CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan J.S. Bachstraat 4.pdf

Commissie Samen wonen RK 4 april 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: Vaststelling bestemmingsplan J.S. Bachstraat 422.544 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De Wet Natuurbescherming en het beleid van de provincie Zuid-Holland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming Ecologische quickscan Er is een ecologische quickscan uitgevoerd door Bureau Stadsnatuur. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 6 van de toelichting. Hieruit blijkt dat omdat er geen water aanwezig is in het plangebied waardoor beschermde soorten flora, ongewervelden, vissen, amfibieën en reptielen uitgesloten kunnen worden. Wat betreft vogels blijkt uit het onderzoek dat voor de Huismus en Gierzwaluw geen nestgelegenheid of essentieel groen aanwezig is. Voor overige broedvogels is het plangebied ook weinig geschikt. Alleen bij de drie bomen en de paar kleine struiken moet rekening gehouden worden met de kans op een nest. Bij het verwijderen van bomen en struiken dient rekening te houden geworden met het broedseizoen. Voor de meeste zoogdieren is het plangebied ongeschikt vanwege de bebouwing en het gebrek aan groen. Alleen de aanwezigheid van vleermuizen is niet geheel uitgesloten. Open stootvoegen in de bakstenen gevels van het hoofdgebouw kunnen vleermuizen toegang verschaffen tot de open spouwruimte. Hier kunnen vleermuizen in verblijven. Deze verblijfplaatsen zijn beschermd door de Wet natuurbescherming. In dit geval is het alleen geschikt voor Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis.

Overige beschermde functies voor zoogdieren kunnen worden uitgesloten. Omdat het plangebied in de bebouwde kom ligt zijn wetsartikelen uit de Wnb met betrekking tot beschermde houtopstanden niet van toepassing. De bomen staan niet op de Groene Kaart van de gemeente waardoor een kapvergunning niet verplicht is. Bureau Stadsnatuur geeft ook aan dat bij de ontwikkeling van het plan de mogelijkheid tot natuur inclusief bouwen bestaat. Hier dient rekening mee te houden bij het uitvoeren van de ontwikkeling.

40/122

Vervolgonderzoek vleermuizen In 2022 is een vleermuisonderzoek uitgevoerd bij de bebouwing van J.S. Bachstraat 4. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 7. Het vormt een vervolgonderzoek naar aanleiding van de quickscan. De bebouwing had potenties voor verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Bij het vleermuisonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden over verblijfplaatsen in de bebouwing. Er is geen gedrag vastgesteld dat wijst op een verblijfplaats, zoals zwermen voor de toegang tot een verblijfplaats of het in/-uitvliegen van dieren. Tijdens het gehele onderzoek is nauwelijks activiteiten van vleermuizen binnen het plangebied vastgesteld. Op basis van dit vleermuisonderzoek kunnen verblijfplaatsen in de bebouwing aan de J.S. Bachstraat 4 worden uitgesloten. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Er is ook geen sprake van stikstofdepositie. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt vastgesteld dat er geen verblijfplaatsen van beschermde diersoorten in het plangebied aanwezig zijn. De voorgenomen werkzaamheden kunnen dus worden uitgevoerd zonder restricties vanuit de Wet natuurbescherming.

4.3

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Door Econsultancy is verkennend bodemonderzoek (bijlage 8) uitgevoerd op de locatie. De resultaten daarvan zijn hieronder kort samengevat. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus.

De ondergrond bestaat voornamelijk uit zwak siltig klei.

41/122

In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. De ondergrond is licht verontreinigd met nikkel. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreiniging met nikkel in de ondergrond en barium in het grondwater, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk. In het verkennend bodemonderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn.

Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De gemeente Ridderkerk beschikt over een bodemkwaliteitskaart PFAS. Deze maakt daal uit van de rapportage van Marmos Bodemmanagement van 3 november 2020. Hieruit blijkt dat voor heel Ridderkerk geen onderverdeling te maken is in zones en daarom sprake is van één PFAS zone. Deze Zone PFAS Ridderkerk voldoet aan de toepassingswaarden voor wonen/industrie. Die geldt dus ook voor de projectlocatie in Slikkerveer. Veelal is wel sprake van waarden boven de landelijke achtergrondwaarden, de hogere concentraties worden vooral gemeten op onverharde locaties in het buitengebied. Voor zowel bestemmingsplan als bouwvergunning is PFAS niet bepalend. Voor de afvoer van grond of voor het werken in de grond kan dit wel relevant zijn. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d.

2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Conclusie De bodemkwaliteit levert geen belemmering op voor de geplande ontwikkeling.

