Toelichting Financiele verordening gemeente Ridderkerk 2025.pdf
Tekst van het document
Toelichting Financiële verordening gemeente Ridderkerk 2025. Inleiding De Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) heeft haar basis in artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet, waarin is opgenomen dat de raad bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid vaststelt, en daarnaast de uitgangspunten voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De Gemeentewet biedt de belangrijkste kaders en stelt nadere eisen aan de inrichting van de begroting en de jaarrekening. Dit wordt vervolgens uitgewerkt in het Besluit begroting en verantwoording gemeentes en provincies (hierna: BBV). Het BBV schrijft voor op welke wijze de gemeente moet begroten en verantwoorden en de wijze waarop zij uitvoeringsinformatie vastlegt. Om een correcte interpretatie van deze artikelen te waarborgen is er een commissie voor het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: commissie BBV). De commissie BBV draagt zorg voor een eenduidige uitvoering en toepassing van het BBV, en voor een visie ten aanzien van rechtmatigheid in de controleverklaring (artikel 75, tweede lid, van het BBV).
De aanpassing in deze verordening betreft de verantwoordingsgrens voor rechtmatigheidsverantwoording door burgemeester en wethouders Vanaf boekjaar 2023 nemen burgemeester en wethouders een rechtmatigheidsverantwoording op in de jaarrekening. Deze verantwoording is een standaardmodel dat bij wet is vastgelegd en geeft inzicht in hoeverre de gemeente rechtmatig heeft gehandeld. De accountant hanteerde voor het bepalen van de rechtmatigheid voor tolerantiegrenzen van 1% voor fouten en 3% voor onzekerheden van de totale lasten. Vanaf 2025 moeten de fouten en onzekerheden door de accountant bij elkaar opgeteld worden en geldt een tolerantiegrens van ten hoogste 2% van de lasten, exclusief toevoegingen aan de reserves, voor het totaal aan fouten en onzekerheden. Sinds de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording toetst de accountant uitsluitend of de jaarrekening getrouw is, en toetst daarbij ook of de rechtmatigheidsverantwoording dat is. Dit betekent onder meer dat afwijkingen van rechtmatigheid (voor zover deze niet tevens van invloed zijn op het getrouwe beeld), geen invloed hebben op de strekking van de controleverklaring.
Hierdoor kan het bijvoorbeeld voorkomen dat er omvangrijke afwijkingen van rechtmatigheid opgenomen zijn in de rechtmatigheidsverantwoording van het college, terwijl de strekking van de controleverklaring toch goedkeurend is, omdat de omvangrijke rechtmatigheidsfouten getrouw opgenomen zijn in de rechtmatigheidsverantwoording. De rechtmatigheidsverantwoording is mede bedoeld om het gesprek te ondersteunen tussen de raad en het college, over de (financiële) rechtmatigheid. Het doel hiervan is om de kaderstellende en controlerende rol van de raad op dit vlak te versterken. Het is daarnaast de verwachting dat dit een kwaliteitsimpuls zal geven aan de interne processen en beheersing, zodat het college kan steunen op een adequaat functionerend systeem. Ook is de verwachting dat er meer vooruitgekeken gaat worden naar het oplossen van onrechtmatigheden, omdat het college ook beheersmaatregelen moet formuleren.
Artikelsgewijs
Artikel 1. Definities Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de Gemeentewet, de Wet Financiering decentrale overheden (Fido), het Besluit begroting en verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole decentrale overheden (BADO). Overige begrippen uit de verordening worden in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd. Artikel 2. Programma-indeling en paragrafen Eerste lid Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de programma’s en eventuele onderverdeling worden bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad vastgesteld. Artikel 66, eerste lid, onder c, van het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden toegewezen. Tweede lid Dit lid regelt dat de taakvelden en de beleidsindicatoren op voorstel van het college aan de programma’s worden toebedeeld. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV. Derde lid Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd.
