Transitieplan Ridderkerk 2024.pdf
Tekst van het document
Transitieplan Ridderkerk 2024 Op weg naar één omgevingsplan (openbaar)
Versie:
1.9
Datum:
22 oktober 2024
Opsteller:
Ann van Kruijssen
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ........................................................................................................................................ 4
2.
Het instrument Omgevingsplan.................................................................................................... 5 2.1
De reikwijdte ......................................................................................................................... 5
2.2
Vermindering en vereenvoudiging van regels....................................................................... 5
2.3
Integratie en samenwerking.................................................................................................. 6
2.4
Relatie met omgevingsvisie en omgevingsprogramma’s ...................................................... 6
3.
Op weg naar één omgevingsplan ................................................................................................. 8 3.1
Doel ....................................................................................................................................... 8
3.2
Beleidsarm omzetten, tenzij… ............................................................................................... 9
3.3
Stapsgewijze transitie in drie sporen .................................................................................... 9
3.4 4.
3.3.1
Basis-omgevingsplan ................................................................................................... 10
3.3.2
Gebiedsgericht verhuizen ............................................................................................ 10
3.3.3
Thematisch verhuizen ................................................................................................. 11
Nieuwe gebiedsontwikkelingen of nieuw beleid ................................................................ 12 Stappenplan ................................................................................................................................ 13
4.1
4.2
4.3
5.
Acties basis-omgevingsplan................................................................................................. 13 4.1.1
De stoeptegelstrategie ................................................................................................ 13
4.1.2
Bruidsschat en instructieregels – opstellen regels ...................................................... 14
Acties gebiedsgericht verhuizen.......................................................................................... 14 4.2.1
Woongebieden ............................................................................................................ 16
4.2.2
Centrumgebied en Centrumschil................................................................................. 16
4.2.3
Natuur, recreatie en sport ........................................................................................... 16
4.2.4
Agrarisch gebied .......................................................................................................... 16
4.2.5
Rivieroevers Nieuwe Maas/ Noord ............................................................................. 16
4.2.6
Bedrijventerrein .......................................................................................................... 16
Acties Thematisch verhuizen ............................................................................................... 17 4.3.1
Bruidsschat en instructieregels – uitbreiden werkingsgebied ................................... 17
4.3.2
Verordeningen............................................................................................................. 17
4.3.3
Bodem - voorbeschermingsregels ............................................................................... 18
4.3.4
Geluid voor wegverkeer - beleidsregels ...................................................................... 18
4.3.5
Milieuonderwerpen per gebiedstype.......................................................................... 18
Techniek...................................................................................................................................... 20 5.1
Parallel wijzigen en besluiten – RxBase............................................................................... 20
5.2
Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) Omgevingsplan via IMRO .................................... 20
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 2 van 28
5.3
Handboek omgevingsplan ................................................................................................... 20
5.4
Annoteren ........................................................................................................................... 21
6.
Toepasbare regels....................................................................................................................... 22
7.
Planning ...................................................................................................................................... 23
Bijlage 1 Keuzes bij het opstellen van regels ....................................................................................... 24 A
Type regels .............................................................................................................................. 24
B
Open of gesloten normen ....................................................................................................... 27
C
Algemene regels of locatie specifieke regels .......................................................................... 28
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 3 van 28
1.
Inleiding
De Omgevingswet vereist dat wij op 1 januari 2032 beschikken over één omgevingsplan voor ons hele grondgebied. Dat betekent dat we zeven jaar de tijd hebben (vanaf eind 2024) om de verhuizing van alle regels over de fysieke leefomgeving naar het permanente omgevingsplan te organiseren. Dit lijkt een behoorlijke periode, maar deze periode is voor een dergelijke grote en complexe opgave desondanks krap. Daarom is het belangrijk een plan van aanpak richting dat moment te hebben. Daarin voorziet dit transitieplan. De transitieperiode is de periode vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) tot het moment waarop het tijdelijke deel van het omgevingsplan vervalt (1 januari 2032). De transitie is een dynamisch proces. De transitieperiode is namelijk lang en de landelijke voorziening Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is nog volop in ontwikkeling. Bovendien is de opgave waar we voor staan enorm. Dit maakt dat we op dit moment nog niet alles kunnen voorzien. Daarom houden we u jaarlijks op de hoogte van de voortgang, nieuwe inzichten en eventuele aanpassingen. Zo houden we grip op de opgave en planning en kunnen we bijsturen waar dat nodig is. De voorliggende versie betreft versie 1.9 van oktober 2024.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 4 van 28
2.
Het instrument Omgevingsplan
2.1 De reikwijdte Het omgevingsplan wordt soms de opvolger van het bestemmingsplan genoemd, maar dat is niet helemaal terecht. De reikwijdte van een omgevingsplan is namelijk veel breder dan een bestemmingsplan. In een traditioneel bestemmingsplan wordt voor elk perceel bepaalt welke functie is toegestaan en wat er mag worden gebouwd. Hierbij gaat het alleen om ruimtelijk relevante zaken. De speelruimte van het bestemmingsplan is namelijk in de Wet ruimtelijke ordening afgebakend tot een ‘goede ruimtelijke ordening’. Met de Omgevingswet wordt de speelruimte vergroot. Zoals gezegd kunnen alle regels die betrekking hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving of op activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving in een omgevingsplan worden opgenomen. Het omgevingsplan bevat straks de regels voor het hele grondgebied van de gemeente over de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat ook andere elementen dan alleen ruimtelijke aspecten worden opgenomen, zoals milieu, gezondheid en duurzaamheid. Hieruit blijkt de integrale benadering van de Omgevingswet. In de wet staat dat deze regels samen moeten voorzien in een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Hierbij gaat het om het vinden van de juiste balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Eén van de kernbegrippen van de Omgevingswet is de ‘fysieke leefomgeving’.
Dit begrip bepaalt de reikwijdte van de Omgevingswet. Het omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Het begrip fysieke leefomgeving is niet zo gedefinieerd dat het maar op één manier begrepen kan worden. Dit betekent voor het omgevingsplan dat alle regels kunnen worden opgenomen, die betrekking hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving of op activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Wanneer er geen sprake is van fysieke leefomgeving, dan is de Omgevingswet niet van toepassing.
2.2 Vermindering en vereenvoudiging van regels De wens is om minder, maar wel goede, heldere en handhaafbare regels te maken. Het is goed om daarbij te beseffen dat het plan, ondanks het streven naar minder regels, omvangrijk zal zijn, omdat de reikwijdte groter is en er veel thema’s moeten worden meegenomen. De Omgevingswet beoogt dat het omgevingsplan zich onderscheidt van de nu geldende bestemmingsplannen door minder vergunningplichten, gebundelde regelgeving en nieuwe onderwerpen. Dit maakt dat de gemeente keuzes moet maken om het instrument
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 5 van 28
gebruiksvriendelijk en leesbaar te houden. Zie ook bijlage 1 voor een overzicht van alle opties die de gemeente heeft bij het opstellen van regels. Regels en processen moeten zodanig worden ingericht dat op een snelle en eenvoudige manier beslissingen kunnen worden genomen. Het faciliteren van goed vooroverleg en participatie vormen daarbij belangrijke onderdelen.
