Uitvoeringsbeleidsplan Meerjarenprogramma DCMR 2023-2026.pdf
Tekst van het document
UITVOERINGSBELEIDSPLAN MJP 2023-2026 MEERJARENPROGRAMMA MET DOORTASTENDE, INNOVATIEVE AANPAK VOOR DUURZAME DOELEN
START
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
INHOUD INHOUD1 VOORWOORD2 SAMENVATTING3 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
INLEIDING Doelgericht innoveren, doortastend met focus op effect Beleidsuitgangspunten VTH-taken Beleidscyclus Omgevingswet Leeswijzer
6 6 6 7 7 8
2 MEERJARENPROGRAMMA INHOUDELIJKE DOELEN (MJP) 9 2.1 Procesveiligheid in de industrie 10 2.2 Beperken van de gevolgen van incidenten 10 2.3 Veilig opslaan en omgaan met gevaarlijke stoffen 11 2.4 Ondermijning en milieucriminaliteit 11 2.5 Geurhinder voorkomen 12 2.6 Geluidhinder voorkomen 12 2.7 Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en PFAS verminderen 12 2.8 Stikstof en fijnstof verminderen 13 2.9 Aanwezigheid van schadelijke stoffen in de bodem voorkomen13 2.10 Energiebesparing 13 2.11 Energietransitie 14 2.12 Circulaire economie 14 3 3.1 3.2 3.3 3.4
DOORTASTEND VERGUNNEN Uitgangspunten Omgevingsvergunningverlening Actualisatieprogramma vergunningen Innovatie instrumentarium vergunningverlening Bodemsanering
15 16 17 18 19
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
EFFECTIEF TOEZICHT Uitgangspunten voor het toezicht Toezichtstrategie Nadere uitwerking toezichtstrategie in brancheplannen Bodembescherming Samenwerking
20 20 21 22 22 23
5 CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING25 5.1 Uitgangspunten Sanctiestrategie 25 5.2 Besluitvorming inzet interventies 27 5.3 Innovatie sanctie-instrumentarium 27 5.4 Gedoogstrategie 28 6 6.1 6.2 6.3 6.4
BUDGETTEREN Inleiding Uitgangspunten budgetsystematiek De budgetteringssystematiek op hoofdlijnen Afspraken
30 30 30 31 32
7 7.1 7.2 7.3
KWALITEITSBORGING Borging van de werkwijze Overige activiteiten gericht op kwaliteitsborging Monitoring van de voortgang
33 33 34 36
8 BIJLAGEN Bijlage 1 Totstandkoming en uitwerking focuspunten MJP Bijlage 2 Beschrijving kostprijsmethodiek provinciale en gemeentelijke bedrijven Bijlage 3 Toelichting op toezichtstrategie Appendix 1 Begrippenlijst bij de toezichtstrategie
38 38 60 66 72
1 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
VOORWOORD Het verwezenlijken van een gezonde leefomgeving vormt een belangrijk onderdeel van de opgave van onze participanten. Of het nu om de energietransitie, klimaatadaptatie, woningbouw of andere grote opgaven gaat; DCMR wil graag een bijdrage leveren aan het realiseren van die doelen. Een goede leefomgeving draagt bij aan een florerende economie, een goede milieukwaliteit voor de inwoners en het behoud en verdere ontwikkeling van de natuur. Om onze bijdrage tastbaar en afrekenbaar te maken, stellen wij eens in de vier jaar uitvoeringsbeleidsplannen met daarin opgenomen een meerjarenprogramma. Voor u ligt het uitvoeringsbeleidsplan 2023-2026. Het vorige uitvoeringsbeleidsplan (UP) 2019 – 2022 werd opgesteld in een periode van hoogconjunctuur. Ruimte voor investeringen en beleid is dan relatief gemakkelijk te vinden. Dít UP daarentegen komt tot stand in een periode vol onzekerheid. Die nieuwe realiteit kenmerkt zich door geopolitieke onrust, afnemende economische groei, hoge inflatie en een ongekende energiecrisis. Tegelijkertijd is er krapte op de arbeidsmarkt. Dat voegt een nieuwe dimensie toe aan de toch al complexe omgeving waarmee participanten, en dus ook wij als milieudienst, te maken hebben. Een onzekerheid van een heel andere orde is die over de komst van de Omgevingswet.
Bij het schrijven hiervan was een nieuwe invoeringsdatum van 1 juli naar de Eerste Kamer gestuurd. Toch willen wij anticiperen op de toekomst
en nieuwe doelen realiseren op bijvoorbeeld het gebied van de klimaatagenda, ondermijning en het tegengaan van de verspreiding van de zogenoemde forever chemicals als PFAS, chemische stoffen die niet of nauwelijks afbreken in de natuur. Wij zetten stappen naar een duurzame leefomgeving voor zowel de huidige als toekomstige generatie. Waar hinder en milieudruk onvermijdelijk zijn, sturen we op de meest verregaande maatregelen om zo overlast en verontreiniging tot een minimum te beperken. Het meerjarenprogramma (MJP) geeft inzicht in de prioriteiten en in de accenten die we daarbij leggen. Het vormt het kader voor de uitvoering van wettelijke taken, beleid en ambities van onze participanten. De doelen, die we in het meerjarenprogramma voor de komende vier jaar willen uitwerken, zijn in onze ogen ambitieus maar ook realistisch en haalbaar. Gezien de snel veranderende koers van de maatschappelijke ontwikkelingen zijn goede monitoring en jaarlijkse bijstelling van focuspunten van groot belang. Zo brengen we een schone, gezonde, hindervrije en duurzame omgeving voor alle inwoners van de Rijnmond dichterbij. DCMR werkt daarom samen met andere overheden en maatschappelijke partners zoals bijvoorbeeld de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), de Veiligheidsregio (VRR) en diverse handhavingspartners.
2 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
SAMENVATTING DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR) is de gezamenlijke milieudienst van de provincie Zuid-Holland en (per 1 januari 2023) dertien gemeenten in de regio Rijnmond. Binnen ons werkgebied vallen veel bedrijven onder het Besluit risico zware ongevallen (Brzo) en straks de Omgevingswet. Maar ook bij heel veel kleinere bedrijven voeren wij milieutaken uit. Het Uitvoeringsbeleidsplan VTH 2019 – 2022 (UP) loopt af en daarom is het UP geactualiseerd en geïntegreerd met het Meerjarenprogramma 2021-2024 (MJP). Binnen DCMR en bij participanten is nagegaan of de focuspunten (MJP) en de uitvoeringstaken (UP) nog goed aansluiten bij maatschappelijke ontwikkelingen, nieuwe beleidsopgaven en college-akkoorden. Op punten zijn ze bijgesteld.
