CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting-werkmodel-verordening-leges-2022-wijz-ow.pdf

Commissie Samen wonen RK 1 december 2022, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Wijziging van de legesverordening 2023 in het kader van de Omgevingswet13.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting op Werkmodel verordening leges 2022

Opmerkingen Dominic: In onderstaande toelichting van het hoofdstuk staan met geel onze eigen opmerkingen/wijzigingen ten opzichte van de modelverordening beschreven. Tarieven zijn waar mogelijk overgenomen vanuit de huidige verordening. Artikelen of onderdelen van artikelen die niet zijn overgenomen zijn doorgestreept. De onderstaande artikelen komen qua nummering overeen met de VNG modelverordening.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Toelichting op werkmodel verordening leges 2022 Inleiding De VNG stelt een werkmodel verordening leges 2022 beschikbaar in verband met de aanstaande inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze wet heeft ingrijpende gevolgen voor de leges. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ook een aantal andere wijzigingen door te voeren. Het werkmodel is afgestemd met een landelijke werkgroep en met een werkgroep van omgevingsdiensten voor de ‘milieuleges’ (aan beide nam ook een provinciale vertegenwoordiger deel), en wordt dus breed gedragen. In het werkmodel zijn bestaande vergunningplichten opgenomen, maar ook nieuwe toegevoegd, zoals voor milieubelastende activiteiten. Vergunningplichten kunnen in een verordening, maar ook in het omgevingsplan staan. De Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en bijbehorende algemene maatregelen van bestuur voorzien in overgangsrecht dat geldt tot 2030. Er ontstaat veel keuzevrijheid om iets te regelen over de leefomgeving: algemene regels (zorgplichten), meldingsplichten of vergunningplichten. Alleen bij de vergunningplichten is legesheffing mogelijk. Die keuzevrijheid bemoeilijkt het opstellen van een modelverordening leges. Daarom noemen wij het een werkmodel, zodat gemeenten er alvast mee aan de slag kunnen. In verband met de keuzevrijheid, kunnen gemeenten niet zonder meer de tariefbepalingen uit het werkmodel overnemen.

Een gemeente moet zelf nagaan welke vergunningen zij afgeeft en waar die geregeld zijn (in verordening of omgevingsplan) en welke bepalingen ze kan overnemen en eventueel nog moet toevoegen. Het kan zijn dat er nog wijzigingen in het model optreden, mede naar aanleiding van ontvangen reacties op het werkmodel. Het streven is om eind mei 2022 een definitiever model beschikbaar te stellen. In deze toelichting besteden we alleen aandacht aan de inhoudelijke wijzigingen. Voor bepalingen die – afgezien van de vormgeving – overeenkomen met de bestaande tekst in de modelverordening leges zoals die op 1 januari 2021 geldt, verwijzen wij naar de toelichting daarop. Met behulp van de bij dit werkmodel behorende transponeringstabel is die toelichting te vinden. De bestaande modelverordening leges is te vinden in de Kennisbank Decentrale regelgeving van Sdu.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Hoofdstuk 2 Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet Algemeen Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2022 in werking. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, erfgoed, milieu, natuur en water. De wet vormt de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. De wet beoogt een versterking van de positie van decentrale overheden, volgens het principe ‘Decentraal, tenzij’.

Omgevingswet en bijbehorende regelgeving Voor een goed begrip van dit hoofdstuk is enige kennis van de Omgevingswet en bijbehorende regelgeving onontbeerlijk. De volgende regelgeving is van belang:  Omgevingswet (Stb. 2016, 156, nadien gewijzigd): benoemt onder andere activiteiten, bevoegd gezag en bevat overgangsrecht.  Omgevingsbesluit (Stb. 2018, 290, nadien gewijzigd): werkt uit wie bevoegd gezag is. In de legesverordening staan alleen activiteiten waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is. Bevat ook overgangsrecht.  Besluit bouwwerken leefomgeving (Stb. 2018, 291, nadien gewijzigd): hierin o.a. vergunningplichtige en vergunningvrije bouwactiviteiten.  Besluit kwaliteit leefomgeving (Stb. 2018, 292; nadien gewijzigd) bevat instructieregels voor overheden over de kwaliteit van de leefomgeving. Het Bkl is voor de legesheffing voor zover nu is te overzien niet van belang.  Besluit activiteiten leefomgeving (Stb. 2018, 293, nadien gewijzigd): niet meer de inrichting, maar bepaalde milieubelastende activiteiten worden vergunningplichtig.  Omgevingsregeling (Stcrt. 2019, 56288, nadien gewijzigd): bevat in hoofdstuk 14 de tarieven van de rechten die door het Rijk worden geheven volgens een bepaalde systematiek. Geeft een aardige inkijk. Hiervoor gelden overigens niet de formele belastingregels..  Invoeringswet Omgevingswet (Stb.

2020, 172): gaat over intrekken of wijzigen van wetten. Bevat ook overgangsrecht.  Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400): bevat overgangsrecht in art. 7.1 (de zogenaamde bruidsschat).  Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Stb. 2019, 382): knip in bouwtechnische toets (kwaliteitsborger) en ruimtelijke toets (gemeente) voor bouwwerken in gevolgklasse 1. (NB. In het bovenstaande staat in veel gevallen ‘nadien gewijzigd’. Dat is gebeurd bij aanvullingswetten, aanvullingsbesluiten en aanvullingsregelingen en bij het ontwerpbesluit kwaliteitsborging voor het bouwen. De geconsolideerde versies van de meeste regelgeving staan op de website https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/. De Staatsbladen en de Staatscouranten van amvb’s en ministeriële regelingen bevatten een initiële toelichting.)

Afkortingen In dit hoofdstuk gebruiken we de volgende afkortingen: Afkorting

Citeertitel regeling

Ow

Omgevingswet

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Afkorting

Citeertitel regeling

Ob

Omgevingsbesluit

Or

Omgevingsregeling

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

IwOw

Invoeringswet Omgevingswet

IbOw

Invoeringsbesluit Omgevingswet

Wkb

Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

Wabo

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

amvb

algemene maatregel van bestuur

APV

Algemene plaatselijke verordening

Eén omgevingsplan Een gemeente moet voor haar gehele grondgebied één omgevingsplan vaststellen (artikel 2.4 Ow). Het omgevingsplan is een gebiedsdekkende regeling met alle regels voor de fysieke leefomgeving. Daarin staan in ieder geval regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen (artikel 2.7 Ow in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, Ob) en regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Ow). Activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen zijn activiteiten die een blijvende en tastbare verandering van de fysieke leefomgeving teweegbrengen, zoals bouwactiviteiten, sloopactiviteiten, milieubelastende activiteiten, maar ook het plaatsen van een woonwagen of het aanmeren van een woonboot (niet bestemd voor de vaart).