2.3 Integratie en samenwerking Er is al veel beleid en regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving vastgelegd in bestemmingsplannen, verordeningen, beleidsnota’s, en dergelijke. Deze regels en beleidskaders zijn altijd ons vertrekpunt. Het integreren van al deze regels en beleidskaders in het omgevingsplan vraagt om een nieuwe manier van werken. Het omgevingsplan is namelijk niet alleen belangrijk voor het cluster Ruimte. Alhoewel in dat cluster wel het zwaartepunt ligt, zijn ook collega’s uit de clusters Sociaal, Buitenruimte, Samenleving en ketenpartners (zoals de GGD, Veiligheidsregio, Omgevingsdienst DCMR en het Waterschap) betrokken. Bij de inrichting van het omgevingsplan is het belangrijk om met deze integrale aanpak rekening te houden. Net als een goede samenwerking en afstemming met alle betrokkenen. Komen tot één toetsingskader betekent ook dat de transitie zal leiden tot aanpassingen in regels, bijvoorbeeld om te zorgen dat regels met een andere herkomst op elkaar aansluiten. We zullen daarin als gemeente dus keuzes moeten maken.
2.4 Relatie met omgevingsvisie en omgevingsprogramma’s De omgevingsvisie en omgevingsprogramma’s hebben beide een beleidsmatige insteek. De omgevingsvisie is echter kaderstellend en gericht op de lange termijn. Het bevoegd gezag ligt bij de gemeenteraad. In de Omgevingsvisie zijn de strategische beleidskeuzen op het terrein van de fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit vastgelegd. Omgevingsprogramma’s zijn uitvoeringsgericht en zijn gericht op de korte tot middellange termijn. Het bevoegd gezag ligt bij het college van B&W. Het programma is geen integraal instrument, maar richt zich op het behalen van doelen voor een sector, gebied of thema of omgevingswaarde. Zoals het in 2024 in procedure gebrachte en verplichte programma Geluid en Lucht.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 6 van 28
Het omgevingsplan is onderdeel van de beleidscyclus op gemeentelijk niveau. De Omgevingswet gaat uit van een continu proces van beleidsontwikkeling (omgevingsvisie), beleidsdoorwerking (omgevingsprogramma) en beleidsuitwerking (omgevingsplan), waarbij beleid via monitoring en evaluatie voortdurend kan worden gevolgd en aangepast. Dit heeft zijn doorwerking naar de regels in het omgevingsplan en naar vergunningverlening. Het maakt het omgevingsplan tot een dynamisch plan. In tegenstelling tot een bestemmingsplan, dat één keer in de tien jaar moest worden geactualiseerd en door de gemeenteraad vastgesteld, houden we het omgevingsplan continu ‘up to date’. Een goede afstemming tussen deze instrumenten is daarom belangrijk.
Figuur 1 Visuele weergave van de relatie tussen Omgevingswet-instrumenten
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 7 van 28
3.
Op weg naar één omgevingsplan
3.1 Doel De transitieopgave waarvoor we staan is omvangrijk. Het in één keer opstellen van een permanent omgevingsplan dat aan alle inhoudelijke en technische eisen voldoet is een onmogelijke opgave. Dit transitieplan gaat dan ook uit van een geleidelijk aanpak met keuzes en stappen om tot een permanent omgevingsplan te komen. Het permanente omgevingsplan wordt gevuld vanuit verschillende bronnen: 1. Het tijdelijke deel omgevingsplan, met daarin: -
Bestemmingsplannen en beheersverordeningen;
-
Bruidsschat-regels (dit zijn voormalige Rijksregels);
-
De archeologieverordening.
2. De gemeentelijke verordeningen over de fysieke leefomgeving. 3. Verleende vergunningen, nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en regels die volgen uit gemeentelijk beleid. 4. Instructieregels uit rijks- en provinciale regelgeving.
Figuur 2 Visuele weergave van de bronnen van het permanente Omgevingsplan (afbeelding uit transitieplan Nijmegen)
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 8 van 28
Het is goed om ons te realiseren dat deze transitieopgave veel omvangrijker is dan de actualisatieopgave uit 2008 als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening. Toen moesten we binnen vijf jaar (voor 1 juli 2013) alle bestemmingsplannen binnen ons grondgebied actualiseren en aanpassen aan een digitale standaard (IMRO). We zijn inmiddels ruim vijftien jaar verder. Toch zijn er nog steeds bestemmingsplannen niet geactualiseerd. De consequenties voor het niet halen van de deadline van 1 januari 2032 zijn groot. Op die datum, vervalt namelijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan en alle regels die daarin zijn opgenomen. Ook (delen van) gemeentelijke verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving moeten voor 1 januari 2032 onderdeel zijn van het permanente omgevingsplan. Als dat op 1 januari 2032 niet is geregeld, dan vervallen ook deze regels. Om die reden is gekozen voor een fasering waarin we de beschikbare tijd tot de deadline van 1 januari 2032 zo optimaal mogelijk benutten. Daarbij hanteren we de in de volgende drie paragrafen beschreven uitgangspunten.
3.2 Beleidsarm omzetten, tenzij… Harmonisatie van alle regels over de fysieke regelgeving is een zodanig complexe en omvangrijke klus, dat we bij de transitie het uitgangspunt hanteren: ‘beleidsarm omzetten, tenzij …’. Dit houdt in dat de geldende regels zoveel mogelijk gelijkwaardig worden omgezet, inclusief de daarin opgenomen ruimte voor ontwikkeling. Beleidsarm overzetten is echter niet altijd mogelijk en in sommige gevallen ook niet wenselijk. Bijvoorbeeld in de volgende gevallen:
wanneer we kansen zien regels te verminderen;
wanneer er verschillen zitten in de regelingen, die we niet kunnen verantwoorden;
bij tegenstrijdigheden in de regels van sectorale beleidsvelden;
bij gewijzigd of nieuw beleid dat is opgenomen in een geactualiseerde versie van de omgevingsvisie of een omgevingsprogramma.
3.3 Stapsgewijze transitie in drie sporen Op weg naar een volwaardig en gebiedsdekkend permanent omgevingsplan onderscheiden we drie sporen, namelijk: 1. opstellen basis-omgevingsplan; 2. het gebiedsgericht verhuizen van regels uit bestemmingplannen; 3. het thematisch verhuizen van verordeningen en beleidsregels. Deze drie sporen worden in de volgende sub-paragrafen toegelicht.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 9 van 28
3.3.1 Basis-omgevingsplan Om de regels uit het tijdelijk deel omgevingsplan en onze gemeentelijke verordeningen netjes naar het permanente omgevingsplan te verhuizen, werken we aan een basis-omgevingsplan. Dit basisomgevingsplan bevat een duidelijke structuur en hoofdstukindeling en een zo goed mogelijk gevulde ‘bibliotheek’ met regels. Bij het opstellen van het basis-omgevingsplan hanteren we de volgende drie uitgangspunten. Een duidelijke structuur met functionele gebiedsaanwijzingen en activiteiten De Omgevingswet bepaalt dat in het omgevingsplan regels gesteld kunnen worden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Deze regels moeten zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en daarmee voor het borgen van een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zo snel mogelijk omzetten van de Bruidsschat De bruidsschat zit technisch zeer complex in elkaar. Daarom vinden we het wenselijk deze regels zo snel mogelijk naar het permanente omgevingsplan te verhuizen. Stap 1 is om ze te verwerken in het basis-omgevingsplan. Stap 2 is om ze vervolgens vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan, waarin nu de regels uit de bruidsschat staan, kan dan volledig vervallen.
