CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan Rembrandtweg Fase 2.pdf

Commissie Samen wonen RK 4 april 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Vaststelling bestemmingsplan Rembrandtweg fase 222.610 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader Erfgoedwet De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1992) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plaatse te bewaren (zgn. behoud in situ) en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, sporen en structuren, waaronder nederzettingsterreinen en landschappelijke- en infrastructurele elementen, die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, houdt de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten.

40/114

Indien behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven, om de archeologische informatie zodoende (ex situ) te behouden voor wetenschappelijk onderzoek. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Onderzoek Door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie is ten behoeve van de beoogde ontwikkeling (fase 1 en fase 2) een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd (zie Bijlage 6). Uit het bureauonderzoek volgt een middelhoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten uit de periode Romeinse tijd/Late Middeleeuwen. Vindplaatsen uit de periode na de herbedijking (Late Middeleeuwen B en Nieuwe tijd) kunnen zich op het overstromingsdek bevinden.

Gezien de afstand tot de kern van Ridderkerk wordt de kans op het aantreffen van sporen van bebouwing of bewoning als laag ingeschat; wel kunnen zich langs de oever van de Blaak activiteiten zones hebben bevonden die te maken hebben met de exploitatie van het water, bijvoorbeeld door middel van visvangst, resten van bootjes etc. De aanwezigheid van sporen uit de Vroege Middeleeuwen of uit de late prehistorie kunnen op basis van het bureauonderzoek ook niet geheel worden uitgesloten. Op dinsdag 5 juli 2016 is een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd. Op basis van dit veldonderzoek is geconstateerd dat het in het plangebied aanwezige Hollandveen is afgedekt met komafzettingen. Daarbovenop bevindt zich een pakket geroerd, deels puinhoudend materiaal. In twee boringen is de overgang van het veen naar de bovengelegen fluviatiele afzettingen erosief. In het grootste deel van het plangebied is de diepere bodemopbouw intact, en bestaat uit een 'verdronken' veenlandschap, veranderend in een komkleigebied. In de top van het veen zijn geen sporen van veraarding of verdroging aangetroffen. Gezien het landschappelijk karakter van de fluviatiele afzettingen waarin zeer kleiige humeuze bandjes ('vegetatieniveaus') van wisselende dikte voorkomen, worden geen archeologische vindplaatsen verwacht.

Er zijn geen primaire of secundaire archeologische indicatoren aangetroffen. Hierbij dient echter wel vermeld te worden dat het onderzoek verkennend van aard was en niet tot doel had om archeologische indicatoren op te sporen. Voor het gehele plangebied kan gezien de aangetroffen bodemopbouw worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats klein is. Op basis van de resultaten van het onderzoek is de archeologische verwachting voor deze delen van het plangebied daarom bijgesteld naar 'laag' en adviseert Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie dan ook geen vervolgstappen. Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische 'toevalsvondst' wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van dit grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij de Minister van OC&W (in de praktijk bij de gemeente Ridderkerk). Beoordeling Archeologie Rotterdam (BOOR) Archeologie Rotterdam adviseert gemeente Ridderkerk om het rapport van Vestiga Archeologie & Cultuurhistorie goed te keuren en de aanbeveling om in het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren, over te nemen. Dit advies is opgenomen bij Bijlage 7.

41/114

Conclusie Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg. De verwachting is dat er geen archeologische resten zullen worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden. Er dient echter altijd rekening te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men melding te maken bij het bevoegd gezag, in deze de gemeente Ridderkerk. Tevens is conform de gebruikelijke bestemmingsregeling de relevante aanduiding Archeologische waarde opgenomen op verbeelding en geborgd in de regels.

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een risicorelevante inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Voor het GR is geen norm vastgesteld. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

42/114

Gemeentelijk beleid De gemeente Ridderkerk beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. Deze beleidsvisie bevat het samenhangend beleid ten aanzien van externe veiligheid. In de visie is een bijlage opgenomen met een overzicht van allen risicobronnen met bijbehorende risico's. In de bijlagen is tevens een scenarioanalyse opgenomen van de meest waarschijnlijke en worstcase ongevalscenario's. De beleidsvisie is kaderstellend voor het nemen van ruimtelijke besluiten en het verlenen van vergunningen waarbij externe veiligheid in het geding is. Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking. Ook bevindt het plangebied zich niet in het invloedsgebied van transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water of door buisleidingen. Zie onderstaand figuur

Figuur 4.6 Risicokaart in omgeving van plangebied (atlas leefomgeving) Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten westen van het plangebied op een afstand van circa 750 meter bevindt zich de A15 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd (A15/A16 knooppunt Ridderkerk Noord, wegvak Z55). Het invloedsgebied wordt bepaald door het vervoer van de stofcategorie GT4 en LT3 en bedraagt 4 kilometer. Het plangebied bevindt zich niet in de PR-contour.

