CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Samenwerkingsconvenant Zorg- en Veiligheidshuis Rotterdam-Rijnmond.pdf .pdf

Commissie Samen leven RK 30 januari 2025, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 8: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven19.758 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Namens het algemeen bestuur: Naam: …………………

36

: Bijvoegsel 2 bij Privacy Protocol Doeleinden verwerking van persoonsgegevens per processtap

Partijen Verwerken in het kader van het Zorg- en Veiligheidshuis voor ieder van onderstaande fasen enkel de Persoonsgegevens die voor die afzonderlijke fase noodzakelijk zijn voor de uitvoering van ieder van de daarbij geformuleerde toepasselijke processtappen: Zie ook bijlage 2 bij het Handvat gegevensuitwisseling bij behandeling van casuïstiek in het zorg- en veiligheidsdomein; Vertaling handvat naar de praktijk – een voorbeeld.

Intake / Aanmelding •

Beoordelen of een Casus die door een Partij wordt aangedragen voldoet aan de criteria voor behandeling in het Zorg- en Veiligheidshuis. Deze criteria volgen uit het Landelijk Kader.

Triage *

• •

•

Uitvoeren van een bekendheidscheck bij andere Zorg- en Veiligheidshuizen met gebruikmaking van de applicatie Middenvelder, en in geval van een lopende behandeling in een ander Zorg- en Veiligheidshuis: afstemmen met de desbetreffende procesregisseur over een passende behandeling van de casus." Bepalen eerste beeld en verrijken van informatie uit Intake; Op basis van informatie van partners komen tot een nadere afweging ten aanzien van de routering van de casus, tot een bepaling van doel en thema’s van een eventueel casusoverleg, en tot een afweging welke partners relevant zijn om te betrekken bij een casusoverleg; Voorbereiding Casusoverleg.

Casusoverleg • • • • • •

Opstellen gezamenlijk toestandbeeld door bij het Casusoverleg betrokken Partijen; Opstellen integraal plan van aanpak; Monitoren van de uitvoering en resultaten van het plan van aanpak; Bepalen of verdere verstrekking van Persoonsgegevens aan andere samenwerkingsverbanden noodzakelijk en mogelijk is; Besluiten tot afbouwen betrokkenheid Zorg- en Veiligheidshuis; Besluiten tot Opschaling van de Casus;

Afschaling •

Bepalen van noodzakelijke te verstrekken Persoonsgegevens in het kader van Afschaling en de verstrekking daarvan aan bijvoorbeeld de Casusregisseur;

37

: Bijvoegsel 3 bij Privacy Protocol: Categorieën persoonsgegevens en betrokkenen Partijen Verwerken ten behoeve van de doelstellingen en onder voorwaarden zoals beschreven in dit Protocol enkel de volgende categorieën Persoonsgegevens van de volgende categorieën Betrokkenen: Categorie 1: Categorie Betrokkenen: Van Personen, op wie het onder dit Protocol beschreven plan van aanpak en bijbehorende interventies zijn gericht, worden geen andere dan de volgende categorieën Persoonsgegevens verwerkt:. Persoonsgegevens: • • • • • • •

volledige personalia (naam, geboorteplaats, geboortedatum); adresgegevens (straat, huisnummer, postcode, woonplaats); contactgegevens (telefoonnummer, e-mailadres); gegevens omtrent woonsituatie; financiële gegevens; gegevens betreffende relaties met overige gezinsleden/ directe sociale contacten; toezicht- en handhavingsgegevens, gegevens omtrent bestuursrechtelijke maatregelen of voornemens daartoe

Strafrechtelijke Persoonsgegeven, te weten: • • •

Politiegegevens; Strafvorderlijke gegevens en relevante justitiële gegevens; Tenuitvoerleggingsgegevens

Bijzondere Persoonsgegevens: Bijzondere gegevens worden in principe niet structureel verzameld. Of bijzondere gegevens verzameld worden is ahankelijk van de aard van de individuele casus en welke gegevens noodzakelijk zijn om te verwerken om te kunnen komen tot een plan van aanpak. Wanneer er bijzondere gegevens worden verzameld kan dat op individueel niveau gaan om: • • • • • •

Gegevens met betrekking tot seksueel gedrag of seksuele gerichtheid Gegevens over gezondheid Medische gegevens Politieke opvattingen Ras of etnische afkomst Religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen

38

: Categorie 2: Categorie Betrokkenen: Van directe relaties van Categorie1 Betrokkenen, waaronder gezinsleden en directe sociale contacten, worden geen andere dan de volgende categorieën Persoonsgegevens verwerkt: Persoonsgegevens: • • • • •

volledige personalia (naam, geboortedatum, geboorteplaats); adresgegevens (straat, huisnummer, postcode, woonplaats); contactgegevens (telefoonnummer, e-mailadres; toezicht- en handhavingsgegevens of omtrent bestuurlijke maatregelen of voornemens daartoe voor zo ver in directe relatie met Betrokkene van Categorie 1; gegevens omtrent inzage verzoeken, verzoeken om rectificatie, verzet en klachten.