Meenemen van de instructieregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland De regels in het basis-omgevingsplan moeten voldoen aan de instructieregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Instructieregels van het Rijk staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Instructieregels van de Provincie Zuid-Holland staan in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV).
3.3.2 Gebiedsgericht verhuizen De ruimtelijke regels in onze bestemmingsplannen en beheersverordeningen verhuizen we per gebied naar het permanente omgevingsplan. De regels uit een bestemmingsplan vervallen namelijk in één keer per gebied. Dit betekent dat wanneer je een regel wil aanpassen, je alle regels uit dat bestemmingsplan voor dat gebied verhuist naar het permanente omgevingsplan. Een voorbeeld: Het is niet mogelijk om voor een specifieke locatie de bestemming ‘Wonen’ te schrappen of te wijzigen en tegelijkertijd de andere regels voor die locatie te behouden (zoals dubbelbestemmingen en algemene bouw- en gebruiksregels). In dat geval moeten álle bestemmingsplanregels voor de betreffende locatie in één keer naar het permanente omgevingsplan verhuisd worden.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 10 van 28
Als gemeente kunnen we zelf bepalen hoe groot een gebied is. We hoeven dus niet in één keer voor een heel bestemmingsplangebied de regels om te zetten. Dit kunnen we ook doen per wijk of gebiedstype. Uiteindelijk smelten alle deelgebieden samen tot één volwaardig omgevingsplan voor het hele gemeentelijke grondgebied. Een voorbeeld: In het centrum voorzien we diverse ontwikkelingen. Deze locaties vallen binnen het bestemmingsplan ‘Centrum Ridderkerk’. Het is mogelijk om de bestemmingsplanregels voor een specifieke ontwikkellocatie te laten vervallen in het tijdelijke omgevingsplan en te verhuizen naar het permanente omgevingsplan, maar de rest van het bestemmingsplan ‘Centrum Ridderkerk’ te behouden in het tijdelijke deel.
3.3.3 Thematisch verhuizen Verordeningen In meerdere gemeentelijke verordeningen zijn regels opgenomen die gaan over de fysieke leefomgeving. We onderscheiden drie categorieën: 1.
Dit moet: een deel van deze regels moet overgezet worden naar het omgevingsplan. Het Omgevingsbesluit bepaalt welke regels in de gemeentelijke verordeningen naar het omgevingsplan overgeheveld moeten worden. Dat zijn regels die dus niet in de verordening mógen achterblijven. Bijvoorbeeld over het vellen van een houtopstand of het maken van een uitweg.
2.
Dit mag: er zijn ook regels die gaan over de fysieke leefomgeving en die naar het omgevingsplan mogen. Bijvoorbeeld regels over parkeerexcessen en regels over het toegestane geluidsniveau van niet-versterkte muziek.
3.
Dit mag niet: tenslotte zijn er nog regels die niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Bijvoorbeeld regels over cameratoezicht op openbare plaatsen en regels over gebiedsontzeggingen.
De voorgestelde aanpak is om regels uit gemeentelijke verordeningen per verordening te verhuizen. Tenzij het handiger is om de verhuizing van verordeningen in het geheel of per thema te combineren. Blijven er in zo’n verordening nog regels achter die niet naar het omgevingsplan gaan? Dan is het advies om een opgeschoonde versie van de verordening tegelijkertijd ter besluitvorming voor te leggen aan het bevoegd gezag. Overigens is het tot 2032 toegestaan om verordeningen te wijzigen, zonder de wijziging in het nieuwe deel van het omgevingsplan op te nemen. Beleidsregels Ook beleidsregels of nieuw beleid voor bijvoorbeeld geluid, bodem, erfgoed of duurzaamheid kunnen als thematische wijzigingen worden toegevoegd. Een thematische wijziging maakt direct integraal onderdeel uit van het permanente omgevingsplan van de gemeente.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 11 van 28
3.4 Nieuwe gebiedsontwikkelingen of nieuw beleid Geen onderdeel van het transitieplan Gedurende de transitieperiode blijft de gemeente, net als nu, volop in ontwikkeling. Bij de gebiedsgerichte of thematische verhuizing van regels naar het permanente omgevingsplan (spoor 2 en 3) nemen we echter geen nieuwe gebiedsontwikkelingen of nieuw beleid mee. Deze maken dus ook geen deel uit van het transitieplan, maar volgen hun eigen proces en planning. Het transitieplan richt zich namelijk specifiek op het verhuizen van de regels die na afloop van de transitieperiode (1 januari 2032) komen te vervallen. Daar zijn zowel de planning als de benodigde capaciteit op gebaseerd. Enerzijds omdat alle inzet nodig is om deze door de Omgevingswet minimaal vereiste acties voor elkaar te kunnen krijgen. Anderzijds omdat bezwaren op deze gebiedsontwikkelingen of dit nieuwe beleid de transitie van bestaande regels zou kunnen vertragen. Eigen planning en proces Nieuwe gebiedsontwikkelingen die in strijd zijn met het (tijdelijk deel) omgevingsplan of het verwerken van nieuw beleid kunnen op twee manieren mogelijk worden gemaakt:
door of namens het college van B&W een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) te laten afgeven;
door de gemeenteraad het omgevingsplan te laten wijzigen en nieuwe regels vast te stellen.
Omgevingsvergunning voor een BOPA Het werken met de BOPA heeft als voordeel dat de opbouw van het permanente omgevingsplan ongestoord kan plaatsvinden. Een BOPA kan niet alleen ingezet worden voor kleine initiatieven, maar ook voor grote(re) gebiedsontwikkelingen. Deze route heeft daarom, zeker in de eerste jaren na inwerkingtreding van de Omgevingswet, de voorkeur. Een nadeel van de BOPA is dat deze binnen vijf jaar moet worden verwerkt in het omgevingsplan. Dat betekent dus dubbel werk. Om straks aan deze verplichting te kunnen voldoen, is een goede registratie van BOPA’s essentieel. Wijzigen omgevingsplan Op de langere termijn (vanaf 2027) heeft het onze voorkeur om gebiedsontwikkelingen zoveel mogelijk te faciliteren met een wijzigingsbesluit. Daarmee wordt het omgevingsplan direct aangepast en blijft deze actueel. Toch kiezen we er om verschillende redenen voor om gebiedsontwikkelingen voorlopig (tot 2027) bij voorkeur te faciliteren via een BOPA-vergunning. Allereerst omdat we het basis-omgevingsplan op orde moeten hebben om wijzigingen goed te kunnen verwerken (spoor 1). We verwachten daar tot en met eind 2025 mee bezig te zijn. Daarnaast vanwege het feit dat we nog kennis en ervaring moeten opdoen met de eerste gebiedsgerichte en thematische verhuizing van regels in 2026.