43/114

Tevens is er geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Omdat de beoogde ontwikkeling voor de A15 op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Rembrandtweg, Adriaen van Ostadestraat, Hobbemastraat en de Pieter de Hoochstraat. Deze wegen sluiten aan op het verdere wegennetwerk van Ridderkerk. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen maximaal 102 woningen gerealiseerd worden ter vervanging van 94 verouderde maar verder vergelijkbare woningen. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groep wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.

Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A15. Vanwege de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling (toename van 8 woningen) zal het groepsrisico echter niet aanzienlijk toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

44/114

4.8

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van woningbouw. Woningen zijn milieugevoelige functies. Het plangebied ligt in een woonwijk nabij een waterpartij en een park. Gezien de korte afstand tot centrumfuncties kan het gebied getypeerd worden als gemengd gebied. Op enkele meters ten zuidoosten van het plangebied zijn een kapper en een audicien te vinden. Deze bedrijven vallen onder dienstverlening en zijn niet opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Er geldt hiervoor dus geen richtafstand. Daarnaast zijn rondom het plangebied nog enkele bedrijven uit milieucategorie 1 te vinden waarvoor in gemengd gebied geen richtafstand geldt. Conclusie Ter plaatse van de beoogde woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan.

4.9

Ecologie

Toetsingskader: Wet natuurbescherming (Wnb) Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura-2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

45/114

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

46/114

Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied is Boezems Kinderdijk op circa 2,5 kilometer afstand, zie figuur 4.7. Het dichtsbijzijnde onderdeel van NatuurNetwerk Nederland ligt op circa 1,3 kilometer van het plangebied, zie figuur 4.8. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Stikstofuitstoot die vrijkomt tijdens de aanleg- of gebruiksfase, die schadelijke kan zijn voor omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend in paragraaf 4.10.

Figuur 4.7 Uitsnede Natura 2000-kaart ten opzichte van het plangebied (in rood aangegeven) (bron: natura2000.nl)

Figuur 4.8 Uitsnede NatuurNetwerk Nederland-kaart ten opzicht van het plangebied (in rood aangegeven) (bron: atlasleefomgeving.nl)

47/114

Soortenbescherming In 2016 is een onderzoek naar flora- en faunawet soorten uitgevoerd door Elzerman Ecologisch Advies. Dit onderzoek staat in Bijlage 4. In dit onderzoek zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Er is een ontheffing aangevraagd en deze loopt van 2023 tot en met 2028. Er zijn daarom beschermingsmaatregelen getroffen en dit is opgenomen in een activiteitenplan, opgesteld door Bureau Stadsnatuur. Dit activiteitenplan staat in Bijlage 5 . Deze beschermingsmaatregelen bevatten acht tijdelijke vleermuis kasten aan de Gerard Doustraat. Deze worden na de realisatie van de nieuwe appartementen verwijderd. In de nieuwe appartementen worden namelijk op de kopgevels vleermuiskasten ingebouwd.

Figuur 4.9 Locaties inbouwkasten (bron: Bureau Stadsnatuur)

4.10 Stikstof Toetsingskader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming:  verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving;  vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen;  legt de rol van het bevoegd gezag voor verlening van vergunningen bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen:  De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.  Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

48/114

Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft.

Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk. Daarom wordt de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar aangehouden. Stikstof wordt gemeten in de eenheid 'mol'. De depositie wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar. Als de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar niet wordt overschreden, betekent dat er door de ontwikkeling geen sprake is toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Onderzoek Door Rho Adviseurs is een stikstofberekening uitgevoerd voor de realisatie- en gebruiksfase. Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.1) is deze berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatie- en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. De memo van het onderzoek is opgenomen in bijlage 8.

De berekening van de sloop- en de start van de aanlegfase in 2024 is opgenomen in bijlage 9, de berekening van de afronding van de aanlegfase en de start van de gebruiksfase in 2025 is opgenomen bijlage 10 en de berekening over de rest van de gebruiksfase is opgenomen in bijlage 11. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (versie 2023.1) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.7 weergegeven.

49/114

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³ 40 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Tabel 4.7 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 102 woningen mogelijk ter vervanging van 94 bestaande woningen.

