CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Regionale Nota Bodembeheer (wijzigingen gemarkeerd).pdf

Gemeenteraad RK 7 juni 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 18: Regionale Nota Bodembeheer27.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Regionale Nota Bodembeheer Gemeenten Barendrecht en Ridderkerk

Raad Barendrecht, 1 juni 2021 Raad Ridderkerk, 3 juni 2021

1

Samenvatting Voor u ligt de gewijzigde Nota Bodembeheer van de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk. Aanleiding voor het opstellen van de Nota in 2016 was het Besluit bodemkwaliteit dat per 1 juli 2008 in werking is getreden. Doel van dit Besluit is het mogelijk maken van maatschappelijke ontwikkelingen zonder hierbij de bodemkwaliteit te schaden. De wijziging van de Nota in 2021 ten opzichte van die uit 2016 betreffen:  Een verwijzing naar de generieke bodemkwaliteitskaart 2019  Een verwijzing naar de Bodemkwaliteitskaart PFAS van 2020  Toetsing aan de CROW 400-normen  Enkele kleine tekstuele aanpassingen. Inleiding Een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke bodembeleid zijn de regels met betrekking tot bodembeheer (het grondstromenbeleid). Die regels zijn opgenomen in deze Nota Bodembeheer. De kaarten die de basis vormen van dit grondstromenbeleid, zijn evenals de Nota, opgesteld voor de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk. Door één bodemkwaliteitskaart en één gezamenlijk pakket van regels te hanteren wordt verantwoord hergebruik van grond binnen deze gemeenten verbeterd. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat met de generieke, landelijke regels van het Besluit bodemkwaliteit er in Barendrecht en Ridderkerk gebieden zijn waar grond niet kan worden hergebruikt in hetzelfde gebied. Werken met een gesloten grondbalans is dan niet mogelijk.

Daarnaast zijn er gebieden waar schonere grond moet worden toegepast dan noodzakelijk is bij de huidige en/of toekomstige bodemfunctie. Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet grond van elders worden aangekocht en aangevoerd. Door goed gemotiveerd gebiedsspecifiek beleid op te stellen voor het verplaatsen van grond in deze gebieden kunnen de gemeenten grond in deze gebieden weer nuttig hergebruiken. De voorgestelde gebiedsspecifieke toepassingen zijn zorgvuldig afgewogen en milieuhygiënisch verantwoord en zorgen niet voor risico’s. De afweging is uitvoerig beschreven in de Nota. Het Besluit bodemkwaliteit houdt niet alleen rekening met de kwaliteit van de bodem, maar ook met de functie ervan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie (kwaliteits- en functie) klassen. Van schoon naar minst schoon zijn dat: 1. kwaliteit Landbouw en Natuur 2. kwaliteit Wonen 3. kwaliteit Industrie De hoofdregel van het Besluit bodemkwaliteit is dat grond afkomstig van een bepaalde locatie elders toegepast mag worden als de kwaliteit ervan gelijk of beter is dan de ontvangende grond en de kwaliteit minstens overeenkomt met de functie. Voor de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk zijn in de bodemkwaliteitskaart negen bodemkwaliteitszones onderscheiden. Iedere zone heeft een bepaalde bodemkwaliteit uitgedrukt in een kwaliteitsklasse.

In de bodemfunctieklassenkaart is de huidige functie van de bodem voor de betreffende zone aangegeven. Deze twee kaarten vormen de basis voor de toepassingskaart. De toepassingskaart geeft informatie over de gemiddelde kwaliteit waaraan toe te passen grond minimaal moet voldoen. Gebiedsspecifieke regels De hoofdregel van de Nota Bodembeheer is dat hergebruik van grond binnen de gemeenten is toegestaan zonder voorafgaand onderzoek mits:  De locatie waar grond vrijkomt onverdacht is;  De kwaliteit van grond die vrijkomt voldoet aan de toepassingseis (zie grondstromenmatrix);  De toepassing is gemeld bij www.meldpuntbodemkwaliteit.nl.

2

Behalve deze hoofdregel zijn er voor Barendrecht en Ridderkerk een aantal gebiedsspecifieke regels opgesteld:  De toepassingseis is de bodemfunctieklasse. De functie van de zone is leidend voor de grond die er mag worden toegepast. Dit geldt alleen voor grond afkomstig van binnen het beheergebied van de kaart. Grond van buiten het beheergebied dient te voldoen aan de generieke toepassingseis zoals weergegeven op de generieke toepassingskaart (bijlage 3b).  Grond in de zones 1 (deelgebied BA07), 5, 7 (deelgebied RA11) en 8 mag hergebruikt worden binnen de zone. Hierbij treden geen risico’s op. Voor grond afkomstig van buiten de zone wordt aangesloten bij de generieke toepassingseisen.  Er zijn gebiedsspecifieke normen voor hergebruik van grond in zone 9 op basis van verhoogde gehalten drins (bestrijdingsmiddelen). Voor grond afkomstig van buiten de zone wordt aangesloten bij de generieke toepassingseis.  Voor het toepassen van grond afkomstig vanuit het beheergebied in de ondergrond (0,5 tot 2 meter onder maaiveld) wordt gekozen voor de ruimste klasse (bodemfunctie of bodemkwaliteit) die binnen de betreffende zone van toepassing is. Waterbodemkwaliteitskaart De waterbodemkwaliteitskaart, opgesteld door waterschap Hollandse Delta, mag (na erkenning door de colleges van b&w) als bewijsmiddel worden gebruikt voor het toepassen van baggerspecie in de beide gemeenten.