42/122

4.4

Archeologie

Toetsingskader: Erfgoedwet Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Onderzoek en conclusie Voor het plangebied geldt dat er sprake is van een redelijk hoge archeologische verwachting. De archeologische waarden zijn te verwachten dieper dan 50 cm beneden het maaiveld. Voor gebieden met een redelijk hoge archeologische verwachting geldt dat grondwerkzaamheden, inclusief heien, over een oppervlakte van meer dan 200 m² en hiernaast dieper dan 50 cm beneden maaiveld moeten worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Voordat er een omgevingsvergunning wordt verleend moet er een plan van de voorgenomen werkzaamheden worden voorgelegd aan de gemeente. Dit plan is de basis waarop zal worden beoordeeld of een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Door middel van het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is het belang van archeologie in dit bestemmingsplan geborgd.

43/122

Figuur 4.1: Uitsnede archeologische waardenkaart gemeente Ridderkerk, plangebied rood omlijnd (bron: gemeente Ridderkerk)

4.5

Cultuurhistorie

Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) vastgesteld. Inzet van de provincie is er op gericht het cultureel erfgoed te beschermen en versterken. De CHS is daarom opgenomen in de streekplannen en in de Nota Regels voor Ruimte. De CHS vormt de basis voor toetsing van en advisering over bestemmings- en bouwplannen van gemeenten en erfgoedaspecten. Gemeentelijk beleid In september 2013 is het gemeentelijk beleid over cultuurlandschap en historische stedenbouw vastgesteld. In dit beleidsstuk is de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis van Ridderkerk beschreven.

44/122

Figuur 4.2: Erfgoedbeleid gemeente Ridderkerk (bron: gemeente Ridderkerk) In 2017 is een Cultuurhistorische Waardenkaart voor de woongebieden van Ridderkerk opgesteld. De waardering van cultuurhistorische elementen is gebaseerd op de criteria zoals opgesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Voorbeelden van criteria zijn zeldzaamheid, representativiteit, conservering en gaafheid. Als er gesproken wordt over cultuurhistorie in relatie tot ruimtelijke ordening wordt vaak een onderscheid gemaakt in historische geografie en historische bouwkunst. Historische geografie gaat over landschappelijke en stedenbouwkundige elementen en structuren zoals dijken, slotenpatronen, stratenpatronen en verkavelingen. Historische bouwkunst heeft betrekking op bebouwing en architectuur. De historische structuren in de woongebieden van Ridderkerk zijn onderverdeeld in zeer hoge (rood), hoog (oranje) en redelijk hoog (geel) gewaardeerde structuren.

45/122

Figuur 4.3: Uitsnede waardenkaart: historische geografie gemeente Ridderkerk, plangebied rood omlijnd (bron: gemeente Ridderkerk) Het plangebied ligt dichtbij historische structuren aangeduid als 'wederopbouw woongebied'. Deze hebben een redelijk hoge cultuurhistorische waarde. De gebieden met deze aanduiding zijn opgenomen door de ontstaansgeschiedenis van de 20e eeuwse woongebieden van Slikkerveer, door de relatie en samenhang met het ontginningspatroon en de bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit door het groene en open karakter van de locaties. De bebouwing op deze locaties bestaat uit appartementenblokken van 4 lagen. Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt niet binnen een historisch structuur. Wel ligt het plangebied nabij twee gebieden aangeduid als 'wederopbouw woongebied'. De ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt sluit stedenbouwkundig aan bij de woningen in dit plangebied en brengt meer groen naar het plangebied. Er is dus sprake van continuïteit ten opzichte van deze historische structuren. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

46/122

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft een milieugevoelige functie (woningen). Gezien de nabijgelegen J.S. Bachstraat en door de aanwezigheid van gemengde functies in de omgeving kan het gebied getypeerd worden als een gemengd gebied. Zorginstellingen/verpleeghuizen kunnen ook gezien worden als geluidhinderlijk. In dit geval gaat het niet om grootschalige zorginstelling met groepsactvitieiten in buitenruimtes.

Gezien de aard van de zorg en het kleinschalige karakter van de zorg zijn de zorgwoningen vergelijkbaar met reguliere woningen op het gebied van geluidhinder. De zorgwoningen kunnen dan ook naast reguliere woningen bestaan. Ten Oosten van het plangebied ligt een moskee, ten noorden liggen een kerk en een kinderopvang. In onderstaande tabel is een overzicht gemaakt met de functies, afstand van het perceel van de functies tot de dichtstbijzijnde woning-gevel, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand in gemengd gebied. Naam

Afstand tot woninggevel

Planologische mogelijkheden

Huidig gebruik

Richtafstand voor gemengd gebied

Molukse Moskee Ridderkerk Bait Al-Rahmaan

3,6 meter

Maximaal milieucategorie 2 (maatschappelijke voorzieningen)