Het aantal toegevoegde woningen (8) valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de CIML kaart (https://www.cimlk.nl/kaart). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Frans Halsstraat, direct ten oosten van het plangebied. Uit de CIML kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 21,4 µg/m³ voor NO2, 17,6 µg/m³ voor PM10 en 10,0 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat

4.12 Kabels en leidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (planologisch)relevante leidingen aanwezig.

50/114

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de ontwikkeling, een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. De functies in het plangebied zijn voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling. Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De regeling is tevens afgestemd op de gemeentelijke standaard voor bestemmingsplannen.

5.2

Opbouw regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs- en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk. De opzet en inhoud van de regels sluit aan bij het onlangs vastgestelde bestemmingsplan Woongebied Ridderkerk.

5.3

De bestemmingen

Groen Kenmerkend (openbaar) groen binnen het plangebied is bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn beplanting, water en voet- en fietspaden toegestaan. Ter plaatse van de functieaanduiding 'speelvoorziening' is tevens een speelvoorziening toegestaan. Tuin De (voor)tuinen bij de appartementen vallen niet onder de woonbestemming. Deze zijn apart bestemd als 'Tuin'. Dit geeft het beoogde gebruik en uitstraling aan en het is ook niet wenselijk is om hier erfbebouwing toe te staan. Wel mogen hier trappen worden gerealiseerd die leiden naar naastgelegen buitenruimtes van woningen.

51/114

Verkeer Wegen met een stroomfunctie (over het algemeen 50 km/h-wegen) inclusief bijbehorende voet- en fietspaden zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer'. Verkeer - Verblijfsgebied De in het plangebied aanwezige openbare wegen met een verblijfsfunctie (Rembrandtweg en Hobbemastraat) zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Deze wegen zijn vooral gericht op het verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen. Binnen deze bestemming zijn o.a. parkeervoorzieningen, groen, speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen toegelaten. Ten behoeve van deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting zijn vergunningvrij en gereguleerd in het Besluit omgevingsrecht. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is vastgelegd in de regels. Wonen Een belangrijk deel van het plangebied is voorzien van de bestemming 'Wonen'. Op de verbeelding zijn de maximale bouwmogelijkheden aangegeven door middel van maatvoeringsaanduidingen. Er zijn binnen de plangrenzen maximaal 102 woningen toegestaan. Daarnaast zijn er eveneens binnen de bestemming 'Wonen' twee locaties voor loopbruggen opgenomen; deze zijn voorzien van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - loopbrug'.

Deze loopbrug heeft een maximum hoogte van 8 meter en een vrije doorgang van minimaal 4 meter. De voor heel woongebied Ridderkerk geldende regeling is vanwege de gewenste uniformiteit in regels vrijwel geheel overgenomen. Daardoor zijn regels, bijvoorbeeld voor erfbebouwing, deels wat minder relevant. Waarde - Archeologie 3 Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen, afgestemd op het gemeentelijk archeologiebeleid. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden. Wanneer het bouwen of het uitvoeren van deze werken en werkzaamheden niet dieper gaan dan 50 cm én groter is dan 200 m² is dit niet nodig.

52/114

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voor de kosten die samenhangen met de ontwikkeling is een anterieure overeenkomst opgesteld tussen de gemeente en de initiatiefnemer Wooncompas. In deze overeenkomst is geregeld op welke wijze de kosten verdeeld zijn. Het uitgangspunt hierbij is dat de gemeente niet zal bijdragen aan de kosten die het gevolg zijn van de voorgestane ontwikkeling/herstructurering. Naast de verdeling van kosten is ook de overdracht van gronden in deze overeenkomst geregeld aangezien niet alle gronden in eigendom zijn van Wooncompas. Met een anterieure overeenkomst is de (economisch) uitvoerbaarheid van het plan verzekerd. Bij indiening van het ontwerpbestemmingsplan wordt deze anterieure overeenkomst ondertekend. Omdat (het verhaal van) de kosten via een anterieure overeenkomst wordt geregeld is een exploitatieplan niet nodig.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Ter voorbereiding op de herontwikkeling en de vertaling daarvan in dit bestemmingsplan zijn door Wooncompas drie informatieavonden gehouden. Deze hebben plaatsgevonden op 29 juni 2022 , 15 februari 2023 en 3 oktober 2023. Voor de avonden zijn zowel huurders als direct omwonenden uitgenodigd. Opmerkingen die op deze avonden zijn gemaakt zijn meegenomen bij de planuitwerking. Een overzicht van de reacties van de bijeenkomst op 29-06-2022 is opgenomen als bijlage 12. De uitnodiging en een overzicht van de reacties van de bijeenkomst op 15 februari 2023 zijn opgenomen als bijlage 13 en 14. Het verslag van de bijeenkomst van 3 oktober is opgenomen als bijlage 15. Op deze wijze is zorgvuldig invulling gegeven aan participatie/inspraak.