van informatie, het investeren in kennisontwikkeling en het delen van kennis. Bovendien wordt er op basis van één risicoanalyse per regio één uitvoerings- en handhavingsbeleid en één uitvoeringsprogramma opgesteld. Het meerjarenprogramma (MJP) geeft inzicht in de prioriteiten en in de accenten we daarbij leggen. Het vormt het kader voor de uitvoering van wettelijke taken, beleid en ambities van onze participanten. De doelen, die we in het
meerjarenprogramma voor de komende vier jaar willen uitwerken, zijn in onze ogen ambitieus maar ook realistisch en haalbaar. Gezien de snel veranderende koers van de maatschappelijke ontwikkelingen zijn goede monitoring en jaarlijkse bijstelling van focuspunten van groot belang. Zo brengen we een schone, gezonde, hindervrije en duurzame omgeving voor alle inwoners van de Rijnmond dichterbij. DCMR werkt
Het plan geeft richting aan de strategische doelen en ambities van de regio voor de komende vier jaar en geeft ook ruimte voor de actualiteit. Om te kunnen reageren op tussentijdse ontwikkelingen vindt er jaarlijks monitoring op de doelen plaats in ons jaarverslag. Eventuele bijstellingen worden in het Algemeen Bestuur geagendeerd. In het UP zijn de beleidsuitgangspunten van de VTHtaken aangescherpt. We sturen meer op effect en streven naar een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie waarin een circulaire economie en energietransitie voorwaarden zijn. Daarnaast wordt door het samenwerkingsprogramma Brzo+ de kwaliteit van de uitvoering en het level playing field voor bedrijven verstevigd. In het VTH-stelsel worden strafrechtelijk handhaven en vervolgen veel belangrijker. Net als het uitwisselen
3 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
daarom samen met andere overheden en maatschappelijke partners zoals bijvoorbeeld de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), de Veiligheidsregio (VRR) en diverse handhavingspartners. Bijstellen van de focuspunten MJP • Het focuspunt procesveiligheid in de industrie vraagt nu gericht aandacht voor procesveiligheid bij nieuwe energiedragers en het testen van scenario’s in de praktijk. • De bijstelling van het focuspunt beperken van de gevolgen van incidenten gaat over de gevolgen van incidenten bij nieuwe energiedragers (zoals waterstof, ammoniak en lithiumbatterijen). • Voor het veilig opslaan en omgaan met gevaarlijke stoffen ligt de focus nu ook op de opslag van
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
lithiumhoudende energiedragers (PGS 37 is in ontwikkeling). • PFAS wordt toegevoegd aan het focuspunt zeer zorgwekkende stoffen verminderen om meer inzicht te verkrijgen. Er is aandacht voor het keten- en signaaltoezicht bij ZZS-houdende stoffen, en voor het inzetten op landelijke regelgeving om minimalisatie van ZZS richting lucht, bodem, afval en producten te realiseren. • Vanwege de ernstige effecten op de gezondheid en leefomgeving is besloten om de komende jaren extra aandacht te geven aan het verminderen van de uitstoot van fijnstof en stikstof. In de bijstelling van het focuspunt is een relatie gelegd met de WHO-advieswaarden. • In de bijstelling van het focuspunt verminderen van energieverbruik en uitstoot broeikasgassen wordt
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
er gestuurd op de wettelijke regeling waarbij de energiebesparingsplicht wordt verbreed naar de verplichting tot het verduurzamen van energiegebruik. • DCMR heeft een programma energietransitie en circulaire economie vastgesteld om de energietransitie te versnellen en minder afhankelijk te worden van fossiele energiebronnen en hun leveranciers. Kennis en expertise, samenwerken en netwerken worden versterkt om zo de transitie te versnellen. De nieuwe Omgevingswet kijkt verder dan alleen milieu. De scope is een gezonde leefomgeving. Daarom gaan wij meer samenwerken met de GGD om expertises te bundelen. Verder is het doortastend vergunning verlenen scherper opgesteld, voorsorterend op de wijzigingen die de inwerkingtreding van de Omgevingswet met zich mee zal brengen. DCMR gaat participanten ondersteunen bij het leveren van informatie voor het berekenen van leges. Vergunningsprocedures verlopen efficiënter door de communicatie tussen DCMR en de bedrijven te verbeteren. Het risico-analysemodel voor de toezichtstrategie wordt herijkt op basis van inzichten uit de literatuur en goede landelijke uitvoeringspraktijken. De toolbox voor toezicht is uitgebreid met instrumenten gebaseerd op de gedragswetenschap. De toezichtstrategie voor Seveso/Brzo, waarin afstemming en uniformiteit belangrijk zijn, is uitgewerkt.
De bevoegde gezagen stellen per regio een uniform uitvoeringsprogramma vast. De uitvoering bij de DCMR wordt vastgelegd in brancheplannen en in een regionaal inspectieplan (met arbeidsinspectie en Veiligheidsregio). Zodra de Omgevingswet in werking treedt, vervalt de huidige sanctiestrategie (behalve de Seveso/Brzo sanctiestrategie).
4 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO) is gericht op de toekomstige omgevingswet met toepassing van nieuwe instrumenten (bijvoorbeeld de bestuurlijke boete) en kent een sterkere afstemming tussen het bestuurs- en strafrecht. Voor de kwaliteitsborging bestaat binnen DCMR een reviewpoule om kritisch te kijken naar de beheersing van risico’s met het oog de interne processen en samenwerking te verbeteren. Daarnaast neemt DCMR deel aan de door ODNL landelijk georganiseerde collegiale toetsen. Ervaringen delen en van elkaar leren staat in die aanpak voorop. De Wet Open Overheid (WOO) is de opvolger van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB). Het doel van de wet is meer transparantie over overheidsbesluiten en een meer pro-actieve informatievoorziening vanuit overheidsorganisaties. Voor DCMR gaat dat bijvoorbeeld naast de vergunningen en handhavingsbesluiten ook om besluiten van het dagelijks en algemeen bestuur. Verder heeft DCMR ambities om een datagedreven organisatie te worden. Hiervoor is in 2021 een informatiestrategie ontwikkeld die komende jaren richting geeft aan de doorontwikkeling van de informatievoorziening, zodat we niet alleen onze medewerkers maar ook onze participanten, burgers en bedrijven van goede informatie(producten) kunnen voorzien. Voor alle participanten voert de DCMR bodemtaken uit die voortvloeien uit de Omgevingswet.
Daarnaast voert de DCMR bodemtaken voor de provincie die voortvloeien uit het overgangsrecht en de taken binnen de Omgevingswet waar de provincie bevoegd gezag voor blijft. De taken voor bodembescherming en -sanering zijn aangepast op grond van de Omgevingswet.
5 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
1
INLEIDING
1.1
DOELGERICHT INNOVEREN, DOORTASTEND MET FOCUS OP EFFECT
2
MEERJARENPROGRAMMA
DCMR wil haar vergunningverlening, toezicht en handhaving (hierna VTH-taken) verder ontwikkelen. Daarbij ligt een accent op innovatie en is er nog meer aandacht voor het effect van ons werk. Het doel van de inzet van dit instrumentarium is het voorkomen en oplossen van knelpunten en het beschermen van de kwaliteit van de leefomgeving. Dit Uitvoeringsbeleidsplan MJP 2023-2026 beschrijft daarvoor de kaders. Ook geeft DCMR adviezen aan overheden over ruimtelijke plannen met als doel een toekomstbestendig gebruik van de fysieke leefomgeving. Deze adviezen dragen eveneens bij aan inhoudelijke opgaven waaraan DCMR werkt. De aanleiding voor het opstellen van een nieuw Uitvoeringsbeleidsplan MJP is drieledig: • De behoefte om de inzichten en ervaringen vanuit de uitvoeringspraktijk in de afgelopen jaren vast te leggen in een aanpassing van het uitvoeringsbeleid. • Veranderingen in de wettelijk eisen die gesteld worden aan de uitvoering van de VTH-taken, in het bijzonder in het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven de bestaande wetgeving en bijbehorende termen van kracht. In een addendum maken wij inzichtelijk welke afwijkingen er zijn ten opzichte van dit document tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. • Veranderingen in de beleidsprioriteiten van participanten, vastgelegd in nieuwe nota’s en college-akkoorden.
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
Het Uitvoeringsbeleidsplan MJP omschrijft wat de uitgangspunten, hoofdlijnen en prioriteiten zijn voor vergunningverlening, toezicht en handhaving en adviestaken. De Omgevingswet vormt hiervoor de basis. Het Uitvoeringsbeleidsplan bouwt voort op uitgangspunten van het Uitvoeringsbeleidsplan VTH 2019 -2022. Nieuw is dat de inhoudelijke focuspunten (voorheen vastgelegd in een separaat Meerjarenprogramma (MJP), na een tussentijdse bijstelling, nu onderdeel zijn van het Uitvoeringsbeleidsplan MJP 2023-2026.
1.2
BELEIDSUITGANGSPUNTEN VTH-TAKEN
Bij de uitvoering van taken hanteert DCMR de volgende beleidsuitgangspunten:
VERANTWOORDELIJKHEID EN VERTROUWEN Veiligheid en milieu zijn primair de verantwoordelijkheden van bedrijven. Vertrouwen is niet vanzelfsprekend, maar moet worden verdiend en blijken uit adequate naleving van de regels en een pro-actieve houding van de bedrijven. STUREN OP EFFECT We zetten onze instrumenten gericht en effectief in waar de risico’s het grootst zijn. In het toezicht maken we gebruik van een doordachte mix aan instrumenten, waarbij wij onze ketenpartners betrekken. Bij het verlenen van vergunningen vindt risicobepaling en prioriteitenstelling plaats aan de hand van het beleid van de participant. We sturen op een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie waarin circulariteit en energietransitie essentieel zijn.
