toelichting-werkmodel-verordening-leges-2022-wijz-ow.pdf
Tekst van het document
Artikel 2.33 Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten De tariefbepaling is ontleend aan artikel 14.9 Or, waarin een tarief staat dat de minister in rekening brengt. Artikel 2.34 Maatwerkvoorschriften bij milieubelastende activiteiten De tariefbepaling is ontleend aan artikel 14.25 Or, waarin tarieven staan die de minister als bevoegd gezag in rekening brengt bij bepaalde mba. Daar is gekozen voor tariefklassen, afhankelijk van het aantal mba. In de Or komen nog meer tariefstellingen voor die op maatwerkvoorschriften voor andere mba betrekking hebben. Wij hebben gekozen voor een generieke regeling voor maatwerkvoorschriften voor mba, dus ongeacht welke mba het betreft. Een andere keuze is natuurlijk mogelijk. In het eerste lid, onderdelen b tot en met e, hebben wij bepaald dat artikel 2.3, tweede lid, van de tarieventabel geen toepassing vindt. Daarin is namelijk bepaald dat het tarief de som is van de leges voor elke activiteit afzonderlijk. Voor maatwerkvoorschriften die afwijken van de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal geldt een extra procedurevoorschrift: het bevoegd gezag moet kennis geven van het maatwerkvoorschrift in de bladen of op een andere geschikte manier. (artikel 10.20 Ob). Onder de Wet elektronische publicaties (inwerkingtreding 1 juli 2021) zal dat anders worden.
Artikel 2.35 Maatwerkvoorschriften bij overige activiteiten Een vangnetartikel voor het geval er voor andere activiteiten op verzoek maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld.
Paragraaf 2.9 Gelijkwaardigheid Artikel 2.36 Gelijkwaardige maatregel Dit artikel bevat de tariefbepalingen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel, als uitwerking van het belastbare feit in artikel 2.2, aanhef en onder d, van de tarieventabel. Deze tariefbepalingen zijn alleen van toepassing als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning (zie artikel 2.3, vijfde lid, van de tarieventabel). Wij hebben gekozen voor afzonderlijke tariefbepalingen voor een
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
gelijkwaardige maatregel bij bouwactiviteiten, cultureel erfgoed, mba en overige activiteiten, en voor een tariefstelling per uur. Hierop is de zgn. begrotingsconstructie van toepassing. De basis voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel staat in artikel 4.7 Ow. De memorie van toelichting op de Ow vermeldt: “Als een initiatiefnemer voldoet aan de bepalingen die in algemene regels zijn opgenomen, mag hij ervan uitgaan dat zijn initiatief voor de daarin gereguleerde aspecten past binnen het wettelijk kader voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Afhankelijk van de manier waarop een bepaling is geformuleerd, zijn er maatregelen denkbaar, waarmee hetzelfde resultaat wordt bereikt. Voor zowel de decentrale algemene regels als de rijksregels bepaalt het wetsvoorstel dat het gebruik van gelijkwaardige maatregelen mogelijk is, tenzij dat in de algemene regels is uitgesloten. De initiatiefnemer moet de gelijkwaardigheid van een maatregel aantonen. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag de gelijkwaardigheid voorafgaand aan de toepassing van een alternatief toetst, uitmondend in een beschikking. In de algemene regels kan in afwijking daarvan worden bepaald, dat voorafgaande toestemming niet is vereist.
In dat geval kan zo nodig worden bepaald, dat wel een voorafgaande melding moet worden gedaan bij toepassing van een gelijkwaardige maatregel.” (Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, pag. 144). Voor die melding is geen legesheffing mogelijk, voor de toestemming wel, want daarbij is sprake van dienstverlening. Voor deze dienstverlening heffen wij nog geen leges. Komt pas voor als we zaken vergunningvrij gaan maken in het OP en/of als gevolgklasse 2 van de Wkb in werking treedt.