6.3

Vooroverleg

Conform artikel 3.1.1. Bro heeft vooroverleg plaatsgevonden met de volgende instanties. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Provincie Zuid-Holland Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) Waterschap Hollandse Delta DCMR Milieudienst Rijnmond Archeologie Rotterdam Gasunie

Ad 1. Vanuit de provincie is geen reactie ontvangen. Het plan past overigens zoals ook onderbouwd in paragraaf 3.3, geheel aan het provinciaal beleid. Ad 2. De VRR geeft aan dat er een fysieke veiligheidsaspecten geconstateerd zijn. Wel adviseert de VRR toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten adequaat kunnen optreden. Daarnaast attendeert de VRR op het aspect van waterveiligheid dat er bij het perceel mogelijk wateroverlast zou kunnen ontstaan bij extreme neerslag en overstromingen. Op het aspect water en maatregelen daarvoor wordt ingegaan in paragraaf 4.4.

53/114

De volledige brief van de VRR is opgenomen in bijlage 16. Ad. 3 Vanuit het Waterschap is geen reactie ontvangen. Ad 4. Vanuit de DCMR is geen reactie ontvangen Ad 5. Archeologie Rotterdam heeft bij mail van 12 oktober 2023 aangegeven geen opmerkingen of aanvullingen te hebben. Ad 6. Vanuit de Gasunie is geen reactie ontvangen.

54/114

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r. Rembrandtweg Fase 2

REMBRANDTWEG FASE 2 Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling 14 november 2023

1/18

DATUM KENMERK

14 november 2023 20221261/113906/MadJ

PROJECT PROJECTLEIDER

Ridderkerk Rembrandtweg Fase 2 ir. L.C. Snel

OPDRACHTGEVER Wooncompas PROJECTNUMMER 20221261 AUTEUR STATUS

2/18

M. de Jong Definitief

INHOUD Inleiding 1.1 1.2 1.3

5 Aanleiding Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? Leeswijzer

Plaats en kenmerken van het project 2.1

2.2

6

Plaats van het project 2.1.1 Algemeen 2.1.2 Bestaand grondgebruik 2.1.3 Relatieve rijkdom aan/kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen in het gebied 2.1.4 Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

6 6 6

Kenmerken van het project 2.2.1 Beoogde ontwikkeling 2.2.2 Cumulatie met andere projecten 2.2.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen 2.2.4 Overige kenmerken 2.2.5 Conclusie

9 9 10 11 11 11

Kenmerken van de milieueffecten

3/18

5 5 5

7 7

12

3.1

Verkeer en parkeren 3.1.1 Toetsingskader 3.1.2 Beoordeling effecten 3.1.3 Conclusie

12 12 12 12

3.2

Geluid 3.2.1 3.2.2 3.2.3

Toetsingskader Beoordeling effecten Conclusie

12 12 13 13

3.3

Luchtkwaliteit 3.3.1 Toetsingskader 3.3.2 Beoordeling effecten 3.3.3 Conclusie

13 13 13 13

3.4

Externe veiligheid 3.4.1 Toetsingskader 3.4.2 Beoordeling effecten

14 14 14

3.5

Bodem 3.5.1 Toetsingskader 3.5.2 Beoordeling effecten 3.5.3 Conclusie

14 14 15 15

3.6

Water 3.6.1

15 15

Toetsingskader

3.6.2 3.6.3

Beoordeling effecten Conclusie

15 15

3.7

Ecologie 3.7.1 Toetsingskader 3.7.2 Beoordeling effecten 3.7.3 Conclusie

15 15 16 16

3.8

Archeologie en cultuurhistorie 3.8.1 Toetsingskader 3.8.2 Effect beoordeling 3.8.3 Conclusie

17 17 17 17

Conclusie

4/18

18

INLEIDING 1.1

Aanleiding

Aan de Rembrandtweg en Hobbemastraat in gemeente Ridderkerk liggen vier verouderde portiekappartementencomplexen met totaal 94 woningen die aan vervanging toe zijn. In opdracht van Wooncompas zijn plannen opgesteld om de verouderde appartementen te slopen en vier nieuwe appartementencomplexen te bouwen op de bestaande kelderbakken. Het voornemen betreft de realisatie van maximaal 102 appartementen. De omliggende openbare ruimte maakt ook deel uit van het plangebied en wordt opnieuw ingericht. Deze ontwikkeling is niet toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Ridderkerk West’. Daarom is een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In het Besluit milieueffectrapporten (Besluit m.e.r.) is vastgelegd wanneer een milieueffectrapport (MER) of een milieueffectbeoordeling (m.e.r.-beoordeling) moet worden opgesteld bij projecten, plannen en besluiten. Voor dit bestemmingsplan is het volgende onderdeel van belang: Besluit milieueffectrapportage categorie D (sectie D 11.2) De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Bij overschrijding van de volgende drempelwaarden dient een m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld, voor kleinere hoeveelheden is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig: ● een oppervlakte van 100 hectare of meer; ● een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen of; ● een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In onderhavig geval worden de drempelwaarden niet overschreden en is dus een vormvrije m.e.r-beoordeling nodig

1.2

Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?

