt vanwege de Frans Halsstraat overschreden, maar de maximaal aanvaardbare waarde niet. Daarnaast wordt de richtwaarde vanwege de Rembrandtweg overschreden, maar ook hier de maximaal aanvaardbare waarde niet.

29/114

Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig vanwege de Frans Halsstraat. Ook is een dove gevel nodig omdat daar niet voldaan wordt aan de plandrempel uit het Actieplan geluid (zie figuur 4.1). Indien er besluitvorming plaatsvindt over het instellen van een 30 km/uur-regime op de Frans Halsstraat, zoals in het Mobiliteitsplan is voorgesteld, dan zijn hogere waarden en het doof uitvoeren van de gevel niet meer nodig.

Figuur 4.1 Detailberekening benodigde hogere waarden en dove gevel bouwblok 1 (rode lijn) Voor een overzicht van de onderzoeksresultaten en maatregelen wordt verwezen naar bijlage 2, het Actieplan geluid en het Mobiliteitsplan. De benodigde hogere waarden staan in tabel 4.1

Tabel 4.1 Benodigde hogere waarden vanwege de Frans Halsstraat

4.3

Verkeer en parkeren

4.3.1 Verkeer Het plangebied ligt op steenworp afstand van centrum van Ridderkerk dat een compleet aanbod aan winkels bevat maar ook diverse maatschappelijke en culturele voorzieningen. Hier is ook openbaar vervoer (bussen) zowel naar andere wijken als naar omliggend stedelijk gebied beschikbaar. Verder is sprake van een goede ontsluiting naar overige wijken en regio zowel met auto als voor fiets. De nieuwe 102 appartementen vervangen 94 aanwezige portiekappartementen. Het betreft in beide gevallen sociale huur. Het totale aantal verkeersbewegingen zal daardoor in de nieuwe situatie nauwelijks verschillen met de huidige. Er zijn daarom ook geen relevante effecten op de omringende wegenstructuur.

30/114

4.3.2

Parkeren

Zowel de parkeernormen als de benodigde parkeerplaatsen zijn in tabel 4.2 opgenomen, uitgaande van 102 sociale huurappartementen. De kencijfers van Nota Parkeernormen 2024 van gemeente Ridderkerk zijn hierbij toegepast.

Tabel 4.2 Parkeerkencijfers en benodigde parkeerplaatsen. Naast dat er gekeken wordt naar de kencijfers, wordt er ook gekeken naar het aanwezigheidspercentage. Dit is uitgewerkt in tabel 4.3. Het maatgevende moment is de weekdagavond.

Tabel 4.3 Aanwezigheidspercentage benodigde parkeerplaatsen Op basis van bovenstaande parkeerberekening zijn op het maatgevende moment 100 parkeerplaatsen noodzakelijk.

31/114

De voorlopige inrichting van de openbare ruimte, die de basis vormt voor dit bestemmingsplan, sluit aan bij deze 100 benodigde parkeerplaatsen. De verdeling over de straten is uitgewerkt in tabel 4.4. Straat

Aantal

Frans Halsstraat

8

Hobbemastraat

24

Pieter de Hoochstraat

9

Rembrandtweg

59

Totaal

100

Tabel 4.4 Beoogde parkeerplaatsen Benodigde parkeerplaatsen

Beoogde parkeerplaatsen

Balans

100

100

+/- 0

Tabel 4.5 Parkeerbalans Bij de herinrichting van het openbaar gebied is het de intentie om het parkeren zodanig te situeren dat niet meer aan de singelzijde van de Rembrandtweg wordt geparkeerd. Hierdoor ontstaat een veel groener beeld dan nu. Belangrijk uitgangspunt is dat het parkeren nabij de entrees van de woningen wordt gerealiseerd, wat zeker voor oudere bewoners belangrijk is.

4.4

Water

Toetsingskader Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van plan is in een vroeg stadium overleg gevoerd met de waterbeheerder over de benodigde watercompensatie. Voorliggende waterparagraaf zal worden toegestuurd aan het waterschap, waarna eventuele opmerkingen worden verwerkt. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW);  Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet.

