CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting vast te stellen bestemmingsplan 't Ronde Sant.pdf

Gemeenteraad RK 13 juni 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: vaststelling bestemmingsplan 't Ronde Sant17.670 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Wonen is een geluidgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. Derhalve dient in beeld te worden gebracht of het plangebied is gelegen in de geluidzones van industrie-, wegverkeers- en spoorweglawaai. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een bedrijventerrein, waardoor onderzoek naar industrielawaai achterwege kan blijven. Desalniettemin is in het kader van het bedrijven en milieuzonering wel gekeken naar het geluid van de omliggende bedrijven. Dit is behandeld in toelichting paragraaf 4.4. Wegverkeerslawaai De planlocatie ligt binnen de bebouwde kom van Ridderkerk, maar is wel gelegen binnen de geluidzone van meerdere geluidgezoneerde wegen, namelijk de Hugo de Grootlaan, de Erasmuslaan en de Vlietlaan. Voor het bouwplan zoals dat in de inspraak is gebracht is een akoestisch onderzoek wegeverkeerslawaai uitgevoerd (Ingenieursbureau Spreen, d.d. 2 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Deze berekening had betrekking op een oudere versie van de beoogde ontwikkeling.

Omdat het bouwplan is aangepast, waarbij de bouwhoogte van de woontoren naar beneden is bijgesteld, is als aanvulling op het vorige onderzoek een geluidsnotitie opgesteld waar rekening is gehouden met de nieuwe bouwhoogtes (Ingenieursbureau Spreen, d.d. 10 november 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 12). De geluidsbelastingen met de aangepaste bouwhoogtes kunnen ten gevolge van de Rotterdamseweg en Vlietlaan voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) bedraagt ten hoogste 50 dB (excl. aftrek art. 110g Wgh). Bij een standaard geluidwering van 20 dB volgens het Bouwbesluit kan daarmee worden voldaan het toelaatbaar binnenniveau van 33 dB. Gesteld kan worden dat wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor het initiatief en er in het kader van het bestemmingsplan geen nadere acties vereist zijn. Spoorweglawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect geluid.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in

26

betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³.

Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. Als voldaan wordt aan de advieswaarden, zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

27

Planspecifiek De ontwikkeling kan, gezien de zeer beperkte omvang (< 1.500 woningen), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het realiseren van o.a. de 120 woonunits en de 60 sociale huurwoningen is een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 17,1 μg/m³, 9,5 μg/m³ en 19,4 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Er wordt net niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het voornemen is om de verouderde bebouwing te slopen en om een nieuw verpleeghuis met 120 zorgeenheden, een gebouw met 60 sociale huurwoningen en een nieuw kinderdagverblijf te realiseren. Met

28

de realisatie van de woningen is er sprake van het toevoegen van een gevoelige bestemming. Er dient getoetst te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot bedrijven en milieuzonering. Daarnaast dient inzichtelijk gemaakt te worden of bedrijven in de omgeving in de mogelijkheden beperkt worden. Volgens de VNG-publicatie valt de omgeving van het plangebied onder het gebiedstype 'rustige woonwijk', aangezien de omgeving van het plangebied hoofdzakelijk uit woningen bestaat. Zorginstelling Aafje Woonzorgvoorzieningen zijn niet specifiek benoemd in de VNG-brochure. Aangesloten kan worden bij de richtafstanden voor 'Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven' (milieucategorie 1) met een richtafstand van 10 m of voor 'Verpleeghuizen' (milieucategorie 2), met een richtafstand van 30 m. In beide gevallen is 'geluid' de maatgevende factor. Het gebouw wordt op een grotere afstand tot de bestaande woningen aan de Stevinstraat geprojecteerd. Dat geldt ook voor de bevoorrading: die situatie wijzigt niet nadelig ten opzichte van de huidige situatie. De dagbegeleiding van de zorginstelling heeft overwegend inpandig plaats. De buitenruimte voor de zorginstelling is aan de oostzijde van het gebouw voorzien.