Tevens wordt in dit lid bepaald dat de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode kan aangeven, over welke onderwerpen hij nog meer geïnformeerd wenst te worden. Dat kan door opnemen van extra (sub) onderwerpen die een nadere duiding geven aan de inhoud van de programma’s of in extra paragrafen. Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele begroting en jaarstukken moeten worden herzien. In de meeste gevallen is dat niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren de vorige raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende. Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. Tweede lid De verplichting in het BBV om in de begroting aandacht te besteden aan: a. de investeringen wordt uitgewerkt door te bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven en b. dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt.
Derde lid In het derde lid wordt geregeld vanaf welk grensbedrag incidentele baten en lasten worden gespecificeerd in het overzicht van de (geraamde) incidentele baten en lasten per programma, conform het advies van de commissie BBV. Om vast te kunnen stellen dat sprake is van een structureel evenwicht is belangrijk dat inzicht bestaat in welk deel van de baten en lasten incidenteel
zijn en welke structureel. Het is van belang dat het overzicht van incidentele baten en lasten betrokken wordt bij het presenteren van het structureel begrotingssaldo. Vierde lid Het vierde lid bepaald dat het college in de jaarrekening verantwoording aflegt over de uitvoering van de programma’s aan de hand van de 3 “W-vragen”. Hier wordt verantwoording afgelegd over de kaders zoals gesteld bij de begroting. De opzet van de begroting wordt in deze gevolgd. Artikel 4 Kaders begroting Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 Gemeentewet en het BBV. Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen aan de begroting (voor de zomer) een nota wordt aangeboden waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de ontwerpbegroting en de meerjarenraming. Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad.
De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen hij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor in de begroting zijn opgenomen (artikel 189, derde lid, van de Gemeentewet). Tweede lid Het uitgangspunt binnen het BBV is dat kosten zoveel mogelijk direct worden toegerekend aan de betreffende taken/activiteiten. Dit betekent dat alle bedrijfsvoeringskosten die direct verbonden zijn aan activiteiten/taken/producten die gericht zijn op de externe klant, in de betreffende taakvelden moeten worden geregistreerd. De overhead wordt centraal begroot en verantwoord op het overzicht overhead via taakveld 0.4 Overhead. De herverdeling van de bedrijfsvoeringskosten over de taakvelden heeft geen gevolg op het saldo van de begroting maar kan wel voor overschrijdingen op de programma’s veroorzaken. Vanwege het feit dat er geen effect op het saldo van de jaarrekening optreed en geen beleidsinhoudelijke afweging heeft plaatsgevonden wordt het college geacht bevoegd te zijn deze (her)verdeling door te voeren. Derde lid Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties.
Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen. Vierde lid Zo kan de raad de autorisatie van deze nieuwe omvangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft in het kader van reëel ramen, wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan.
Vijfde lid Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel, die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het zesde lid regelt de autorisatie van de investeringsbudgetten anders dan bij vaststelling van de begroting. Het gaat hier dus ook om investeringen die pas in de loop van het begrotingsjaar worden voorzien. Zesde lid In lid 6 staat dat het college bevoegd is overschrijdingen van lasten en onderschrijdingen van baten te dekken binnen het desbetreffende programma zolang het door de raad vastgestelde beleid wordt uitgevoerd. Het college moet dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringsbudgetten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten en lasten bij het bekend worden aan de raad melden. Dit is de actieve informatieplicht van het college. Zevende lid Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid kan ervoor worden gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussentijdse rapportages. Bij investeringen met een meerjarig karakter, waaronder ook grondexploitaties, vindt bij elke begroting een actualisatie van de ramingen plaats en doet het college aan de raad voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringsbudgetten.