Paragraaf 2.10 Overige tarieven Artikel 2.37 Verlengen tijdelijke omgevingsvergunning bouwactiviteit Artikel 10.23, tweede lid, Ow bepaalt dat als de in de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een tijdelijk bouwwerk bepaalde termijn korter is dan vijftien jaar, deze termijn kan worden verlengd tot ten hoogste vijftien jaar. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag daartoe, is in artikel 2.37 een tariefbepaling opgenomen. Artikel 14.10 Or kent eenzelfde tariefbepaling voor de minister als bevoegd gezag. Op grond van artikel 10.23, eerste lid, Ow moet de vergunninghouder na het verstrijken van een bij de omgevingsvergunning gestelde termijn van ten hoogste vijftien jaar, de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hebben hersteld. Artikel 2.38 Wijzigen omgevingsvergunning In hoofdstuk 14 Or staan de tarieven die het Rijk toepast voor het in behandeling nemen van aanvragen om een omgevingsvergunning voor diverse activiteiten. In die bepalingen staat ook steeds dat het (doorgaans vaste) tarief van overeenkomstige toepassing is op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. Wij hebben gekozen voor een generieke bepaling voor alle activiteiten. Het wijzigen van een omgevingsvergunning komt neer op het opnieuw aanvragen van een omgevingsvergunning.
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning is daarom hetzelfde tarief verschuldigd als voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor dezelfde activiteit. Bovenstaand vinden wij te fors. Wij hebben gekozen voor een bedrag van 500 euro.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Artikel 2.39 Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning Artikel 13.1a Ow noemt het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning als (belastbaar) feit waarvoor rechten (leges) kunnen worden geheven. Daarvoor is hier een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2.40 Intrekken omgevingsvergunning Artikel 13.1a Ow noemt het in behandeling nemen van een aanvraag om intrekking van een omgevingsvergunning als (belastbaar) feit waarvoor rechten (leges) kunnen worden geheven. Daarvoor is hier een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2.41 Beoordeling aanvullende gegevens In de modelverordening leges ‘2021’ staat deze tariefstelling bij de bouwactiviteiten (onderdeel 2.3.1.5). Die specificatie is in dit werkmodel losgelaten. Het tarief geldt daarom in voorkomend geval voor alle activiteiten. Is een aanvraag onvolledig, ook na geboden herstelmogelijkheid, dan kan deze buiten behandeling worden gesteld (artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht). Wij vinden het wel mogelijk om leges te heffen als tijdens de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning aanvrager met aanvullende gegevens komt, die weer extra werkzaamheden met zich brengt. Hier heffen we nu geen leges voor.
Artikel 2.42 Beoordeling onderzoeksrapporten Het komt voor dat een gemeente een onderzoeksrapport moet beoordelen zonder dat sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning of een ander besluit (bijvoorbeeld besluit tot het stellen van een maatwerkvoorschrift). Hiervoor is in dit artikel een tariefbepaling opgenomen. Het tarief is hetzelfde als het tarief voor het beoordelen van een rapport in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning, zoals opgenomen in artikel 2.47. Artikel 2.43 Niet genoemd besluit op aanvraag Dit is een vangnetbepaling. Deze is alleen redactioneel gewijzigd. Zie onderdeel 2.10 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’.