In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de omvang van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet de hiervoor genoemde aspecten, waarbij mogelijke mitigerende maatregelen mogen worden betrokken.

1.3

Leeswijzer

Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.

5/18

PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1

Plaats van het project

2.1.1 Algemeen Het plangebied ligt westelijk van het centrum van Ridderkerk en grenst noordelijk aan de Blaakwetering. Oostelijk grenst het plangebied aan de Frans Halsstraat. Ten zuiden en westen van het plangebied zijn appartementencomplexen gelegen die aan de Pieter de Hoochstraat en de Adriaen van Ostadestraat liggen. De appartementen in deze complexen zijn particulier eigendom. Daarnaast staan zuidelijk aan de Pieter de Hoochstraat geschakelde eengezinswoningen. Het plangebied ligt daarmee in een woongebied. Binnen het woongebied bevinden zich wel enkele commerciële functies. Verder staan langs en in het plangebied enkele bomenrijen zoals te zien in Figuur 2-1.

Figuur 2-1 Ligging plangebied (bron: Rho Adviseurs)

2.1.2 Bestaand grondgebruik Op de locatie staan in de huidige situatie vier appartementencomplexen. Deze vier appartementencomplexen bevatten 94 sociale huurwoningen. Twee van deze appartementen complexen staan parallel aan de Rembrandtweg en zijn hier op georiënteerd. De andere twee appartementencomplexen staan parallel aan weerszijde van de Hobbemastraat en zijn hierop georiënteerd. De achterzijden van de appartementencomplexen bestaat voornamelijk uit (binnen)tuinen en gedeeltelijk uit semi-openbaar terrein. De ontsluiting van het plangebied vindt voornamelijk plaats via de Rembrandtweg en de Frans Halsstraat.

6/18

Figuur 2-2 Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps Streetview)

2.1.3 Relatieve rijkdom aan/kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen in het gebied Het plangebied ligt in een woongebied en betreft een perceel met reeds bestaande bebouwing, verharding, tuinen en een grasveld. Vanuit het oogpunt van ecologie/ecosysteemdiensten wordt het gebied als volgt gekarakteriseerd: - Het projectgebied is geen producent van vernieuwbare hulpbronnen zoals biomassa (hout) of van milieuvoorraden, wel maakt het onderdeel uit van een grondwater beschermingsgebied.); - Het plangebied heeft in het huidige gebruik een zeer geringe functie voor regulerende (ecologische) diensten (zoals bestuiving van gewassen); - Het plangebied heeft een beperkte functie voor diensten die de voorgaande diensten ondersteunen (zoals biodiversiteit). 2.1.4 Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied is niet gelegen binnen een weidevogelleef- of foerageergebied en maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 2,5 kilometer en betreft het gebied Boezems Kinderdijk, zie figuur 2-3. Het dichtstbijzijnde onderdeel van een natuurgebied behorende tot het NNN ligt op een afstand van circa 1,3 kilometer, zie figuur 2-4.

Wel is het plangebied gelegen in een boringsvrije zone (milieubeschermingsgebied voor grondwater), zie figuur 2-5. In deze zone is het verboden om gaten te maken of graafwerkzaamheden te verrichten dieper dan 2,5 meter en om zonder vergunning of toestemming putten te slaan. Het heien van palen zonder verbrede voet is toegestaan. In de realisatiefase dient hiermee rekening te worden gehouden.

7/18

Figuur 2-3 Globale ligging plangebied (weergegeven met rode cirkel) t.o.v. Natura 2000-gebied (natura2000.nl)

Figuur 2-4 Plangebied (weergegeven met rode cirkel) en Natuurnetwerk Nederland (Atlas leefomgeving)

8/18

Figuur 2-5 Grondwaterbeschermingsgebieden op basis van de omgevingsverordening Zuid-Holland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

2.2

Kenmerken van het project

2.2.1 Beoogde ontwikkeling In de nieuwe situatie worden vier appartementencomplexen met in totaal 102 sociale huurwoningen gerealiseerd. Alle gebouwen bestaan uit vier woonlagen gebouwd op de half verdiepte bestaande kelderbak. De appartementencomplexen worden twee aan twee gekoppeld door middel van loopbruggen, waardoor per twee appartementencomplexen kan worden voldaan met één stijgpunt. De appartementen worden ontsloten met een galerij aan de binnenzijde van het terrein.