Overgangsrecht 1. Tijdelijk deel omgevingsplan incl. bruidsschat Paragraaf 4.2.1 (artikel 4.6) IwOw en hoofdstuk 22 (artikel 22.1 en 22.2) Ow regelen dat elke gemeente bij inwerkingtreding van de Ow beschikt over een omgevingsplan. Dit omgevingsplan komt van rechtswege tot stand. Het omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat, bestaat direct bij aanvang uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. Het tijdelijk deel is beschreven in artikel 22.1 Ow en wordt gevormd door de bestaande planologische regels, zoals bestemmingsplannen, bepaalde regels uit de erfgoedverordening en de verordening over hemelwater en grondwater als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Daarnaast gaat een pakket rijksregels van rechtswege deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze regels heten de bruidsschat. Deze bruidsschat staat in artikel 7.1 IbOw. Gemeenten krijgen volgens afspraak tot eind 2029 de tijd om zelf een afweging te maken hoe ze de onderwerpen uit het tijdelijke deel willen overhevelen naar het nieuwe deel van het omgevingsplan, rekening houdend met de instructieregels van het Rijk of de provincie. 2.

Verordeningen - vergunningen of ontheffingen Vergunningen of ontheffingen in verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving mogen tot 2030 in die verordeningen blijven staan, maar kunnen vanaf 1 januari 2022 worden overgeheveld naar het omgevingsplan (artikel 2.4 Ow). Vanaf 2030 moeten vergunningen of

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

ontheffingen voor activiteiten die de fysieke leefomgeving (blijvend en tastbaar) wijzigen in het omgevingsplan staan, Andere vergunningstelsels met gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen na 2030 desgewenst in de verordening blijven staan, tenzij ze van belang zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als gemeenten regels uit verordeningen gaan overhevelen naar het omgevingsplan, waar kiezen ze dan voor: algemene regel (zorgplicht), meldingsplicht of vergunningplicht? Als het een vergunningplicht in het omgevingsplan wordt, wordt het verbod om zonder een omgevingsvergunning een bepaalde activiteit te verrichten. Een in het omgevingsplan opgenomen activiteit wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd, bijvoorbeeld een omgevingsplanactiviteit bestaande uit – bij wijze van voorbeeld – het kappen van een boom. 3. Vergunningen of ontheffingen bedoeld in art. 2.2 Wabo Voor de ‘artikel 2.2 Wabo-vergunningen’ die in bijvoorbeeld de APV zijn opgenomen (zoals sloopvergunning monumenten, uitwegvergunning, kapvergunning, handelsreclamevergunning, alarminstallatievergunning, vergunning opslag roerende zaken en eventueel ‘aangehaakte vergunningen) geldt op grond van overgangsrecht dat deze vanaf 2022 als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit worden aangemerkt (artikel 22.8 Ow in samenhang met artikel 2.1a Ob).

Regels die niet in het omgevingsplan mogen Er zijn ook regels die niet in het omgevingsplan mogen: • Regels die niet vallen onder de reikwijdte of maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikelen 1.2 en 1.3 Ow). • Als een specifieke wet kent een uitputtende regeling kent (artikel 1.4 Ow). Voorbeelden hiervan zijn: Huisvestingswet 2014, Leegstandswet, Wegenverkeerswet 1994, Winkeltijdenwet, Dranken Horecawet. Vergunningen of ontheffingen blijven dus op die wetten gebaseerd.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

•

Gemeentelijke regels over prostitutie, openbare orde, strafbaarstelling, belastingen (artikel 2.7 Ow in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, Ob).

Grondslagen voor model-tariefbepalingen De tariefbepalingen in hoofdstuk 2 betreffen zowel dienstverlening als andere handelingen op aanvraag. Deze formulering houdt verband met de heffingsgrondslagen. Artikel 13.1a Ow geeft een grondslag voor het heffen van rechten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, het wijzigen van voorschriften van een omgevingsvergunning en het intrekken van een omgevingsvergunning. Deze grondslag laat onverlet de bevoegdheid van gemeenten om rechten (leges) te heffen voor dienstverlening op aanvraag. Tariefbepalingen die niet de in artikel 13.1a Ow genoemde handelingen betreffen, zijn dus gebaseerd op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet.

Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel 2.1 Definities De bijlagen bij de Ow, Ob, Bbl, Bal, Bkl en Or bevatten een veelheid aan begripsbepalingen. Daarin staan bijvoorbeeld de verschillende activiteiten omschreven. Ook in het omgevingsplan zullen in een bijlage begripsbepalingen zijn opgenomen. Begrippen die in hoofdstuk 2 voorkomen hebben dezelfde betekenis als in deze wet- en regelgeving (eerste lid). In bijlage I Or staat een definitie van bouwkosten, die ontleend lijkt aan de modelverordening leges zoals die tot 2022 geldt. bouwkosten: a. aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van het Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012, voor het uit te voeren werk; b. voor zover een aannemingssom ontbreekt: een raming van de bouwkosten exclusief omzetbelasting; of c. als het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het bouwen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft. Aanlegkosten zijn niet gedefinieerd. Aanleggen van bouwwerken is ook een bouwactiviteit. Hiervoor geldt dus ook de definitie van bouwkosten. In het tweede lid is eenzelfde regeling getroffen voor begrippen die ook in andere wetgeving voorkomen.

De hierboven gegeven definitie van bouwkosten bevat geen verwijzing naar een NEN-norm. Als gemeenten willen afwijken van deze definitie, kunnen zij in het derde lid een afwijkende regeling opgenomen. Als voorbeeld hebben wij daar een verwijzing naar een gemeentelijke normkostenregeling opgenomen, waarin is bepaald dat bij een afwijking van bijvoorbeeld 10% van de normkosten (als die voor het bouwwerk bestaan) de normkostenregeling wordt gevolgd. Dit geldt zowel naar boven als naar beneden. Een normkostenregeling moet op dezelfde wijze bekendgemaakt worden als de verordening.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Artikel 2.2 Dienstverlening en besluiten waarvoor leges worden geheven Dit artikel bevat in de onderdelen a tot en met h de belastbare feiten waarvoor leges worden geheven. Het betreft altijd een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit (zie ook artikel 2 van de verordening). We hebben ‘besluiten’ toegevoegd omdat de grondslag in artikel 13.1a Ow nu nog is gekoppeld aan ‘rechten als bedoeld in artikel 229’, maar die koppeling gaat vervallen. Het is bedoeld als een zelfstandige grondslag, waarbij het dienstbegrip niet van belang is. De wetgeving daarvoor kan echter niet vóór 1 januari 2022 worden gerealiseerd. Leges worden geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: a. omgevingsoverleg; b. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 of artikel 22.8 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit; c. een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet; d. toestemming voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet; e. een wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning; f. intrekking van een omgevingsvergunning; g. wijziging van een besluit als bedoeld in de onderdelen b, c en d; h. een besluit in het kader van de Omgevingswet, anders dan bedoeld in de onderdelen b tot en met g.