Er zal hier sprake zijn van stemgeluid van bewoners, maar op basis van de huidige ervaringen zal dat niet ten koste gaan van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor bestaande en nieuwe woningen. Kinderdagverblijf en Sportveld Driehoek het Zand Kinderdagverblijf Mundo – PleSant krijgt binnen het plangebied een nieuwe locatie, op de begane grond van de noordelijke kop van het westelijke bouwdeel. Voor een kinderopvang geldt een milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter (rustige woonwijk). Aan die richtafstand wordt, gemeten van de gevel van het kinderdagverblijf tot de achtergevel van de woningen aan de Stevinstraat, voldaan. De bijbehorende buitenspeelruimte is aan de noordoostkant van het gebouw geprojecteerd, waardoor het geluid van spelende kinderen deels wordt afgeschermd door de nieuwbouw. Ten aanzien van de boven het kinderdagverblijf geprojecteerde zorgwoningen wordt niet voldaan aan de richtafstand. Om die reden is hiervoor een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, d.d. 2 november 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 11). In dat onderzoek is ook de sportvoorziening ten zuidoosten van het plangebied meegenomen. Op een afstand van ca. 27 meter van het plangebied, wordt met de ontwikkeling van 'Binnenrijk', namelijk een sportveld gerealiseerd.

Volgens het bestemmingsplan 'Driehoek het Zand' is ter plaatse het realiseren van lichtmasten toegestaan. In het kader van dat bestemmingsplan is in het verleden een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door KuiperCompagnons (5 oktober 2020). Hier is tevens getoetst naar geluidseffecten van het sportveld op het bestaande zorgcomplex. De geluidbelasting ten gevolge van de sportvoorziening is in het onderzoek van 2 november 2023 nu opnieuw bepaald, op basis van het door KuiperCompagnons aangeleverde akoestische model. In het onderzoek is gebruik gemaakt van het toetsingskader voor geluid uit de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Hierbij wordt de geluidbelasting getoetst ter plaatse van de gevels van woningen in de omgeving. De toelaatbare geluidbelasting wordt afgewogen en afgestemd op de omgeving waarin zich de woningen bevinden. Het toetsingskader voor geluid bestaat uit 4 stappen waarbij per stap de geluidbelasting groter wordt en daarmee de onderzoeks- en motiveringsplicht. In het uitgevoerde onderzoek wordt stap 1 van het toetsingskader voor geluid overgeslagen, aangezien de richtafstanden worden overschreden. Volgens stap 2 is inpassing mogelijk indien het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet hoger is dan de richtwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de avond.

Deze richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt onder de gebruikte uitgangspunten bij twee punten overschreden. Eén punt betreft de eerste verdieping van de woningen boven het kinderdagverblijf. Het andere punt betreft bij de woontoren tegenover het sportveld. In de overige punten, zoals die aan de Stevinstraat, kan ruimschoots aan de richtwaarden worden voldaan. De geluidbelasting door spelende kinderen op de nabijgelegen nieuwe en bestaande woningen is voldoende laag om een goed (aanvaardbaar) woon- en leefklimaat te garanderen, met uitzondering van de twee zojuist genoemde punten. Daar vindt een overschrijding plaats (op de 1e verdieping) van 4 dB(A) bij het kinderdagverblijf en 4 dB(A) bij de woontoren.

29

Op basis van stap 3 uit de VNG-brochure ontstaat 5 dB(A) geluidruimte en kan ook op de twee genoemde punten aan de richtwaarden worden voldaan. Cumulatie van geluid moet dan ook in beschouwing worden genomen. Ook is stap 3 in combinatie met (extra) maatregelen aan de gevels een optie. Het kinderdagverblijf en het sportveld zullen niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering aangezien stemgeluid bij toetsing aan het Activiteitenbesluit is uitgezonderd van toetsing aan de grenswaarden. Om de geluidbelasting op de woningen te reduceren zijn de volgende maatregelen denkbaar:

• • •

Beperken van de bron (emissie). Beperken van de geluidoverdracht naar de omgeving: dit is boven het KDV geen realistische optie. Beperking binnenniveaus: bij hoge gemiddelde en maximale geluidniveaus buiten op de gevel kunnen de binnenniveaus worden gegarandeerd.