Strafrechtelijke Persoonsgegeven, te weten: • •

Politiegegevens (artikel 8 en 13 Politiegegevens); Strafvorderlijke gegevens;

Bijzondere Persoonsgegevens en gegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten zoals bedoeld in artikel 9 en 10 AVG, te weten: • • • • • •

Gegevens met betrekking tot seksueel gedrag of seksuele gerichtheid Gegevens over gezondheid Medische gegevens Politieke opvattingen Ras of etnische afkomst Religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen

Bijzondere gegevens worden in principe niet structureel verzameld. Of bijzondere gegevens verzameld worden is afhankelijk van de aard van de individuele casus en welke gegevens noodzakelijk zijn om te verwerken om te kunnen komen tot een plan van aanpak. Toelichting: Voor de Verwerking van Bijzondere Persoonsgegevens kent de AVG in beginsel een verwerkingsverbod. De verwerking van deze gegevens is niet toegestaan, behoudens voor zover het verwerkingsverbod is opgeheven in artikel 9 en 10 AVG, alsook artikel 23 t/m 33 Uitvoeringswet AVG Voor een toelichting raadpleeg ook de MvT bij de UAVG p. 33 t/m 38 en de Handleiding AVG van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

39

: Categorie 3: Categorie Betrokkenen: Van medewerkers van instanties of instellingen die betrokken zijn bij de begeleiding, zorg- en hulpverlening van betrokkene (ook interventies voorafgaande aan de Aanmelding), worden geen andere dan de volgende categorieën Persoonsgegevens verwerkt: Persoonsgegevens: • • • •

Naam; Naam organisatie organisatieaanduiding (typering bijv. instelling voor GGZ); Contactgegevens (zakelijk telefoonnummer, e-mailadres); Datum start betrokkenheid en einde betrokkenheid

Categorie 4: Categorie Betrokkenen: Van Medewerkers van derden die betrokken zijn bij de uitvoering van interventies (ook interventies voorafgaande aan de Aanmelding), worden geen andere dan de volgende categorieën Persoonsgegevens verwerkt: Persoonsgegevens: • naam; • naam organisatie organisatieaanduiding (typering bijv. instelling voor GGZ); • functie binnen het Zorg- en Veiligheidshuis; • contactgegevens (zakelijk telefoonnummer, e-mailadres);

Toelichting: Bovenstaande categorieën zijn voor de gemeenten en zorg en welzijnspartijen niet uitputtend en dienen door Partijen nader te worden ingevuld in overleg met de Privacyfunctionarissen privacyadviseurs van de gemeenten en zorginstellingen.

40

: Bijvoegsel 4: Wettelijke meldrechten en informatieverplichtingen De beschrijving van meldrechten en informatieverplichtingen is ontleend aan de handreiking ‘Wijkteams en het Pettenvraagstuk’ die tot stand gekomen is met medewerking van NIP, BPSW en NVO. Een aantal materiewetten bevatten specifieke bepalingen die een meldrecht of informatieverplichting inhouden voor beroepskrachten of een specifieke categorie beroepskrachten. Dat betekent dat een beroepskracht in specifieke situaties zijn beroepsgeheim mag doorbreken, voor zover dat noodzakelijk is. We geven hier onder een beknopte beschrijving van de volgende meldrechten en informatieverplichtingen3: • meld- en informatierecht bij vermoeden van kindermishandeling/huiselijk geweld • meldrecht tegenover de Raad voor de Kinderbescherming • meldrecht om te melden aan de Verwijsindex risicojongeren • verzoek om informatie van Veilig Thuis of Raad • • •

informatieplicht bij een ondertoezichtstelling verstrekkingsverplichtingen aan het college uit de Jeugdwet en Wmo meldplicht bij calamiteiten en geweld