De tarieven voor de belastbare feiten zijn opgenomen in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk. Zie de toelichting op de paragrafen. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning verschillende activiteiten kan omvatten, gaan wij hieronder nog wel afzonderlijk in op de regeling van de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Omdat het belastbaar feit ‘in behandeling nemen van een aanvraag’ in artikel 2.2 is opgenomen, kan bij de activiteiten worden volstaan met de formulering ‘Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op …’. In artikel 2.3 staat hoe de tarieven worden berekend. Omgevingsvergunning Bijlage 1 van de Ow omschrijft omgevingsvergunning als: omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1. In artikel 5.1 Ow staan de activiteiten genoemd waarvoor een omgevingsvergunning nodig kan zijn. In het eerste lid staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d. een stortingsactiviteit op zee, e. een Natura 2000-activiteit, f. een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij amvb aangewezen geval. Dit betekent dat in een amvb de vergunningvrije activiteiten zijn aangewezen.

Zie bijvoorbeeld paragraaf 2.3.3 Bbl voor vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

In het tweede lid staat een opsomming van activiteiten die alleen vergunningplichtig zijn als deze bij amvb zijn aangewezen. Dit betreft de volgende activiteiten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven, 4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, g. een flora- en fauna-activiteit. Zie bijvoorbeeld paragaaf 2.3.2 Bbl voor vergunningplichtige bouwactiviteiten (vergunningplichtig, tenzij deze onder opsomming vergunningvrij vallen) en hoofdstuk 3 Bal voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Alleen voor de vetgedrukte activiteiten kan de gemeente bevoegd gezag zijn. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op deze activiteiten, hebben wij in de paragrafen 2.3 tot en met 2.7 tariefbepalingen opgenomen. Deze kunnen worden verhoogd als een of meer modaliteiten van paragraaf 2.11 van toepassing zijn en worden verminderd als paragraaf 2.12 van toepassing is. Omgevingsplanactiviteiten In de bijlage bij de Ow wordt ‘omgevingsplanactiviteit’ omschreven als activiteit, inhoudende: a.

een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan, b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; Categorie a worden binnenplanse omgevingsplanactiviteiten en categorieën b en c worden buitenplanse omgevingsplanactiviteiten genoemd. De in artikel 5.1, eerste lid, onder a, Ow genoemde omgevingsplanactiviteiten betreffen de in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidsschat) opgenomen vergunningplichten, de vergunningplichten bedoeld in artikel 22.8 Ow in samenhang met artikel 2.1a Ob (de artikel 2.2 Wabo-vergunningplichten) en eventuele andere vergunningplichten die de gemeente in het omgevingsplan opneemt. Het is van belang dit te onderkennen in verband met de verschillende varianten die bij deze vergunningplichten in de tarieventabel staan. Zie de artikelen 2.24 tot en met 2.30 van de tarieventabel.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Meervoudige aanvragen Als er sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor meer dan één activiteit (meervoudige aanvraag), is de gemeente in veel gevallen het bevoegde gezag. De aanvraag kan dan ook een activiteit betreffen waarvoor de gemeente bij een enkelvoudige aanvraag geen bevoegd gezag zou zijn. Het bestuursorgaan dat bij een enkelvoudige aanvraag bevoegd gezag zou zijn, heeft dan het recht van advies en instemming (artikelen 16.15 en 16.16 Ow). Dit bestuursorgaan kan de kosten voor het nemen van een besluit over instemming doorberekenen aan het bevoegd gezag. Dit wordt nog geregeld in artikel 13.2a van de Omgevingswet (betalingsbeschikking). Zie de toelichting bij artikel 2.49 van paragraaf 2.11 Modaliteiten. Artikel 2.3 Dit artikel geeft aan hoe het tarief moet worden bepaald. Het eerste lid is daarvoor de basis. De tarieven voor de belastbare feiten zijn opgenomen in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk. Als er sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten, is het tarief de som van de verschuldigde leges voor elke activiteit, inclusief eventuele modaliteiten (toeslagen) en vermindering (tweede tot en met vierde lid).

Het vijfde lid bepaalt dat de tarieven voor aanvragen om maatwerkvoorschriften (artikel 4.5 Ow) of toestemming voor een gelijkwaardige maatregel (artikel 4.7 Ow) alleen van toepassing zijn als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Als sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning maken maatwerkvoorschriften of een toestemming voor een gelijkwaardige maatregel namelijk deel uit van de omgevingsvergunning.

Paragraaf 2.2 Voorfase Artikel 2.4 Omgevingsoverleg Het omgevingsoverleg is de fase die voorafgaat aan het formeel aanvragen van de omgevingsvergunning. In de praktijk kent het verschillende benamingen, zoals vooroverleg, principeverzoek, beoordelen schetsplan, beoordelen conceptvergunningaanvraag of omgevingstafel. De gemeente is vrij om de door haar gewenste benaming te kiezen. Wij hebben gekozen voor de term ‘omgevingsoverleg’. Dit is ook de benaming die het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) eraan geeft. In sommige gevallen is een enkelvoudig overleg wenselijk en in bijzondere gevallen zijn wellicht meerdere overleggen nodig. Dit is afhankelijk van hoever de gemeente haar dienstverlening wil inrichten. Het belang van omgevingsoverleg is toegenomen in verband met de kortere beslistermijn op aanvragen voor een omgevingsvergunning (standaardtermijn 8 weken, met mogelijkheid van verlenging met 6 weken).Het omgevingsoverleg kan verschillende en meerdere vormen hebben. De vorm en inhoud van het omgevingsoverleg is vrij: omgevingsoverleg is niet verplicht en niet wettelijk geregeld. Het is aan de gemeente of ze hier wel of geen leges voor heft.

In een omgevingsoverleg tussen het bevoegd gezag en de aanvrager ervan: - kan de aanvrager een indicatie verkrijgen of een of meer activiteiten passen in de regelgeving en het overheidsbeleid over de fysieke leefomgeving, waaronder de omgevingsvisie van de gemeente en andere overheidsinstanties, en kansrijk is om verder te ontwikkelen; - kan de aanvrager een advies verkrijgen over een of meer activiteiten, waarmee de initiatiefnemer de vergunningaanvraag kan opstellen en indienen; - kan op basis van een conceptaanvraag een beoordeling plaatsvinden.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

-

kunnen conceptoverwegingen en voorschriften met de initiatiefnemer worden besproken en ontwikkeld. Uit het voorgaande komt naar voren dat het omgevingsoverleg een verschillende intensiteit en omvang kan hebben, wat de tariefstelling in een model bemoeilijkt. Er is gekozen om variant 1 van de modellegesverordening zo aan te passen dat deze op de zelfde manier toepasbaar is als de huidige 2 tarieven. Variant 1 Variant 1 kent een vast bedrag zoals nu ook gebruikelijk is. Hier hebben we ook een ‘kleine variant aan toegevoegd voor vergunbaar/vergunningvrij. Deze tweedeling is daardoor hetzelfde als de huidige situatie.