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
CONSEQUENTE EN VOORTVARENDE HANDHAVING Handhaving vindt plaats op strikte en consequente wijze: volgens de vastgestelde sanctiestrategie. De inzet van handhavingsinstrumenten wordt waar nodig afgestemd met andere inspectiediensten. ACTUELE VERGUNNINGEN Vergunningen van bedrijven moeten actueel en handhaafbaar zijn. Nieuwe wetgeving en richtlijnen worden uiterlijk binnen vier jaar na van kracht worden verankerd in de vergunning. Incidenten kunnen aanleiding zijn om een vergunning versneld te actualiseren. PROFESSIONEEL DCMR voldoet aan de krachtens de Omgevingswet vastgestelde kwaliteitscriteria, baseert zicht bij de uitvoering van taken op state of the art kennis en voldoet aan de verordeningen die door participanten zijn vastgesteld aan kwaliteit. TRANSPARANTIE We communiceren met alle belanghebbenden op een toegankelijke manier over de uitvoering van onze taken en over initiatieven en ontwikkelingen die mogelijk effect hebben op de woon- en werkomgeving van mensen. De organisatie kent een sluitende beleidsen uitvoeringscyclus, die de resultaten van onze werkzaamheden inzichtelijk maakt. SAMENWERKEN Het samenwerkingsprogramma Brzo+ voert regie op de uitvoering van VTH-taken bij Seveso-bedrijven en initieert ontwikkeltrajecten om de kwaliteit van de uitvoering
6 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
en het level playing field voor bedrijven te verbeteren. De inspectiepartners acteren daarbij als één overheid richting bedrijfsleven.
voor eventuele bijstelling van het beleid en de strategische uitgangspunten voor de uitvoering. Dit document bevat het bijgestelde Meerjarenprogramma.
De inzichten en richtlijnen die hieruit voortkomen zijn medebepalend voor het inrichten van Uitvoeringsbeleidsplan MJP en de uitvoering van taken in het algemeen.
Een sluitende beleids- en uitvoeringscyclus en professionele medewerkers met adequate kennis zijn van belang om de kwaliteit en continuïteit van de werkzaamheden te kunnen waarborgen. Dit betekent ook dat DCMR tijdig wordt betrokken bij het evalueren, actualiseren en opstellen van provinciale en gemeentelijke (thematische) beleidsstukken die voor de uitvoeringspraktijk van belang zijn.
Dit document beschrijft de vertaling van deze uitgangspunten naar uitvoeringsbeleid voor de VTH-taken in de periode 2023-2026. Daarbij ligt een accent op innovatie en focus op het effect van ons werk.
1.3
BELEIDSCYCLUS
Participanten hebben beleidsplannen opgesteld die richtinggevend zijn voor de uitvoering van VTH-taken door DCMR. De beleidskaders van de participanten en de taakuitvoering door de DCMR zijn volgens het principe van de ‘beleidsacht’, ook wel de Big8 genoemd, met elkaar verbonden (zie figuur). De Big8 kent een strategisch/ beleidsmatige plan-do-check-act-cyclus en een meer operationele uitvoeringscyclus. De bovenste cyclus die een periode van meer (doorgaans vier) jaren omvat, begint bij de beleidsprioriteiten van de participanten. Op strategisch niveau worden die vertaald in dit document: het Uitvoeringsbeleidsplan VTH (voorliggend) en daarin opgenomen een bijgesteld Meerjarenprogramma met inhoudelijke doelen en prioriteiten (het MJP was vastgesteld in 2020). Het Uitvoeringsbeleidsplan MJP geeft een antwoord op de vraag: hoe en met welke middelen voert de DCMR zijn taken uit? Het Meerjarenprogramma beantwoordt de vraag op welke milieu inhoudelijke thema’s daarbij de focus ligt en welk effect wordt nagestreefd. In de evaluatiefase doet DCMR aan de hand van uitvoeringsresultaten aanbevelingen
Op basis van het Uitvoeringsbeleidsplan 2023- 2026 en een inhoudelijke probleemanalyse stelt DCMR een risicogestuurd en effectgericht programma op voor de uitvoering, het startpunt voor de onderste cyclus
Strategische beleidsnota’s participanten
Prioriteiten & doelen Toetsing en herijking
MJP en UP
Rapportage & Strategische Strategie evaluatie cyclus Werkplannen
Programma & organisatie Actualisatieprogramma en brancheplannen
Effectindicatoren
Aanpak Operationele Monitoring
cyclus
Uitvoering
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
van de Big8. Het actualisatieprogramma voor de vergunningverlening en het brancheprogramma voor het toezicht zijn belangrijke onderdelen in de onderste cyclus van de Big8. Het programma wordt jaarlijks op uitvoeringsniveau bijgesteld op basis van ervaringen en resultaten in het voorgaande jaar. De uitvoering wordt per participant vastgelegd in een jaarlijks werkplan, dat de basis vormt voor de financiering.
1.4
OMGEVINGSWET
De Omgevingswet en de daaronder vallende besluiten worden de nieuwe grondslagen voor onze taakuitvoering en brengen veel inhoudelijke en procesmatige veranderingen met zich mee. Belangrijke wijzigingen na inwerkingtreding zijn: • Gemeenten stellen een omgevingsvisie op waarbinnen zij - rekening houdend met landelijke en provinciale plannen - hun beleidsvisie voor de gemeentelijke leefomgeving formuleren. • Een omgevingsplan vervangt het bestemmingsplan. In het omgevingsplan krijgen naast de ruimtelijke ordeningsaspecten ook gezondheid en milieu een belangrijke plek. In gebieden waar milieueisen en -regels gelden, kunnen ook andere functies gaan gelden. De Omgevingswet vraagt om verschillende belangen integraal af te wegen om tot een besluit te komen. Samenwerking tussen ketenpartners is daarbij cruciaal. In het licht van de Omgevingswet wordt bij nieuwe activiteiten breder gekeken dan alleen milieu. De scope is een gezonde leefomgeving. Milieu en veiligheid zijn een onderdeel van die gezonde leefomgeving. Dat betekent dat DCMR bij nieuwe activiteiten en ontwikkelingen ook gefocust moet zijn op gezondheid. Dit kan alleen als we in een vroeg stadium de samenwerking opzoeken tussen de verschillende expertises binnen en búiten DCMR. Denk daarbij aan de GGD en de veiligheidsregio. Dit vraagt
7 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
om een gezamenlijke aanpak omdat alleen zo alle onderwerpen onder het grote begrip gezondheid aan de orde kunnen komen De integrale aanpak vanuit de Omgevingswet leent zich goed voor de aanpak van complexe, veelomvattende onderwerpen zoals circulaire economie en energietransitie. Het is bij deze onderwerpen noodzakelijk om de problematiek vanuit meerdere invalshoeken te benaderen en de soms tegenstrijdige belangen tegen elkaar af te wegen.
1.5
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
LEESWIJZER
Na de inleiding in hoofdstuk 1 komen per hoofdstuk de volgende onderwerpen aan de orde: Hoofdstuk 2: in het Meerjarenprogramma zijn de inhoudelijke doelen en focuspunten benoemd, vanuit de verschillende beleidsopgaven van onze participanten. Hoofdstuk 3: geeft weer hoe we met doortastend vergunningverlenen de procedures en actualisatie van vergunningen kunnen versnellen. Hoofdstuk 4: effectief toezicht bereiken we met een risicogestuurde en datagedreven aanpak en we bevorderen de naleving door de inzet van passende instrumenten. Hoofdstuk 5: geeft de handhavingsaanpak met vernieuwde landelijke sanctiestrategie weer. Hoofdstuk 6: beschrijft de wijze van budgetteren van gemeentelijke en provinciale VTH-taken. Hoofdstuk 7: beschrijft de kwaliteitsborging. Zo ontstaat een samenhangend plan dat voor de komende vier jaar vastlegt hoe de financiering, prioriteitstelling en uitvoering van VTH-taken plaatsvindt en welke focuspunten we daarmee realiseren. In de bijlagen is de uitwerking van de focuspunten van het MJP opgenomen.