Meld- en informatierecht bij vermoeden van kindermishandeling/huiselijk geweld In de Wmo 2015 is een meldrecht opgenomen dat ook geldt voor beroepskrachten bij een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling. Dit is geregeld in artikel 5.2.6 van de Wmo 2015: “Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen die noodzakelijk kunnen worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken, kunnen aan Veilig Thuis deze inlichtingen desgevraagd of uit eigen beweging verstrekken zonder toestemming van degene die het betreft en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding.” Bij het maken van de afweging om te melden volgt de beroepskracht de stappen van de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.4 Artikel 5.2.6 uit de Wmo 2015 betekent ook dat beroepskracht informatie mag verstrekken aan Veilig Thuis, bijvoorbeeld als deze daar om vraagt in het kader van een onderzoek. Ook als de beroepskracht weet heeft van een lopend onderzoek door Veilig Thuis, en over informatie beschikt waarvan hij denkt dat dit noodzakelijk is in het kader van het onderzoek, mag hij dit verstrekken. In beide gevallen is toestemming van de betrokkene niet nodig. De beroepskracht moet wel altijd handelen volgens zijn beroepscode.

Dat betekent dat hij een afweging maakt over de informatie die hij aan Veilig Thuis wil verstrekken, en het voornemen om een melding te doen vóóraf bespreekt met de inwoner, tenzij dit ernstige risico’s met zich me brengt voor de veiligheid van betrokkene of anderen.

3

De beschrijving van meldrechten en informatieverplichtingen is ontleend aan de handreiking ‘Wijkteams en het Pettenvraagstuk’ en het Kompas van NIP, BPSW en NVO. 4

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huiselijk-geweld/meldcode. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2018/07/01/toolkit-meldcode-huiselijk-geweld-en-kindermishandeling

41

: Meldrecht tegenover de Raad voor de kinderbescherming Beroepskrachten hebben ook een meldrecht tegenover de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Dit is geregeld in artikel 1:240 van het Burgerlijk Wetboek: “Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan de raad voor de kinderbescherming inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van de taken van de raad.” Net als het meldrecht aan Veilig Thuis betekent dit artikel dat een beroepskracht die een geheimhoudingsplicht heeft informatie mag verstrekken aan de Raad voor de Kinderbescherming. Bijvoorbeeld als deze daar om vraagt in het kader van een onderzoek. Ook als de beroepskracht weet heeft van een lopend onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, en over informatie beschikt waarvan hij denkt dat deze noodzakelijk is voor het onderzoek, mag hij dit verstrekken. In beide gevallen is toestemming van betrokkene niet nodig. Ook hier geldt: De beroepskracht moet wel altijd handelen volgens zijn beroepscode.

Dat betekent dat hij een afweging maakt over de informatie die hij aan de Raad voor de Kinderbescherming wil verstrekken, en het voornemen om een melding te doen of informatie te verstrekken vóóraf bespreekt met de betrokkene, tenzij dit ernstige risico’s met zich mee brengt voor de veiligheid van betrokkene of anderen. Meldrecht om te melden aan de Verwijsindex risicojongeren Iedere gemeente is aangesloten op de Verwijsindex Risicojongeren (VIR). De VIR is een systeem waarin hulpverleners en andere professionals de persoonsgegevens kunnen registreren van een jeugdige of jongvolwassene (tot 23 jaar) waarover zij zich zorgen maken. Door de meldingen in de VIR weten hulpverleners sneller of een kind bekend is bij een collega, zodat zij samen kunnen overleggen over de beste aanpak. Het doel van de VIR is dan ook: vroegtijdige onderlinge afstemming, zodat hulpverleners jongeren en jongvolwassenen tijdig passende hulp en zorg kunnen verlenen of kunnen bijsturen. Niet iedereen kan een melding doen. Alleen zogeheten meldingsbevoegden mogen melden. De gemeente maakt hiervoor afspraken met instanties die bij een algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. De VIR is geregeld in de Jeugdwet.

Artikel 7.1.4.1 regelt het meldrecht van de meldingsbevoegden: “Een meldingsbevoegde kan zonder toestemming van de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreking van de op grond van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, een jeugdige melden aan de verwijsindex indien hij een redelijk vermoeden heeft dat de jeugdige door een of meer van de hierna genoemde risico’s in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd.” Onder de in de Jeugdwet genoemde risico’s vallen onder andere geestelijk, lichamelijk of seksueel geweld, verslaving, en ernstige opgroei of opvoedingsproblemen. In artikel 7.1.4.1.jeugdwet is een limitatieve opsomming opgenomen. In paragraaf 7.1. besluit jeugdwet staat wie meldingsbevoegd kunnen zijn. Een bevoegde beroepskracht mag een melding doen in de VIR, zonder dat toestemming van de betrokkene of zijn ouders nodig is. Wel houdt de beroepskracht bij het maken van de afweging om te melden rekening met zijn beroepscode en is hij verplicht om de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordigers te