Paragraaf 2.11 Modaliteiten Artikel 2.44 Buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet zijnde bouwactiviteit Een omgevingsvergunning kan in beginsel voor elke buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden verleend als dat in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 2.6, aanhef en onderdelen b en c, is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit een tariefstelling opgenomen. Voor de overige buitenplanse omgevingsplanactiviteiten hebben wij gekozen voor een algemene tariefsverhoging in artikel 2.44. Artikel 2.45 Achteraf ingediende aanvraag In de modelverordening leges ‘2021’ staat deze tariefstelling bij de bouwactiviteiten (onderdeel 2.3.1.4). Die specificatie is in dit werkmodel losgelaten. Het tarief geldt daarom in voorkomend geval voor alle activiteiten. De extra legesheffing voor een achteraf ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning is van toepassing als er pas een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend nadat er al met
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
de activiteit is begonnen. De gemeente kan de verhoging van het tarief rechtvaardigen vanuit het gevoerde beleid. Dan zijn de extra leges een financiële prikkel om voorafgaand aan het bouwen 'netjes' een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit aan te vragen. Maatvoering is hierbij belangrijk. De extra leges mogen niet zo hoog zijn dat het strafkarakter gaat overheersen. Een verhoging van 10% met een absoluut maximum van € 1.000 valt naar onze mening binnen de redelijke grenzen. Let op! Met de extra legesheffing kan de gemeente niet de kosten van extra werkzaamheden die niet in relatie staan tot de dienstverlening verhalen. De rechtvaardiging ziet niet op extra kosten, maar is puur gebaseerd op het gevoerde beleid ter zake en ziet op een andere verdeling van het verhaal van de reguliere kosten. Overigens staat in artikel 5.6 Ow: “Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand te laten.” Artikel 2.46 Uitgebreide voorbereidingsprocedure De uitgebreide voorbereidingsprocedure leidt tot extra leges. De reguliere procedure is 8 weken. Op verzoek of bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (als de raad dat bepaalt) en bij sommige mba is de uitgebreide voorbereidingsprocedure voorgeschreven.
Er is een tariefdifferentiatie opgenomen voor mba en overige gevallen, omdat deze naar verwachting meer kosten met zich brengt. In hoofdstuk 14 Or waarin de tarieven staan die de minister als bevoegd gezag toepast, is het tarief voor mba hoger gesteld. Wij hebben ervoor gekozen om geen leges te heffen voor deze activiteit. Het toepassen van de uitgebreide voorbereidingsprocedure is vaak in het voordeel van de gemeente i.h.k.v. bezwaar en beroep. Artikel 2.47 Beoordeling onderzoeksrapporten In dit artikel zijn zoveel mogelijk onderzoeksrapporten benoemd. Daarom is sprake van een uitbreiding ten opzichte van onderdeel 2.3.16 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. Tarieven BOOR uit de huidige verordening opgenomen. Artikel 2.48 Advies Dit artikel betreft een verhoging van de leges in verband met adviezen van andere bestuursorganen of instanties die voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning, maatwerkvoorschrift of ander besluit nodig zijn. Vergelijk de onderdelen 2.3.1.2, 2.3.13 en 2.3.17 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’.
Op grond van artikel 16.15 Ow kunnen bij amvb, omgevingsplan, omgevingsverordening en waterschapsverordening bestuursorganen of andere instanties worden aangewezen die, in daarbij aangewezen gevallen, in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag of een ander bestuursorgaan advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van de Ow, respectievelijk het omgevingsplan, de omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Een bestuursorgaan of andere instantie wordt als adviseur aangewezen als dat wenselijk is vanwege: a. de deskundigheid van het bestuursorgaan of de instantie, of
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
b. de door het bestuursorgaan te behartigen belangen, gelet op de aan dat bestuursorgaan toegedeelde taken voor de fysieke leefomgeving. In afdeling 4.2 Ob (de amvb) is dit adviesrecht uitgewerkt. Advies van de gemeenteraad is nodig bij door hem aangewezen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is (artikel 16.15a, aanhef en onder b, Ow en artikel 4.21 Ob). De gemeentelijke adviescommissie bedoeld in artikel 17.9 Ow (nieuwe commissie die gemeenten vóór inwerkingtreding Ow moeten hebben) is adviseur bij: 1°. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument, 2°. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, in door de gemeenteraad aangewezen gevallen of als het college van burgemeester en wethouders daartoe aanleiding ziet (artikel 16.15a, aanhef en onder c, Ow en artikel 4.22 Ob). Van die gemeentelijke adviescommissie kan een welstandsdeskundige lid zijn. Bij de tariefbepaling voor een bouwactiviteit (artikel 2.6, aanhef en onder a. aanhef en onder 1) staat ook een tarief voor een welstandstoets. Dat tarief is alleen van toepassing als de gemeentelijke adviescommissie niet wordt ingeschakeld.