8 van 75
INHOUD
2
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
5
EFFECTIEF TOEZICHT
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
MEERJARENPROGRAMMA INHOUDELIJKE DOELEN (MJP)
DCMR voert de VTH-taken uit binnen de door de participanten en andere overheden gestelde beleidskaders. In het meerjarenprogramma geven wij, samen met onze participanten, richting aan de strategische doelen en ambities van de regio. Dit doen we door het aanbrengen van focus en prioritering in de taakuitvoering. DCMR voert de VTH-taken uit binnen de door de participanten en andere overheden gestelde beleidskaders. In het meerjarenprogramma (MJP 2021-2024) geven wij, samen met onze participanten, richting aan de strategische doelen en ambities van de regio. Dit doen we door het aanbrengen van focus en prioritering in de taakuitvoering. In het MJP benoemen we focuspunten waaraan we de komende vier jaren extra aandacht besteden; naast de reguliere taakuitvoering. Per focuspunt formuleren we doelen (in termen van te bereiken effecten) en activiteiten die bijdragen aan de realisatie van die doelen. Deze activiteiten werken we programmatisch uit. Tegelijkertijd zetten we een monitoringprogramma op dat bestaat uit indicatoren die het mogelijk maken om de voortgang op en het effect van de activiteiten te monitoren. Hierdoor vindt er een verschuiving plaats van sturing op inzet naar sturing op het effect van die inzet. In bijlage 2 staat de wijze van totstandkoming van de focuspunten en ook de uitwerking van de focuspunten naar de aanpak en activiteiten in de uitvoering beschreven.
FOCUSPUNTEN
BELEIDSOPGAVES Veiligheid
2.1
PROCESVEILIGHEID
X
2.2
INCIDENTEN
X
2.3
GEVAARLIJKE STOFFEN
X
Ondermijning
Gezondheid
Leefbaarheid
Duurzaamheid
X X
X
2.4
ONDERMIJNING
2.5
GEURHINDER
2.6
GELUIDHINDER
X
2.7
ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN
X
2.8
FIJNSTOF EN STIKSTOF
X
2.9
BODEMVERONTREINIGING
X
2.10
ENERGIEBESPARING
2.11
ENERGIETRANSITIE
X
2.12
CIRCULAIRE ECONOMIE
X
X X X X X X X
X X
9 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
OPBOUW FOCUSPUNTEN De uitwerking van de focuspunten zijn geordend naar de verschillende beleidsopgaves. Er is een vaste indeling gehanteerd: • Inleiding, met de overweging of bijstelling van het doel of de aanpak gewenst is • De beleidsopgave die bij het focuspunt hoort. • Om welke gebiedssoort(en) het gaat. Hierbij zijn er drie mogelijkheden: industrieel (inclusief industrieterreinen), stedelijk en landelijk gebied. • De scope van het focuspunt; in welke processen en voor welke branches is het focuspunt relevant. • De doelstelling(en). • De aanpak, activiteiten en prioriteiten. • De indicatoren die de voortgang en het effect van onze inspanning weerspiegelen. • Een eventuele verbinding met andere focuspunten.
1
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
BIJSTELLING VAN DE AANPAK VAN FOCUSPUNTEN Om in te kunnen spelen op actualiteit en nieuwe ontwikkelingen is in 2022 onderzoek gedaan naar gewenste bijstelling van de focuspunten. De inhoudelijke experts en de participanten zijn bevraagd op de mate waarin de focuspunten door (maatschappelijke) ontwikkelingen en op basis van de monitoringsresultaten nog aansluiten bij de actuele en prioritaire beleidsopgaven. Als gevolg daarvan zijn enkele bijstellingen in (de aanpak van) focuspunten doorgevoerd: • Veiligheid: aandacht voor procesveiligheid bij nieuwe energiedragers (zoals waterstof en buurtbatterijen) en het testen van scenario’s in de praktijk. • Gezondheid: relatie met WHO advieswaarden en ketenen signaaltoezicht bij ZZS zijn benoemd. Het focuspunt asbest is naar de reguliere taakuitvoering gebracht. De illegale verwijdering ervan valt onder het focuspunt ondermijning. • Duurzaamheid: (wettelijke) ontwikkelingen op het gebied van energie en het DCMR-programma energietransitie en circulaire economie (en landelijke doeluitkeringen) zijn aanleiding de energiebesparing sneller te realiseren en mogelijk de transitie te versnellen. Daarnaast is het vergroten van de kennis van milieu-effecten van nieuwe circulaire bouwstoffen en de risico’s daarvan benoemd. • Prioritering is aangegeven in geval keuzes in de uitvoeringspraktijk nodig zijn.
Voor de indicatoren geldt dat deze zijn geoperationaliseerd en getest en op basis daarvan geschrapt, aangepast of aangevuld.
10 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
2.1 PROCES VEILIGHEID
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
2.2 INCIDENTEN
2.3 GEVAARLIJKE STOFFEN
2.9 BODEM VERONTREINIGING
2.10 ENERGIE BESPARING
2.8 FIJNSTOF EN STIKSTOF
2.11 ENERGIE TRANSITIE
Veiligheid Ondermijning
2.4 ONDERMIJNING
2.7 ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN
2.5 GEURHINDER
2.6 GELUIDHINDER
Gezondheid Leefbaarheid Duurzaamheid
2.12 CIRCULAIRE ECONOMIE
11 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
VOOR DE INDUSTRIE ZIJN DE VOLGENDE FOCUSPUNTEN RELEVANT, VANUIT DE BELEIDSOPGAVE VELLIGHEID:
2.1
PROCESVEILIGHEID IN DE INDUSTRIE
Voor de procesveiligheid is het van belang dat we naast ”ontwerp en techniek” ook kijken naar de operationele veiligheid. Het gaat hierbij om het juist bedienen en opereren van installaties. Naast instrumentele veiligheid heeft ook de veiligheidscultuur een belangrijke rol. Procesveiligheid is niet geheel in voorschriften en normen te beschrijven. Wel kunnen we een continue inspanning van het bedrijf verlangen, waardoor het uitgedaagd wordt continu te verbeteren. Aandacht voor operationele veiligheid draagt bij aan het voorkomen van incidenten en de gevolgen hiervan. Nieuw is de procesveiligheid bij nieuwe energiedragers en het testen van scenario’s in de praktijk. Bekijk hier bijlage 1.1
2.2
BEPERKEN VAN DE GEVOLGEN VAN INCIDENTEN
De overheid beoordeelt door risicostudies (QRA en HAZOP) of een bedrijf zich op een locatie kan vestigen. Het gaat dan over bedrijven die onder de Sevesorichtlijn vallen (eerder Bevi). In de risicostudies staan kritische veiligheidsvoorzieningen die bepalend zijn voor beperking van de omvang van een incident of de kans dat een incident kan voorkomen. Verder vindt er onderzoek plaats naar de omgeving: of er gevoelige objecten liggen binnen het risico-, invloeds-, of aandachtsgebied van het bedrijf. De gevolgen van nieuwe energiedragers (zoals waterstof, ammoniak en Lithiumbatterijen) bij incidenten worden voortaan ook meegenomen. In de vergunning dienen de kritische veiligheids voorzieningen te staan, deze moeten voldoen aan de beste
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
beschikbare techniek. Tijdens inspecties is onderzoek nodig of een bedrijf nog steeds aan de uitgangspunten van de risicostudies voldoet. Daarnaast is het van belang dat bedrijven leren van incidenten en ze steeds opnieuw de juiste voorzorgsmaatregelen nemen om incidenten te voorkomen en gevolgen te beperken. Wanneer bedrijven niet aan de eisen van de beste beschikbare technieken voldoen, ontstaan er vermijdbare veiligheids- en milieurisico’s. Bekijk hier bijlage 1.2
2.3
VEILIG OPSLAAN EN OMGAAN MET GEVAARLIJKE STOFFEN