42

: informeren over de melding.5 Dat betekent onder andere dat de beroepskracht openheid betracht over zijn voornemen om een melding te doen in de VIR. De beroepsorganisaties NIP en NVO hebben een factsheet over het melden aan de VIR gemaakt.6 Het artikel uit de Jeugdwet maakt een melding in de VIR mogelijk, zodat beroepskrachten aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Echter, dit betekent niet dat beroepskrachten dan ook automatisch gegevens mogen uitwisselen. Of informatie mag worden uitgewisseld en onder welke voorwaarden hangt samen met de taak op basis waar van de beroepskracht de gegevens heeft gekregen. Is de informatie verkregen in het kader van een behandelrelatie, dan is het beroepsgeheim van toepassing. Informatieuitwisseling is dan slechts mogelijk met toestemming, of als een van de andere verstrekkingsgronden van toepassing is.

Informatieplicht bij Onder Toezichtstelling Als een jeugdige door de rechter onder toezicht (OTS) is geplaatst hebben alle beroepskrachten een informatieplicht aan de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert. Dit is geregeld in artikel 7.3.11 vierde lid van de Jeugdwet: “Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of kunnen deze inlichtingen uit eigen beweging aan de gecertificeerde instelling verstrekken, zonder toestemming van de inwoner en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep.” Het betreft hier echt een informatieplicht aan de jeugdbeschermer of gezinsvoogd van de gecertificeerde instelling over informatie die noodzakelijk kan zijn voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Daarbij kan het gaan over zaken die niet goed gaan. Maar zeker ook over zaken die wel goed gaan en een positieve ontwikkeling laten zien.

De beroepskracht kan die informatie verstrekken zonder toestemming, gevraagd en ongevraagd. De informatieplicht betekent niet dat de beroepskracht verplicht is om een heel dossier of delen daarvan over te dragen. Ook hier geldt: De beroepskracht moet wel altijd handelen volgens zijn beroepscode. Dat betekent dat hij een afweging maakt over de informatie die hij aan noodzakelijk vindt om te verstrekken, en het voornemen om informatie te verstrekken vóóraf bespreekt met de betrokkene, tenzij dit ernstige risico’s met zich mee brengt voor de veiligheid van betrokkene of anderen. Verplichte verstrekkingen aan het college van b&w in de Jeugdwet en Wmo De Jeugdwet en de Wmo 2015 kennen beiden bepalingen waarmee het wettelijke beroepsgeheim en de geheimhouding uit andere beroepscodes voor sommige partijen worden doorbroken.

5

43 Zie Artikel 7.1.5.1 Jeugdwet.

6

https://www.psynip.nl/wp-content/uploads/2019/09/Verwijsindex-Risicojongeren-VIR-aug-2019.pdf of https://www.nvo.nl/beroepscode-entuchtrecht/veelgestelde-vragen/de-verwijsindex-risicojongeren-vir-wat-mag-u-als-pedagoog-wel-enniet-.aspx.

43

: Artikel 7.4.0 lid 1, 2 en 3 van de Jeugdwet bepalen onder andere dat jeugdhulpaanbieders, aanbieders van preventie, gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en gekwalificeerde gedragswetenschappers verplicht zijn het college de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de collegetaken in het kader van de Jeugdwet, waaronder: a. de toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van de jeugdhulp, en b. het doen van een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. De Wmo 2015 bepaalt dat de aanbieder van een maatwerkvoorziening verplicht is om gegevens te verstrekken aan het college van b&w en een aantal andere partijen voor hun taken in het kader van de Wmo 2015. Onder de collegetaken valt o.a. de taak van het college van b&w om een onderzoek te doen als een burger een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indient. Dit is geregeld in artikel 5.2.2 van de Wmo 2015: 1. De aanbieder die een maatwerkvoorziening levert en een derde aan wie ten laste van een persoonsgebonden budget betalingen worden gedaan, zijn bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht kosteloos persoonsgegevens van de cliënt, waaronder bijzondere persoonsgegevens, te verstrekken, aan a.

het college, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van artikel 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5, 2.3.2, 2.3.9, 2.3.10 of 2.4.3 of de verantwoording van een geleverde maatwerkvoorziening. In beide gevallen betekenen de artikelen dat de beroepskrachten die onder de genoemde categorieën vallen geen toestemming nodig hebben om gegevens aan het college te verstrekken voor de genoemde taken. Ook hier geldt: De beroepskracht moet wel altijd handelen volgens zijn beroepscode. Dat betekent dat hij een afweging maakt over de informatie die hij aan noodzakelijk vindt om te verstrekken, en het voornemen om informatie te verstrekken vóóraf bespreekt met de betrokkene, tenzij dit ernstige risico’s met zich mee brengt voor de veiligheid van betrokkene of anderen. Meld en informatieplicht bij calamiteiten en geweld in de hulpverlening Naast het doorbreken van het beroepsgeheim op basis van een meldrecht zoals hiervoor beschreven, bestaat er bij calamiteiten en bij geweld bij de hulpverlening een meldplicht voor aanbieders/werkgevers van jeugdhulp, jeugdbescherming of jeugdreclassering.