Conform het Activiteitenbesluit mogen de (maatgevende) langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus binnen overdag niet hoger zijn dan 35 dB(A); dat vergt dus een geluidwering van de hoogst belaste gevel van minimaal 54 – 35 = 19 dB(A), hetgeen bouwtechnisch goed haalbaar is (eventueel gedempte ventilatie, goede beglazing en kierdichting). Uitgaande van een goede geluidwering zal dan sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Gemengde bestemming Aan de Zeemanstraat 1 en 2 zijn een fysiopraktijk en een kantoor gevestigd. Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten geldt een richtafstand van 10 meter. De afstand van het plangebied tot aan de bedrijfsactiviteiten bedraagt ruim 100 meter. Gezien de grote afstand tot het plangebied vormt deze geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Gelet op voorstaande is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een goede ruimtelijke ordening wat betreft milieuzonering. Er kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot het aspect milieuzonering.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek Met de ontwikkeling van woningen is er sprake van het toevoegen van kwetsbare objecten. Daarom dienen de veiligheidsrisico’s voor de beoogde ontwikkeling getoetst te worden. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart (Atlas Leefomgeving) ter plaatse van het plangebied.

30

Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld, bron: Atlas Leefomgeving)

Transportroutes gevaarlijke stoffen De Noord, een rivier ten oosten van het plangebied, is onderdeel van de 'Corridor Rotterdam - Duitsland'. De Noord is aangewezen als binnenvaartroute voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Conform het Basisnet water betreft deze vaarroute een zwarte vaarroute. Hiervoor geldt een PR-contour tot maximaal 25 meter landinwaarts. Gezien de afstand van de planlocatie tot aan de oeverlaan (ca. 980 meter) vormt de Corridor Rotterdam - Duitsland geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen andere transportroutes met gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Buisleidingen Ten zuiden van het plangebied is een aardgasbuisleiding aanwezig. De afstand tot de buisleiding tot aan het plangebied bedraagt ca. 800 meter. Gezien de afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt deze geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

31

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied heringericht, waarbij de bestaande bebouwing wordt gesloopt. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep. Derhalve is er voor de planlocatie een ecologisch onderzoek uitgevoerd (Bureau Stadsnatuur, d.d. 12 april 2021, bijlagen bij toelichting, bijlage 3). Beschermde soorten Tijdens het onderzoek zijn meerdere beschermde soorten aangetroffen. Zo biedt de haag langs de westrand van het plangebied een rustplek voor de Huismus. Stootvoegen in het hoofdgebouw kunnen verblijfplaatsen vormen voor vleermuizen als rustplaats. In het verleden zijn hier ook vaste vliegroutes van de gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Overige beschermde soorten kunnen redelijkerwijs op de planlocatie worden uitgesloten. Om een beter beeld te krijgen van het gebiedsgebruik van de twee beschermde soorten wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren naar vleermuizen en naar de Huismus. Aan de oostzijde van het plangebied staat een Els welke mogelijk binnen het groengebied van de gemeente staat.

Mocht dit het geval zijn, moet bij mogelijke kap van de Els een vergunning aan worden gevraagd. Aanvullend onderzoek Er is aanvullend onderzoek naar vleermuizen en huismussen uitgevoerd (VanderHelm Milieubeheer, d.d. 1 juni 2023, bijlagen bij toelichting, bijlage 4). In de bebouwing binnen het projectgebied zijn één zomerverblijfplaats en één baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het is aannemelijk dat de paarverblijfplaats zich op dezelfde locatie bevindt als de zomerverblijfplaats of de indicatieve verblijfplaats. In de bebouwing zijn tevens twee paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis vastgesteld. Het kan niet worden uitgesloten dat de vastgestelde verblijfplaatsen tevens door individuen van de soort in gebruik zijn als winterverblijfplaats gedurende milde winters. De vastgestelde verblijfplaatsen zullen door de sloopwerkzaamheden worden vernield, wat een overtreding op de Wet natuurbescherming betreft. Met betrekking tot de vastgestelde aanwezige beschermde elementen van de gewone en ruige dwergvleermuis is een Ontheffingsaanvraag met een Activiteitenplan van toepassing. In dat Activiteitenplan worden de benodigde maatregelen beschreven, zoals het plaatsen van tijdelijke vleermuiskasten en het benoemen van de permanente locaties van de kasten.