Milieucategorie 2

10 meter

Koninkrijkszaal van Jehovah's Getuigen

9,1 meter

Maximaal milieucategorie 2 (maatschappelijke voorzieningen)

Milieucategorie 2

10 meter

Kinderopvang KSR – Kinderdagverblijf Calimero

9,1 meter

Maximaal milieucategorie 2 (maatschappelijke voorzieningen)

Milieucategorie 2

10 meter

47/122

Het nieuwe appartementencomplex ligt binnen de richtafstand van 10 meter van de moskee, kerk en kinderdagverblijf. Zoals ook aangegeven in het bestemmingsplan Slikkerveer zijn binnen een gemengd gebied functies t/m milieucategorie 2 toelaatbaar tussen of onmiddellijk naast woonbebouwing. Hiermee is de beoogde ontwikkeling toelaatbaar. Hieronder wordt de huidige situatie van de drie inrichtingen weergegeven en de toelaatbaarheid verder onderbouwd. Molukse Moskee Ridderkerk Bait Al-Rahmaan Het perceel van de moskee ligt op een afstand van 3,6 meter. Een moskee valt onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Het maatgevende aspect is geluid. Op het perceel zijn geen parkeerplaatsen aanwezig en kent dan ook geen of in zeer beperkte mate verkeersbewegingen. De enige relevante geluidsbronnen zijn stemgeluid in de buitenlucht en geluiduitstraling van het gebouw/installaties. Gezien het lage bronvermogen en het terrein is afgeschermd met een muur is voor het stemgeluid in de buitenlucht geen sprake van akoestisch relevante niveaus. Daarnaast heeft de woning-gevel aan de zijde van de moskee geen ramen. Ook voor de geluiduitstraling van het gebouw/installaties geldt dat gezien de omvang van de moskee het over lage bronvermogen gaat, daarbij ligt het hoofdgebouw aan de andere zijde van het perceel op meer dan 10 meter afstand van de woning-gevels.

Ter plaatse van de woningen is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Koninkrijkszaal van Jehovah's Getuigen Het perceel van de kerk ligt op een afstand van 9,1 meter. Een kerk valt onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Het maatgevende aspect is geluid. De parkeerplaatsen van de kerk liggen op meer dan 10 meter afstand aan de zijde van de 'Van Beethovenstraat'. De enige relevante geluidsbron is de geluiduitstraling van het gebouw/installaties. Het gebouw zelf ligt op een afstand van 10 meter tot de dichtstbijzijnde woning-gevel. Ter plaatse van de woningen kan dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Kinderopvang KSR – Kinderdagverblijf Calimero Het perceel van het kinderdagverblijf ligt op een afstand van 9,1 meter. Een kinderopvang valt onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Het maatgevende aspect is geluid. De buitenspeelplek ligt op meer dan 10 meter afstand en ligt aan de andere zijde van het perceel aan de 'Van Beethovenstraat'. Het gebouw zelf ligt op een afstand van 10 meter tot de dichtstbijzijnde woning-gevel. In de huidige situatie is ter plaatse van de beoogde woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de toekomst kan de situatie veranderen.

Voor alle drie de functies is het activiteitenbesluit van toepassing, hiermee is geborgd dat bij toekomstige wijzigingen van deze functies rekening wordt gehouden met de beoogde woningbouw. Hiermee kan ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Naast bovengenoemde functies is ook een sportveldje (Cruyff Court) aanwezig. Dit veld dat ook grenst aan andere woonbebouwing kan incidenteel tot geluidoverlast leiden. Naar deze geluidoverlast is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd onder bijlage 10. Zie ook paragraaf 4.7 Akoestisch onderzoek.

48/122

Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.7

Akoestisch onderzoek

Toetsingskader Met het voorliggende plan worden 42 woningen mogelijk gemaakt die in het kader van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als gevoelige objecten. Daarom heeft onderzoek plaatsgevonden naar zowel wegverkeerslawaai als industrielawaai. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder kort samengevat. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. Daarnaast heeft het onderzoek plaatsgevonden naar stemgeluid vanwege het naastgelegen Cruyff Court. Dit volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 10. Omdat er sprake is van meerdere geluidsbronnen is er in het kader van goede ruimtelijke ordening ook de cumulatieve geluidsituatie onderzocht. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 11. Onderzoek Wegverkeerslawaai en industrielawaai Onderzoek is uitgevoerd naar wegverkeerslawaai ten gevolge van de gezoneerde J. S Bachstraat (50km/h) en het gezoneerde industrieterrein IJsselmonde Noordrand. De Bizetstraat, die een 30 km regime kent, is vanuit goede ruimtelijke ordening in het onderzoek betrokken. 2032 is als maatgevend jaar aangehouden. Wegverkeerslawaai Uit de berekeningen blijkt dat vanwege het verkeer op de J.S. Bachstraat de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, tot maximaal 51 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.