Dit is geregeld in de Jeugdwet artikel 4.1.8, lid 1: De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling doen aan de ingevolge deze wet met het toezicht belaste ambtenaren onverwijld melding van: iedere calamiteit die bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft plaatsgevonden, en a.

geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. b.

In de genoemde situaties is de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling verplicht een melding te doen bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Veel instellingen hebben intern beleid over dit onderwerp. Daarin is vaak vastgelegd hoe te handelen als de professional zelf of zijn collega’s te maken krijgen met agressie in de hulpverleningsrelatie, of als ze een grensoverschrijdend gedrag constateren. Meer informatie over het melden bij de inspectie vind je op de website van de IGJ. 44

: Artikel 4.1.8 bevat in het tweede lid ook een informatieplicht aan de Inspectie als deze een situatie als hier boven genoemd onderzoekt: “De jeugdhulpaanbieder, de jeugdhulpverlener en de gecertificeerde instelling verstrekken bij en naar aanleiding van een melding als bedoeld in het eerste lid aan de ingevolge deze wet met toezicht belaste ambtenaren de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, die voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn.” Professionals zijn dus verplicht om gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het onderzoek. Dit kan ook gegevens betreffen over de persoon die hulp of jeugdbescherming ontvangt. Zij kunnen deze gegevens verstrekken zonder toestemming, maar maken wel altijd een afweging welke gegevens noodzakelijk zijn om te verstrekken en of zij een inwoner hier over informeren. Meer informatie over het melden bij de inspectie vind je op de website van de IGJ.

45

: Bijvoegsel 5: privacy-werkgroep 1. De privacy-werkgroep bestaat uit privacy deskundigen van de deelnemende organisaties voor zover de deelnemende organisaties een deskundige voor deelname aan de groep hebben aangemeld. a. De privacy-werkgroep kent kern-werkgroepleden die bij iedere vergadering aanwezig zijn. b. De privacy-werkgroep kent agenda leden die de stukken en agenda ontvangen en op indicatie bij de overleggen aansluiten. 2. De privacy-werkgroep geeft het Hoofd, het Breed MT of het AB gevraagd en/of ongevraagd advies rond privacy gerelateerde vraagstukken. a. Het samenwerkingsverband vraagt de privacy-werkgroep minimaal om advies wanneer het samenwerkingsverband nieuwe verwerkingen voornemens is of beleid ontwikkeld waarbij gevoelige gegevens verwerkt gaan worden van burgers die besproken worden binnen het ZVHRR. b. Wanneer de privacy-werkgroep advies uitbrengt kan het samenwerkingsverband hier gemotiveerd van afwijken. Wanneer er gemotiveerd wordt afgeweken wordt dit minimaal in notulen vastgelegd en gecommuniceerd met de privacy-werkgroep. 3. De privacy werkgroep fungeert voor de privacy officer van het ZVHRR als aanspreekpunt voor privacy gerelateerde vraagstukken. 4. De privacy officer van het ZVHRR bereidt de agenda en de stukken voor die de privacywerkgroep nodig heeft om het samenwerkingsverband van kwalitatief goed advies te voorzien. a.

De privacy-werkgroep streeft naar gedragen adviezen. b. Wanneer adviezen niet door de hele privacy-werkgroep gedragen worden wordt dit duidelijk in de stukken opgenomen met een duidelijk gemotiveerd afwijkend advies van de partner. c. Bij complexe vraagstukken kan de privacy-werkgroep van buitenaf advies vragen in overleg met het hoofd van het ZVHRR.

46

: Bijvoegsel 6: concern informatiebeveiligingsprotocol gemeente Rotterdam

47

:

48

:

49

:

50

:

51

:

52

:

53

:

54

:

55

:

56

:

57

:

58

:

59

:

60

:

61

:

62

:

63

:

64

: Ondertekening Convenant en Privacy protocol Samenwerking tussen ketenpartners Zorg- en Veiligheidshuis Rotterdam-Rijnmond, vastgesteld in het Algemeen Bestuur dd. 28-02-2024: Ondergetekenden:

Naam organisatie:

Vertegenwoordigd door bestuurder/directielid:

Handtekening:

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1209/documents/40041