Negende lid Bij strategische aankopen moet vaak snel gehandeld worden, terwijl voor de aankoop geen budget beschikbaar is gesteld door de gemeenteraad. Daardoor ontbreekt financiële dekking. Het college mag overgaan tot strategische aankopen, mits dit van te voren is afgestemd met het presidium van de gemeenteraad. Bij uitzondering kan het college zich beroepen op een “brandzaak”. Terstond na het collegebesluit dient de raad hiervan per brief geïnformeerd te worden. De financiële uitwerking van de bedoelde uitzonderingsgevallen brandzaak zal in de eerstvolgende tussentijdse rapportage tot uitdrukking komen. Artikel 6. Tussentijdse rapportage Een belangrijk onderdeel van de planning en control cyclus voor de raad zijn de tussenrapportages. Op basis van tussentijdse rapportages wordt de raad geïnformeerd over de afwijkingen op de begroting. De eerste rapportage dient voor het zomerreces door de raad te zijn vastgesteld, de tweede rapportage voor het eind van het boekjaar. Er is gekozen voor twee tussentijdse rapportages, waarvan de eerste op tijd is om te gebruiken als input voor de kadernota of kaderbrief. Naast de tussentijdse rapportages informeert het college de raad over relevante afwijkingen en ontwikkelingen welke zich voordoen buiten het stramien van de tussenrapportages (zie artikel 5 zesde lid).
Tweede lid Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage. Derde lid Dit lid bepaalt over welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college zich in de rapportage verantwoordt. Vierde lid Dit lid is een concretisering van het tijdig melden onrechtmatige afwijkingen van de baten of onderschrijdingen van de lasten zoals beschreven in de Kadernota rechtmatigheid 2025. De afwijking
blijft onrechtmatig maar hoeft vervolgens niet meer apart toegelicht te worden in de paragraaf Bedrijfsvoering. Artikel 7. Jaarstukken en overhevelen (restant)budgetten Eerste lid In het eerste lid wordt geregeld dat het college een voorstel doet voor de bestemming van het positieve saldo, dan wel de afdekking van een eventueel negatief saldo. Tweede lid Bij het niet volledig besteden van specifieke budgetten mag een bestemmingsreserve worden gevormd waaruit in een volgend jaar deze specifieke lasten kunnen worden gedekt. Voor een rechtmatige aanwending van de bestemmingsreserve in het nieuwe jaar, ter dekking van de overgehevelde middelen, moet de begroting van het nieuwe jaar op de ‘overheveling’ worden aangepast. Aan het einde van het jaar worden alleen een bedrag dat gelijk is aan de werkelijk gemaakte kosten onttrokken uit de desbetreffend bestemmingsreserve. Derde lid Het derde lid biedt de mogelijkheid en voorwaarden om vooruitlopend op de bestemming van het rekeningresultaat budgetten die niet tot besteding zijn gekomen over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Bedacht moet worden dat dit uiteraard gevolgen heeft voor de mate waarin het rekeningsaldo nog kan worden bestemd, zoals bedoeld in het eerste lid. Artikel 8. Informatieplicht In artikel 8 van de financiële verordening is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen.
Artikel 9. EMU-saldo Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMUtekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt vertaald. Maar het kan ook zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa leidt. Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken. In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Artikel 10.
Uitgangspunten rechtmatigheidsverantwoording Bij de verantwoording over rechtmatigheid wordt gekeken naar negen criteria. Het college legt verantwoording af over alle negen criteria in de jaarrekening. Zoals opgenomen in Kadernota rechtmatigheid 2025, september 2025, blz. 8 e.v. voor de criteria en bijbehorende toelichting. De eerste zes criteria worden niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Deze betreffen verantwoording met betrekking tot getrouwheid en rechtmatigheid. Ze komen tot uitdrukking in de
balans en het overzicht van baten en lasten. Dit zijn het calculatiecriterium, valuteringcriterium, adresseringscriterium, volledigheidscriterium, aanvaardbaarheidscriterium en leveringscriterium. Daarnaast is er een aantal criteria waarbij de verantwoording specifiek gaat over rechtmatigheid. Deze komen wel tot uitdrukking in de rechtmatigheidsverantwoording: - begrotingscriterium: de financiële handelingen passen binnen het kader van de geautoriseerde begroting; - voorwaardencriterium: voorwaarden in wet- en regelgeving worden nageleefd, zoals subsidievoorwaarden; - misbruik en oneigenlijk gebruik criterium: er vindt een toetsing op juistheid en volledigheid van gegevens die door derden zijn verstrekt plaats, met het oog op het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Eerste lid In relatie tot de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording is in het eerste lid opgenomen dat de raad bij aanvang van iedere raadsperiode vaststelt op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken geïnformeerd wil worden over rechtmatigheid. Tweede lid In het tweede lid stelt de raad de verantwoordingsgrens vast, waarboven het college moet rapporteren aan de raad. Deze grens mag maximaal 2% van de totale lasten van de gemeente zijn, exclusief de toevoegingen aan de reserves (BBV artikel 58b).
