Ruimtelijke onderbouwing Rembrandtweg 257.pdf
Tekst van het document
Toetsing herontwikkelingsplan Rembrandtweg 257 Conform het huidige bestemmingsplan ‘Ridderkerk West’ geldt voor gebieden met een redelijk hoge archeologische verwachting (zie figuur 3.10) dat grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m² en tevens dieper reiken dan respectievelijk 50 cm
26
of 80 cm beneden het maaiveld getoetst dienen te worden op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Figuur 3.10: Gebieden met een redelijk hoge archeologische verwachting (Bron: huidig bestemmingsplan).
De locatie Rembrandtweg 257 bevindt zich in een gebied waarbinnen archeologische waarden zijn te verwachten dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Omdat de ontwikkellocatie een redelijk hoge archeologische verwachtingswaarde kent is het plan om tot woningbouw te komen ter beoordeling voorgelegd aan Bureau Oudheidkundig onderzoek Rotterdam (BOOR). BOOR heeft vervolgens geconcludeerd dat een archeologisch onderzoek hier noodzakelijk is. In de periode februari – april 2021 heeft Hamaland Advies binnen het plangebied Renbrandtweg 257 een archeologisch onderzoek uitgevoerd, mede op basis van het door BOOR opgestelde Programma van Eisen (PvE). Het archeologisch onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en een hierop volgend veldonderzoek. Het navolgende vormt een overzicht van de belangrijkste bevindingen van het archeologisch onderzoek. De volledige rapportage van dit onderzoek is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Het bureauonderzoek toont aan dat er voor het gehele plangebied een redelijk hoge archeologische verwachting geldt voor vindplaatsen voor de Romeinse Tijd en de Late Middeleeuwen. Deze vindplaatsen kunnen worden aangetroffen op een diepte vanaf maaiveld (mv) tot 3,00 m-mv. Deze lagen zullen door de fundering van het nieuwe gebouw worden verstoord. Voor de perioden Mesolithicum-Neolithicum geldt een onbekende verwachting.
Deze vondsten bevinden zich op een diepte van 13-15 m-mv en zullen alleen door heipalen worden verstoord. Voor de perioden Bronstijd-IJzertijd, Vroege Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt geen verwachting. De voorgenomen nieuwbouw in het plangebied zal gepaard gaan met grondroerende activiteiten, die een groter oppervlak beslaan dan de bestaande bebouwing. Hierbij kunnen de eventueel aanwezige archeologische waarden worden aangetast uit voornoemde perioden. Het terrein is in afwachting van sloop nog bebouwd, waarbij funderingen, mogelijke kelders en heipalen de bodem tot onbekende diepte reeds hebben verstoord. Op grond van het gemeentelijk archeologiebeleid, de archeologische verwachting van het gebied alsmede de bodemverstorende aard van de werkzaamheden, die in het kader van de voorgenomen nieuwbouw zullen worden uitgevoerd, is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het uitgevoerde veldonderzoek toont aan dat de aangetroffen bodemopbouw in alle gevallen (boormonsters) bestaat uit een subrecente bouwvoor met betonpuin, baksteenpuin, plastic,
27
kleibrokken en brokken veraard veen die in de Moderne Tijd (na 1950) gedateerd kunnen worden. De subrecente bouwvoor gaat scherp over in dekafzettingen van Duinkerke III (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen (Formatie van Nieuwkoop) op afzettingen van Gorkum (Formatie van Echteld). De afzettingen van Duinkerke III bestaan uit iets zandige klei met schelpgruis en hebben de oudere kalkloze afzettingen overal afgedekt. De overgangen tussen de natuurlijke afzettingen is geleidelijk, wat erop wijst dat er niet of nauwelijks sprake is van erosief contact met de oudere afzettingen. De top van het Hollandveen is in alle gevallen veraard, wat erop duidt dat deze enige tijd aan de oppervlakte heeft gelegen voordat deze werd afgedekt door het overstromingsdek. De basis van het bodemprofiel bestaat uit komafzettingen van Gorkum. Deze afzettingen bestaan uit een pakket ongerijpte homogene kalkloze grijze of bruingrijze iets humeuze klei. Resumé en selectieadvies Resumerend is op grond van de resultaten van het booronderzoek geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor menselijke bewoning in de potentieel relevante laag, de top van het overstromingsdek van Duinkerke III (Laagpakket van Walcheren). Het tweede relevante niveau betreft de top van het Hollandveen, dat in alle boringen onder het overstromingsdek aangetroffen is.