Artikel 2.48, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de tarieventabel is van toepassing voor een welstandsadvies van de gemeentelijke commissie. Voor overige adviezen van die commissie geldt onderdeel c. Andere instanties die kunnen adviseren zijn bijvoorbeeld gedeputeerde staten, een minister of de Commissie voor de milieueffectrapportage (commissie MER). De kosten van deze adviezen worden aan de aanvrager vooraf kenbaar gemaakt via de zogenaamde begrotingsconstructie (eerste lid, onderdeel d, en tweede lid). De commissie MER hanteert eigen tarieven, soms vaste (hoge) bedragen, soms een uurtarief. Die tariefstellingen worden goedgekeurd door de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Voor de adviezen gevolgd door een besluit over instemming, zie ook de toelichting op artikel 2.49 (Instemming). Huidige tarief advies van de raad overgenomen voor verklaring van geen bedenkingen door de raad. Huidige tarieven DSL voor de welstandcommissie overgenomen voor het welstandsadvies van de toekomstige commissie RK. Voor overige activiteiten, waaronder erfgoedadvisering geen leges opgenomen. Artikel 2.49 Instemming Een besluit over instemming is vergelijkbaar met de verklaring van geen bedenkingen onder vigeur van de Wabo (zie onderdeel 2.3.18 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’).
In de gevallen dat de gemeenteraad adviseur is (zie artikel 2.48), is hij ook het bestuursorgaan dat een besluit over instemming neemt (artikel 16.16 Ow). Advies en besluit over instemming zijn volgordelijk en zijn onderdeel van de aanvraagprocedure. De kosten daarvan worden via de tariefstelling in artikel 2.48, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.49, aanhef en onder a, doorberekend aan de aanvrager van de omgevingsvergunning of van een ander besluit op grond van de Ow. Zie ook onder NB.1.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning of ander besluit meerdere activiteiten omvat (meervoudige aanvraag), kunnen meerdere overheden betrokken zijn bij het behandelen van de aanvraag. Dat gebeurt via de figuur ‘advies met instemming’ aan het bevoegd gezag. Een bestuursorgaan dat onder de Ow een verzoek tot advies en instemming behandelt, kan daarvoor aan het bevoegd gezag kosten in rekening brengen. Dat gebeurt vooralsnog op basis van onderlinge afspraken. De wettelijke voorziening om kosten ‘achter het loket’ te verrekenen tussen overheden is nog in voorbereiding. Het lukt niet om dat vóór 1 januari 2022 te regelen. In deze aanstaande wettelijke regeling wordt gekozen voor verrekening via een betalingsbeschikking (bestuursrechtelijke geldschuld in de zin van de Awb). De bedoeling is dat de geldsom die voor het besluit over instemming in rekening wordt gebracht gelijk is aan de rechten (leges) die het instemmende bestuursorgaan zou heffen als het voor de activiteit waarvoor instemming wordt verzocht zelf bevoegd gezag zou zijn. De verschuldigde geldsom is voor het bevoegd gezag een last ter zake van de aanvraag en kan worden doorberekend aan de aanvrager of degene voor wie die aanvraag wordt gedaan.