Het derde lid geeft aan boven welk bedrag afzonderlijke afwijkingen nader moeten worden toegelicht (rapportagegrens). Artikel 11. Voorwaardencriterium Eerste lid Hierin wordt de definitie weergegeven van het voorwaardencriterium, het zogenaamde “normenkader”. Tweede lid Dit lid van Artikel 11 geeft aan dat jaarlijks het normenkader ten aanzien van de rechtmatigheidsverantwoording door de gemeenteraad moet worden vastgesteld en voor een bepaalde datum aan de raad moet worden aangeboden. Artikel 12. Begrotingscriterium Dit artikel gaat expliciet in op de begrotingsrechtmatigheid. Eerste lid In het eerste lid wordt het begrip begrotingsrechtmatigheid gedefinieerd. Tweede lid De lasten moeten zich bewegen binnen de door de raad goedgekeurde en vastgestelde budgetplafonds. Indien er een overschrijding plaatsvindt is er in principe sprake van een begrotingsonrechtmatigheid. Dat is geregeld in het tweede lid. Derde, vierde en vijfde lid Onder voorwaarden kunnen overschrijding geaccepteerd worden of als rechtmatig worden beschouwd. Dit is geregeld in het derde, vierde en vijfde lid van dit artikel.
Artikel 13. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
Eerste lid In het eerste lid wordt het criterium gedefinieerd. Van misbruik is sprake bij het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of uitkeringen te verkrijgen of niet dan wel een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen. Van oneigenlijk gebruik is sprake indien bij het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, het verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid, in overeenstemming met de bewoordingen van de regelgeving is maar in strijd met het doel en de strekking daarvan is. Tweede lid Aan het college wordt opgedragen om regels op stellen voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa In het tweede lid van artikel 212 Gemeentewet is onder letter a de uitdrukkelijke bepaling opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. De nadere invulling van het activabeleid is opgenomen in de nota activabeleid. Artikel 15.
Voorziening oninbare vorderingen Eerste lid Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige vorderingen. Voor de genoemde gemeentelijke aanslagen en heffingen wordt een voorziening getroffen op basis van een het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per aanslag of heffing is bij dit soort vorderingen niet zeer bewerkelijk. De accountant controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening de hoogte van deze voorziening. Tweede lid De overige vorderingen worden individueel beoordeeld op oninbaarheid. Artikel 16. Reserves en voorzieningen Dit artikel bepaalt dat het college een nota over de reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen. In de reguliere planning & control producten wordt gerapporteerd over onttrekkingen en toevoegingen aan de reserves. Artikel 17.
Kostprijsberekening Artikel 212, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet bepaalt dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs. De overheadkosten moeten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet doorberekend aan de taakvelden. Daarmee is het niet mogelijk om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de
jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten extracomptabel worden berekend en vastgelegd. Eerste lid Het eerste lid van artikel 12 bepaald dat het college nota Belastingen opstelt en aan de raad ter vaststelling voorgelegd. In het artikel worden eisen gesteld aan de kostprijsberekeningen die in nota Belastingen opgenomen moeten worden. Artikel 18. Prijzen economische activiteiten Eerste lid Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht. In lid 1 wordt bepaald dat bij het bepalen van de kostprijs die in rekening wordt gebracht altijd de Wet markt en Overheid als basis zal worden genomen. Tweede lid Er kunnen zich situaties voordoen waarbij het niet mogelijk of wenselijk is om de integrale kostprijs in rekening te brengen. In het tweede lid wordt hier verder op ingegaan. Artikel 19.
Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een bevoegdheid van de raad, die niet kan worden gedelegeerd (artikel 156 Gemeentewet). Eerste lid Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolrechten en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt. Het vaststellen van de prijs voor een gemeentelijke dienst of de levering van goederen of werken (welke niet vallen onder artikel 229 Gemeentewet, dus niet zijnde gemeentelijke “belastingen”) is een privaatrechtelijke besluit. Dergelijke besluiten zijn een bevoegdheid van het college (eerste lid, letter e artikel 160 Gemeentewet). Daar waar bij het vaststellen van de prijs voor een gemeentelijke dienst of de levering van goederen of werken een publiek belang in het geding is en prijzen lager dan marktconform worden vastgesteld, is het aan de raad om het publiek belang te definiëren en het college kaders mee te geven voor het afwijken van marktconforme prijzen. Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat de raad eens in de vier jaar deze kaders voor de prijzen voor gemeentelijke diensten en de verhuur en verkoop van onroerend goed vaststelt. Derde lid Dit lid bepaalt dat de besluiten voor het afwijken of vaststellen van prijzen en het wijzigen van prijzen ter kennisneming aan de raad worden aangeboden. Artikel 20.
Financieringsfunctie De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het middelenbeheer. Gezien de kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 212 Gemeentewet de expliciete bepaling dat de
financiële verordening hierover regels voor het beleid en de organisatie bevat. In artikel 20 van de verordening wordt invulling aan deze wettelijke plicht gegeven. Eerste lid Het eerste lid bevat richtlijnen voor de uitvoering van de financieringsfunctie. Het verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële participaties mogen gemeenten alleen uit hoofde van de publieke functie (artikel 2 Wet Fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 Gemeentewet dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen. Tweede lid Het college op bij het aangaan van dergelijke overeenkomsten zo mogelijk zekerheden (bijv. hypotheek) te bedingen om zo het financiële risico waaraan de gemeente bloot komt te staan, te verminderen. Dit laatste is zeker als het om grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als bij een gemeente wordt aangeklopt voor bijvoorbeeld een lening of garantiestelling dan hebben banken in veel van die gevallen er niet al te veel vertrouwen in.
Derde lid In het derde lid wordt verwezen naar het Treasurystatuut en de nota Garantstellingen en leningen, waarin de kaders en de uitvoeringsregels voor het financieel beleid worden uitgewerkt. Artikel 21. Administratie Onder artikel 21 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens moeten voldoen. Artikel 22. Financiële organisatie Artikel 22 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie. Volgens het eerste lid letter a van artikel 160 Gemeentewet is het college bevoegd regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente. Het college wordt onder letter a, b, c en d van het artikel uit de verordening opgedragen bepaalde van deze regels die de financiële organisatie betreffen, vast te leggen in besluiten. Onder g Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden. Onder h Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Awb en de algemene subsidieverordening van Ridderkerk waarborgen.
Onder i In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden. De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren
de randvoorwaarden, waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de getrouwheid van de jaarrekening. Artikel 23. Interne controle De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen. Eerste lid Het eerste lid van artikel 23 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen. Tweede lid Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen en dergelijke overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd.
Eens in 4 jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. Artikel 24. en 25. Inwerkingtreding en intrekken oude verordeningen De verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van artikel 212 Gemeentewet ingestelde verordening. Het artikel bepaalt dat de verordening van toepassing is op de jaarstukken 2023 en op alle stukken van het genoemde begrotingsjaar en latere jaren Artikel 26. Citeertitel Artikel 26 geeft de naam, waarmee in de gemeentelijke stukken naar deze verordening moet worden verwezen.