Tenslotte zijn ook het DSO en de software op dit moment nog niet in staat om het parallel wijzigen en besluiten van het omgevingsplan zorgvuldig te coördineren (zie paragraaf 5.2 van dit transitieplan). Transitieplan Ridderkerk
Pagina 12 van 28
4.
Stappenplan
In dit hoofdstuk werken we de drie-sporen aanpak verder uit in concrete acties. Deze acties plannen we vervolgens in de tijd.
4.1 Acties basis-omgevingsplan In paragraaf 3.3.1 is toegelicht dat we starten met het opstellen van een basis-omgevingsplan. Om daartoe te kunnen komen onderscheiden we de volgende stappen: a. Opstellen structuur en hoofdstukindeling; b. Het vullen van de structuur met regels uit de Bruidsschat; c. Analyseren en vertalen van instructieregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland naar het omgevingsplan.
4.1.1 De stoeptegelstrategie In navolging van andere gemeenten willen we het basis-omgevingsplan formeel in procedure brengen en door de gemeenteraad laten vaststellen. Daarmee wordt het een integraal onderdeel van het permanente omgevingsplan. We doen dit via de ‘stoeptegelstrategie’. De ‘stoeptegelstrategie’ begint met het koppelen van het basis-omgevingsplan aan een zeer klein werkingsgebied (een stoeptegel). Dat kan een bijna onzichtbaar stipje zijn op bijvoorbeeld rivier De Noord. Nadat de gemeenteraad deze wijziging heeft vastgesteld is het basis-omgevingsplan onderdeel van het permanente omgevingsplan, al is het feitelijk nog nergens van kracht. Behalve dan op de stoeptegel. Via opeenvolgende wijzingen breiden we de regels langzaam uit voor de hele gemeente. Deze strategie biedt een aantal voordelen:
Het biedt ons de mogelijkheid aan het begin van de transitie het gesprek te voeren over basisregels die we willen laten gelden voor de hele gemeente. Zo voorkomen we dat discussie over deze regels een concrete gebiedsgerichte wijziging belast.
Het biedt meer juridische zekerheid. Bij iedere volgende wijziging van het omgevingsplan maken we gebruik van de basisregels die eerder door de gemeenteraad zijn vastgesteld (maar feitelijk nergens van kracht zijn). Bij de vernietiging van een wijzigingsbesluit door de Raad van State, blijven de juridische regels die zijn opgenomen in het basis-omgevingsplan in stand. Daarmee voorkomen we ingewikkelde reparaties achteraf en ondervangen we een belangrijk juridisch risico.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 13 van 28
4.1.2 Bruidsschat en instructieregels – opstellen regels Bij het vullen van de structuur met regels uit de bruidsschat beslissen we of we regels moeten aanscherpen, verruimen of juist moeten laten vervallen. Datzelfde geldt voor de instructieregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland. Bij voorkeur passen we de regels zowel qua vorm als inhoud aan, aan de gemeentelijke situatie en ambities. Toch kan het voorkomen dat we een regel inhoudelijk ongewijzigd overnemen, en enkel een nieuwe plek geven in de definitieve structuur.
4.2 Acties gebiedsgericht verhuizen We gaan de ruimtelijke regels gebiedsgericht en stapsgewijs overzetten naar het permanente omgevingsplan. Daarbij onderscheiden we de volgende functionele gebieden met eventuele deelgebieden en volgorde: 1. Woongebied – Oostendam 2. Woongebied – Bolnes 3. Woongebied – Rijsoord 4. Woongebied – Slikkerveer 5. Woongebied – Ridderkerk-West + Ridderkerk-Oost + Drievliet 6. Woongebied – Het Zand + Driehoek ‘t Zand 7. Centrumgebied – deelgebied Winkelgebied + Historische kern 8. Centrumschil – Koninginneweg en omgeving 9. Centrumschil – deelgebied Centrum Oost 10. Centrumschil – deelgebied PC Hooftstraat eo 11. Natuur, recreatie en sport – Donckse Velden + landgoed Huys ten Donck + sportparken 12. Natuur, recreatie en sport – Waalbos + sportpark 13. Natuur, recreatie en sport – Crezeepolder + Gorzen 14. Natuur, recreatie en sport - Oosterpark 15. Agrarisch gebied 16. Rivieroevers Nieuwe Maas/ Noord 17. Bedrijventerrein – Veren Ambacht 18. Bedrijventerrein – Nieuw-Reijerwaard 19. Bedrijventerrein – Cornelisland 20. Bedrijventerrein – Donkersloot 21. Rijks- en hoofdontsluitingswegen We streven er naar om de ruimtelijke regels voor de verschillende deelgebieden in één keer te verhuizen (met één wijzigingsbesluit). Maar als het noodzakelijk, wenselijk of efficiënter is om een deelgebied op te knippen, doen we dat.
De praktijk zal moeten uitwijzen welke werkwijze de voorkeur heeft, dat is nu nog moeilijk in te schatten.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 14 van 28
Op basis van onze ervaringen met de actualisatieopgave onder de Wet ruimtelijke ordening verwachten we dat het gebiedsgericht verhuizen van de ruimtelijke regels (bestemmingsplannen) naar het permanente deel gemiddeld anderhalf tot twee jaar per gebied in beslag neemt (van inventarisatie – via participatie – naar vaststelling). Dit zal per deelgebied verschillen afhankelijk van de actualiteit van de nu geldende bestemmingsplannen, de omvang (en complexiteit) van de gebieden en de ervaring die we in de loop van de tijd opdoen met het verhuizen van de ruimtelijke regels naar het permanente omgevingsplan. Het eerste (gebiedsgerichte) omgevingsplan vergt sowieso meer tijd, omdat het omgevingsplan een nieuw instrument is.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 15 van 28
4.2.1 Woongebieden Vanuit het oogpunt van dienstverlening heeft het onze voorkeur eerst de oudere bestemmingsplannen en beheersverordeningen voor Oostendam, Bolnes en Rijsoord te verhuizen. Deze plannen zijn minder goed raadpleegbaar via het Omgevingsloket. Daarbij maken we uiteraard gebruik van de kennis en inzichten die zijn opgedaan bij het in 2023 vastgestelde bestemmingsplan Woongebied voor de wijken Slikkerveer, Ridderkerk-West, Ridderkerk-Oost en Drievliet. In Het Zand en Driehoek ’t Zand zijn gebiedsontwikkelingen recent afgerond. Dit plangebied doen we daarom als laatste van de woongebieden.
4.2.2 Centrumgebied en Centrumschil Rond het centrum en de PC Hooftstraat zijn veel ontwikkelingen die naar verwachting met BOPA’s gerealiseerd kunnen worden. Voor zowel Centrum-Oost als het gebied rondom de Koninginneweg is in 2024 gestart met een gebiedsprogramma. Pas na besluitvorming over deze programma’s nemen we een besluit over het verhuizen van de regels uit het tijdelijk deel omgevingsplan.
4.2.3 Natuur, recreatie en sport Ridderkerk heeft een aantal waardevolle groengebieden, zoals het Waalbos, de Crezeepolder en de Donckse Velden. In deze gebieden ligt de nadruk niet op bouwen, maar op het beschermen en benutten van deze gebieden.