9/18

Figuur 2-2 Impressie beoogde ontwikkeling

De huidige ontsluitingsstructuur blijft in stand, maar de openbare ruimte wordt wel heringericht. De parkeerplaatsen aan de Rembrandtweg verplaatsen van de weteringzijde naar de woningzijde. Daarnaast wordt er een parkeerkoffer gerealiseerd waar in de huidige situatie de speeltuin gelegen is. Deze parkeerkoffer is bereikbaar via de Hobbemastraat. De speeltuin wordt verplaatst naar het binnenterrein van de twee oostelijke appartementencomplexen. Verder worden er nog haaksparkeerplaatsen aan de Pieter de Hoochweg gerealiseerd.

Figuur 2-3 Verkavelingsopzet

2.2.2 Cumulatie met andere projecten Er zijn geen andere projecten in de omgeving die van invloed zijn op de milieuaspecten/beoordeling van het voorliggende plan.

10/18

2.2.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen De herontwikkeling bestaat uit de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van vier nieuwe appartementencomplexen. De woningen worden aardgasvrij gebouwd. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van de bestaande kelderbakken/funderingen. Tijdens de realisatiefase worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Tijdens de gebruiksfase zullen afvalstoffen ontstaan als gevolg van het woongebruik, zoals gebruikelijk is. 2.2.4 Overige kenmerken De aspecten verontreiniging en hinder, risico van zware ongevallen en/of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid komen aan bod in het volgende hoofdstuk. 2.2.5 Conclusie Het project betreft de herinrichting van een stukje bestaand woongebied waarbij het aantal woningen maar beperkt toeneemt (8 extra woningen) en de bestaande stedenbouwkundige structuur ook het uitgangspunt is. Het gebied heeft naast wonen geen bijzondere functie voor bijvoorbeeld ecologie of natuurlijke hulpbronnen.

11/18

KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkelingen beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie (94 woningen) inclusief autonome ontwikkelingen. In deze m.e.r.-beoordeling wordt gebruik gemaakt van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan.

3.1

Verkeer en parkeren

3.1.1 Toetsingskader Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten op van de verkeerseffecten van ontwikkeling op het omliggende gebied zijn de volgende criteria van belang: ● gevolgen voor de verkeersafwikkeling: de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling en de capaciteit van de ontsluitende wegen en kruispunten; ● gevolgen voor de verkeersveiligheid: de vormgeving en weginrichting versus de te verwachten verkeersintensiteiten; ● parkeerbehoefte en gevolgen voor de parkeerdruk in de omgeving: de parkeerbehoefte van de beoogde functie en de wijze waarop daarin wordt voorzien. 3.1.2 Beoordeling effecten Verkeersgeneratie en -afwikkeling In de huidige situatie zijn 94 sociale huurwoningen aanwezig. Met de beoogde sloop-nieuwbouw zijn er in de toekomstige situatie 102 (sociale huur)woningen. Dit betekent dat er een toename is van 8 woningen ten opzichte van de huidige situatie. Het totale aantal verkeersbewegingen zal daardoor in de nieuwe situatie nauwelijks verschillen met de huidige situatie. De beperkte toename van verkeer ten gevolge hiervan kan goed worden afgewikkeld op de omliggende wegenstructuur. Dit leidt daarom ook niet tot relevante negatieve milieueffecten. Parkeren Parkeren vindt op maaiveldniveau plaats aan vier verschillend straten: Rembrandtweg, de Hobbemastraat, Pieter de Hoochweg en Frans Halsstraat.

Op basis van de parkeernormen uit Nota Parkeernormen 2024 van gemeente Ridderkerk zijn 100 parkeerplaatsen benodigd. In het verkavelingsplan dat is opgesteld ten behoeve van de herstructurering wordt voorzien in de benodigde 100 parkeerplaatsen. Dit betekent dat er geen (extra) parkeerdruk in de omgeving te verwachten is. 3.1.3 Conclusie Het plangebied is goed omsloten voor het gemotoriseerde verkeer. De parkeerbehoefte van de ontwikkeling is berekend en wordt ingevuld langs de Rembrandtweg, Hobbemastraat en de Pieter de Hoochweg. Het aspect verkeer (en parkeren) leidt dus niet tot relevante negatieve milieueffecten op de omgeving.