De overschrijdingen bevinden zich op de voornamelijk op de zuidwestzijde van het bouwvlak (zijde direct grenzend aan de J.S. Bachstraat). Industrielawaai Het aangeleverde zonebewakingsmodel is als uitgangspunt voor de berekeningen gebruikt. Uit de berekeningen blijkt dat vanwege de activiteiten op het industrieterrein IJsselmonde-Noordrand de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 50 dB(A) wordt overschreden, tot maximaal 52 dB(A). De maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. De overschrijdingen bevinden zich voornamelijk op de noordoostzijde van het bouwvlak. Hogere waarden Het treffen van geluidreducerende maatregelen worden niet reëel geacht, waardoor het vaststellen van een hogere waarden nodig zijn. De vast te stellen hogere waarden zijn:

49/122

Stemgeluid Uit de rekenresultaten voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau blijkt dat de richtwaarde van 50 dB(A) (stap 2) ter plaatse van enkele woningen wordt overschreden. De overschrijding varieert van 1 dB tot maximaal 9 dB. Ook de richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde (stap 3) wordt overschreden. Voor de toetsing aan de MKM-maat wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek cumulatie. In dat onderzoek zijn de berekende geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeer, het gezoneerde industrieterrein ‘IJsselmonde Noordrand’ en stemgeluid gecumuleerd. Inzake het bepalen van de benodigde geluidwering van de gevels wordt gekeken naar de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Cumulatie Uit de berekeningen naar het stemgeluid blijkt dat voor de woningen sprake is van een goed tot tamelijk slecht woon- en leefklimaat. Hiertoe zijn overdrachtsmaatregelen in de vorm van een gesloten balustrade van 1,2 meter hoog en het plaatsen van een muur van 2,6 meter hoog in acht genomen. Doordat er sprake is van het vaststellen van hogere waarden (onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai) dient op grond van artikel 3.2 en artikel 3.3 van het Bouwbesluit 2012 te worden onderzocht of de karakteristieke geluidwering van de woningen voldoet aan de wettelijke grenswaarde voor het binnenniveau van 33 dB voor wegverkeerslawaai en 35 dB(A) voor industrielawaai.

Daarbij geldt een minimumeis van 20 dB. Voor de verschillende gevels is onderzocht of wegverkeerslawaai of industrielawaai (het stemgeluid valt onder industrielawaai) de maatgevende bronsoort is om het vereiste binnenniveau te bepalen. De eis voor de karakteristieke geluidwering van de gevels is tevens bepaald, waar in het onderzoek vanuit gegaan dient te worden. De hoogst berekende eis voor de karakteristieke geluidwering van de gevel bedraagt 25 dB. Doordat een gebalanceerd ventilatiesysteem gerealiseerd zal worden, zijn er geen ventilatievoorzieningen in de gevels nodig. Derhalve wordt een geluidwering van 25 dB bouwtechnisch haalbaar geacht. Het is dus mogelijk om te kunnen voldoen aan een aanvaardbaar binnenniveau en dus kan een goed woon en leefklimaat gegarandeerd worden. In het akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels zal onderzocht worden welke eventuele maatregelen aan de gevels (zoals akoestisch glas) bij de verschillende woningen nodig zullen zijn om dit te garanderen. Ook is er sprake van een geluidluwe gezamenlijke buitenruimte op de 1e verdieping aan de noordwestzijde van het bouwplan. Conclusie Vanwege zowel industrielawaai als wegverkeerslawaai dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Hiervoor is een ontwerpbesluit opgesteld dat parallel aan dit bestemmingsplan in procedure wordt gebracht.

Om te komen tot een verantwoorde akoestische situatie dient er een geluidwerende voorziening van in de vorm van een muur/bergingen van 2,6 meter hoog tussen het Cruyff Court en de woningen gerealiseerd te worden. Dit is vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan. Verder dient er een gesloten balustrade van 1,2 meter hoog langs de galerijen van de woningen aangebracht te worden. Dit wordt nader bezien en beoordeeld bij de omgevingsvergunning. Tot slot bedraagt de hoogst berekende eis voor de karakteristieke geluidwering van de gevel 25 dB. Dit wordt bouwtechnisch haalbaar geacht. Het is dus mogelijk om te kunnen voldoen aan een aanvaardbaar binnenniveau en dus kan een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.