Paragraaf 2.3 Bouwactiviteiten Paragraaf 2.3 betreft de bouwactiviteiten. Deze is onderverdeeld in drie artikelen: - artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische toets) - artikel 2.6 Bouwactiviteit (ruimtelijke toets) - artikel 2.7 Slopen van een bouwwerk De splitsing die plaatsvindt tussen de artikelen 2.5 en 2.6 heeft te maken met de Wkb die voor gevolgklasse 1 de bouwtechnische toets door een private kwaliteitsborger laat doen. De regeling van de ruimtelijke aspecten blijft bij de gemeente berusten. Zij kan daaraan een vergunningplicht koppelen, maar kan ook volstaan met algemene regels of een meldingsplicht. In de bijlage bij de Ow staan de volgende definities: bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk; bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.

Artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) Dit artikel betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, Ow voor een bouwactiviteit. Het gaat hier om het bouwtechnische deel van de bouwactiviteit. De vergunningplicht is nader uitgewerkt in paragraaf 2.3.2 Bbl: de bouwactiviteit is vergunningplichtig, tenzij het bouwwerk onder de opsomming vergunningvrij valt. Bouwwerken in gevolgklasse 1 zijn bijvoorbeeld niet vergunningplichtig voor het bouwtechnische deel (als gevolg van de Wkb). Als heffingsmaatstaf is gekozen voor een percentage van de bouwkosten volgens een gestaffeld tarief. De verschillende percentages gelden voor het deel van de bouwkosten dat in die klasse valt. Dat voorkomt zaagtandeffecten. In het algemeen geldt dat de kosten die de gemeente voor het behandelen van de aanvraag maakt evenredig zijn aan de omvang van de bouwactiviteit. Voorzien is in een minimumtarief. De tariefklassen zijn afgestemd op die in artikel 14.7, tweede lid, Or zoals die voor het Rijk gelden als de minister bevoegd gezag is.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

De tarieven zijn gebaseerd op het deel van de legesinkomsten wat ten behoeve van de bouwtechnische toets wordt gebruikt. Artikel 2.6 Bouwactiviteit (ruimtelijk deel) Dit artikel betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in art. 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow, in dit geval bestaande uit het bouwen, gebruiken of in stand houden van een bouwwerk. De vergunningplicht geldt als de gemeente in het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten verplicht stelt om de ruimtelijke toets te kunnen doen. Tot 2030 geldt overgangsrecht. Artikel 22.26 van de bruidsschat zoals opgenomen in artikel 7.1 IbOw bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken). In artikel 22.27 van de bruidsschat staan de vergunningvrije gevallen. In artikel 22.28 staan afwijkende regels voor cultureel erfgoed. In artikel 22.29 staan beoordelingsregels. Die beoordelingsregels hebben ertoe geleid dat wij verhogingen hebben opgenomen in onderdeel a. Gaat de gemeente zelf een regeling treffen in het omgevingsplan, dan is dit overgangsrecht niet meer van toepassing en behoeven de tariefbepalingen aanpassing. De tarieven voor de OPA zijn gebaseerd op de huidige bouwleges.

Het ‘loskoppelen van de bouwtechnische activiteit is verrekend. Onderdeel a.1 bevat een tariefverhoging voor de welstandstoets voor zover daarvoor niet de gemeentelijke adviescommissie bedoeld in de [Verordening op de gemeentelijke adviescommissie] hoeft te worden bevraagd (dan is namelijk artikel 2.48, eerste lid, onder b, van de tarieventabel van toepassing). Hier heffen we nu geen leges voor. Daarom hebben we dit onderdeel geschrapt. Onderdeel a.2 bevat een tariefverhoging als moet worden beoordeeld of de bouwactiviteit in overeenstemming is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.: Onderdeel a.3 bevat een tariefverhoging als moet worden beoordeeld of de bouwactiviteit in overeenstemming is met een voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.33, tweede lid, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals opgenomen in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.

Onderdeel a.4 bevat een tariefverhoging als moet worden beoordeeld of de bouwactiviteit plaatsvindt op een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 22.30 van de bruidsschat In de onderdelen b en c hebben wij tariefverhogingen opgenomen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken, waarbij de tariefstelling een in te vullen percentage van de bouwkosten is.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Onderdeel b betreft het geval dat de bouwactiviteit in het omgevingsplan verboden is, maar toch wenselijk is dat deze wordt toegestaan. Onderdeel c betreft het geval dat het omgevingsplan geen regeling kent, maar het toch wenselijk is de bouwactiviteit toe te staan omdat dit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel en tarief Agrarische commissie overgenomen uit huidige verordening. Artikel 2.7 Slopen van een bouwwerk De gemeente kan op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, en 3.38, derde lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening in het bestemmingsplan of in de beheersverordening bepaald hebben dat een omgevingsvergunning om bouwwerken te slopen alleen wordt verleend als vervangende bouw plaatsvindt om gaten in de bebouwing te voorkomen. Het bestemmingsplan of de beheersverordening maken deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, Ow. Blijkens artikel 22.277 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw) kan het op grond van een regel in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, Ow, verboden zijn zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Voor een aanvraag die hier betrekking op heeft, is in artikel 2.7 een tariefbepaling opgenomen.

Zie voor de beoordelingsregel artikel 22.279 en voor het aanvraagvereiste artikel 22.285 van de bruidsschat.

Paragraaf 2.4 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed In deze paragraaf zijn de bestaande tariefbepalingen zoveel mogelijk gehandhaafd. De formulering is wel anders. Artikel 2.8 Monumenten Eerste lid De tariefbepaling betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning voor: a. het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of voorbeschermd monument; b. het herstellen of gebruiken van een monument of voorbeschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. De omschrijving van het eerste lid is grotendeels ontleend aan artikel 2.8 Bbl.

In bijlage I, onder A, bij het Bbl staan de volgende definities: gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; provinciaal monument: monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding provinciaal monument is gegeven; voorbeschermd gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven; voorbeschermd provinciaal monument: monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan of de omgevingsverordening een voorbeschermingsregel bevat vanwege het

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding provinciaal monument te geven. In de bijlage bij de Ow staat een definitie van rijksmonumentenactiviteit: rijksmonumentenactiviteit: activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. De vergunningplicht voor rijksmonumenten was gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel f, Wabo en is voortaan gebaseerd op artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, Ow. Gemeenten en provincies konden in verordeningen ook vergunningplichten koppelen aan monumenten. De vergunningen golden als omgevingsvergunning op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderl b, Wabo. Op grond van het overgangsrecht van artikel 22.8 Ow in samenhang met artikel 2.1a Ob geldt de vergunning op grond van de gemeentelijke (erfgoed)verordening als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit totdat een regeling in het omgevingsplan is getroffen. Het overgangsrecht geldt tot uiterlijk 2030. Provincies moeten het regelen in hun omgevingsverordening.