32/114

Provinciaal:  Provinciaal Waterplan;  Provinciale Structuurvisie;  Verordening Ruimte. Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water, hemelwater(beleid) en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Daarbij zijn er doelen voor toekomstbestendig waterbeheer. Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. Doelen en hoe om te gaan met hemelwater staat beschreven in het hemelwaterbeleid. Door het herstel van de natuurlijke waterkringloop en het vergroten van de sponswerking van de bodem kan in droge periodes water beter worden vastgehouden en kan in natte periodes het waterbergende vermogen van bodems beter worden benut. Daarbij wordt er ingezet op hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren maar ook op sparen, aanvoeren, adapteren en accepteren. Vasthouden van water in het gebied is een belangrijk doel, maar bepaalde omstandigheden kunnen er voor zorgen dat toch een bepaalde mate van afvoer van hemelwater nodig is. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts.

Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. Bij grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen (>5 ha) moet door middel van een onderzoek bepaald worden hoe, waar en hoeveel waterberging er gerealiseerd moet worden. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 14% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:  Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename;  Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;  Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Daarnaast zijn ook alternatieven mogelijk, zoals bijvoorbeeld het realiseren van extra bergingscapaciteit op daken in wadi's of in "koffers".

Hiervoor zijn specifieke eisen aan de orde en is mede daarom vroegtijdig overleg belangrijk. Huidige situatie Algemeen Het plangebied is in de huidige situatie gedeeltelijk verhard. Het gebied bestaat uit woningen met daarbij behorende tuinen en infrastructuur. Ten noorden van het plangebied ligt een waterpartij (singel). De bodem in het plangebied bestaat uit zandige zeeklei. De maaiveldhoogte bedraagt circa NAP -1,3 meter.

33/114

Waterkwantiteit Ten noorden van de Rembrandtweg ligt een hoofdwatergang met een beschermingszone van 3,5 meter aan weerszijden (zie figuur 4.2). In de beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en werkzaamheden. Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone.

Figuur 4.2 Uitsnede legger oppervlaktewateren (bron: waterschap Hollandse Delta) Nabij het plangebied is ook een persleiding aanwezig (zie figuur 4.3). Het plangebied bevindt zich buiten de zonering van deze persleiding.

Figuur 4.3 Ligging persbuisleiding (digitale watertoets) In het plangebied is geen sprake van wateroverlast vanuit het open water of vanuit de riolering. Wel zijn er, net als in de rest van Ridderkerk, in natte perioden klachten van bewoners over natte kruipruimtes en water in de kelders. Dit heeft te maken met de relatief hoge grondwaterstanden. Conform het Waterstructuurplan IJsselmonde (2004) heeft het peilgebied in 2050, rekening houdend met de klimaatverandering, een tekort aan waterberging.

34/114

Waterkwaliteit De waterkwaliteit van het oppervlaktewater is matig. De matige waterkwaliteit wordt met name veroorzaakt door nutriënten van riooloverstorten en door diffuse verontreinigingen door bijvoorbeeld afspoeling van wegen. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone, onderdeel van het milieubeschermingsgebied voor grondwater zoals vastgesteld in de provinciale milieuverordening (zie figuur 4.4). Deze milieubeschermingsgebieden zijn aangewezen om het grondwater dat wordt gebruikt voor de drinkwaterbereiding te beschermen. Binnen het grondwaterbeschermingsgebied gelden specifieke eisen bij (bouw)activiteiten. Deze zijn vastgelegd in de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland. Het is verboden om zonder melding onderstaande activiteiten te verrichten:   

het graven tot een diepte van 4 meter onder het maaiveld, anders dan voor het aanleggen van een bouwwerk; het plaatsen van peilbuizen en sonderingen ten behoeve van bodemonderzoek tot aan het zoetbrakgrensvlak;' het verrichten van werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 4 meter beneden het maaiveld, ten behoeve van waterstaatswerken en dijkverbetering;

Figuur 4.4 Milieubeschermingsgebied voor grondwater (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op een gemengd rioolstelsel. Door het plangebied loopt een persleiding ter hoogte van de Frans Halsstraat.

35/114

Toekomstige situatie Het plan maakt de realisatie van maximaal 102 woningen mogelijk. Het verkavelingsplan voorziet in twee appartementcomplexen langs de Rembrandtweg met 63 appartementen van circa 75 m² (gebruiksoppervlak) en twee appartementcomplexen langs de Hobbemastraat welk 39 kleinere appartementen bevatten van circa 50-60 m² (gebruiksoppervlak). Uitgangspunten HWA en DWA HWA en DWA moeten gescheiden aangeboden worden. Balkons en galerijen dienen apart op het DWA aangesloten te worden. Dakwater en water van verhardingen moet vertraagd afvoeren naar de sloot. De eerste 50mm moet afgevangen worden en vertraagd afgevoerd worden. De daarvoor benodigde berging dient na 24-48 weer beschikbaar te zijn. Waterkwantiteit Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 14% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in een toename van verhard oppervlak, maar juist in een afname van verhard oppervlak zoals te zien is in tabel 4.6.