Opslag van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee. Om de risico’s zoveel mogelijk te beperken moeten bedrijven maatregelen nemen. Die maatregelen staan in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (verder PGS). PGSrichtlijnen bevatten doelen die de risico’s beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu beperken. Op dit moment worden veel richtlijnen geactualiseerd. Het is belangrijk dat wij zorgen dat bedrijven de meest actuele PGS-regels toepassen bij de opslag van gevaarlijke stoffen. Dit verkleint het restrisico voor de omgeving. Met name relevant binnen dit focuspunt zijn de PGS 15, 29 en 31. Ook de opslag van lithiumhoudende energiedragers (PGS 37 is in ontwikkeling) is belangrijk. Bekijk hier bijlage 1.3
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
VOOR (MET NAME) MKB ZIJN DE VOLGENDE FOCUSPUNTEN RELEVANT, VANUIT DE BELEIDSOPGAVE LEEFBAARHEID:
2.4
ONDERMIJNING EN MILIEUCRIMINALITEIT
2.5
GEURHINDER VOORKOMEN
De aanpak van ondermijnende criminaliteit staat hoog op de agenda, zowel landelijk als bij de gemeenten in ons werkgebied. Bedrijven zijn steeds vaker een dekmantel voor criminele activiteiten. Het vermengen van onder- en bovenwereld zien wij in een aantal branches terug: bij garagebedrijven, horeca, afvalverwijderingsbedrijven en opslagboxen op bedrijventerreinen. Van een groot percentage bedrijfspanden, stallen en loodsen in de regio is het feitelijke gebruik onbekend. Zicht van de overheid ontbreekt of is versnipperd over verschillende organisaties, waarmee het risico op ondermijning toeneemt. Naast de aanpak van ondermijning, waarin we samen optrekken met de gemeenten, is binnen ons reguliere werkveld met name bij de afvalbranches het risico op crimineel gedrag hoog. Het verdienmodel nodigt uit tot crimineel handelen. Bedrijven krijgen vaak betaald voor het innemen van afval nog voordat ze de verwerking hebben geregeld. Dit levert grote milieu- en gezondheidsrisico’s op omdat de bedrijven het afval onjuist kunnen verwerken en dumpen. Zo kan het afval in de leefomgeving of voedselketens terecht komen. Het aanpakken van deze milieucriminaliteit is arbeidsintensief en vraagt een regiooverstijgende ketenaanpak. Bekijk hier bijlage 1.4
De woningbouwopgave van de gemeenten heeft tot gevolg dat bedrijvigheid en woningen dichter bij elkaar komen te liggen, waarmee het risico op geurhinder toeneemt. Daarom besteden we de komende jaren aan de voorkant van
12 van 75
TERUG NAAR SCHEMA
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
projecten extra aandacht aan de advisering over geurhinder. De afgelopen drie jaar maakten inwoners binnen ons werkgebied gemiddeld ruim 5.600 keer per jaar melding van stankoverlast. Geurhinder kan verschillende oorzaken hebben. Overlast als gevolg van voedselbereiding komt voor bij horeca en detailhandel als onder of vlak naast woningen de uitlaat op leefniveau uitkomt en de ontgeuringsinstallaties niet voldoende functioneren. Bij de voedingsmiddelenindustrie kan geurhinder optreden bij specifieke processen waarbij de geuremissies niet onder controle zijn. De grootste geurhinder wordt veroorzaakt door de branche ‘houden van dieren’ (veehouderijen, maneges, mestopslagen, insectenkwekerijen). Het is het gevolg van het niet voldoen aan de geldende afstandseisen en/of illegale uitbreidingen. Daarnaast kunnen ook de aanwezige luchtwassers niet voldoende functioneren. Bij de grote industrie ontstaat geurhinder vaak bij een niet goed functionerende dampretourverwerking of te snel pompen. Bekijk hier bijlage 1.5
2.6
GELUIDHINDER VOORKOMEN
Geluidhinder heeft een negatief effect op de gezondheid, de leefbaarheid van de woonomgeving en op de fauna. Het maatschappelijk draagvlak voor geluidproducerende activiteiten neemt af. Tegelijkertijd is er sprake van realiseren van nieuwe woningen in de buurt van geluidsbronnen waarmee het risico op geluidhinder verder toeneemt. We moeten de balans tussen leefbaarheid en het ruimtegebruik dus goed in de gaten houden. We richten ons binnen dit focuspunt op twee onderwerpen: • Het voorkomen van hinder van nestgeluid van afgemeerde schepen. 2
Geluidhinder inclusief hinder van laagfrequent geluid en trillingen.
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
• Het verminderen van geluidhinder door vrijetijdsbesteding (horeca, sport en recreatie en evenementen).
VOOR (MET NAME) INDUSTRIE ZIJN ONDERSTAANDE FOSCUSPUNTEN RELEVANT, VANUIT DE BELEIDSOPGAVE GEZONDHEID:
Nestgeluid is het geluid dat afgemeerde schepen produceren als er niet op of aan de schepen wordt gewerkt en er geen laad- en losactiviteiten plaatsvinden. Nestgeluid kan leiden tot geluidoverlast bij omwonenden. Naast het hinderaspect zijn er ook juridische aspecten. Veel bedrijven in het Rijnmondgebied waar schepen afmeren, moeten een verandervergunning aanvragen om nestgeluid mee te nemen in de geluidvoorschriften. Nestgeluid kan effect hebben op woningbouwplannen in de omgeving van bedrijven waar schepen aan de kade liggen. Ook kan het effect hebben op de beschikbare geluidruimte en de ontwikkelingsmogelijkheden van de haven.
2.7
De branches horeca, sport en recreatie en evenementen hebben een gemeenschappelijke uitdaging. Aan de ene kant zijn het branches die zorgen voor vermaak en ontspanning voor inwoners. Tegelijkertijd komt het merendeel van de geluidgerelateerde klachten (geluid, trilling- en contactgeluiden) vanuit deze branches. De afgelopen jaren zien we een toename van evenementen, 24-uurs sportscholen en buiten sporten. Ook de horeca blijft een bron van geluidhinder voor inwoners. Met de toenemende verdichting van de woonomgeving verwachten we dat deze trend doorzet. Hierbij is het de uitdaging de balans tussen rust en reuring te bewaken. Zo voorkomen wij overbelasting van (woon)gebieden en houden we deze gebieden leefbaar. Nieuw ten opzichte van het voorgaande MJP is de aandacht voor de koppeling naar ruimtelijke plannen en gezondheidsaspecten. Bekijk hier bijlage 1.6
ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN (ZZS) EN PFAS VERMINDEREN
Een zeer zorgwekkende stof is een stof die gevaarlijk is voor mens of milieu omdat deze bijvoorbeeld carcinogeen, mutageen of reprotoxisch is of zich in de voedselketen ophoopt. Het voorkomen van verspreiding van deze stoffen naar lucht, bodem, afvalwater en via afval(verwerking) is dus belangrijk voor het behouden van een gezonde leefomgeving. ZZS kunnen in de bodem terechtkomen door het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen op of in de bodem. Dit wordt geregeld in het Besluit bodemkwaliteit (verder Bbk), dat onvoldoende rekening houdt met ZZS. Wij hanteren een brede definitie van ZZS (met inbegrip van PFAS), die verder gaat dan de huidige stoffenlijsten van het RIVM. De volgende stoffen behoren volgens ons eveneens tot de groep ZZS: • opkomende stoffen’, zoals genoemd door de waterkwaliteitsbeheerders. Dit zijn stoffen waarvan de schadelijkheid nog niet volledig bekend is. • stoffen die het RIVM bestempelt als: “behandelen als ZZS” of “behandelen als potentiële ZZS” potentiële ZZS • Door bedrijven zelf geclassificeerde stoffen als CMR1A/B. We bekijken per participant hoe strikt we deze brede definitie toepassen.