50/122

4.8

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

51/122

Onderzoek Risicovolle inrichtingen Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen via de weg In de omgeving van het plangebied worden geen gevaarlijke stoffen via de weg vervoerd. Vervoer gevaarlijke stoffen over het water Op een afstand van circa 600 meter ligt de binnenvaartroute Corridor Rotterdam – Duitsland. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (1.070 meter) van de binnenvaartroute Corridor Rotterdam – Duitsland. Het plangebied ligt verder dan 200 meter van deze transportroute waardoor een beknopte verantwoording van het groepsrisico volstaat. Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van het spoor. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten westen van het plangebied ligt op een afstand van circa 235 meter een aardgasleiding met een invloedsgebied van 380 meter. Hiervoor dient de hoogte van het groepsrisico bepaalt te worden door middel van een groepsrisico berekening, zie bijlage 12. Gezien de ligging buiten de 100% letaliteitscontour van de buisleiding (160 meter) volstaat een beperkte verantwoording.

Beknopte verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. De planlocatie wordt ontsloten via de Johann Sebastian Bachstraat en de Bizetstraat dat het verkeer in noord-, oosten westelijke richting op het wegennet aansluit. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via de Johann Sebastian Bachstraat zuidelijk van de binnenvaartroute Corridor Rotterdam-Duitsland en de gasleiding A-518 af worden gevlucht.

52/122

Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 42 woningen. Hiervan zijn 16 woningen regulier. De overige 26 woningen zijn woningen met zorgondersteuning. De bewoners van de 26 woningen zullen over het algemeen verminderd zelfredzaam zijn. Voor aanwezige verminderd zelfredzame personen wordt ervan uitgegaan dat de verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden in het geval van een calamiteit. Door het zorgpersoneel te informeren over de juiste handelswijze in geval van een incident kan de zelfredzaamheid bevorderd worden. Op basis van het scenarioboek van de gemeente Ridderkerk ligt het plangebied in zone C van de buisleiding (FLARE) en zone C van het toxisch scenario water (wcs). Door de gemeente Ridderkerk wordt in de risico scenario's verder geen onderscheid gemaakt tussen reguliere woningen en woningen voor verminderd zelfredzame bewoners. Voor de beoogde ontwikkeling geldt risico 2. Aangezien de ontwikkeling binnen risico 2 valt moet er voldaan worden aan eisen vanuit zelfredzaamheid en hulpverlening.

Deze eisen worden als volgt omschreven: ''Gewenste maatregelen à Gelet op de gevolgen van het incident is het wenselijk aanvullende maatregelen te treffen zoals bijvoorbeeld het niet situeren van de nooduitgangen aan de zijde van de risicobron en/of een mechanische ventilatie die afschakelbaar is.'' De VRR heeft in het kader van het wettelijk vooroverleg het onderzoek beoordeeld en aangegeven te kunnen instemmen met de conclusies en verantwoording. Wel hebben zij, mede gelet op de minder zelfredzame doelgroep begeleid wonen, een aantal voorwaarden aangeven die in het kader van de uitwerking van het bouwplan en de communicatie nadacht vragen. Deze zijn verwoord in de brief van de VRR in bijlage 16. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een aardgasleidingen en de binnenvaartroute Corridor Rotterdam – Duitsland . Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet relevant toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd.

4.9

Kabels en leidingen

De in de nabijheid van het plangebied aanwezige hogedruk gasleiding is behandeld in paragraaf 4.8.

4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

53/122

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5) Tabel 4.5

Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 42 woonzorgeenheden/woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (https://www.cimlk.nl/kaart ). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Johann Sebastian Bachstraat, aangrenzend aan het plangebied. Uit de CIML kaart blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 19.43 µg/m³ voor NO2, 17.51 µg/m³ voor PM10 en 10.09 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

54/122

4.11 Water Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan  Provinciale Structuurvisie  Verordening Ruimte Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016-2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater).

Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding.

55/122

Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:  Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename;  Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;  Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Huidige situatie Algemeen In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard. Het plangebied is stedelijk gebied en is daarom niet gekarteerd op bodemdata.nl. De gebieden rondom het plangebied bestaan hoofdzakelijk uit Kalkrijke poldervaaggronden, zowel lichte als zware klei. Waterkwantiteit Het plangebied bestaat grotendeels uit bebouwing en verharding. In het plangebied staat een kas met daar omheen delen groen. Het onverharde oppervlak bedraagt circa 570 m². In en rond het gebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Waterkwaliteit Het plangebied ligt in een milieubeschermingsgebied voor grondwater zoals te zien is in figuur 4.4 Milieubeschermingsgebieden voor grondwater zijn gebieden als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer. Het plangebied ligt in de boringsvrije zone van een grondwaterbeschermingsgebied.

Dit heeft als gevolg dat het verboden is om zonder melding een boring uit te voeren van meer dan 4,0 meter. Ook zijn er regels ten aanzien van het gebruik van heipalen en dergelijke. Verwezen wordt naar de PMV 2021.