4.2.4 Agrarisch gebied Op grond van instructieregels van het Rijk moeten we bebouwingscontouren voor ‘geur’, ‘jacht’ en ‘houtkap’ opnemen. De exacte begrenzing van deze bebouwingscontouren bepalen we op het moment dat we het omgevingsplan voor het buitengebied en de randen van de gemeente uitwerken. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied nemen we de genoemde bebouwingscontouren direct op.
4.2.5 Rivieroevers Nieuwe Maas/ Noord De gemeenteraad heeft in 2021 een gebiedsvisie voor de rivieroevers vastgesteld. Naar verwachting kunnen veel ontwikkelingen met BOPA’s gerealiseerd worden. Daarom pakken we het verhuizen van de regels naar het omgevingsplan later op.
4.2.6 Bedrijventerrein De bedrijventerreinen schuiven we in de tijd ook wat verder naar achteren. Dit zijn complexe gebieden. Onder de Omgevingswet krijgen zowel overheden als bedrijven te maken met een geheel andere systematiek. De huidige werkwijze met milieucategorieën komt te vervallen, net als de term ‘inrichting’. Onder de Omgevingswet wordt de term ‘Activiteiten’ gebruikt. En de VNG introduceert hiervoor een nieuwe systematiek in de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 16 van 28
4.3 Acties Thematisch verhuizen De keuze wanneer welk thema aan bod komt is afhankelijk van meerdere factoren, te weten:
thema’s die belangrijk zijn in de dagelijkse praktijk. Denk aan de thema’s bodem, geluid en duurzaamheid: dit zijn onderwerpen die bij veel initiatieven spelen;
thema’s die in de praktijk vaak voorkomen en waarvan qua structuur relatief eenvoudig regels kunnen worden gemaakt. Dit zijn meestal thema’s die in verordeningen zitten, zoals regels over kappen en het maken van een uitweg;
thema’s waarvan beleid in ontwikkeling is. Er wordt gekozen om gebruik te maken van ‘natuurlijke‘ actualisatiemomenten.
4.3.1 Bruidsschat en instructieregels – uitbreiden werkingsgebied Na besluitvorming over het basis-omgevingsplan zijn deze regels in het permanente deel gekoppeld aan een zeer klein werkingsgebied (de stoeptegel). Dit zijn de regels uit de Bruidsschat en instructieregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland. In een daaropvolgende wijziging kunnen we deze regels vervolgens koppelen aan een ruimer werkingsgebied, veelal het ambtsgebied van de gemeente.
4.3.2 Verordeningen De voorbereidingen voor het gefaseerd en thematisch verhuizen van de regels uit de gemeentelijke verordeningen naar het permanente omgevingsplan zijn gestart in 2023. De regels uit de volgende verordeningen, zijn gebundeld en herschreven in een apart document (concept Verordeningsregels Fysieke Leefomgeving – concept VFL) :
Algemene Plaatselijke Verordening (APV)
Afvalstoffenverordening
Monumentenverordening
Havenverordening
Na afronding van het basis-omgevingsplan kunnen we de regels uit de concept VFL vrij snel thematisch verhuizen naar het permanente omgevingsplan. Daarbij beginnen we met de activiteiten die voorheen geregeld waren in de Wabo. Zoals de activiteiten uit artikel 2.2 Wabo. Voor de onderstaande verordeningen moet nog worden beoordeeld of en zo ja, op welke wijze, de regels uit deze verordeningen moeten worden verhuisd naar het permanente omgevingsplan:
Bouwverordening
Archeologieverordening
Marktverordening
Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI)
Doelgroepenverordening
Verordening Algemene Begraafplaatsen Transitieplan Ridderkerk
Pagina 17 van 28
4.3.3 Bodem - voorbeschermingsregels Met ingang van 1 januari 2024 zijn enkele leemten in de regelgeving voor bodem ontstaan. Onder meer als gevolg van het vervallen van de Nota bodembeheer en de Wet bodembescherming. Daarnaast blijkt dat de bodemregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (bruidsschat) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) op een aantal punten niet overeen komen met de laatste wetenschappelijke inzichten van RIVM en GGD. Zo zijn er door het Rijk geen wettelijke interventiewaarden voor PFAS vastgesteld, en is de interventiewaarde voor lood in het Bal niet in de lijn met de laatste wetenschappelijke inzichten van RIVM en GGD. Hierdoor kan bij het bouwen van bijvoorbeeld een woning met tuin een ongezonde situatie ontstaan, als er geen aanvullende regels worden gesteld voor deze stoffen. Begin 2025 worden daarom door het college van B&W voorbeschermingsregels Bodem vastgesteld waarin aanvullende regels voor bodem zijn opgenomen. Hiermee wordt voorkomen dat op een bepaalde locatie ongewenste activiteiten plaatsvinden. Het voornemen is om deze regels zo snel mogelijk in het omgevingsplan te verwerken aangezien de voorbeschermingsregels maar 1,5 jaar gelden. De meeste bodemregels gelden voor het hele grondgebied van de gemeente Ridderkerk.
4.3.4 Geluid voor wegverkeer - beleidsregels Regels over geluid in het omgevingsplan moeten voldoen aan de instructieregels van het Rijk die in het het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan. Deze instructieregels zijn onder meer bedoeld voor het beoordelen van geluid afkomstig van het wegverkeer. Hierbij heeft iedere gemeente wel een eigen decentrale afwegingsruimte onder meer bij het afwijken van een standaardwaarde voor geluid. De regels uit het Bkl moeten worden toegepast bij een wijziging van een omgevingsplan voor bijvoorbeeld de aanleg van een weg of bij een BOPA voor de realisatie van een aantal woningen in de nabijheid van een weg. Ter invulling van bovengenoemde afwegingsruimte voor geluid heeft het college van B&W op 1510-2024 beleidsregels voor wegen vastgesteld. Deze regels gaan over het bouwen van een woning/woningen bij een weg of de reconstructie van een weg in de buurt van bestaande woningen. De plandrempels uit het programma Geluid en Lucht zijn in deze beleidsregels verwerkt.
4.3.5 Milieuonderwerpen per gebiedstype Elk gebiedstype heeft zijn eigen kenmerken waarvoor specifieke milieuregels kunnen gelden. Daarom ontwikkelen we voor verschillende gebiedstypen in het omgevingsplan een aparte set milieuregels. Bijvoorbeeld over het wenselijke geluidsniveau. In een rustige woonwijk stellen we wellicht strengere geluidnormen dan in een levendig centrum. Dit moet tot uiting komen in het omgevingsplan. De komende VNG-handreiking Activiteiten en Milieuzonering kan bij het opstellen van milieuregels voor bedrijventerreinen een belangrijk uitgangspunt zijn. Naast regels over geluid, kunnen vanuit deze systematiek ook regels over bijvoorbeeld geur, stof, veiligheid, licht, trillingen, lucht, etc.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 18 van 28
worden gedistilleerd. Een ander belangrijk punt is het toelaten van verschillende categorieën risicobronnen op de verschillende typen bedrijventerreinen.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 19 van 28
5.