Op deze manier kan de bestaande praktijk worden voortgezet dat voor besluiten over instemming (voorheen de verklaringen van geen bedenkingen) kosten kunnen worden verrekend tussen bestuursorganen, en dat het bevoegd gezag die kosten via de leges kan doorberekenen aan een initiatiefnemer. NB.1. Een bestuursorgaan kan gevallen aanwijzen waarin instemming niet is vereist (artikel 16.16, derde lid, Ow). Bestuursorganen kunnen ook bij het uitbrengen van advies bepalen dat voor een besluit geen instemming nodig is (artikel 16.16, vierde lid, Ow). Dan is dus alleen artikel 2:48, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, van de tarieventabel van toepassing. Ook hiervoor wordt nog wettelijk geregeld dat de voor het advies in rekening te brengen kosten gelijk zijn aan de rechten (leges) die het adviserende bestuursorgaan zou heffen als het voor de activiteit waarvoor advies wordt verzocht zelf bevoegd gezag zou zijn. De begroting van kosten op basis van het tweede lid van artikel 2.48 komt dan dus op dat bedrag uit. Volgt op het advies wel instemming, dan blijft dit het maximum door te berekenen bedrag. NB.2.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op meer dan een activiteit (meervoudige aanvraag) en het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag wordt voor een activiteit waarvoor hij geen bevoegd gezag zou zijn bij een enkelvoudige aanvraag voor die activiteit, is op grond van artikel 16.15 en 16.16 van de Omgevingswet advies en/of instemming nodig van een ander bestuursorgaan. Omdat het college bij een enkelvoudige aanvraag geen bevoegd gezag is voor de betreffende activiteit, is voor die enkelvoudige activiteit geen tarief opgenomen in de tarieventabel. Het instemmende bestuursorgaan kan wel kosten in rekening brengen bij het college (zie hierboven). Die kosten zijn gelijk aan het bedrag dat het instemmende bestuursorgaan als rechten zou heffen bij een enkelvoudige aanvraag voor die activiteit. De gemeente berekent die kosten op grond van artikel 2.49 door aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. NB.3. Stel er is sprake van een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit maakt daarvan deel uit. Als een ander bestuursorgaan voor het behandelen van de meervoudige aanvraag bevoegd gezag is, heeft het college recht van ‘advies en instemming’.
Het college berekent dan aan het bevoegd gezag als kosten door de leges die hijzelf geheven zou hebben als sprake was van een enkelvoudige aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
NB.4. Als in het onder NB.3 genoemde geval een geval betreft waarvoor de gemeenteraad adviseur is (zie artikel 16.15a Ow en artikel 4.21 Ob), is de gemeenteraad adviseur voor het college van burgemeester en wethouders voor het besluit over instemming (artikel 16.15a, onder b, 2, Ow en artikel 4.21, tweede lid, Ob). Het college berekent dan als kosten aan het bevoegd gezag door de leges die het zelf als bevoegd gezag geheven zou hebben voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van de tarieventabel: leges bouwactiviteit (artikel 2.5 en 2.6 ) + evt. modaliteiten als beoordeling rapporten art. 2.47 + advies gemeenteraad (art. 2.48, eerste lid, onder a). Huidige tarief overgenomen voor verklaring van geen bedenkingen door de raad.
Paragraaf 2.12 Vermindering Artikel 2.50 Vermindering na omgevingsoverleg Dit strekking van dit artikel komt overeen met de vermindering die geregeld is in onderdeel 2.4.1 van de modelverordening leges ‘2021’. Er gelden wel aanvullende regels. Vanuit de praktijk is de wens geuit om een extra vermindering te kunnen geven ter stimulering van het omgevingsoverleg. Dat is in het artikel tot uitdrukking gebracht door de vermindering te bepalen op een percentage van de leges die voor het omgevingsoverleg verschuldigd waren. Bij stimulering van omgevingsoverleg is het percentage hoger dan 100, bijvoorbeeld 120%. Als die stimuleringsgedachte niet bestaat, kan een gemeente ook een lager percentage hanteren. Of natuurlijk gewoon 100%. In het tweede lid zijn voorwaarden opgenomen waaraan voldaan moet zijn. De aanvraag om een omgevingsvergunning moet zijn gedaan: a. voor dezelfde activiteit of activiteiten als waarop het omgevingsoverleg betrekking had; b. in overeenstemming met de uitkomsten van het omgevingsoverleg; en c. binnen […] maanden na het laatste omgevingsoverleg of, als het omgevingsoverleg volgens afspraak leidt tot een kennisgeving aan de aanvrager, na de dagtekening van de kennisgeving. Op grond van het derde lid blijft na vermindering altijd een minimumbedrag verschuldigd.
De vermindering kan er dus niet toe leiden dat voor de aanvraag van de omgevingsvergunning geen leges meer verschuldigd zijn of zelfs een bedrag zou moeten worden teruggegeven. [Artikel 2.51 Vermindering bij meervoudige aanvraag Dit artikel stemt overeen met onderdeel 2.4.2 van de tarieventabel van de modelverordening ‘2021’. Wij hebben het artikel nu als facultatief opgenomen. De gemeente moet zelf de wenselijkheid ervan afwegen. De mba hebben wij uitgezonderd omdat bij de tariefstelling voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een mba al een clustering van activiteiten heeft plaatsgevonden.