Tweede lid In artikel 22.288 en 22.289 van de bruidsschat zijn afzonderlijke indieningsvereisten opgenomen voor een omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument. De beoordeling daarvan leidt tot meer werk, hetgeen een verhoging rechtvaardigt. Derde lid Het derde lid bevat overgangsrecht en is ontleend aan artikel 8.1 Bbl en artikel 22.2 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw). Artikel 2.9 Beschermd stads- of dorpsgezicht Voor het slopen van bouwwerken binnen stads- of dorpsgezichten is een omgevingsvergunning vereist. Dit kan (al) geregeld zijn in de provinciale omgevingsverordening of het nieuwe deel van het gemeentelijke omgevingsplan. Of het is nog geregeld in een gemeentelijke (erfgoed)verordening (het is onder het tot 2022 geldende recht dan een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo). In het laatste geval geldt tot uiterlijk 2030 het eerdergenoemde overgangsrecht van artikel 22.8 Ow in samenhang met artikel 2.1a Ob. De gemeente moet in de tariefbepaling kiezen voor de verwijzing naar de regeling zoals die in de gemeente geldt. Ook hier hebben wij gekozen voor een vast tarief. Het tweede lid bevat overgangsrecht, waarvan de tekst is ontleend aan artikel 8.2 Bbl.

Artikel 2.10 Overig cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf 5.1.5.5 Bkl bevat instructieregels over cultureel erfgoed en werelderfgoed voor het omgevingsplan. Hieraan kan bijvoorbeeld worden voldaan door het opnemen van een vergunningenstelsel in het omgevingsplan op grond waarvan het verboden is om met het oog op

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

het behoud van cultureel erfgoed of van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed een verboden is om zonder omgevingsvergunning een bepaalde activiteit te verrichten. Definities in de bijlage bij de Ow: cultureel erfgoed: monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; werelderfgoed: op het grondgebied van Nederland gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed dat op grond van het werelderfgoedverdrag is opgenomen in de Lijst van het Werelderfgoed.

Paragraaf 2.5 Milieubelastende activiteiten De bijlage bij de Ow geeft de volgende omschrijving van milieubelastende activiteit: milieubelastende activiteit: die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. We korten ‘milieubelastende activiteit(en)’ af tot ‘mba’. Het heffen van leges voor mba is een nieuwe mogelijkheid. Het is een kunnen, niet een moeten. Onder het regime van de Wabo was het niet mogelijk om leges te heffen voor een aanvraag om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) en voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor milieu-inrichtingen. De legesvrijstellingen waren geregeld in artikel 4:10 van het Besluit omgevingsrecht (voor aanvraag OBM) en artikel 2.9a van de Wabo (voor aanvraag omgevingsvergunning milieu-inrichting). Onder de Omgevingswet is legesheffing wel mogelijk. In deze paragraaf zijn hiervoor tariefbepalingen opgenomen. De tariefstelling is aan de gemeenten zelf. Het gaat niet langer om de milieu-inrichting als zodanig, maar om de activiteiten die milieubelastend en eventueel vergunningplichtig zijn. Alleen voor complexe bedrijven geldt nog een integrale vergunningplicht, maar daarvoor zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag.

Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een mba te verrichten voor zover het gaat om een bij amvb aangewezen geval. Die amvb is het IbOw (voor OBM) en het Bal (voor andere mba). Regels over mba zijn te vinden in afdeling 22.3 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw). In paragraaf 22.3.26 van die afdeling staan vergunningplichten (zie de toelichting op artikel 2.11 van de tarieventabel). Dit is overgangsrecht. Andere regels over mba’s staan in het Bal. Hoofdstuk 3 daarvan bevat algemene voorschriften en vergunningplichten (zie de toelichting op de artikelen 2.12 t/m 2.18). In verband met nog lopende regionale afstemming op bestuurlijke niveau en de vanuit de DCMR benodigde tijd om voor deze activiteiten concepttarieven op te stellen wordt dit onderdeel op zijn vroegst in de legesverordening voor 2024 opgenomen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Artikel 2.11 Omgevingsplanactiviteit: milieubelastende activiteit Voor de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM; artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht) geldt op grond van het overgangsrecht (de ‘bruidsschat’) nog een vergunningplicht totdat de gemeente zelf iets in het omgevingsplan geregeld heeft (vóór 2030). Dat kan natuurlijk een voortzetting van de vergunningplicht zijn, maar dat hoeft niet. Er kunnen in plaats daarvan ook algemene regels worden gesteld met eventueel een meldingsplicht. In de tekst van de tariefbepaling moet tot uitdrukking komen waar de vergunningplicht is geregeld. Mogelijk is dit zowel het omgevingsplan (nieuwe deel) als de bruidsschat die vergunningplichten bevat voor verschillende milieubelastende activiteiten. In paragraaf 22.3.26 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw) staan de vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels voor een aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Die paragraaf is niet van toepassing op milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal (zie daarvoor de artikelen 2.12 tot en met 2.18 van de tarieventabel). De bruidsschat maakt deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het betreft dus omgevingsplanactiviteiten.