13 van 75
TERUG NAAR SCHEMA
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
Nieuw is het geven van meer inzicht in PFAS als onderdeel van ZZS, het keten- en signaaltoezicht bij ZZS-houdende stoffen en aandacht voor het inzetten op landelijke regelgeving om minimalisatie van ZZS richting lucht, bodem, afval en producten te realiseren. Bekijk hier bijlage 1.7
2.8
STIKSTOF EN FIJNSTOF VERMINDEREN
Bij dit focuspunt gaat het om de vermindering van de uitstoot van fijnstof (PM10 en PM2.5) en stikstof door bedrijven en activiteiten die onder de verantwoordelijkheid van DCMR vallen. Met stikstof bedoelen we: stikstof verbindingen. Het gaat dus zowel om stikstofoxiden als om ammoniak. Nieuw in het focuspunt is de relatie gelegd met de WHO-advieswaarden. Onder de Omgevingswet is gezondheid een belangrijke beleidsopgave. Fijnstof en stikstofdioxide (NO2) zijn verantwoordelijk voor ongeveer 3,5 procent van de nationale ziektelast en veroorzaken in Nederland jaarlijks 11.000 doden (RIVM, VTV 2018). Luchtvervuiling is daarmee een belangrijke oorzaak van ziekte en kost de gemiddelde Nederlander volgens RIVM 13 maanden levensverwachting. De huidige wettelijke grenswaarden vormen geen bescherming tegen deze gezondheidseffecten. In 2021 heeft de WHO haar advieswaarden naar beneden bijgesteld omdat gezondheidseffecten en sterfte optreden bij zeer lage concentraties. Daarnaast dragen stikstofoxiden, samen met ammoniak (NH3), bij aan de stikstofdepositie op kwetsbare natuurgebieden. Vanwege deze ernstige effecten op de gezondheid en leefomgeving is daarom besloten dit focuspunt de komende jaren extra aandacht te geven. Het Schone Lucht Akkoord (SLA), afgesloten en ondertekend door het Rijk, gemeenten en provincies, onderschrijft 3
Klachten over vliegverkeer zijn hierbij buiten beschouwing gelaten
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
en benadrukt het belang van emissiereductie voor de volksgezondheid. Bekijk hier bijlage 1.8
VOOR INDUSTRIE EN MKB- ZIJN DE VOLGENDE FOCUSPUNTEN RELEVANT, VANUIT DE BELEIDSOPGAVE DUURZAAMHEID:
2.9
2.10 ENERGIEBESPARING
AANWEZIGHEID VAN SCHADELIJKE STOFFEN IN DE BODEM VOORKOMEN
Het is wettelijk verplicht om de bodem te beschermen tegen de aanwezigheid van schadelijke stoffen. Bij verschillende bedrijfsactiviteiten is er een risico dat schadelijke stoffen vrijkomen en in de bodem terechtkomen. Om de impact op de bodemkwaliteit te beperken, moeten de bedrijfsactiviteiten - in lijn met de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming - voldoen aan een ‘verwaarloosbaar bodemrisico’. Als bedrijven hieraan niet voldoen, bestaan er milieurisico’s voor het betreffende gebied en het grondwater. Het bedrijf kan met een maatwerkverzoek een aanvaardbaar bodemrisico aanvragen. Saneringsmaatregelen zijn vaak kostbaarder dan preventieve maatregelen. Het begrip ‘verwaarloosbaar bodemrisico’ komt niet terug onder de Omgevingswet, maar het uitgangspunt blijft hetzelfde: bodemverontreiniging zoveel mogelijk voorkomen. Wij voerden een inventarisatie onder de RIE-bedrijven (Richtlijn industriële emissie) uit. Die toonde aan dat lang niet alle bedrijven aan deze wettelijke verplichting voldoen of maatwerk aangevraagd hebben. Als gevolg daarvan is er een aanpak nodig om de aanwezigheid van schadelijke stoffen in de bodem te voorkomen. Bekijk hier bijlage 1.9
Energiebesparing is noodzakelijk. Het hoort bij de landelijke en lokale klimaataanpak waarin de klimaatdoelen staan. Energiebesparing is daarnaast aantrekkelijk voor de energiegebruiker omdat het tot kostenbesparing leidt. Ook moeten we hernieuwbare bronnen benutten zoals zon, wind of geothermie. En we moeten mobiliteit terugdringen door mobiliteitsmanagement. Het betekent minder inzet van fossiele brandstoffen (met name benzine en diesel). Bedrijven met een verbruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgas(equivalent) per kalenderjaar hebben een energiebesparingsplicht. Op grond van het huidige Bouwbesluit (straks het BBL) moeten in 2023 duizenden kantoorgebouwen in ons gebied verplicht een energielabel C hebben en daarbij de huidige erkende maatregelen uit het eerdere activiteitenbesluit toepassen. Het toetsen hierop is een verplichte taak van de gemeente per 1 januari 2023. Er is een grote overlap tussen de circa 10.000 kantoorgebouwen en de 6.000 bedrijven die onder de energiebesparingsplicht vallen, zodat gecombineerd toezicht een efficiencyvoordeel oplevert. Hierbij stemmen we vooraf met gemeenten de programma’s en aanpak af. In het bijstellen van het focuspunt speelt mee, dat als gevolg van de maatschappelijke ontwikkeling de energieprijzen spectaculair zijn gestegen en daardoor investeringen in energiebesparingsmaatregelen eerder rendabel zijn.
Door landelijke financiering kan de inzet op het toezicht worden geïntensiveerd. Er komt een wettelijke regeling waarbij de energiebesparingsplicht wordt verbreed naar
4 De Covid-19 maatregelen hebben in 2020 en 2021 vanzelfsprekend gezorgd voor minder overlast van horeca en evenementen.
14 van 75
TERUG NAAR SCHEMA
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
de verplichting tot het verduurzamen van energiegebruik. Het opwekken van duurzame energie kan daarmee ook een rendabele maatregel zijn. Bovendien wordt de doelgroep van bedrijven waarop de geactualiseerde energiebesparingsplicht van toepassing is hierbij vergroot (inclusief ETS-bedrijven). De regeling introduceert een onderzoeksplicht voor de ‘energie-zeer-grootverbruikers’. Bekijk hier bijlage 1.10
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
2.11 ENERGIETRANSITIE
De energietransitie is noodzakelijk omdat de inzet van fossiele brandstoffen tot uitstoot van CO2 leidt en de klimaatopwarming versterkt. De energie die we niet kunnen besparen, moeten we uiteindelijk groen maken door de inzet van hernieuwbare bronnen. Terugverdientijden voor bedrijven zijn lang omdat de investeringen hoog zijn. Ook ontbreekt het, zeker bij kleinere bedrijven, vaak aan de benodigde technische kennis. Door grootschalige inzet en verdere technische ontwikkeling kan duurzaam energiegebruik tot kostenbesparing leiden. Soms zit er nog een stap tussen naar fossielarm, bijvoorbeeld bij het benutten van restwarmte van de industrie. Benutting van restwarmte kunnen we als energiebesparing zien, omdat die warmte anders in de lucht of het water belandt en de ontvangers van die restwarmte (in woningen, bij het mkb of de glastuinbouw) dan minder fossiele brandstof hoeven te gebruiken. Bovendien blijft het benutten van restwarmte van de industrie van belang, zelfs als het gebruik van fossiele brandstoffen langzaam stopt. Het is immers noodzakelijk dat we hoogwaardige energie efficiënt gebruiken.
De ingrijpende ontwikkelingen in 2022 rond de oorlog in Oekraïne en de stijgende energieprijzen die daar het gevolg van zijn heeft Europa verenigd in de ambitie om de energietransitie verder te versnellen en daardoor minder afhankelijk te worden van fossiele energiebronnen en hun leveranciers. De plicht tot verduurzaming van het energieverbruik en de onderzoeksplicht voor energie-zeergrootverbruikers (inclusief ETS) per 2023 ondersteunt het proces.