De top van het Hollandveen is veraard, doordat het een tijdje aan de oppervlakte heeft gelegen, waardoor het kon gaan oxideren. In theorie was de top van het veraarde veen daardoor bewoonbaar, maar hiervoor zijn geen indicaties aangetroffen, zoals archeologisch vondstmateriaal. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het opsporen van vindplaatsen niet het primaire doel was van het verkennend onderzoek. De basis van het profiel bestaat uit ongerijpte komafzettingen van Gorkum (Formatie van Echteld), die niet geschikt waren voor menselijke bewoning. De onderzoeksresultaten hebben geleid tot het advies om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De kans dat door de voorliggende bodemingrepen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen verloren gaan is nihil. Archeologie Rotterdam (BOOR): beoordeling en advies De conceptrapportage van het archeologisch onderzoek is ter beoordeling voorgelegd aan Archeologie Rotterdam (BOOR) in de hoedanigheid van adviseur van de gemeente Ridderkerk. Per brief van 20 april 2021 (als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd) adviseert BOOR de gemeente Ridderkerk, in haar rol als bevoegd gezag, om de in het conceptrapport geformuleerde aanbeveling voor het plangebied ‘Rembrandtweg 257’, namelijk om het terrein vrij te geven voor de geplande ontwikkeling en dus geen vervolgonderzoek uit te voeren, over te nemen als beleidsbesluit.
BOOR bevestigt daarbij dat de kans dat er bij de bouwwerkzaamheden waardevolle archeologische resten worden aangetast, als zeer klein wordt ingeschat. De geplande werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder verdere archeologische bemoeienis. Conclusie Het aspect ‘Archeologie’ vormt geen belemmering voor het herontwikkelingsplan
3.2.9
Duurzame verstedelijking
Toetsingskader Duurzame verstedelijking wordt vanuit de Rijksoverheid gezien als doelstelling én als belangrijk instrument bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als instrument doelt men dan op toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het doel van deze Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang, gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang volgt uit de SVIR, geplaatst binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening.
28
De Ladder voor duurzame verstedelijking is in oktober 2012 als motiveringseis opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In april 2017 is het Bro gewijzigd in verband met de aanpassing van deze Ladder. Concreet is vanaf dat moment ten aanzien van de Ladder het volgende in het Bro (artikel 3.1.6) opgenomen: ˗ De toelichting bij een bestemmingsplan (hier: ruimtelijke onderbouwing voor planologisch strijdig gebruik) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. ˗ De eerder (tot april 2017) van toepassing zijnde «actuele regionale behoefte» wordt vervangen door «behoefte». Toetsing herontwikkelingsplan Rembrandtweg 257 Op grond van de analyses eerder in deze ruimtelijke onderbouwing kan worden geconstateerd dat op zowel provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau sprake is van een substantiele en tevens structurele vraag naar woningen, zie figuur 3.11. Figuur 3.11: Gewenste toename woningvoorraad (Bron: Staat van Zuid-Holland 2019).
De gemeente Ridderkerk kent in 2025 een geprognosticeerde toename van circa 135% ten opzichte van het peiljaar 2019, een toename die zich in de periode daarna substantieel doorzet. Per brief d.d. 21 september 2018 aan het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam (SWrR) stelt de gemeente Ridderkerk dat zij tot 2030 een tekort aan niet-sociale woningvoorraad heeft van in totaal 1.170 woningen. Conclusie Het herontwikkelingsplan voorziet in een behoefte en is gepland binnen bestaand stedelijk gebied. Het plan voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2.10 Milieueffectrapportage Toetsingskader In de Wet milieubeheer en het hieraan verbonden Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan een ruimtelijke plan, dat voorziet in een (grootschalige) ontwikkeling met (belangrijke) nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapprt (MER) moet worden opgesteld. De activiteiten waarvoor een MER moet worden opgesteld zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Conform het Besluit m.e.r. kan een plan/project m.e.r.(beoordelings)plichtig kan zijn op (met name) de volgende manieren: ˗ Een plan/project is m.e.r.-plichtig als er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 van deze onderdelen. ˗ Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig.