Figuur 4.4: Overzicht milieubeschermingsgebieden Zuid-Holland. Bron: Omgevingsverordening Zuid Holland.

56/122

Toekomstige situatie Algemeen De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 42 woonzorgeenheden/woningen met bijbehorende parkeergelegenheid. Waterkwantiteit Het volledig onverhard oppervlakte is in de toekomstige situatie circa 285 m². Daarnaast is er circa 600 m² aan halfverhard oppervlakte. Halfverhard oppervlak wordt gebruikelijk berekend als 50% onverhard. Dit betekend dat er in de toekomstige situatie 585 m² aan onverhard terrein wordt gerealiseerd. Dit is net iets meer dan in de huidige situatie (570 m²). Pas bij een toename van 500 m² aan verharding zou gecompenseerd moet worden, maar dit is dus niet aan de orde. De beoogde situatie voorziet ook in een dakterras. Deze wordt deels groen uitgevoerd met circa 85 m² aan groen. Door het toevoegen van groen op het dakterras wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Bekeken zal moeten worden of deze toereikend is om de toekomstige extra afvoer van afvalwater te kunnen verwerken. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Door de toepassing van waterdoorlatende bestrating (parkeervakken) worden extra mogelijkheden geboden voor infiltratie/berging van regenwater. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Het plangebied ligt buiten de kern en beschermingszone van de waterkering op basis van de legger. Watervergunning Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder watervergunning gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden.

57/122

De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor de beoogde ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de waterwingebieden. Het plangebied ligt in de boringsvrije zone van een grondwaterbeschermingsgebied. Dit heeft als gevolg dat het verboden is om zonder melding een boring uit te voeren van meer dan 4,0 meter. Hier dient rekening gehouden mee te worden bij de uitvoering van het plan Voor het project J.S. Bachstraat wordt voor de bestrating een tweetal tegels toegepast van het bedrijf Rainaway Rain(a)Way - Voor een klimaatbestendige stad (rainaway.nl). Voor de bestrating van de entree van de parkeerplaatsen op eigen terrein wordt de Wave tegel toegepast. Voor de bestrating van de parkeerplaatsen op eigen terrein en de parkeerplaatsen aan de Bizetstraat wordt de Floot Bold toegepast. Beide tegels bieden de mogelijkheid om te vergroenen en water te laten infiltreren in de ondergrond. Zie bijlage 14. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

Tevens ontstaan er meer mogelijkheden voor infiltratie en berging van regenwater.

4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.  Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

 Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

58/122

Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 42 woningen en het volledige plangebied een oppervlakte heeft van circa 2.300 m2. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r- beoordeling opgesteld. De rapportage is toegevoegd in bijlage 13. Conclusie De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde aangezien het een ontwikkeling betreft van 42 woningen en het volledige plangebied een oppervlakte heeft van circa 2.300 m2. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten zijn en dus ook geen aanleiding is om alsnog een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen.

4.13 Duurzaamheid Met het beoogde plan dat met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt wordt ingespeeld op zaken als klimaatadaptie, hittestress en wordt aangehaakt bij duurzaamheidsbeleid van gemeente Ridderkerk. Veel hiervan zal worden geconcretiseerd in het definitieve bouwplan, hieronder wordt een aantal elementen daaruit benoemd: Klimaatadaptie en hittestress Door veel groen om en op/aan het gebouw te realiseren wordt hittestress tegengegaan. Naast realisering van tuinen met hagen bij de begane grondwoningen en behoud van de meeste bestaande bomen wordt een met groen aangekleed dakterras gemaakt. Door toepassing van waterdoorlatende en vergroenbare bestrating van de parkeerplaatsen wordt ook invulling gegeven aan klimaatdoelen. In bijlage 14 zijn deze maatregelen uitgebreid beschreven. Regenwater dat niet kan worden opgevangen in de bodem zal worden afgevoerd op het gescheiden rioolstelsel. Duurzaam bouwen Ten aanzien van duurzaam bouwen zijn de navolgende ambities vastgelegd:  Gebouw wordt gerealiseerd conform BENG en met een MPG van 0,8  Het gebouw wordt all-electric  Met het ontwerp wordt gestreefd naar een minimale circulariteit van 60% Conclusie Met het bovenstaande wordt invulling gegeven aan (gemeentelijke) doelstellingen ten aanzien van duurzame ruimtelijke ontwikkeling.