Wij hebben gekozen voor een vast tarief voor alle in paragraaf 22.3.26 van de bruidsschat genoemde omgevingsvergunningen. Als variant voor een vast tarief hebben wij de verschillende in die paragraaf genoemde omgevingsvergunningen apart benoemd. De gemeente zou voor die variant kunnen kiezen als de kosten van behandeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor deze activiteiten erg verschillend zijn. De vergunningplichten in paragraaf 22.3.26 van de bruidsschat betreffen:  omgevingsvergunning verwerken polyesterhars (artikel 22.259);  omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem (artikel 22.260);  omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten (artikel 22.261);  omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen (artikel 22.262);  omgevingsvergunning tanken met LPG (artikel 22.263);  omgevingsvergunning antihagelkanonnen (artikel 22.264);  omgevingsvergunning biologische agens (artikel 22.265);  omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen (artikel 22.266);  omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen (artikel 22.267);  vangnetvergunning lozen in de bodem (artikel 22.268);  vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool (artikel 22.269). Voor een toelichting verwijzen wij naar de toelichting op deze artikelen in de bruidsschat (IbOw).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Artikel 2.12 Activiteiten die bedrijfstakken overstijgen (afdeling 3.2 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.13 Nutssector en industrie (afdeling 3.4 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.14 Afvalbeheer (afdeling 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.15 Agrarische sector (afdeling 3.6 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.16 Dienstverlening, onderwijs en zorg (afdeling 3.7 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.17 Transport, logistiek en ondersteuning daarvan (afdeling 3.8 Besluit actitiviteiten leefomgeving) Artikel 2.18 Sport en recreatie (afdeling 3.9 Besluit activiteiten leefomgeving) De artikelen 2.12 tot en met 2.18 voegen wij voor de toelichting samen. Hoofdstuk 3 van het Bal benoemt de mba en de vergunningplichtige gevallen daarvan. Het is veelomvattend. Te veel om allemaal afzonderlijk in een tariefbepaling te benoemen. Daarom is in de artikelen gekozen voor een clustering die overeenkomt met de sectorale rubricering (bedrijfstakken) in afdelingen in hoofdstuk 3 van het Bal. Die clustering heeft geleid tot de artikelen 2.12 tot en met 2.18. In deze tariefbepalingen zijn de paragrafen uit die afdelingen van hoofdstuk 3 van het Bal genoemd waarin vergunningplichten voor mba staan.

Omdat dat in veel gevallen meerdere mba betreft, is gekozen voor een tariefstelling afhankelijk van het aantal mba waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft:  Afdeling 3.2 Bal (bedrijfstakken overstijgend): ca. 35 mba – art. 2.12 tarieventabel: differentiatie naar aantal (5 tariefklassen). Variant naar uurtarief met begrotingsconstructie.  Afdeling 3.4 Bal (nutssector en industrie): ca. 34 mba – art. 2.13 tarieventabel: differentiatie naar aantal (5 tariefklassen). Variant naar uurtarief met begrotingsconstructie.  Afdeling 3.5 Bal (afvalbeheer): ca. 18 mba – art. 2.14 tarieventabel: differentiatie naar aantal (5 tariefklassen). Variant naar uurtarief met begrotingsconstructie.  Afdeling 3.6 Bal (Agrarische sector): ca. 10 mba, maar als je de verschillende diersoorten telt, dan ca. 20 mba – art. 2.15 tarieventabel: differentiatie naar aantal (4 tariefklassen). Variant naar uurtarief met begrotingsconstructie.  Afdeling 3.7 Bal (dienstverlening, onderwijs en zorg): ca. 2 mba – art. 2.16 tarieventabel: tarief per activiteit, geen differentiatie. Ook geen variant naar uurtarief.  Afdeling 3.8 Bal (transport, logistiek en de ondersteuning daarvan): ca. 21 mba – art. 2.17 tarieventabel: differentiatie naar aantal (5 tariefklassen). Variant naar uurtarief met begrotingsconstructie.  Afdeling 3.9 Bal (sport en recreatie): ca. 1 mba – art.

2.18 tarieventabel: tarief per activiteit, geen differentiatie. Ook geen variant naar uurtarief. Voor andere afdelingen in hoofdstuk 3 van het Bal is de gemeente geen bevoegd gezag. In verband met nog lopende regionale afstemming op bestuurlijke niveau en de vanuit de DCMR

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

benodigde tijd om voor deze activiteiten concepttarieven op te stellen wordt dit onderdeel op zijn vroegst in de legesverordening voor 2024 opgenomen.

Artikel 2.19 Samenloop van dezelfde milieubelastende activiteit Het kan voorkomen dat dezelfde mba bij verschillende vergunningplichtige categorieën waarop de aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt genoemd. Dit kan zich met name voordoen bij toepassing van afdeling 3.8 (transport, logistiek en de ondersteuning daarvan) en afdeling 3.2 (bedrijfstakken overstijgend). Deze mba wordt dan slechts eenmaal in de heffing betrokken, naar het meest gunstige van toepassing zijnde tarief. Voorbeeld 1 Artikel 3.269 en 3.286 Bal (transport, logistiek en de ondersteuning daarvan), vallend onder artikel 2.17 tarieventabel en de artikelen 3.16, 3.22, 3.25, 3.28, 3.31, 3.34 en 3.37 Bal (bedrijfstakken overstijgend), vallend onder artikel 2.12 tarieventabel. Voorbeeld 2 Binnen afvalbeheer (artikel 2.14 tarieventabel): artikel 3.153 (autodemontagebedrijf en tweewielerdemontagebedrijf) en artikel 3.164 (metaalrecyclingbedrijf) Bal. Voorbeeld 3 In paragraaf 3.8.2 Bal (brandstoffenhandel en tankopslagbedrijf) of paragraaf 3.8.6 Bal (opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal) wordt bij de vergunningplichtige mba een link gelegd met mba in afdeling 3.2 (bedrijfstakken overstijgend) over de opslag van gevaarlijke stoffen.

In verband met nog lopende regionale afstemming op bestuurlijke niveau en de vanuit de DCMR benodigde tijd om voor deze activiteiten concepttarieven op te stellen wordt dit onderdeel op zijn vroegst in de legesverordening voor 2024 opgenomen.

Paragraaf 2.6 Lozingsactiviteiten Artikelen 2.20 Lozingsactiviteiten niet afkomstig van een milieubelastende activiteit Artikelen 2.21 Lozingsactiviteiten niet afkomstig van een milieubelastende activiteit De artikelen 2.20 en 2.21 voegen wij voor de toelichting samen. De bijlage bij de Omgevingswet geeft de volgende definitie van lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam: activiteit, niet zijnde een stortingsactiviteit op zee, inhoudende het brengen van stoffen, warmte of water direct op een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het gaat om de gevolgen van die stoffen of warmte of dat water voor het watersysteem. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, Ow verbiedt het om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit te verrichten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, voor zover het gaat om een bij amvb aangewezen geval. In de verschillende paragrafen van hoofdstuk 3 van het Bal staan ook vergunningplichtige lozingsactiviteiten. Het waterschap is bevoegd gezag voor lozing op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap en op een zuiveringtechnisch werk, het rijk voor rijkswater. Daarmee zijn de meeste

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

vergunningplichtige lozingsactiviteiten geregeld. Niet uit te sluiten valt dat lozingen ook op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij de gemeente plaatsvinden. Voor die gevallen is in de artikelen 2.20 en 2.21 een tariefbepaling opgenomen. Er is onderscheid gemaakt tussen lozingen niet afkomstig van mba en lozingen afkomstig van mba. Voor de laatste bevat hoofdstuk 3 van het Bal vergunningplichten. In verband met nog lopende regionale afstemming op bestuurlijke niveau en de vanuit de DCMR benodigde tijd om voor deze activiteiten concepttarieven op te stellen wordt dit onderdeel op zijn vroegst in de legesverordening voor 2024 opgenomen.