Er is sprake van een toename door de grotere gebouwen (+ 765) en ook een toename door extra verharding (+ 552) vooral voor extra parkeren). Daarbij is overigens geen rekening gehouden met toepassing van halfverharding onder parkeren en delen van de paden, wat een positief effect heeft. Omdat echter particuliere tuinen bij de huurwoningen verdwijnen (totaal 3.845 m2), verdwijnt ook veel verharding die daarin aanwezig is. In de tabel is zoals gebruikelijk gerekend met 50 % verhard (= 1923 m2). Overigens zou ook bij een aanname van maar 30 % verharding van de bestaande tuinen (30% van 3.845 m2 = 1154 m2) geen compensatie aan de orde zijn. Deze getallen zijn gebaseerd op de voorlopige inrichtingsplannen, maar gelet op de (zeer) positieve uitkomst zal ook bij beperkt aangepaste uitvoering van het inrichtingsplan geen sprake zijn van een toename van verharding. Compensatie/een vergunningaanvraag is dus niet nodig. Bestaande verharding Footprint gebouwen

Beoogde verharding

Balans

4.533 m²

5.298 m²

+ 765 m²

1.923 m² 50 % van privé tuinen

verharding in groen is meegenomen in verkeer

- 1923m²

Verkeer en parkeren

7.408 m²

7.930 m²

+ 522 m²

Totaal

13.864 m²

13.228 m²

- 636 m²

Tuinen (nu deels privé)

Tabel 4.6 Verhardingsbalans Om buffering van regenwater te realiseren worden in de binnentuinen wadi's gerealiseerd.

36/114

Afvalwaterketen en riolering Conform de Kennisbank Riolering (Rioned) en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting;  (in-) filtratie van afstromend hemelwater;  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Er zal een gescheiden rioleringstelstel worden aangelegd zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Het (schone) regenwater kan eenvoudig worden afgevoerd naar het oppervlaktewater (de wetering). Hierbij zal conform de HWA eisen sprake moeten zijn van vertraagde afvoer (50 mm vasthouden). Belangrijk daarbij is dat een zogenaamde bui 9 (blokbui 90 mm/u) zonder problemen kan worden verwerkt. Dit moet op basis van het (definitieve) inrichtingsplan nader worden onderzocht. In het inrichtingsplan zijn mede gelet hierop al enkele wadi's voorzien. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in kern- en beschermingszone van een waterkering. De beoogde ontwikkeling ligt in een boringsvrije zone zoals bepaald in de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland. De beoogde ontwikkeling verricht geen bodemwerkzaamheden tot een diepte van 4m voor het aanleggen van bouwwerken. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de eisen van de verordening en er zijn geen verdere beperkingen voor het plan. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aanof afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Er is geen toename in de verharding. Er zal bij de bouwwerkzaamheden voldaan moeten worden aan de eisen voor de boringvrije zone.

37/114

Om goed invulling te kunnen geven aan de vertraagde afvoer/noodzaak om een 90 mm/u blokbui probleemloos te kunnen bergen, moet op basis van het definitieve inrichtingsplan nog een specifieke berekening worden gemaakt en moet zo nodig in extra (piek)berging worden voorzien.

4.5

Bodem

Toetsingskader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het projectgebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of projectgebied. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. de volgende uitgangspunten overheersen:  het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik;  het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging;  het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Onderzoek en conclusie In geval van functiewijziging dient een verkennend bodemonderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Aangezien sprake is van sloop en nieuwbouw van woningen zou dit planologisch gezien niet aan de orde zijn. Bodemonderzoek is in het kader van de omgevingsvergunning veelal wel vereist. Een verkennend bodemonderzoek (20 jan 2017, kenmerk M16A0249) is daarom uitgevoerd door MWH voor fase 1 en fase 2 gezamenlijk. Het bodemonderzoek is recentelijk geactualiseerd voor fase 2: Actualiserend verkennend en nader bodemonderzoek, KP Adviseurs, kenmerk 210722-B01, zie bijlage 3. Doelstelling van het onderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit vast te stellen in relatie tot de voorgenomen herontwikkelingswerkzaamheden. Onderstaand betreft een beschouwing van de conclusies en aanbevelingen.