Paragraaf 2.13 Teruggaaf Een teruggaaf is een voorzienbare hardheid die zich bij toepassing van de verordening kan voordoen. (Bij onvoorziene gevallen, kan de hardheidsclausule worden toegepast (artikel 63 AWR).) Ten opzichte van de teruggaafbepalingen in de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’ zijn twee teruggaafbepalingen toegevoegd, namelijk in de artikelen 2.52 en 2.53.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Artikel 2.52 Teruggaaf bij aanvraag en oordeel geen omgevingsvergunning nodig Als de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning leidt tot het oordeel dat geen omgevingsvergunning nodig is, is wel sprake van het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Op grond van artikel 14.4, eerste lid, Or (tarievenregeling van het Rijk) geldt dan een gereduceerd tarief van 15% van het oorspronkelijke tarief. Op die tarievenregeling is het belastingrecht niet van toepassing. Omdat in dit geval wel sprake is van het in behandeling nemen van een aanvraag, is formeel het gewone tarief verschuldigd is, maar is het niet redelijk het volledige bedrag te heffen. Daarom hebben wij ‘het gereduceerde tarief van 15% van het oorspronkelijke tarief’ geformuleerd als een teruggaaf van [85]% van de leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag. De gemeente is autonoom om een ander percentage te hanteren. In dit verband wijzen wij nog op artikel 16.64a, eerste lid, Ow: Als het bevoegd gezag naar aanleiding van de aanvraag om een omgevingsvergunning van oordeel is dat geen omgevingsvergunning nodig is, wordt dat vermeld in de kennisgeving, bedoeld in artikel 16.64, derde lid. Zie ook: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2004:AQ7004.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt daarin: ‘ Voor de beantwoording van de vraag of voor een voorgenomen handeling een vergunning vereist is, kan een vergunning worden aangevraagd dan wel door een derde om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen worden verzocht. Het bevoegde bestuursorgaan dient bij het nemen van een besluit op zulk een aanvraag of verzoek de vraag naar de vergunningplicht als een voorvraag te beoordelen.’ Gelet op het bovenstaande hebben wij in de tarieventabel geen tariefbepaling opgenomen voor een zogenaamde ‘verklaring vergunningvrij’. Als iemand wil weten of een omgevingsvergunning nodig is, kan hij/zij een aanvraag om een omgevingsvergunning indienen. Voor het in behandeling nemen van zo’n aanvraag worden de reguliere leges voor de betreffende activiteit geheven. Als het college tot het oordeel komt dat geen omgevingsvergunning nodig is, is een teruggaaf van een legesdeel mogelijk door de bepaling in artikel 2.52.
Artikel 2.53 Teruggaaf als aanvraag verder buiten behandeling wordt gelaten Als na toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten, voorziet artikel 14.4 lid 2 Or (tarievenregeling Rijk) in een gereduceerd tarief van 15% van het oorspronkelijke tarief. Ook hier is de aanvraag al in behandeling genomen. De Hoge Raad heeft beslist dat ‘de uitdrukking 'in behandeling nemen' in de tarieventabel moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 229, lid 1, aanhef en onder letter b, van de Gemeentewet, in welk artikel de bevoegdheid is gegeven rechten te heffen ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. In een geval waarin ter zake van een aanvraag een besluit wordt genomen op de voet van artikel 4:5 van de Awb kunnen er reeds diensten zijn verstrekt welke heffing rechtvaardigen.’ (Hoge Raad 21-12-2007, ECLI:NL:HR:2007:BC0652. Ook hier kan het heffen van het volledige legesbedrag voor de aanvraag onredelijk zijn en hebben wij ‘het gereduceerde tarief van 15% van het oorspronkelijke tarief’ geformuleerd als een teruggaaf van [85]% van de leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag. De gemeente is autonoom om een ander percentage te hanteren.