Techniek
5.1 Parallel wijzigen en besluiten – RxBase De regie rondom wijzigingen van het omgevingsplan is anders omdat er maar één omgevingsplan is. Voorheen konden we verschillende bestemmingsplannen voorbereiden en in procedure brengen, zónder dat deze afhankelijk van elkaar waren. Nu hebben we maar één omgevingsplan. In dit brondocument moet iedere afzonderlijke wijziging verwerkt worden. Deze wijzigingen zijn wel afhankelijk van elkaar, aangezien deze het omgevingsplan, ons brondocument, wijzigingen. De afhankelijkheid kan liggen op diverse vlakken: geografische afhankelijkheid, wijzigen van de inhoud of nummering van artikelen en de volgordeafhankelijkheid. Dit betekent dat heel goed nagedacht moet worden hoe de wijzigingen met elkaar samenhangen, in welke volgorde ze in procedure gebracht worden en wanneer er over besloten wordt. De onderlinge samenhang tussen de verschillende wijzigingsbesluiten en de volgorde waarin ze genomen worden noemen we ‘parallel wijzigen en besluiten’. Op dit moment is er vanuit het DSO en de plansoftwareleveranciers nog geen technische oplossing voorhanden om parallel wijzigen en besluiten zorgvuldig te coördineren. Dit is wel nodig wanneer je tegelijkertijd werkt aan verschillende wijzigingen. Naar verwachting is onze software vanaf 2025 in staat om parallel wijzigen en besluiten zorgvuldig te kunnen coördineren.
5.2 Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) Omgevingsplan via IMRO Deze maatregel biedt tot 1 januari 2026 de mogelijkheid om via de oude IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ‘Ruimtelijke Plannen’ het omgevingsplan te wijzigen voor urgente gebiedsontwikkelingen. Juridisch gezien maak je een omgevingsplan, maar technisch gezien een bestemmingsplan. TAM-IMRO is eigenlijk alleen nuttig voor gemeenten die werken met software die moeite heeft met de nieuwe standaard STOP/TPOD (Standaard officiële publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten). Dit is bij onze software niet aan de orde. We kiezen er als organisatie daarom bewust voor om niet te werken met TAM-IMRO.
5.3 Handboek omgevingsplan Het handboek omgevingsplan is een werkdocument waarin we de uitgangspunten en ordeningsprincipes van het omgevingsplan vastleggen. Dit is voor onszelf belangrijk, maar ook bij de samenwerking met externe bureaus. Meer dan onder de oude wetgeving, willen we de regie in eigen hand houden. Dit is belangrijk omdat we nu maar één omgevingsplan hebben, en we deze zo overzichtelijk mogelijk willen houden. Daarom is een handboek met richtlijnen handig. Daarnaast Transitieplan Ridderkerk
Pagina 20 van 28
leggen we in het handboek ook afspraken vast over de rolverdeling tussen de ambtelijke organisatie en stedenbouwkundige bureaus.
5.4 Annoteren Om het omgevingsplan op een simpele manier te kunnen gebruiken, is het onder andere van belang dat mensen regels kunnen lezen en kunnen zien op welk gebied een regel van toepassing is. Daarnaast kunnen regels makkelijker doorzoekbaar worden gemaakt als er zoektermen worden gebruikt. Met behulp van annotaties krijgt degene die op zoek is naar regels/beleid die voor zijn of haar situatie van toepassing zijn, alleen die artikelen te zien die relevant zijn. Het zorgt er ook voor dat werkingsgebieden en andere gegevens op een kaart te zien zijn. Om dit mogelijk te maken, zullen de regels uit het omgevingsplan moeten worden geannoteerd. Annoteren is het toevoegen van informatie aan een gedeelte van de tekst van het omgevingsplan. Een markering (label, tag, etc.) heet een annotatie. Het feitelijk ‘markeren’, of het voorzien van een (ken)merk voorzien van tekst, kan handmatig of geautomatiseerd gedaan worden. Met het annoteren kan je regels filteren: je kan een selectie van regels oproepen op basis van de aan de teksten toegekende annotatie. Voor een goede dienstverlening is het annoteren belangrijk. Hoe beter de regels in omgevingsdocumenten zijn geannoteerd, hoe beter ze vindbaar zijn in het omgevingsloket. Ook over annoteren leggen we daarom afspraken vast in het Handboek omgevingsplan.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 21 van 28
6.
Toepasbare regels
Toepasbare regels zijn begrijpelijke vertalingen van de juridische regels uit het omgevingsplan in vragenbomen voor initiatiefnemers. Het doel van toepasbare regels is het verbeteren van het dienstverleningsniveau. Door de vragen te beantwoorden kunnen burgers en bedrijven controleren of zij bijvoorbeeld een omgevingsvergunning nodig hebben of een melding moeten doen. Toepasbare regels worden in het landelijk Omgevingsloket gebruikt in de drie onderdelen, namelijk bij het onderdeel Vergunningcheck, bij het onderdeel Aanvragen en bij het onderdeel Maatregelen op maat. Verplicht voor het onderdeel Aanvragen Dit staat in artikel 14.2 van het Omgevingsbesluit. De gemeente moet informatie kunnen aanleveren die nodig is om een aanvraagformulier voor een omgevingsvergunning samen te stellen. De aanvraagformulieren in het Omgevingsloket zijn ‘dynamische formulieren’. Deze formulieren worden opgebouwd met toepasbare regels, gebaseerd op de indieningsvereisten die zijn opgenomen in wet- en regelgeving. Het Omgevingsloket is bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gevuld met de aanvraagformulieren die zijn gebaseerd op de Rijksregels en de bruidsschat. Gemeenten passen de bruidsschatformulieren aan, in ieder geval als deze afwijken van lokale regels.
Behoud dienstverleningsniveau van voor 01-01-2024 Dit is bestuurlijk overeen gekomen en betekent dat vragenbomen moeten worden gemaakt voor alle activiteiten waarvoor nu in het OLO een vragenboom bestaat. Een deel van deze vragenbomen wordt meegeleverd met de bruidsschat en valt daarna onder gemeentelijk beheer. Een deel is in 2024 door de gemeente zelf opgesteld, zoals voor het kappen van een boom of het voeren van handelsreclame. Aanpak Toepasbare regels hebben geen juridische status, het is een serviceproduct. In feite komt het maken van toepasbare regels ook ná het maken en publiceren van de juridische regels. Maar, om ervoor te zorgen dat dit proces soepel verloopt, kiezen we ervoor om de juridische regels in harmonie met de toepasbare regels te maken. Op die manier schrijven we duidelijkere regels die bovendien toepasbaar zijn. Ridderkerk heeft twee (deeltijd) regelanalisten, die hiervoor samenwerken met de beleidsadviseurs RO, planjuristen, plantoetsers en juridisch adviseur.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 22 van 28
7.