3.2

Geluid

3.2.1 Toetsingskader Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. ●

●

12/18

In het kader van deze beoordeling is het van belang dat de nieuwe ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor geluidgevoelige objecten en bedrijven in de omgeving. Daarom moet worden bezien of: ter plaatse van de bestaande woningen in de omgeving een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

3.2.2 Beoordeling effecten Wegverkeerslawaai Zoals hiervoor aangegeven onder verkeer is sprake van een zeer beperkte toename van verkeer in het gebied, aangezien er slechts 8 extra woningen worden gerealiseerd. Verder wordt de bestaande verkeersstructuur gehandhaafd waardoor er ook geen veranderingen in de routekeuzes/verkeersstromen verwacht wordt. Uitgaande hiervan kan zondermeer worden gesteld dat er geen relevante akoestische effecten zijn op bestaande woningen. Daarnaast ontstaat er een beter leefklimaat binnenin de beoogde woningen door verbeterde isolatie. Ook verbeterd het leefklimaat door het toepassen van de maatregelen uit het onderzoek wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is bijgevoegd in het bestemmingsplan. Milieuruimte bedrijven Aangezien de nieuwe woningen gerealiseerd worden op de bestaande fundamenten veranderd de positie ten opzichte van beslaande bedrijven in de omgeving niet. Dit betekent dat deze ook niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering door de nieuwbouw. 3.2.3 Conclusie Zoals hiervoor aangegeven is er geen sprake van (significante) negatieve effecten op het aspect geluid vanwege het plan op de omgeving.

3.3

Luchtkwaliteit

3.3.1 Toetsingskader Voor luchtkwaliteit is de Wet milieubeheer (hoofdstuk luchtkwaliteitseisen) leidend. Hierin is onder andere opgenomen dat een ontwikkeling doorgang kan vinden indien wordt voldaan aan de grenswaarden, of indien een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen (bijdrage minder dan 3% van de grenswaarde). Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de luchtkwaliteit voor de omgeving en woningen zijn de volgende criteria van belang: ● Gevolgen voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen in relatie tot de wettelijke grenswaarden luchtkwaliteit (NO2, PM10,PM2,5) uit de Wet milieubeheer; ● Gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende gevoelige functies. In de Wet milieubeheer zijn normen gesteld voor de concentraties voor met name NO2, PM10 en PM2,5. 3.3.2 Beoordeling effecten Het plan betreft de sloop van 94 woningen waarna 102 woningen worden teruggebouwd. De toename van 8 woningen valt dus ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Significante negatieve gevolgen als gevolg van het plan kunnen daarmee uitgesloten worden.. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is onderzocht.

Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Frans Halsstraat. Uit het CIMLK blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 21,4 µg/m³ voor NO2, 17,6 µg/m³ voor PM10 en 10,0 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Er wordt ruimschoots voldaan aan de normen uit de Wet milieubeheer. Ter plaatse is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 3.3.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen significant effect op de luchtkwaliteit ter plaatse. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving kunnen zodoende ook worden uitgesloten.

13/18

3.4

Externe veiligheid

3.4.1 Toetsingskader Voor de beoordeling van externe veiligheid zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) bevat de regels rondom transportroutes (over de weg, het spoor en het water) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de regels met betrekking tot risicorelevante buisleidingen.

Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten van het plan op de omgeving vanwege externe veiligheid zijn de volgende criteria van belang: ● gevolgen voor de risicosituatie (plaatsgebonden risico en groepsrisico) van omliggende risicobronnen; ● gevolgen van de beoogde activiteiten voor de risicosituatie ter plaatse van omliggende kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. 3.4.2 Beoordeling effecten De beoogde ontwikkeling maakt geen risicovolle bronnen mogelijk. Er worden woningen mogelijk gemaakt welke te typeren zijn als kwetsbaar object. Vervoer van gevaarlijke stoffen Uit de informatie op de risicokaart blijkt dat op circa 750 meter ten westen van het plangebied zich de A15 bevindt waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het betreft hier de stofcategorieën GT4 en LT3 waarvoor de invloedssfeer 4 kilometer is. Het plangebied bevindt zich niet in de PR-contour en ook niet in een plasbrandaandachtsgebied. Omdat de beoogde ontwikkeling voor de A15 op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet niet in het mogelijk maken van risicovolle bronnen. Er zijn daarom geen negatieve effecten op de omgeving. Wel is het plangebied gelegen binnen de invloedssfeer van de A15 waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden.

Vanwege omvang van de beoogde ontwikkeling en ruime afstand tot A15 zal het groepsrisico niet merkbaar toenemen. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Er is dus geen sprake van een significant negatief effect.