De hiervoor benodigde procedure wordt gevolgd, waarbij het voornemen is om het Activiteitenplan eind 2024 in te dienen. In het projectgebied zijn geen nestplaatsen van de huismus vastgesteld. Een deel van het aanwezige groen in het projectgebied biedt een aanvullende bijdrage aan het essentiële leefgebied van de huismussen die nestelen in de directe omgeving van het projectgebied (evenals aan andere soorten vogels). Indien de sloopwerkzaamheden en de werkzaamheden aan het groen worden uitgevoerd buiten het broedseizoen, en in de uiteindelijke situatie (en voorafgaand aan het broedseizoen) wordt voorzien in een ‘huismusvriendelijke’ tuin in het westelijke deel van het projectgebied, dan zullen de werkzaamheden geen afbreuk doen aan de functionaliteit die het projectgebied op dit moment vervult voor de huismus. Beschermde gebieden De afstand tot het Natuurnetwerk Nederland en het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is dermate groot dat een effect op deze gebieden uitgesloten kunnen worden. Wel dient aan de hand van een stikstofberekening de effecten van de uitstoot op de Natura-2000 gebieden berekend te worden. Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 7 november 2023, bijlagen bij toelichting, bijlage 5).

Uit de AERIUS-berekening volgt dat er tijdens de gebruik- en de aanlegfase voor de Natura 2000-gebieden geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect ecologie, waarbij er nog een procedure wordt gevolgd voor de benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming.

32

4.8 Water De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het waterschap Hollandse Delta (hierna: WSHD) heeft haar waterbeheerprogramma voor de periode 2022-2027 vastgesteld op 10 november 2021. In het waterbeheerprogramma worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Deze onderdelen van het beheer van het watersysteem zien tevens op het plangebied waarin de waterkering zal worden verlegd en waarin een opgave voor waterberging aanwezig is Eén van de instrumenten om het waterbeleid vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Hollandse Delta is aangesloten op de landelijke website van de Digitale Watertoets.

33

Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie bestaat het plangebied voor een groot deel uit verhard oppervlak. Het oppervlak aan verharding zal als gevolg van het voorgenomen plan verminderen. Het inpassen van de nieuwe stedenbouwkundige opzet leidt tot een verbetering van de groenbalans op eigen terrein. Het aandeel aan groen stijgt van 2.600 m² naar 3.500 m². Het aandeel half verharding daalt van 1.100 m² naar 600 m² om zo ruimte te maken voor volledig groen. Watercompensatie is derhalve niet vereist voor onderhavig initiatief. Onderstaande afbeelding toont de verhardingsbalans van de beoogde ontwikkeling.

Verhardingsbalans huidige (links) en toekomstige (rechts) situatie (bron: Rothuizen Architecten en Stedenbouwkundigen, 2 oktober 2023)

Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd wordt en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Voor het pand geldt dat het hemelwater gescheiden afgevoerd wordt en het vuilwater aangesloten wordt op het bestaande rioolstelsel. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van het hoogheemraadschap. Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen vormt voor het beoogde initiatief.

34

4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Om praktische redenen is het eenvoudiger om dit bij de gemeente Ridderkerk te doen. Planspecifiek Voor de zuidelijke helft van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Voor deze gronden geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 30 cm een archeologisch onderzoek plaats moet vinden.

Ondanks dat een groot deel van het plangebied in de huidige situatie al bebouwd is (dus is de bodem ter plaatse reeds geroerd), zullen deze normen naar verwachting overschreden worden. Om die reden is er archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, d.d. 9 april 2024 zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Op basis van het veldonderzoek is geconcludeerd dat er in het plangebied oever- op bedding- en geulafzettingen van de Slikkerveen stroomgordel aanwezig zijn. De top ligt op een diepte tussen 40-85 cm Mv (0,0 – 0,6 m -NAP). Deze afzettingen zijn naar verwachting gedurende de Romeinse Tijd tot stand gekomen en vanaf dan in theorie bewoonbaar geweest. De top van de oeverafzettingen is in het plangebied echter niet als intact te beschouwen. Een vegetatieniveau of overige sporen van bodemvorming ontbreken in deze afzettingen. Vermoedelijk zijn deze verstoringen te relateren aan de huidige bebouwing en overige (sub)recente ingrepen binnen het plangebied. In de boringen is geen Hollandveen aangetroffen. Dit is naar verwachting geërodeerd door de Slikkerveer. Gezien de resultaten van het veldonderzoek kan de archeologische verwachting in het plangebied naar laag worden bijgesteld. Op basis van het veldonderzoek is sprake van een lage archeologische verwachting. Er is zodoende geen aanleiding om een vervolgonderzoek te adviseren.