Planning 2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
1. Basis-omgevingsplan (1e stoeptegel) Structuur omgevingsplan Bruidsschat en instructieregels – opstellen regels Handboek Omgevingsplan 2. Gebiedsgericht verhuizen Woongebieden Centrumgebied en Centrumschil Natuur, recreatie en sport Agrarisch gebied Rivieroevers Bedrijventerrein Rijks- en hoofdontsluitingwegen 3. Thematisch verhuizen Bruidsschat en instructieregels – uitbreiden werkingsgebied Verordeningen – Waboactiviteiten concept VFL Verordeningen - overige regels concept-VFL Overige Verordeningen Bodem Geluid wegverkeer 4. Gebiedsontwikkelingen en nieuw beleid – eigen proces Ontwikkelingen - voorkeur BOPA’s Ontwikkelingen en nieuw beleid wijzigen omgevingsplan Verwerken verleende BOPA’s
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 23 van 28
Bijlage 1 Keuzes bij het opstellen van regels A
Type regels
Bij het maken van het omgevingsplan is het belangrijk goed na te denken over het soort regels dat wordt ingezet. We krijgen ten opzichte van het bestemmingplan nieuwe mogelijkheden. We hebben straks de volgende instrumenten: 1.
Specifieke zorgplichten;
2.
Algemene regels waaraan degene die de activiteit uitvoert zich moet houden;
3.
Informatieplicht;
4.
Meldingsplicht: regels die verbieden een activiteit uit te voeren zonder dat dit vooraf is gemeld;
5.
Vergunningplicht: regels die verbieden een activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning;
6.
Verbod: regels die een activiteit verbieden (nieuw);
7.
Maatwerkvoorschriften;
8.
Omgevingswaarden.
Er zijn dus meerdere manieren om onderwerpen en activiteiten in het omgevingsplan te regelen en doelen in de fysieke leefomgeving te bereiken. De keuze tussen toepassing van een algemene regel of een vergunningplicht betekent onder meer een keuze tussen toetsing vooraf en toetsing achteraf. Een vergunningplicht geeft vooraf meer zekerheid over de vraag of een activiteit is toegestaan. Uiteraard heeft de keuze ook gevolgen voor de leges. Als wordt voldaan aan informatieplicht, meldplicht of algemene regels ontvangt de gemeente geen leges. Een passende keuze kun je pas maken bij de daadwerkelijke verhuizing van regels naar het permanente omgevingsplan. Naarmate de effecten op de directe leefomgeving groter zijn, zal gekozen worden voor toetsing en controle vooraf door middel van een (lichte of zwaardere) vergunningplicht. 1. Zorgplicht In de Omgevingswet is een algemene zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat naast de overheid ook burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet als er geen specifieke regels van toepassing zijn. Bijvoorbeeld: ‘een inrit levert geen overlast op voor verkeersdeelnemers’. Daarnaast zijn in de AMvB’s specifieke zorgplichten opgenomen. Deze borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter.
Het gaat bijvoorbeeld om zorgplichten voor milieubelastende activiteiten of brandveilig gebruik van bouwwerken. In het omgevingsplan kunnen ook specifieke zorgplichten voor activiteiten worden opgenomen. Op dit moment is nog niet aan te geven in welke gevallen een zorgplicht noodzakelijk of wenselijk is.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 24 van 28
2. Algemene regels Het komt rechtstreeks voort uit de bedoeling van de Omgevingswet om zoveel mogelijk activiteiten met algemene regels te regelen. Een algemene regel is duidelijk en direct werkend voor de inwoner. Een algemene regel bevat alleen een gesloten norm. Bijvoorbeeld: ‘elk perceel mag een inrit hebben van 4 meter breed’. Dit betekent dat als aan de gesloten norm (breedte van de inrit) wordt voldaan, geen vergunning nodig is. Degene die de activiteit uitvoert, moet zich aan deze regel houden en hoeft geen toestemming te vragen. Dit vraagt van de gemeente om achteraf te controleren of iemand zich daadwerkelijk aan de regels heeft gehouden, ook al is de gemeente niet geïnformeerd over de activiteit. Het aantal vergunningplichten zal hierdoor wel verminderen. Minder vergunningplichten betekent ook minder regels in het plan, omdat er dan ook geen beoordelingsregels en aanvraagvereisten nodig zijn. Het werken met algemene regels heeft de voorkeur van de wetgever. 3. Informatieplicht Dit is een verplichting om informatie te verstrekken aan een bestuursorgaan voordat met een activiteit wordt begonnen of tijdens het uitvoeren van een activiteit. Hieraan is geen verbod gekoppeld. Bijvoorbeeld: ‘Een inrit van 4 meter breed is toegestaan. Informeer wel het college van B&W hierover.’ Bij de informatieplicht voert het bestuursorgaan dus geen inhoudelijke beoordeling uit.
De verplichting zorgt ervoor dat het bestuursorgaan op de hoogte is van de activiteit. Dit kan in bepaalde gevallen zinvol zijn. Denk aan het bijwerken van wettelijk verplichte registraties. 4. Meldplicht Wanneer een activiteit mogelijk een zwaarder gevolg heeft voor de fysieke leefomgeving, kan ook gewerkt worden met meldingen. Bijvoorbeeld: ‘een inrit is alleen toegestaan als minimaal twee weken voor de start van de werkzaamheden een melding bij het college van B&W is ingediend’. Een melding is altijd gekoppeld aan een verbod om de activiteit te verrichten zonder voorafgaande melding. De initiatiefnemer mag dus pas met de activiteit starten wanneer de melding is gedaan en de in de regels opgenomen periode is verstreken. Het bestuursorgaan kan voorafgaand aan het starten van de activiteit nog handelingen verrichten, zoals het uitvoeren van een controle, beoordelen of het nodig is om aanvullende eisen in de vorm van maatwerkvoorschriften te stellen, zelf maatregelen treffen of de directe omgeving informeren over de voorgenomen activiteit. 5. Vergunningplicht Gemeenten krijgen onder de Omgevingswet meer vrijheid om te bepalen of een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Uitgaande van het gedachtegoed van de Omgevingswet, zou het opnemen van een vergunningplicht eerder een uitzondering dan regel moeten zijn.
Hiermee worden onnodige vergunningsprocedures voorkomen en wordt de druk op lasten beperkt. Echter naarmate de effecten van activiteiten op de directe omgeving groter worden, zijn algemene regels niet voldoende om belangen af te wegen. Dan wordt gekozen voor toetsing en controle vooraf door Transitieplan Ridderkerk
Pagina 25 van 28
middel van een vergunningplicht. Beoordelingsregels in het plan geven aan onder welke voorwaarde de vergunning verleend of geweigerd wordt. Minder vergunningen, betekent ook minder leges. Dit terwijl de gemeentelijke kosten nagenoeg gelijk blijven: het werk verschuift van vergunningverlening naar handhaving en toezicht. Het college van B&W is bevoegd tot het verlenen van een omgevingsvergunning. De raad geeft hier sturing aan door in het omgevingsplan te bepalen of er wel of geen vergunningplicht voor activiteiten geldt. Maar ook door beoordelingsregels en beleidsregels vast te stellen. Een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, en een vergunningplicht heeft, wordt een binnenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd. 6. Verbods- en gebodsbepalingen Uitgangspunt is om de planregels zo positief mogelijk te stellen en zo min mogelijk bepalingen om iets niet te mogen doen (verbodsbepalingen). Soms is een verbodsbepaling (in bepaalde gebieden) nodig en biedt het duidelijkheid. Bijvoorbeeld: ‘een tweede inrit bij een perceel is niet toegestaan’. Ook kan het omgevingsplan, en dat is nieuw, een gebodsbepaling bevatten. Dus de verplichting om iets te doen. Bijvoorbeeld: ‘elk perceel heeft een eigen inrit’. 7. Maatwerkvoorschriften De Omgevingswet geeft mogelijkheden en ruimte voor maatwerk.