59/122

60/122

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Het vigerende bestemmingsplan, genaamd “Slikkerveer”, wordt met dit bestemmingsplan op het plangebied vervangen. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het bestemmingsplan, na realisatie van de ontwikkeling, een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Op de verbeelding (plankaart) zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. In de bijbehorende planregels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels, de specifieke gebruiksregels en de eventuele afwijkingsregels te vinden. Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hiernaast is het plan afgestemd op de gemeentelijke standaard.

5.2

Opbouw regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels, zoals algemene afwijkingsregels voor de maatvoering van bouwwerken. De overgangs- en slotregel staan in het vierde hoofdstuk.

5.3

Bestemmingen

Wonen De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor wonen. Binnen deze gronden zijn maximaal 42 woonzorg/woningen toegestaan. Aan-huis-gebonden beroepen en aan-huis-gebonden bedrijven zijn toegestaan, hoewel hiervoor wel specifieke gebruiksregels gelden om te verzekeren dat het hoofddoel van wonen geborgd is. Ook zijn binnen deze gronden bijgebouwen toegestaan binnen en buiten het bouwvlak, zolang deze gerealiseerd worden achter de voorgevelrooilijn, de bijgebouwen gezamenlijk niet meer dan 200 m² oppervlakte bedragen en deze niet meer dan 3 meter hoog zijn.

61/122

Er gelden binnen de bestemming enkele bijzonderheden welke zijn opgenomen in de vorm van functieaanduidingen. Ten eerste is dit de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - woonzorgcomplex'. Deze is opgenomen om te borgen dat er maximaal 26 zorgwoningen en de daarbij behorende algemene voorzieningen gerealiseerd worden. Daarnaast kunnen maximaal 16 sociale huurwoningen gerealiseerd worden. Ook is er een functieaanduiding 'parkeerterrein'. Hiermee wordt geborgd dat dit deel van het plangebied, op maaiveld, ten behoeve van parkeren is. Verder zijn er enkele bouwaanduidingen. Dit is een bouwaanduiding 'onderdoorgang' om te borgen dat er een minimale doorrijhoogte wordt aangehouden. Hiernaast is de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding dakterras' opgenomen. Hiermee wordt geborgd dat het dak op de hoek van de J.S. Bachstraat en de Bizetstraat ruimte biedt voor een geluidluwe buitenruimte. Voor de benodigde geluidwerende voorziening aan de noordzijde van het perceel is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerende voorziening' opgenomen. Hiermee wordt de aanleg van deze benodigde voorziening voor het akoestisch klimaat geborgd. Daarnaast zijn er twee maatvoeringen voor de maximale bouwhoogte opgenomen. Deze betreffen een maximum van 14 meter en 4 meter.

De aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dakterras' is opgenomen op het dak waar een maximum bouwhoogte geldt van 4 meter. Verkeer - Verblijfsgebied De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor verplaatsing en verblijven van verkeer ten behoeve van de naastgelegen bestemmingen. In andere woorden, deze gronden zijn onder andere voor parkeervoorzieningen voor bewoners en personeel van het gebouw dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Binnen de bestemming zijn verder ook zaken zoals groen, water en voet- en fietspaden mogelijk. Tuin De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor zowel tuinen als groen. Met deze bestemming wordt in het plangebied geborgd dat er sprake is van een ruime groene invulling aan de kant van de J.S. Bachstraat. Ook worden er twee groenvoorzieningen mogelijk bij de toegang van de parkeerplaats aan de J.S. Bachstraat. Waarde - Archeologie 3 Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen, afgestemd op het gemeentelijk archeologiebeleid. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden.

Wanneer het bouwen of het uitvoeren van deze werken en werkzaamheden niet dieper gaan dan 50 cm én groter is dan 200 m² is dit niet nodig.

62/122

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Tussen gemeente en Wooncompas (SOK met Pameijer) is een anterieure overeenkomst gesloten waarin onder meer afspraken zijn gemaakt over de samenwerkingsvorm, verplichtingen van partijen, overlegstructuur, projectdoelen, planning en planschade. Op deze wijze is de uitvoerbaarheid van het plan voldoende verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op 15 september 2021 is een informatieavond voor omwonenden georganiseerd, waar veel positieve reacties zijn geuit. Voordat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd is een tweede informatie avond voor omwonenden georganiseerd. Het verslag daarvan is opgenomen als bijlage 15.

6.3

Vooroverleg

Conform artikel 3.1.1. Bro heeft vooroverleg plaatsgevonden met de volgende instanties. 1. 2. 3. 4.