Het plangebied kan worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkeling. Met het oog op mogelijke toekomstige ontwikkelingen is het zuidelijke deel van het plangebied nog voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Ridderkerk). Versie 1.1 van het archeologische onderzoek (d.d. 8 december 2022) is beoordeeld door Archeologie Rotterdam (BOOR). In de beoordeling van BOOR d.d. 12 december 2023 wordt geadviseerd om de in het rapport geformuleerde aanbeveling, namelijk om in het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren, over te nemen. Verder zijn de tekstuele opmerkingen uit de reactie van BOOR verwerkt in versie 2.1 d.d. 9 april 2024. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Er is op een deel van het plangebied een archeologische dubbelbestemming opgenomen.

35

4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd dorpsgezicht en de bestaande bebouwing betreft geen gemeentelijk of rijksmonument. Ook zijn er geen andere cultuurhistorische elementen aanwezig binnen het plangebied. De boogde ontwikkeling heeft verder geen invloed op dit monument. Gezien het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontwikkeling van de 120 zorgeenheden, de 60 sociale huurwoningen en het kinderdagverblijf brengt verkeersbewegingen met zich mee. Om de verkeersgeneratie te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in de 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk' gebied. In navolgende tabel staat de verkeersgeneratie van de ontwikkeling weergegeven.

In de tabel is de verkeersgeneratie van de huidige situatie en de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling met elkaar vergeleken en de toename in de verkeersgeneratie berekent. CROW-categorie

CROWverkeersgenera tie

Huidig aantal eenhed en 106 (*) 25

Beoogd aantal eenhed en 120 60

Serviceflat 2,45 Huur, 3,6 appartement, midden/goedko op (incl. sociale huur) Kinderdagverbli 35,15 4,5 4,5 jf Totaal (*) Aantal eenheden inclusief 16 plaatsen via stichting Pameijer

36

Toenam e aantal eenhed en 14 35

Toename aantal voertuigbeweging en

0

0

34,3 126

160,3

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat er met de beoogde ontwikkeling sprake is van een verkeersgeneratie van 160,3 voertuigbewegingen per etmaal. De planlocatie wordt, net zoals in de huidige situatie, ontsloten aan de Hugo de Grootlaan. Het verkeer kan vervolgens richting het westen naar de Donkerslootweg of richting het oosten via de Erasmuslaan en de Vlietlaan. Vervolgens gaat het verkeer over in het heersende verkeersbeeld. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.10.2 Autoparkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek Autoparkeren Om het benodigde aantal parkeerplaatsen aan te tonen is een memo opgesteld (d.d. 7 januari 2022, Propos Consultancy in samenwerking met Wooncompas en gemeente Ridderkerk), conform het verkeersplan Ridderkerk 2011-2015 en de normen uit de ‘Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerk’ (vastgesteld op 26 februari 2024). Hierbij is ook rekening gehouden met de aanwezigheidspercentages van de verschillende functies op de verschillende dagdelen van de week. Tevens zijn hierbij de resultaten van een mobiliteitsonderzoek van Mobycon, zoals opgenomen in de eerder genoemde memo, verwerkt. Onderstaande tabel toont de berekende parkeerbehoefte voor de beoogde ontwikkeling, rekening houdend met aanwezigheidspercentages.

Parkeerbalans (bron: gemeente Ridderkerk, maart 2024)

Ter toelichting hierop het volgende:

•

Voor wat betreft de 60 sociale huurappartementen wordt uitgegaan van de norm van 1,2 parkeerplaats per appartement, inclusief het bezoekersaandeel.

•

Voor wat betreft de 120 zorgeenheden wordt in bovenstaande tabel uitgegaan van een parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per zorgeenheid, inclusief bezoekersaandeel. Echter in de voorliggende situatie is uitgegaan van 0,5 parkeerplaats per zorgeenheid, inclusief bezoekersaandeel. Er is daarbij gebruik gemaakt van de discretionaire bevoegdheid om af te

37

wijken van de norm van 0,6 parkeerplaats per eenheid. Dit is mogelijk omdat het een zorginstelling betreft voor demente bejaarden, waardoor de norm lager uitvalt. Dit is gemotiveerd in het bijgevoegde rapport, dat is opgenomen als bijlagen bij toelichting, bijlage 7.