Dat kan onder meer door in het omgevingsplan onderwerpen aan te wijzen waarvoor het college van B&W maatwerkvoorschriften kan stellen. Dat zijn voorschriften waarmee algemene regels kunnen worden aangevuld, versoepeld, aangescherpt, maar ook waarvan kan worden afgeweken. Bijvoorbeeld: ‘Elk perceel mag een inrit hebben van 4 meter breed. Het college van B&W kan maatwerkvoorschriften opleggen’. In een individuele beschikking staat vervolgens: ‘het perceel mag 8 meter breed zijn (=maatwerkvoorschrift)’. Maatwerkvoorschriften in een beschikking zijn dus individuele besluiten die worden opgelegd aan diegene die een bepaalde activiteit verricht. Gedacht kan worden aan een bedrijf dat een bepaalde mate van geluidhinder mag veroorzaken in de omgeving. 8. Omgevingswaarden Omgevingswaarden beschrijven wat de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving is, welke belasting door activiteiten is toegestaan en hoeveel er maximaal van een bepaalde stof in de fysieke leefomgeving aanwezig mag zijn. Het zijn dus eigenlijk doelstellingen in de vorm van een juridische regel. Dat kan een getal zijn (meetbare of berekenbare eenheid), een formulering of een verbeelding. Zolang het maar objectief vast te stellen en meetbaar is. Een omgevingswaarde richt zich tot de overheid en is niet bindend voor particulieren of bedrijven.
Tenzij de omgevingswaarde is omgezet in algemene regels in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld: ‘vanaf 2030 is elke voortuin voor minimaal 50% verhard’.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 26 van 28
Als een omgevingswaarde in het omgevingsplan is opgenomen, dan gelden de volgende twee rechtsgevolgen:
programmaplicht: bij overschrijding of dreigende overschrijding van de waarde moet een programma worden opgesteld, waarbij wordt aangegeven hoe de omgevingswaarde alsnog wordt behaald.
monitoringsplicht: de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de belasting door activiteiten of de concentratie of depositie van stoffen moet worden bewaakt door monitoring. Wie dat doet en hoe dat wordt gedaan, wordt in de regels bepaald waarin ook de omgevingswaarden staan.
Omgevingswaarden worden pas in het omgevingsplan opgenomen indien dit volgt uit de Omgevingsvisie of een Programma.
B
Open of gesloten normen
In de huidige bestemmingsplannen wordt gewerkt met gesloten normen, zoals ‘de bouwhoogte mag maximaal 10 meter zijn’. Met een dergelijke regel is direct duidelijk wat er wordt bedoeld. In het omgevingsplan is het mogelijk om ook open normen of kwalitatieve beschrijvingen op te nemen in de regels. Bijvoorbeeld: ‘de bouwhoogte moet passen binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur’. In beleidsregels kan deze open norm verder worden uitgewerkt. Open normen bieden meer flexibiliteit en beoordelingsvrijheid. Daartegenover staat dat ze minder duidelijk zijn en een gemeentelijke toets (vrijwel) altijd noodzakelijk is. Bovendien kan de toepassing van open normen zorgen voor onduidelijke situaties. Daarmee kan rechtszekerheid van omwonenden in geding zijn. Verder blijkt uit jurisprudentie dat ook open normen voldoende concreet en objectief begrenst moeten zijn. In zijn algemeenheid is behoefte aan duidelijke regels en normen. Doorgaans willen burgers en bedrijven direct weten waar ze aan toe zijn en met zekerheid kunnen beoordelen dat hun plan (of het plan van de buren) voldoet aan de regels. Ook vergunningverleners, toezichthouders en handhavers willen heldere toetsingskaders. Dit scheelt tijd en werk, vereenvoudigd een afweging en zorgt voor duidelijkheid op het gebied van recht. Daarom wordt, in ieder geval voor de veel voorkomende activiteiten, uitgegaan van gesloten normen.
Bijkomend voordeel is dat gesloten normen zich makkelijker laten vertalen in toepasbare regels, waardoor burgers en bedrijven zelf kunnen nagaan of zij een vergunning moeten aanvragen. Alleen wanneer open normen een duidelijk voordeel bieden voor burgers en bedrijven zullen we hier gebruik van maken. Bijvoorbeeld bij initiatieven een redelijk tot grote impact op de fysieke leefomgeving. Open normen zorgen in zo’n geval voor meer flexibiliteit en creatieve vrijheid. Een nadere afwegings- en toetsmoment is dan wel van belang. Ook thema’s als parkeren, archeologie en welstand lenen zich meer voor open normen. Dit zijn thema’s waaraan vaak een subjectieve beoordeling ten grondslag ligt. Zo kan een Transitieplan Ridderkerk
Pagina 27 van 28
beeldkwaliteitsplan als norm worden opgenomen. Door een open norm te stellen en deze te koppelen aan beleidsregels buiten het plan (dynamische verwijzing) kan worden ingespeeld op maatschappelijke behoeftes en actuele ontwikkelingen. Beleidsregels kunnen worden aangepast zonder dat het omgevingsplan hoeft te worden gewijzigd.
C
Algemene regels of locatie specifieke regels
In het omgevingsplan komen de regels uit het milieuspoor, gemeentelijke verordeningen en ruimtelijke plannen samen. De regels uit het milieuspoor en uit gemeentelijke verordeningen zijn veelal voor de hele gemeente gelijk en dus algemeen geldend. Ruimtelijke plannen, met name bestemmingsplannen, zijn daarentegen opgebouwd vanuit locaties: er wordt een bestemming of functie toegekend aan een perceel of aantal percelen. Om deze verschillende type regels op te kunnen nemen in het omgevingsplan is een keuze nodig. Er zijn in beginsel twee varianten mogelijk:
de regels worden zoveel mogelijk algemeen en (gemeente)breed ingestoken, of;
de regels worden zoveel mogelijk locatie specifiek ingestoken.
Het omgevingsplan heeft ten opzichte van bestemmingsplannen een verordenend karakter. Dit brengt met zich mee dat regels op een zo groot mogelijk schaalniveau worden opgenomen. Passend binnen dit uitgangspunt is dat activiteiten zoveel mogelijk gemeente breed worden gereguleerd. Indien nodig kunnen vervolgens gebiedsgerichte regels worden opgenomen. Deze gebiedsgerichte regels dienen zoveel mogelijk toepasbaar te zijn in gelijksoortige gebieden met dezelfde functie. Bijvoorbeeld een rustige woonwijken of bedrijventerreinen. Indien ook daarmee niet volstaan kan worden, kunnen locatiegerichte regels opgenomen worden. Denk hierbij aan regels voor een herontwikkellocatie nabij een bedrijventerrein of juist het inpassen van een van oudsher aanwezig bedrijf in een woonkern. Ook bij locatie specifieke regels wordt gestreefd naar enige standaardisering zodat regels op vergelijkbare locaties ook zoveel mogelijk gelijk zijn.
Transitieplan Ridderkerk
Pagina 28 van 28