38/114

Een deel van de locatie is vooralsnog niet geschikt voor het beoogde toekomstig gebruik (wonen met tuin). In figuur 4.5 staat het onderzoekgebied weergegeven. Voor Spot 1, 2 en 3 is het volgende waargenomen: 

Op de hoek Rembrandtweg / Frans Halsstraat (spot 1) is op basis van voorgaand en onderhavig bodemonderzoeken een matige tot en met sterke grondverontreiniging aangetoond met diverse zware metalen en PAK. De sterke grondverontreiniging met zware metalen bevindt zich in de ondergrond tot maximaal 3,5 m-mv. De sterke grondverontreiniging met PAK bevindt zich in de boven- en ondergrond tot circa 2,5 m-mv. De verontreiniging is mogelijk te relateren aan een NAVOS-stortlocatie. Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging, welke inpandig en buiten de projectlocatie niet is afgeperkt (buiten de scope van onderhavig onderzoek); Het grondwater ter plaatse van spot 1 is sterk verontreinigd met PAK, alsmede licht verontreinigd met barium en xylenen. Vermoedelijk is de sterke grondwaterverontreiniging gerelateerd aan de sterke grondverontreiniging met PAK, als gevolg van de aanwezigheid van de voormalige stortlocatie. Geadviseerd wordt om een nader bodemonderzoek uit te laten voeren teneinde de ernst en omvang van de grondwaterverontreiniging vast te stellen; Ten zuidwesten van spot 1 zijn twee aanvullende verontreinigingsspots (spots 2 en 3) vastgesteld met matig tot sterk verhoogde zinkgehaltes in de bovengrond. Het betreffen geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging zoals genoemd in de Circulaire bodemsanering.

Figuur 4.5 Onderzoeksgebied bodemonderzoek. Hierop zijn de 3 spots aangegeven.

39/114

Mede hierdoor is een deel van de locatie is vooralsnog niet geschikt voor het beoogde toekomstig gebruik (wonen met tuin). Het onderzoek adviseert om ter plaatse van 'Spot 1' een nader grondwateronderzoek naar PAK uit te voeren om de ernst en omvang ervan te bepalen. Indien het voornemen is (graaf-) werkzaamheden te verrichten ter plaatse van de openbare weg dan dient tevens rekening te worden gehouden met de vastgestelde verontreinigingssituatie. Daarnaast wordt geadviseerd om voorafgaand aan werkzaamheden in verontreinigde grond een saneringsplan (of BUSmelding) op te stellen en in te dienen bij het bevoegd gezag Wbb (DCMR Milieudienst Rijnmond). Ter plaatse van spots 2 en 3 is geen sprake van ernstige bodemverontreiniging. Echter, in het kader van de voorgenomen herontwikkeling wordt geadviseerd de verontreinigingen met zink tevens te saneren. Geadviseerd wordt om in overleg te treden met DCMR en de gemeente Ridderkerk om af te stemmen of dit onder het saneringsplan kan worden uitgevoerd, of dat hiervoor een separaat plan van aanpak opgesteld dient te worden. Ten slotte is er advies geformuleerd ten aanzien van de bodemsaneringswerkzaamheden, de uitvoerend aannemer dient ten behoeve van de uitvoering een V&G-plan uitvoeringsfase op te stellen. Bij de voorbereiding en uitvoering van de sanering moet de aannemer zich laten begeleiden door een Hoger Veiligheidskundige, e.e.a.

zoals omschreven in de CROW 400. Conclusie Binnen het plangebied is sprake van bodemverontreiniging, deze verontreinigingen lopen uit van matige tot en met sterke grondverontreiniging. Mede hierdoor is een deel van de locatie is vooralsnog niet geschikt voor het beoogde toekomstig gebruik (wonen met gezamenlijke binnentuinen). Er dient een nader grondwateronderzoek ter plaatse van spot 1 te opgesteld. Voor spot 2 en 3 wordt geadviseerd de bodem te saneren. Uitgaande van uitvoering van nader onderzoek en benodigde saneringen vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1065/documents/37320