•

Voorts wordt rekening gehouden met de parkeerbehoefte vanuit het kinderdagverblijf (voor personeel en voor halen en brengen).

Uit de tabel blijkt dat de normatieve parkeerbehoefte, rekening houdend met aanwezigheidsfactoren en rekening houdend met een parkeernorm van 0,5 per zorgeenheden in plaats van 0.6 per zorgeenheid (133 120*0,1 =) 121 parkeerplaatsen bedraagt. Vanuit de gemeente Ridderkerk zijn 34 parkeerplaatsen in de openbare ruimte toegekend aan het zorggebouw. Dat betekent dat nog voorzien moet worden in (121 - 34 =) 87 parkeerplaatsen. Het voorliggende initiatief voorziet in totaal in 71 parkeerplaatsen op een parkeerterrein ten westen van het gebouw van Aafje. Aan de Hugo de Grootlaan worden in totaal 16 parkeerplaatsen gerealiseerd. Voor de beoogde ontwikkeling is een handreiking mobiliteitsaanpak opgesteld om de te hanteren mobiliteitsbeleid en de realistische parkeervraag in beeld te brengen (Mobycon, d.d. 7 december 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Het rapport biedt bouwstenen/aanknopingspunten voor het (mobiliteits)beleid voor ’t Ronde Sant/Aafje in lijn met juridische en landelijke regels en een doorvertaling daarvan naar de te verwachten parkeervraag. In het voorliggende bestemmingsplan is een 'Voorwaardelijke verplichting parkeren' opgenomen, met een verwijzing naar de 'Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerk' of diens rechtsopvolger.

Op basis daarvan wordt bij de vergunningsaanvraag getoetst of voldaan wordt aan de parkeernormen en of voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein voor het laden en lossen van goederen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect autoparkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.10.3 Fietsparkeren In de 'Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerknota' is ook het beleid uitgewerkt ten aanzien van fietsparkeren in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In dat verband is aangegeven dat voldaan moet worden aan de fietsparkeereis en er worden kwaliteitseisen gesteld aan het fietsparkeren en scootmobielen. Voor het bepalen van de fietsparkeervraag wordt uitgegaan van de fietsparkeernormen voor:

•

een 'gezondheidscentrum', waar fietsparkeren alleen nodig is voor bezoekers en medewerkers: resp. 0,1 en 0,3 fietsparkeerplaatsen per 100 m² bvo;

•

woning, kleiner of gelijk aan 60 m²: 3,5 fietsparkeerplaatsen per woning (inclusief 0,5 fietsparkeerplaatsen per woning voor bezoekers);

•

woningen van 61 t/m 100 m² en t/m 60 m²: 4,5 fietsparkeerplaatsen per woning (inclusief 0,5 fietsparkeerplaatsen per woning voor bezoekers).

In de 'Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerk' zijn kwaliteitseisen opgenomen. Deze hebben betrekking op toegankelijkheid en op inrichting en bruikbaarheid. In het voorliggende bestemmingsplan is hiervoor de 'Voorwaardelijke verplichting parkeren' opgenomen, met een verwijzing naar de 'Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerk' of diens rechtsopvolger. Op basis daarvan wordt bij de vergunningsaanvraag getoetst of voldaan wordt aan de fietsparkeereis en aan de kwaliteitseisen. Het aspect fietsparkeren vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

38

4.11 Klimaatadaptatie en duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 49 % reductie van de CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. In 2030 dient verder de bijdrage van duurzame energie 32 % van het totale energieverbruik te zijn. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam en CO2-neutraal zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 40 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw.

Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energie prestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren: 1. de energiebehoefte indicator; 2. de primaire fossiele energie-indicator; en 3. het aandeel hernieuwbare energie. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijke beleid op het gebied van klimaatadaptatie en duurzaamheid is vastgelegd in de 'Strategie Klimaatadaptatie gemeente Ridderkerk', de 'Klimaatvisie Ridderkerk', de 'Woonvisie Ridderkerk 2021-2026' en de 'Groenvisie, Groen is onze toekomst'.