Paragraaf 2.7 Overige activiteiten De meeste van de in deze paragraaf opgenomen tariefbepalingen zijn bestaande tariefbepalingen, aangepast aan de Ow en het overgangsrecht. Veel van de hier opgenomen vergunningsregels uit een gemeentelijke verordening, doorgaans de APV, zijn op grond van artikel 2.2, eerste lid, Wabo aangemerkt als verbod om zonder omgevingsvergunning de activiteit te verrichten (aanleg of veranderen weg, uitweg, alarminstallatie, kappen, handelsreclame, opslag roerende zaken). Of in de gemeentelijke verordening is voor de activiteit bij de omgevingsvergunning aangehaakt op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo. Voor deze vergunningstelsels geldt het overgangsrecht bedoeld in artikel 22.8 Ow in samenhang met artikel 2.1a Ob: de regels worden aangemerkt als verbod om de activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Dit overgangsrecht is van toepassing tot uiterlijk eind 2029 en geldt niet meer als de gemeente het vergunningstelsel in het nieuwe deel van het omgevingsplan heeft opgenomen. Voor zover de in de gemeentelijke verordening geregelde vergunning niet valt onder artikel 2.2 Wabo, geldt niet het overgangsrecht van artikel 22.8 Ow, maar dat van artikel 22.4 Ow waarin artikel 122 Gemeentewet gedurende de overgangsfase buiten toepassing blijft.

Dat betekent dat gemeentelijke verordeningen niet van rechtswege vervallen door de Omgevingswet. Voor zover de in de gemeentelijke verordening geregelde vergunning niet valt onder artikel 2.2 Wabo, hoort deze niet in hoofdstuk 2 van de tarieventabel thuis zolang de gemeente deze niet in het nieuwe deel van het omgevingsplan heeft opgenomen. Het is dan namelijk geen omgevingsvergunning. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de standplaatsvergunning in artikel 2.31. In de modelAPV is niet aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Dan hoort de tariefbepaling in hoofdstuk 3 van de tarieventabel (zie artikel 3.10). Daarom hebben wij beide bepalingen als facultatief opgenomen. Uit een ervan kan de gemeente kiezen, afhankelijk van de eigen regeling in de APV of het omgevingsplan. De VNG heeft twee staalkaarten voor het omgevingsplan gepubliceerd die betrekking hebben op verordeningen:  Staalkaart ‘Integratie verordeningen in omgevingsplan, deel I’  Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel ll’ Hierin zijn een aantal bepalingen uit de APV verwerkt in het omgevingsplan.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Toegevoegde tariefbepalingen::  Artikel 2.22 Vergunning omgevingsplanactiviteit opbreken en graven  Artikel 2.23 Vergunning omgevingsplanactiviteit overige activiteiten beperkingengebied leidingen, landschapselement en aardkundige waarde  Artikel 2.24 Plaatsen van voorwerpen op of aan de weg  [Artikel 2.31 Standplaatsen] Wijziging bestaande tariefbepalingen:  Artikel 2.25 Aanleggen of veranderen weg (uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid)  Artikel 2.26 Uitweg/uitrit  Artikel 2.27 Alarminstallatie  Artikel 2.28 Kappen van bomen of vellen van houtopstanden  Artikel 2.29 Reclame (was: handelsreclame)  Artikel 2.30 Opslag van roerende zaken Voor zover de vergunningen in de APV of een andere gemeentelijke verordening stonden waarbij sprake was van een omgevingsvergunning, hebben wij twee varianten opgenomen. Variant 1 betreft dan de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt (tot uiterlijk eind 2029). Variant 2 betreft de nieuwe gemeentelijke regeling in het omgevingsplan. Artikel 2.22 Opbreken en graven Zie de algemene toelichting op paragraaf 2.7. De Model-APV bevat hierover geen vergunningplicht. Daarom kent de modelverordening leges ‘2021’ hier geen tariefbepaling voor.

Wij hebben deze tariefbepaling opgenomen omdat voor deze activiteit vergunningplichten zijn opgenomen in het omgevingsplan van de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel II’. Eerste lid: zie het voorbeeldartikel 5.7, eerste lid, in deze staalkaart. Tweede lid: zie het voorbeeldartikel 5.7, tweede lid, in deze staalkaart. Hier heffen we leges voor op basis van hoofdstuk 1, kabels en leidingen Derde lid: zie het voorbeeldartikel 5.16 in deze staalkaart. Vierde lid: zie het voorbeeldartikel 5.19 in deze staalkaart. Vijfde lid: zie het voorbeeldartikel 5.22 in deze staalkaart. Als een gemeente hiervoor wel een vergunningplicht in de APV heeft staan, geldt dezelfde situatie als in bovenstaand kader voor de standplaatsvergunning is aangegeven. Wij kennen hiervoor nog geen vergunningplicht in het Omgevingsplan van rechtswege Artikel 2.23 Overige activiteiten beperkingengebied leidingen, landschapselement en aardkundige waarde Zie de algemene toelichting op paragraaf 2.7. Wij hebben deze tariefbepaling opgenomen omdat voor deze activiteiten een vergunningplicht is opgenomen in het voorbeeldartikel 5.30 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel II’. Zie die staalkaart voor een toelichting op de activiteiten.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Hier hebben we nog geen vergunningplicht voor. Artikel 2.24 Plaatsen van voorwerpen op [of aan] de weg In de modelverordening leges ‘2021’ kent deze bepaling niet omdat niet alle APV-vergunningen in de tarieventabel zijn benoemd. Wij hebben deze tariefbepaling opgenomen omdat voor deze activiteit bij wijze van voorbeeld een vergunningplicht is opgenomen in de Staalkaart ‘Integratie verordeningen in omgevingsplan, deel I’. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt. In artikel 2:10 Model-APV is bij de omgevingsvergunning aangehaakt. Hiervoor geldt dus het overgangsrecht bedoeld in artikel 22.8 Ow in samenhang met artikel 2.1a Ob: de vergunningsregeling wordt aangemerkt als verbod om de activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Variant 2 betreft de nieuwe gemeentelijke regeling in het omgevingsplan. Zie het voorbeeldartikel 5.7 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Integratie verordeningen in omgevingsplan, deel I’ Staat in hoofdstuk 3 op dit moment. Later verplaatsen naar hoofdstuk 2 als de verordening integraal opnieuw wordt vastgesteld. Artikel 2.25 Aanleggen of veranderen weg (uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid) Zie de toelichting op onderdeel 2.3.8 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’.

Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor eerder genoemd overgangsrecht geldt. De vergunningplicht is geregeld in artikel 2:11 Model-APV. Zie artikel 22.278 (specifieke beoordelingsregel) en artikel 22.284 (aanvraagvereisten) van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe gemeentelijke regeling in het omgevingsplan. Artikel 2.26 Uitweg/uitrit Zie de toelichting op onderdeel 2.3.9 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt. Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.297 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe gemeentelijke regeling in het omgevingsplan. Zie het voorbeeldartikel 5.15 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Integratie verordeningen in omgevingsplan, deel 1’. Albrandswaard heeft een meldingsplicht. Hier vervalt dit artikel. Artikel 2.27 Alarminstallatie Zie onderdeel 2.3.9A in de toelichting op de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. Deze tariefbepaling was niet in de tarieventabel zelf opgenomen omdat de Model-APV hiervoor geen vergunningplicht kent. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt.

Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.298 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Geen vergunningplicht. Artikel 2.28 Kappen van bomen of vellen van houtopstanden Zie de toelichting op onderdeel 2.3.10 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. De titel is aangepast in verband met de definities die de bijlage bij de Ow geeft van ‘vellen’ en van ‘houtopstanden’ ten opzichte van die in de Model-APV. Bijlage bij Ow: vellen: rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben; houtopstand: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Artikel 4:10 Model-APV bevat andere definities, met name van houtopstand: ‘hakhout, een houtwal of een of meer bomen’. Een houtopstand kan dus voor de Model-APV ook één boom betreffen. Onder vellen wordt in de Model-APV mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening (bomenverordening) waarvoor genoemd overgangsrecht geldt. De vergunningplicht is geregeld in artikel 4:11 ModelAPV. Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.299 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan.

We hebben de term ‘kappen’ in de tariefbepaling opgenomen, omdat die activiteit één boom kan betreffen. Zie het voorbeeldartikel 5.28 van de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel I’. Artikel 2.29 Reclame Zie onderdeel 2.3.10A in de toelichting op de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. Deze tariefbepaling was niet in de tarieventabel zelf opgenomen omdat de Model-APV hiervoor geen vergunningplicht kent. De titel ‘handelsreclame’ (zie artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder h, Wabo) hebben we gewijzigd in ‘reclame’ in verband met het voorbeeldartikel 5.49 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel II’. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling voor handelsreclame in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt. Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.300 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan. Zie het voorbeeldartikel 5.49 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel II’. Geen vergunningplicht. Artikel 2.30 Opslag van roerende zaken Zie de toelichting op onderdeel 2.3.11 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt.

De vergunningplicht staat in artikel 2:10, vijfde lid, Model-APV. Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.301 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

[Artikel 2.31 Standplaatsen] Dit artikel is als facultatieve bepaling opgenomen. Zie het kader in de inleidende toelichting op deze paragraaf. In artikel 5:18 model-APV is niet aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Dan hoort de tariefbepaling in hoofdstuk 3 van de tarieventabel (zie artikel 3.10). Daarom hebben wij beide tariefbepalingen als facultatief opgenomen. Uit een ervan kan de gemeente kiezen, afhankelijk van de eigen regeling in de APV of het omgevingsplan. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt voor zover sprake is van een ‘aangehaakte’ omgevingsvergunning. Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.301 van de bruidsschat (artikel 7.1 IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan. Zie het voorbeeldartikel 5.43 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel II’. Staat in hoofdstuk 3 op dit moment. Later verplaatsen naar hoofdstuk 2 als de verordening integraal opnieuw wordt vastgesteld. Artikel 2.32 Andere activiteiten Dit is een vangnetbepaling. De hierin opgenomen tariefbepaling geldt voor niet benoemde en onvoorziene gevallen. Wij hebben twee varianten opgenomen. Natuurlijk zijn andere tariefstellingen of een combinatie van beide varianten ook mogelijk.

Variant 1 Onderdeel a ziet op in de tarieventabel niet benoemde activiteiten die op grond van artikel 5.1 Ow vergunningplichtig kunnen zijn, uitgezonderd de activiteiten waarvoor een vergunningplicht geldt waarop artikel 2.2 Wabo van toepassing is. Het gaat dan met name om ‘aangehaakte’ omgevingsvergunningen als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Deze worden op grond van artikel 22.8 Ow in samenhang met artikel 2.1a Ob aangemerkt als omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit. De omgevingsvergunningen waarop het eerste lid van artikel 2.2 Wabo ziet, zijn in de voorgaande artikelen van deze paragraaf en in paragraaf 2.4 (Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed) van een tariefbepaling voorzien. Onderdeel b ziet op deze omgevingsplanactiviteiten waarvoor in een gemeentelijke verordening bij de omgevingsvergunning is aangehaakt, voor zover deze niet expliciet in de tarieventabel zijn benoemd. Variant 2 Variant 2 maakt geen onderscheid tussen activiteiten. Er geldt een vast bedrag, dat in voorkomend geval kan worden verhoogd met een vooraf kennisgegeven bedrag. Hiervoor geldt de zgn. begrotingsconstructie.

Paragraaf 2.8 Maatwerkvoorschriften In deze paragraaf zijn de tarieven voor het in behandeling nemen van een aanvraag om maatwerkvoorschriften, als uitwerking van het belastbare feit in artikel 2.2, aanhef en onder c, van de tarieventabel. Deze tariefbepalingen zijn alleen van toepassing als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning (zie artikel 2.3, vijfde lid, van de tarieventabel). We hebben de tariefbepalingen gesplitst in bouwactiviteiten, mba en overige activiteiten. De tariefstelling geldt per te stellen maatwerkvoorschrift. Een andere tariefstelling is vanzelfsprekend mogelijk.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

De basis voor het stellen van maatwerkvoorschriften staat in artikel 4.5 Ow. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag voor concrete gevallen afwijken van algemene regels voor een activiteit. Het stellen van maatwerkvoorschriften kan uitsluitend als dat in het omgevingsplan, de (provinciale) omgevingsverordening, de waterschapsverordening of de rijksregels is bepaald. Het bevoegd gezag neemt het maatwerkvoorschrift meestal op in een apart maatwerkbesluit. Als voor een activiteit een omgevingsvergunning nodig is, dan staat het maatwerk in een vergunningvoorschrift. Het vaststellen van een maatwerkvoorschrift zal vaak op verzoek van de initiatiefnemer gebeuren. Het maatwerkvoorschrift geldt alleen voor degene aan wie het maatwerkbesluit is gericht. Dit is degene die de activiteiten wil uitvoeren. Een voorbeeld van een maatwerkvoorschrift is wanneer een bedrijf in een bijzonder geval toestemming krijgt om meer koelwater te lozen dan algemeen is toegestaan. Een ander voorbeeld is een extra voorschrift voor een bedrijf vanwege geluidhinder in de omgeving. (Bron: https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/instrumenten/maatwerkvoorschrift/.) Zie ook: Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, memorie van toelichting Ow, pag. 470-471, en Kamerstukken II 2017/18, 34986, nr. 3, memorie van toelichting IwOw, pag. 160-161.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/859/documents/33318