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Artikel 2.54 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij reguliere procedure Dit artikel komt overeen met onderdeel 2.5.1 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. In dit onderdeel was de teruggaaf beperkt tot de leges voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Bij nader inzien vinden wij die beperking niet nodig en geldt de teruggaaf in artikel 2.54 bij intrekking van een aanvraag om een omgevingsvergunning en om een maatwerkvoorschrift. Omdat voor de reguliere procedure andere beslistermijnen gelden dan bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure, geldt artikel 2.54 alleen als de reguliere procedure op de aanvraag van toepassing is. De reguliere beslistermijn is acht weken, als instemming van een ander bestuursorgaan is vereist twaalf weken. Deze beslistermijnen kunnen met zes weken worden verlengd (artikel 16.64 Ow). Bij invulling van het aantal weken in de tariefbepaling moet hiermee rekening worden gehouden. Wij hebben de regeling afgestemd op artikel 14.4, vierde lid, Or (tarievenregeling Rijk). Daar is het geformuleerd als lager tarief, resp. 25%, 50% en 75%, dus andersom aan de door ons geformuleerde teruggaaf van resp. 75%, 50% en 25%. Wij kiezen voor een teruggaafbepaling omdat de aanvraag al in behandeling is genomen. Teruggaaf is alleen mogelijk als nog niet op de vergunningaanvraag is beslist.
Artikel 2.55 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij uitgebreide voorbereidingsprocedure Dit is eenzelfde regeling als in artikel 2.54, maar nu voor het geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Zie voor de toepassing van de procedure paragraaf 16.5.3 Ow. Artikel 3:18, eerste lid, Awb bepaalt de beslistermijn op ten hoogste zes maanden. Bij complexe zaken kan de termijn worden verlengd met zes weken (artikel 16.66, derde lid, Ow in samenhang met artikel 3.18, tweede lid, Awb). Bij invulling van het aantal weken in de tariefbepaling moet hiermee rekening worden gehouden. Wij hebben de regeling afgestemd op artikel 14.4, derde lid, Or (tarievenregeling Rijk). Daar is het geformuleerd als lager tarief, resp. 25%, 50% en 75%, dus andersom aan de door ons geformuleerde teruggaaf van resp. 75%, 50% en 25%. Wij kiezen voor een teruggaafbepaling omdat de aanvraag al in behandeling is genomen. Teruggaaf is alleen mogelijk als nog niet op de vergunningaanvraag is beslist. Artikel 2.56 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten Dit artikel komt overeen met onderdeel 2.5.2 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. In dit onderdeel was de teruggaaf beperkt tot de leges voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten.
Aanlegactiviteiten zijn onder Ow ook bouwactiviteiten. Sloopactiviteiten zijn in de meeste gevallen alleen meldingsplichtig. In artikel 2.56 is de teruggaaf daarom beperkt tot de bouwactiviteiten en mba. Er gelden drie voorwaarden voor de teruggaaf: 1. de vergunninghouder dient een aanvraag om intrekking in, 2. binnen een bepaalde in het artikel op te nemen termijn na vergunningverlening, en 3. er is nog geen gebruik gemaakt van de omgevingsvergunning, met andere woorden: de activiteit is nog niet uitgevoerd.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Artikel 2.57 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten Dit artikel komt overeen met onderdeel 2.5.3 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. Ook hier hebben we de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten vervangen door bouwactiviteiten en mba. Achterliggende gedachte is dat de gemeente niet alle werkzaamheden zal hebben verricht waarvoor leges zijn geheven. Artikel 2.58 Geen teruggaaf legesdeel modaliteiten Dit artikel komt overeen met onderdeel 2.5.5 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. Het legesdeel modaliteiten betreft de in paragraaf 2.11 opgenomen tarieven, wat verhogingen zijn op de reguliere tarieven voor een aanvraag om een omgevingsvergunning of ander besluit op grond van de Ow. Artikel 2.59 Minimumbedrag voor teruggaaf Dit artikel komt overeen met onderdeel 2.5.4 van de tarieventabel van de modelverordening leges ‘2021’. Dit is een doelmatigheidsbepaling.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2