In deze documenten staat het beleid en de visie van de gemeente voor de komende jaren beschreven, evenals in ‘Onze Toekomst is duurzaam’ (www.onzetoekomstisduurzaam.nl) en het convenant ‘Klimaatadaptief bouwen’. Planspecifiek In juli 2020 heeft de gemeente Ridderkerk de integrale visie 'Groen is onze toekomst' opgesteld voor het groen in de openbare ruimte per wijk. Het groen bevindt zich vooral in de randen van de wijken terwijl het groen in de straat en het plantsoen voor de deur sfeerbepalend is voor de directe omgeving. De gemeente Ridderkerk gaat zich inzetten om buurten groener te maken èn aan te passen aan het veranderende klimaat. Het project herontwikkeling ’t Ronde Sant ligt in de wijk ’t Zand. Rondom de locatie bevinden zich diverse groene zones. Aan de zuidwestzijde van de locatie ligt 'Driehoek ’t Zand/Binnenrijk', welke wordt herontwikkeld tot een parkachtige omgeving met drie woongebouwen. Duurzaamheid Aafje en Wooncompas ontwikkelen en realiseren het bouwprogramma conform het vigerend Bouwbesluit wat betekent dat de eenheden ten minste zullen voldoen aan de eisen van BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Aafje realiseert haar nieuwe locaties vanuit de afspraken die gemaakt zijn in de Green deal duurzame zorg. Aafje en Wooncompas dragen bij aan het klimaatrobuust maken en behouden van de

39

omgeving door middel van zoveel mogelijk klimaatadaptieve maatregelen, waaronder - indien mogelijk - het realiseren van daken en terrassen met plantenbakken en/of sedum. Klimaatadaptatie In de planontwikkeling wordt hittestress zoveel mogelijk voorkomen door minder verstening en toepassing van vergroening bij gebouwen en openbare ruimte. In de huidige situatie bestaat het plangebied voor een groot deel uit verhard oppervlak. Het oppervlak aan verharding zal als gevolg van het voorgenomen plan verminderen. Het inpassen van de nieuwe stedenbouwkundige opzet leidt tot een verbetering van de groenbalans op eigen terrein. Het aandeel aan groen stijgt van 2.600 m² naar 3.300 m². Het aandeel half verharding daalt van 1.100 m² naar 750 m² om zo ruimte te maken voor volledig groen. Het hemelwater van gebouwen en verharding wordt zoveel als mogelijk vastgehouden op eigen terrein en vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater. Als bij hevige stortbuien de capaciteit niet meer toereikend is, dan leidt een overstortfunctie naar de gemeentelijke schoonwaterriolering. Het hemelwater wordt dan gescheiden van het afvalwater afgevoerd en het vuilwater wordt via het riool afgevoerd. Biodiversiteit Aafje en Wooncompas onderzoeken gedurende de ontwikkeling van de locatie de mogelijkheden om natuur inclusief te bouwen.

Vanuit landschappelijk oogpunt wordt in lijn met aanwezige flora en fauna de voorzieningen getroffen om bestaande diersoorten te beschermen en in de nieuwe situatie bij te dragen aan verbetering van de biodiversiteit. Energie Binnen de ambitie om het gebouw aan BENG te voldoen worden er zonnepanelen toegepast. Als de ruimte op het dak het toe laat, hebben Wooncompas en Aafje de ambitie om meer dan het benodigde aantal zonnepanelen te plaatsen. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de ambities ten aanzien van klimaatadaptatie en duurzaamheid van de gemeente Ridderkerk.

4.12 Bezonning Bij bezonning bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat derhalve geen directe wettelijke basis. Wel bestaande er de zogenaamde TNO normen. TNO kent een ‘lichte’ en een ‘strenge’ norm:

•

De ‘lichte’ TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

•

De ‘strenge’ TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Landelijk wordt enkel de lichte norm gehanteerd. De ‘TNOnormen’ geven een richtlijn of er sprake is van voldoende bezonning en of er sprake is van goede bezonning. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer. De norm is echter ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes.