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
2 Onze VTH-aanpak zorgt voor een versnelling van duurzame initiatieven 3 We hebben kennis van opwekken van duurzame energie en nieuwe energiedragers en hun impact op de leefomgeving 4 We bevorderen het gebruik van secundaire grondstoffen op een veilige en verantwoorde manier 5 We willen bijdragen aan regelgeving die bijdraagt aan een landelijk “level playing field’ voor duurzame initiatieven en deze versnelt. Bekijk hier bijlage 1.11
2.12 CIRCULAIRE ECONOMIE
In 2030 moet Nederland 50 procent minder grondstoffen verbruiken en in 2050 moet Nederland een volledige circulaire economie hebben. In deze circulaire economie bestaat geen afval en gebruiken we grondstoffen steeds opnieuw. Zowel nieuwe als bestaande bedrijven zijn bezig met het ontwikkelen van circulaire initiatieven. Ze waarderen reststromen op zodat ze het als product of de grondstof ervan kunnen gebruiken. DCMR heeft in 2021 een meerjarig programma Energie transitie en Circulaire vastgesteld (zie focuspunt energie transitie) om kennis en expertise, samenwerking en netwerken te versterken om zo de transitie te versnellen. Het vergroten van de kennis van milieu-effecten van nieuwe circulaire bouw- en grondstoffen en de risico’s daarvan zijn benoemd. Bekijk hier bijlage 1.12
DCMR heeft in 2021 een programma energietransitie en circulaire economie vastgesteld, waarin vijf meerjarige doelen zijn opgenomen. 1 Door kennisnetwerken en samenwerking versterken we onze kennispositie op energietransitie en circulariteit
15 van 75
TERUG NAAR SCHEMA
INHOUD
3
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
DOORTASTEND VERGUNNEN
Het Rijnmondgebied kent een hoge dichtheid aan bedrijven in de onmiddellijke nabijheid van dichtbevolkte woongebieden. Om de milieudruk voor de leefomgeving van mensen op een aanvaardbaar niveau te houden en bij bedrijven de hoogste milieu- en veiligheidseisen effectief en slagvaardig te kunnen afdwingen, is adequate vergunningverlening essentieel. De wijzigingen die de Omgevingswet meebrengt op het gebied van vergunningverlening zijn: • de introductie van participatie en de Omgevingstafel; • de reguliere procedure wordt uitgangspunt; • de vergunning van rechtswege vervalt; • soms is instemming nodig van een ander bestuursorgaan voordat een vergunning wordt verleend (de vergunning met instemming). Dit komt in plaats van de verklaring van geen bedenkingen; • de introductie van de binnenplanse en buitenplanse omgevingsplanactiviteit; • de introductie van de milieubelastende activiteit. Dit vervangt het inrichtingenbegrip; • naast de meldingsplicht komt een informatieplicht voor milieubelastende activiteiten. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn onderwerpen opgenomen waarvoor maatwerkregels opgesteld kunnen worden. Maatwerkregels van de gemeente worden opgenomen in het Omgevingsplan en gelden voor een gebied of voor een categorie van gevallen. Maatwerkregels moeten voldoen aan de uitgangspunten van de Omgevingswet.
Gemeenten kunnen met een maatwerkregel een vergunningplicht opnemen in het Omgevingsplan, bijvoorbeeld voor een milieubelastende activiteit die niet is geregeld in het Bal. Op maatwerkregels kan worden gehandhaafd. In samenwerking met de gemeente kan worden bezien of maatwerkregels in het Omgevingsplan de vergunning kunnen ontlasten bijvoorbeeld door welzijnsniveaus voor onder meer lucht, geluid, geur, licht en veiligheid (bijvoorbeeld via de bestaande themaplatforms) verder concreet te maken, waarbij richtinggevende principes als uitgangspunten of randvoorwaarden functioneren. Onder de Omgevingswet is het mogelijk om ook voor milieuvergunningen leges in rekening te brengen. De hoogte van de leges is volgens de (model) legesverordening afhankelijk van de soort en hoeveelheid milieubelastende activiteiten. DCMR zal de participanten ondersteunen bij de legesberekeningen. Om deze milieubelastende activiteiten goed vast te leggen dient het VTH-systeem van DCMR aangepast te worden naar de systematiek van de Omgevingswet.
16 van 75
INHOUD
3.1
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
UITGANGSPUNTEN OMGEVINGSVERGUNNINGVERLENING
Uitgangspunt bij de omgevingsvergunning en de procedure om te komen tot een omgevingsvergunning, is dat de verantwoordelijkheid ligt daar waar deze thuis hoort. Degene die een omgevingsvergunning aanvraagt, is verantwoordelijk voor het leveren van een goede, heldere en volledige vergunningaanvraag waarop het bevoegd gezag een besluit kan nemen alsmede voor de naleving van deze vergunning. Het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning is verantwoordelijk voor een vergunning die helder, goed gemotiveerd en op tijd is verleend. Voor de minder complexe activiteiten geldt geen vergunningplicht. Activiteiten waar een vergunningplicht op ligt, zijn dus in de regel zowel juridisch als milieutechnisch complex. Dat betekent dat er hoge eisen (moeten) worden gesteld aan een aanvraag om vergunning. Immers als een aanvraag niet goed is, zal dat minimaal leiden tot een lange(re) doorlooptijd, waarin formele juridische stappen moet worden gezet om te komen tot een goede aanvraag. Dit leidt tot een hoge(re) administratieve last voor zowel de initiatiefnemer als het bevoegd gezag en lange(re) doorlooptijd van de procedure. VOOROVERLEG Wij zien het vooroverleg als een essentiële stap om te komen tot een goede, heldere en volledige aanvraag. Daarbij is het de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om dit vooroverleg op tijd in te zetten.
Als het vooroverleg wordt overgeslagen, kan niet worden gegarandeerd dat een vergunning op tijd wordt verleend.
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
Met de komst van de Omgevingswet wordt de reguliere behandeltermijn voor vergunningen acht weken. Het doel hierachter is om de handelingssnelheid bij een vergunningprocedure te verhogen en sneller en zakelijker te besluiten. Tegelijkertijd hebben wij tijd nodig om de aanvragen goed te kunnen behandelen. Daarom wordt er in het vergunningenproces zo nodig gebruik gemaakt van de wettelijke opschortings- en verlengingsmogelijkheden, zoals bij het indienen van een complexe aanvraag zonder afdoende vooroverleg of bij een aanvraag van onvoldoende kwaliteit. Als een aanvraag onvolledig of van onvoldoende kwaliteit is, wordt deze - nadat de mogelijkheid is geboden om de aanvraag aan te vullen - buiten behandeling gelaten. Ook als dit ertoe leidt dat er leges moeten worden betaald. Het is daarom wenselijk dat het bevoegd gezag het vragen van aanvullende gegevens in beginsel beperkt tot één keer en alleen die gegevens en bescheiden vraagt die echt nodig zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag. Dit past in een zakelijke houding die het bevoegd gezag aanneemt, waarbij het let op de wettelijk vereiste en maatschappelijk gewenste handelingssnelheid.
DCMR hanteert daarnaast de volgende uitgangspunten voor het verlenen van vergunningen: • Bedrijven dienen gebruik te maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) en – waar vanuit milieu hygiënisch oogpunt gewenst en haalbaar – BBT+ maatregelen te nemen. • Vergunningen bevatten doelvoorschriften. Middelvoorschriften zijn aan de orde wanneer (landelijke) voorschriften onvoldoende helder zijn, er sprake is van slecht naleefgedrag of wanneer doelvoorschriften niet toereikend zijn.