3.5

Bodem

3.5.1 Toetsingskader De overheid streeft naar duurzaam gebruik van de bodem, door middel van het schoonmaken van ernstig verontreinigde grond (saneren), licht verontreinigde grond blijvend te beheren en schone grond schoon te houden. Bij een functiewijziging dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Daarnaast geeft de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) invulling aan het bodembeschermingsbeleid met betrekking tot bedrijfsmatige activiteiten. Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van bodem zijn de volgende criteria van belang: ● huidige bodemkwaliteit en geschiktheid voor de beoogde functies(s); ● effect van de beoogde ontwikkeling op de bodemkwaliteit;

14/18

3.5.2 Beoordeling effecten In 2023 is er een actualiserend verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd door KP Adviseurs. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage in het bestemmingsplan. In dit onderzoek zijn verschillende spots aangetroffen waar matige tot sterke verontreiniging is aangetroffen. Hierdoor is een deel van het plangebied nog niet geschikt voor de beoogde ontwikkeling. In het kader van de ontwikkeling zal bodemsanering plaatsvinden om woningbouw mogelijk te maken. Zo worden bestaande vervuilingen verwijderd en wordt de bodemkwaliteit verbeterd. De woonfunctie vormt daarnaast geen bedreiging voor de bodemkwaliteit, niet in het plangebied noch in de (directe) omgeving daarvan. 3.5.3 Conclusie In het kader van de herinrichting zal bodemsanering plaatsvinden. De woonfunctie zelf vormt geen gevaar voor de bodemkwaliteit, zodoende zijn er geen negatieve effecten omtrent de bodem(kwaliteit).

3.6

Water

3.6.1 Toetsingskader Het toetsingskader voor water wordt met name gevormd door de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de uitwerking daarvan en de Waterwet en onderliggende uitvoeringsregels. De provincie en het waterschap hebben dit uitgewerkt in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van water zijn de volgende criteria van belang: ● Effecten op de waterhuishouding: waterkwantiteit, waterberging en waterkwaliteit; ● Effecten op de waterkeringen en waterveiligheid; ● Effecten op waterketen; 3.6.2 Beoordeling effecten Het plangebied ligt niet in de beschermingszone van een watergang of waterkering en heeft geen effect op de waterveiligheid. Wel ligt het plangebied in een boringsvrije zone, zoals in figuur 2-4 te zien is. Het is in deze zone niet toegestaan om gaten te maken of graafwerkzaamheden te verrichten dieper dan 2,5 meter en om zonder vergunning of toestemming putten te slaan. Het heien van palen zonder verbrede voet is toegestaan. De beoogde ontwikkeling wordt gebouwd op de bestaande kelderbakken. Graafwerkzaamheden van dieper dan 2,5 meter zijn daarom niet aan de orde. Daarnaast wordt geen gebruik gemaakt van heipalen met een verbrede voet.

Het hemelwater afkomstig van de daken wordt afgekoppeld van de riolering en infiltreert waar mogelijk in de bodem of op het oppervlaktewater. In de toekomstige situatie neemt de verharding af. Daarnaast nemen de mogelijkheden voor het vasthouden van hemelwater toe. Het plan speelt in op de klimaatverandering, dit is voor zowel het plangebied als de directe omgeving belangrijk en positief. 3.6.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

3.7

Ecologie

3.7.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

15/18

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: ● Natura-2000 gebieden; ● Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● Soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ● overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen en de voorwaarden waaronder Gedeputeerde Staten hiervan ontheffing of Provinciale Staten hiervan vrijstelling kunnen verlenen. Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van natuur zijn de volgende criteria van belang: ● gebiedsbescherming: aantasting of verstoring van Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland; ● soortenbescherming: aantasting of verstoring van bestaande natuurwaarden. 3.7.2 Beoordeling effecten Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied is niet gelegen binnen weidevogelleefgebied en maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen gezien de afstand tot natuurgebieden worden uitgesloten. In het bestemmingsplan zijn de depositie-effecten als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op het Natura 2000-gebied bepaald. Uit deze berekeningen blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

Soortenbescherming Om te bepalen wat de effecten van de ontwikkeling op beschermde dier- en plantensoorten zijn, is een quickscan ecologie uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage bij het bestemmingsplan. In dit onderzoek zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. In 2022 is er een activiteitenplan opgesteld door Bureau Stadsnatuur. Deze beschermingsmaatregelen bevatten acht tijdelijke vleermuis kasten aan de Gerard Doustraat. Deze worden na de realisatie van de nieuwe appartementen verwijderd. In de nieuwe appartementen worden namelijk op de kopgevels vleermuiskasten ingebouwd. In verband met de mogelijk aanwezigheid van algemene broedvogels in de tuin is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat vogels niet tot broeden komen. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig in de tuin. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied, gedurende de aanlegfase, is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. De zorgplicht blijft onverkort van kracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1070/documents/37291