40

Planspecifiek De bezonningssituatie heeft aandacht bij de planontwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd voor de nieuwe situatie (Rothuizen, d.d. 28 september 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8b). Tevens is een bezonningsstudie van de bestaande situatie uitgevoerd (Rothuizen, d.d. 27 maart 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8a). Met de bezonningsstudies is de invloed van de geplande bouwvolumes op de bezonning van de omliggende woonbebouwing inzichtelijk gemaakt. Er wordt bij de realisatie van het plan aan de ‘lichte’ TNO-normen voldaan.

41

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (BGT en/of kadastrale kaart).

Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de 'Bestemmingsregels', staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

42

5.2 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de bestemmingen 'Gemengd', 'Wonen' en 'Tuin'. Deze bestemmingen zijn inhoudelijk vooral ontleend aan het bestemmingsplan 'Woongebied Ridderkerk' en nader afgestemd op het onderhavige initiatief. Bestemming 'Gemengd' Voor de gronden van het plangebied wordt de bestemming 'Gemengd' opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en voor zorgwoningen. Op de verbeelding is een bouwvlak met maximum bouwhoogten van 12 meter (zuidelijk bouwdeel) en 15 meter (noordelijk bouwdeel) opgenomen. Tevens is het maximum aantal wooneenheden (120 wooneenheden) aangeduid. Het gaat hierbij om zorgwoningen. Er wordt tevens enige ruimte geboden voor overige bouwwerken, die ook buiten het bouwvlak mogen worden opgericht. Zo is de beoogde fietsenberging (en mogelijk deels een traforuimte) aan de westrand van te plangebied voorzien van de aanduiding 'bijgebouwen'. Hier is een bijgebouw met een bouwhoogte van 3 meter toegestaan. Daarnaast wordt buiten het bouwvlak nog een bergruimte voor het beheer en onderhoud van het groen of opslag bij het kinderdagverblijf mogelijk gemaakt met een totale oppervlakte van 20 m² en een bouwhoogte van maximaal 3 m. Tevens wordt ruimte geboden aan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en terreinafscheidingen en een pergola.

Bestemming 'Tuin' Voor de gronden grenzend aan de Hugo de Grootlaan is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn tevens verhardingen en parkeerplaatsen toegestaan. Op deze gronden mogen geen bouwwerken gebouwd worden. Wel is het mogelijk een erfafscheiding tot een hoogte van 1 meter te realiseren of overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een maximale hoogte van 3 meter. Tevens is er een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van de bouw van erkers. Bestemming 'Wonen' Voor de woontoren en omliggende gronden is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Op de verbeelding is één bouwvlak aangeduid; een bouwvlak met een maximum bouwhoogte van 23 meter. Tevens is het maximum aantal wooneenheden aangeduid (60 wooneenheden). Er worden hier geen bouwmogelijkheden voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen geboden, met uitzondering van een afwijkingsmogelijkheid voor erkers. Tevens wordt ruimte geboden aan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en terreinafscheidingen. Verder worden de in de gemeente gebruikelijke gebruiksmogelijkheden geboden, waaronder die voor aanhuis-gebonden beroepen en aan-huis-gebonden bedrijven. 'Gemengd - Voorlopig' Voor de benodigde verlenging van het gebruik van de tijdelijke huisvesting aan de Hugo de Grootlaan is de voorlopige bestemming 'Gemengd - Voorlopig' opgenomen.

Deze regelt de huidige, vergunde bebouwing en het gebruik. Deze voorlopige bestemming heeft een werkingsduur tot 31 december 2028. Na het verstrijken van die geldigheidstermijn worden de gronden bestemd voor 'Gemengd', 'Tuin' en 'Wonen', met een verwijzing naar de bijbehorende regels en naar een verbeelding waarop die bestemmingen zijn weergegeven. Die verbeelding is als bijlage 1 bij de regels gevoegd. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk aan de zuidwestzijde van het plangebied voorkomen is voorzien in een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden. De regeling is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'. Algemene regels In de Algemene regels zijn de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor overschrijdingen van bouwhoogten en bouwgrenzen opgenomen. Tevens gaat het hier om de gangbare afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden.

43

Verder is een voorwaardelijke verplichting parkeren opgenomen, waarmee veilig is gesteld dat blijvend voorzien wordt in voldoende auto- en fietsparkeergelegenheid, dat voor laden en lossen van goederen voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein en dat voldaan wordt aan de kwaliteitseisen fietsparkeren en scootmobielen.

44

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1063/documents/37992