29
Ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen is in het Besluit m.e.r. een koppeling gelegd met de omschrijving onder D-11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (drempelwaarde), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: ˗ Oppervlakte van 100 hectare of meer, ˗ Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of ˗ Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijft de ontwikkeling onder de drempel, dan is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling2. De vormvrije en tevens informele m.e.r.-beoordeling wordt uitgevoerd middels een zogenoemde ‘Aanmeldingsnotitie’, waarin aandacht moet worden besteed aan twee onderdelen: ˗ Een beschrijving van de voorgenomen activiteit c.q. ontwikkeling, met name een beschrijving van de fysieke kenmerken van de activiteit en een beschrijving van de locatie hiervan, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn. ˗ Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijkste gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is.
Toetsing herontwikkelingsplan Rembrandtweg 257 Het herontwikkelingsplan kan worden gezien als een activiteit waarvoor een vormvrije m.e.r.beoordeling dient te worden uitgevoerd. De hierbij van toepassing zijnde aspecten komen inhoudelijk aan bod in deze ruimtelijke onderbouwing. Conclusie Deze ruimtelijke onderbouwing geeft inhoudelijk invulling aan de aspecten, van belang bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling van het herontwikkelingsplan voor de locatie Rembrandtweg 257. Deze ruimtelijke onderbouwing zal tevens worden gekoppeld aan een aanmeldingsnotitie.
3.3
Conclusie
Ten behoeve van de omgevingsvergunning ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ is in deze ruimtelijke onderbouwing het herontwikkelingsplan voor de locatie Rembrandtweg 257 in Ridderkerk getoetst aan de beginselen van een goede ruimtelijke ordening. Het volgende kan hieruit worden geconcludeerd: ˗
Het herontwikkelingsplan geeft op passende wijze invulling aan ruimtelijke, functionele en maatschappelijke ambities en doelstellingen, zoals deze door het Rijk, de provincie ZuidHolland en de gemeente Ridderkerk zijn geformuleerd.
˗
Het herontwikkelingsplan komt tegemoet aan een structurele vraag naar woningen vanuit een structureel aanwezige doelgroep.
˗
Het herontwikkelingsplan anticipeert op een bestuurlijk breed gewenste versterking van de vitaliteit van het stedelijk gebied.
˗
Het herontwikkelingsplan is conform de beginselen van duurzame stedelijke ontwikkeling en de hierop afgestemde ‘Ladder’.
˗
Het herontwikkelingsplan leidt niet tot een negatieve beïnvloeding van de ruimtelijke omgeving c.q. het omringende milieu.
2
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat m.e.r. altijd noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten.
30
˗
De ruimtelijke omgeving c.q. het omringende milieu vormt geen belemmering voor de uitvoering van het herontwikkelingsplan.
Resumerend kan worden gesteld dat het herontwikkelingsplan voldoet aan de beginselen van een goede ruimtelijke ordening en is daarmee planologisch inpasbaar.
31
4
4.1
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid
Het herontwikkelingsplan wordt gerealiseerd vanuit een particuliere exploitatie. Private partijen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering en dragen in beginsel het risico van planontwikkeling. Eventuele planschade wordt middels een privaatrechtelijke overeenkomst verhaald op de initiatiefnemer.
4.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De Wabo-procedure kent de mogelijkheid voor een ieder om te reageren op een verleende (ontwerp)vergunning. Zo kan men een zienswijze indienen op de ontwerp Omgevingsvergunning, waarna de mogelijkheid tot beroep en hoger beroep openstaat op de vastgestelde Omgevingsvergunning. Zonder ingesteld beroep geldt de vastgestelde Omgevingsvergunning na afloop van de tervisielegging als onherroepelijk.
32