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
• Vergunningen worden inzichtelijk gemaakt door middel van geconsolideerde overzichten • Jaarlijks worden vergunningen getoetst op actualiteit. DOORTASTEND WERKEN De afgelopen jaren is geconstateerd dat de procedures om te komen tot een omgevingsvergunning zeer tijdrovend en langslepend zijn. Dit en de krapte op de arbeidsmarkt nopen ons om na te denken over een andere aanpak van de vergunningprocedures. Door het verbeteren van de communicatie tussen DCMR en de bedrijven zal een betere beheersing van het proces worden bewerkstelligd met als gevolg grip op doorlooptijden van vergunningprocedures. Deze aanpak houdt het volgende in: • Rol - minder adviserend. De projectleider omgevingsvergunningen heeft een zakelijkere houding in de vergunningprocedures en in het vooroverleg. • Proces – aantal beoordelingen/afkeuringen van stukken wordt ingeperkt. Bij een onvoldoende voortvarende aanpak van een aanvrager wordt het vooroverleg beëindigd en wordt een definitieve aanvraag verwacht. • Indieningsvereisten – er zijn checklists per milieuthema beschikbaar op de website van DCMR. Daarnaast zijn er ook BBT-tools en een ZZS-formats. Bij het vooroverleg wordt hiernaar verwezen. • Concept-(ontwerp)beschikking - wordt eenmaal voorgelegd aan de aanvrager, om de feitelijke onjuistheden en/of misverstanden eruit te halen. Er zal geen langdurig overleg plaatsvinden over de inhoud.
• Risicogestuurd vergunnen - Er wordt landelijk nagedacht over een strategie om per branche te bepalen hoe diep welke milieuthema’s (onder andere lucht, bodem, veiligheid, geluid) moeten worden behandeld in een vergunningprocedure. Voor de overige onderwerpen zouden de standaardvoorschriften voldoen;
17 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
• Robuuste vergunning - een vergunning die ruimte en flexibiliteit biedt aan het bedrijf om wijzigingen in de bedrijfsvoering sneller door te kunnen voeren dan in de huidige situatie • Prioriteitenmatrix - opgesteld om vergunningsproducten aan de hand van de criteria “belangrijkheid” en “urgentie” prioritair in te delen. Prioritaire procedures krijgen op basis van deze matrix voorrang. STARTNOTITIE VERGUNNING DCMR stelt voor uitgebreide Wabo-vergunningprocedures een startnotitie op. Dit document benoemt alle relevante onderwerpen die bij de (voorbereiding van de) vergunning aan de orde zijn. Dit maakt het mogelijk in een vroegtijdig stadium te onderkennen welke aspecten – bestuurlijk, technisch, juridisch, handhaving – een rol spelen en in de vergunning aandacht behoeven.
Belangrijke aspecten die in de startnotitie aan bod komen zijn: • Actuele (juridische) eisen – Het gaat hier bijvoorbeeld om eisen op het gebied van Best Beschikbare Technieken en de richtlijnen in het kader van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS-richtlijnen). Het opnemen van de meest recente milieueisen in de vergunning dwingt de toepassing van de nieuwste technische ontwikkelingen af en resulteert uiteindelijk in een zo gering mogelijke milieudruk op de omgeving. • Ruimtelijke toets – Deze is bedoeld om te waarborgen dat bedrijven passen in de omgeving waar zij zich vestigen. Voordat een bedrijf zich ergens vestigt wordt daarom bekeken of de voorgenomen bedrijfsactiviteiten aansluiten bij de gebiedsfuncties. Is dit het geval, dan kan een bedrijf zich ontwikkelen zonder overlast voor de
3
DOORTASTEND VERGUNNEN
4
EFFECTIEF TOEZICHT
5
CONSEQUENTE, VOORTVARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING
omgeving te veroorzaken. Daarom vindt bij de procedure van vergunningverlening een toets aan de vigerende omgevingsplannen plaats. Bovendien gaat DCMR na of een plan MER-plichtig is. • Handhaafbaarheid – Het meenemen van eerder opgedane toezicht- en handhavingservaringen kan er in de definitieve vergunning toe leiden dat er in plaats van doelvoorschriften zogenoemde middelvoorschriften worden opgelegd. Terwijl bedrijven bij doelvoorschriften zelf voor een groot deel kunnen bepalen hoe zij de opgelegde verplichtingen vormgeven, liggen de te nemen maatregelen bij middelvoorschriften vast. Het toepassen van deze voorschriften, die het bedrijf dus minder vrijheid laten, is mogelijk bij bedrijven waarvan uit toezicht- en handhavingsgegevens blijkt dat deze niet goed tot zelfregulering in staat zijn. Wanneer de vergunning is opgesteld, vindt – via een gezamenlijke opleveringscontrole van de vergunningverlener en toezichthouder bij het bedrijf – de overdracht plaats naar toezicht. • Doelen en knelpunten – Lokale doelen en of te verwachten knelpunten op onder meer bestuurlijk en/of juridisch vlak kunnen van invloed zijn op de vergunningverlening. Denk aan een mogelijk juridisch afbreukrisico als gevolg van bijvoorbeeld een strengere lokale emissie-eis dan landelijk is voorgeschreven.
Daarom onderhoudt DCMR hierover intensief contact met onder meer besturen van gemeenten of het provinciebestuur. • Samenwerking - met betrokken partners, zoals de veiligheidsregio en verantwoordelijken voor exploitatievergunning.
3.2
6
BUDGETTEREN
7
KWALITEITSBORGING
8
BIJLAGEN
ACTUALISATIEPROGRAMMA VERGUNNINGEN
Het actualiseren van omgevingsvergunningen is nodig om de milieudruk als gevolg van de activiteiten van bedrijven zoveel mogelijk terug te dringen en de veiligheid te vergroten. Bovendien draagt actualisatie bij aan het in stand houden van een level playing field tussen bedrijven onderling. Jaarlijks vindt er daarom een actualisatietoets plaats op het vergunningenbestand, waarbij: • Een toetsing plaatsvindt op actualiteit van alle vergunningen naar aanleiding van nieuwe wet- en regelgeving; • Een toetsing plaatsvindt van vergunningen van tien jaar oud op inhoud en overzichtelijkheid. Voor Seveso/ Brzo-bedrijven geldt dat deze hieraan eens in de vijf jaar worden onderworpen; • De inhoudelijke toets richt zich in ieder geval op de thema’s ‘luchtkwaliteit’, ‘externe veiligheid’ en ‘zeer zorgwekkende stoffen’; DCMR stelt jaarlijks op basis van de uitgevoerde toets een actualisatieprogramma op met daarin de volgorde en prioritering van de actualisaties. Deze zijn afhankelijk van de risico’s voor veiligheid en de leefomgeving en de wettelijke termijnen voor implementatie van nieuwe wet- en regelgeving.
Bij de totstandkoming van het actualisatieprogramma worden de politiek bestuurlijke prioriteiten zoals die onder meer als focuspunten zijn vastgelegd in het Meerjarenprogramma, de resultaten van de actualisatietoets en de bevindingen van toezicht en handhaving in het afgelopen jaar betrokken.
18 van 75
INHOUD
VOORWOORD EN SAMENVATTING
1
INLEIDING
2
MEERJARENPROGRAMMA
ACTUALISATIE VAN VERGUNNINGEN Voordat wij overgaan tot actualiseren van vergunningen zullen we bedrijven verzoeken om informatie aan te leveren. In het verzoek om informatie zullen wij gedetailleerd beschrijven welke informatie wij nodig hebben. Indien er niet of onvoldoende gegevens door het bedrijf worden aangeleverd, kan in het geval van een verplichte actualisatie worden overgegaan tot het vorderen van deze gegevens of zal worden overgegaan tot actualiseren van de vergunning op basis van de voorhanden informatie. PRIORITEITENLADDER ACTUALISATIES Voor Seveso/Brzo-bedrijven is op landelijk niveau een prioriteitenladder afgesproken. Bij de toepassing van deze ladder staat voorop dat het de voorkeur heeft in het geval van een aanvraag – of een te verwachten aanvraag – hierin de actualisatie mee te nemen. 1 Actualisaties naar aanleiding van BBT-conclusies of BREF’s. 2 Actualisaties naar aanleiding van nieuwe Nederlandse BBT-documenten op het gebied van externe veiligheid. Actualisaties naar aanleiding van: a) Tijdens het toezicht geconstateerde ernstige tekortkoming of bij een acute situatie; b) nieuwe Nederlandse BBT-documenten; c) een incident bij een inrichting of naar aanleiding van aanbevelingen uit een incidentenonderzoek door bijvoorbeeld de Onderzoekraad voor Veiligheid.