Provincie Zuid-Holland Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) Waterschap Hollandse Delta DCMR Milieudienst Rijnmond

Ad 1. Er is bij het voornemen geen sprake van een Provinciaal belang. Ad 2. De VRR kan instemmen met het uitgevoerde onderzoek, wel wordt een aantal randvoorwaarden aangegeven voor de uitwerking van het bouwplan en communicatie. Deze zijn opgenomen in de brief van de VRR in bijlage 16. Ad 3. Het Waterschap heeft bij mail van 5 september 2022 aangegeven geen opmerkingen of aanvullingen te hebben. Ad 4. DCMR geeft aan dat door het naastgelegen Cruyff Court sprake kan zijn van een te hoge geluidsbelasting door stemgeluid. Naar aanleiding van deze reactie is aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd naar stemgeluid (bijlage 10). Vervolgens is het onderzoek naar cumulatie (bijlage 11) van de diverse bronnen ook daarop aangevuld.

63/122

64/122

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Bomen Effect Analyse

Bomen Effect Analyse J.S. Bachstraat Ridderkerk

COLOFON Bomen Effect Analyse J.S. Bachstraat Ridderkerk OPDRACHTNEMER

idverde Bomendienst Postbus 177 7300 AD Apeldoorn T 055 5 999 444 E bomendienst@idverde.nl

OPGESTELD DOOR VRIJGEGEVEN DOOR

Justin Barendregt Martijn van der Maarel | European Tree Technician

OPDRACHTGEVER

Wooncompas Postbus 91 2980 AB Ridderkerk Nederland

PROJECTNUMMER KENMERK

728220221 BD22104

VERSIE DATUM

1 7 juni 2022

Copyright 2022 idverde. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van idverde. idverde is niet aansprakelijk voor eventuele schade ontstaan bij gebruik van gegevens uit dit rapport.

2

BD22104 • BEA J.S. Bachstraat Ridderkerk

INHOUDSOPGAVE COLOFON ........................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING ............................................................................................................................. 4 1.1 Uitgangspunten project 1.2 Voorgenomen werkzaamheden

2.

WERKWIJZE .......................................................................................................................... 7 2.1 Werkwijze bovengrondse beoordeling 2.2 Werkwijze ondergronds onderzoek

3.

7 8

RESULTATEN ......................................................................................................................... 9 3.1 Bovengrondse Beoordeling 3.2 Resultaten ondergronds onderzoek

4.

4 6

9 11

CONCLUSIE EN ADVIES ........................................................................................................ 12 4.1 Eindoordeel effecten 4.2 Impact uitvoering 4.3 Advies uitvoering en ontwerp 4.4 Randvoorwaarden boombescherming

12 13 13 14

BIJLAGEN ....................................................................................................................................... 15 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

3

Boomgegevens Bodemprofielen Bomenposter werken rond bomen

BD22104 • BEA J.S. Bachstraat Ridderkerk

15 16 19

1. Inleiding Aan de Johann Sebastian Bachstraat te Ridderkerk is een projectontwikkeling beoogd op het perceel van J.S. Bachstraat 4. Het huidige gebouw zal daarbij ruimte maken voor een woon- zorgcomplex. Om dit te realiseren zullen sloop en bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Deze werkzaamheden hebben mogelijk invloed op de 3 bomen op het perceel. De wens is om deze 3 bomen in te passen in het nieuwe ontwerp. Om de mogelijkheden tot behoud en inpassing van deze bomen te onderzoeken vraagt Wooncompas om een Bomen Effect Analyse uit te voeren. Bomen Effect Analyse (BEA) Een BEA beantwoordt de vraag of een boom/bomen in de huidige verschijningsvorm en huidige standplaats duurzaam behouden kan/kunnen blijven in relatie tot de voorgenomen werkzaamheden en welke maatregelen en randvoorwaarden hiervoor nodig zijn. Hiervoor worden de volgende onderdelen nader uitgewerkt:  Wat is de grootte, conditie, vitaliteit en mechanische kwaliteit van de bomen?  Waar bevindt zich de voornaamste beworteling?  Wat is de toekomstverwachting van de bomen bij ongewijzigde omstandigheden?  Wat zijn de (mogelijke) negatieve effecten van de geplande werkzaamheden?  Welke maatregelen zijn nodig om mogelijk negatieve effecten te voorkomen dan wel te beperken? Het onderzoek is op 16 mei 2022 uitgevoerd door Martijn van der Maarel European Tree Technician werkzaam bij idverde Bomendienst B.V.

1.1 Uitgangspunten project Locatie De Johann Sebastian Bachstraat te Ridderkerk bevindt zich in de wijk Slikkerveer. In de omgeving van het plangebied zijn vooral woonhuizen. Direct naast het plangebied bevindt zich de Molukse Moskee Ridderkerk en de Koninkrijkzaal van Jehovah’s getuigen. Het huidige gebouw is in gebruik door Pameijer. Een organisatie die hulp biedt aan mensen met psychische problemen of een (licht) verstandelijke beperking bij wonen, werken en opgroeien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1070/documents/37288