De waterbodemkwaliteitskaart geeft een indicatie van de milieuhygiënische kwaliteit van een partij baggerspecie die wordt verwijderd in verband met (onderhouds)baggerwerk. Baggerspecie uit watergangen mag over de aangrenzende percelen worden verspreid mits de kwaliteit van deze baggerspecie voldoende is. Dit valt onder het generieke kader voor verspreiden. Gebiedsspecifiek beleid voor baggerspecie is niet opgesteld. Waardevolle aanvullingen De Nota is aangevuld met hoofdstukken over het toetsen van bodemaspecten bij ruimtelijke ontwikkelingen en de randvoorwaarden bij saneringen en expliciet het saneren van asbest. Dit zijn geen verplichte hoofdstukken, maar de Nota is een goede plek om deze informatie, inzichtelijk voor een ieder, helder vast te leggen. Handreiking De praktische vertaling van de regels van de Nota Bodembeheer wordt beschreven in een handreiking voor alle professionele partijen die met grondverzet te maken hebben, zoals civiele afdelingen van overheden, aannemers, loonwerkers, grondbanken en adviesbureaus. Hierin wordt duidelijk aangegeven hoe verantwoordelijkheden en taken zijn verdeeld en wordt de werkwijze beschreven. Kosten en baten De Nota Bodembeheer heeft voor de gemeenten geen financiële gevolgen.

Met de beoogde effecten, die hiervoor zijn benoemd, kunnen besparingen worden gerealiseerd bij:  Onderzoekskosten bij toe te passen grond en baggerspecie;  transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond;  aanschafkosten voor de toe te passen grond en primaire bouwstoffen (zand uit zandwinputten);  uitstoot van uitlaatgassen en gebruik van energie (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker).

3

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 1 Inhoudsopgave .................................................................................................................................................. 3 1. Inleiding ......................................................................................................................................................... 7 1.1 Waarom deze Nota Bodembeheer? ........................................................................................................ 7 1.2 Doel van de Nota Bodembeheer ............................................................................................................. 7 1.3 Afbakening Nota Bodembeheer .............................................................................................................. 9 1.4 Acceptatie regionale (water)bodemkwaliteitskaarten............................................................................ 9 1.5 Betrokken organisaties .......................................................................................................................... 10 1.6 Aansprakelijkheid en beperkingen ........................................................................................................

10 1.7 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 10 2. Preventie van bodemverontreiniging .......................................................................................................... 11 2.1 Wet milieubeheer .................................................................................................................................. 11 2.2 Omgevingsvergunning ........................................................................................................................... 11 2.3 Activiteitenbesluit.................................................................................................................................. 11 2.4 Besluit bodemkwaliteit .......................................................................................................................... 12 2.5 Provinciale milieuverordening (PMV).................................................................................................... 12 3. Uitgangspunten ........................................................................................................................................... 13 3.1 Karakterisering gebied ...........................................................................................................................

13 3.2 Gebiedsopgave ...................................................................................................................................... 13 3.3 Andere uitgangspunten ......................................................................................................................... 13 4. Besluit Bodemkwaliteit volgens generiek kader ......................................................................................... 14 4.1 Bodemfunctiekaart ................................................................................................................................ 14 4.2 Ontgravingskaart ................................................................................................................................... 15 4.3 Toepassingskaart ................................................................................................................................... 16 5. Afweging tussen generiek en gebiedsspecifiek beleid ................................................................................ 17 5.1 Kader...................................................................................................................................................... 17 5.2 Keuze voor gebiedsspecifiek beleid.......................................................................................................

17 5.3 Gebiedsspecifieke toepassingseis ......................................................................................................... 21 5.4 Beoordeling risico’s ............................................................................................................................... 22 5.5 Consequenties ....................................................................................................................................... 23 6. Spelregels voor hergebruik van grond......................................................................................................... 24 6.1 Grondverzet tussen zones ..................................................................................................................... 24 6.2 Grondverzet binnen de zone ................................................................................................................. 24 6.3 Grond afkomstig van buiten het beheergebied .................................................................................... 25 6.4 Grond van een depot ............................................................................................................................. 25 6.5 Ontgraven ..............................................................................................................................................

25 6.6 Tijdelijk verplaatsen en opslaan ............................................................................................................ 26 4

6.7 Toepassen .............................................................................................................................................. 27 6.8 Zorgplicht ............................................................................................................................................... 28 6.9 Bijzondere omstandigheden.................................................................................................................. 28 6.10 Veiligheidsklassen ................................................................................................................................ 30 7. Hergebruik van baggerspecie ...................................................................................................................... 31 7.1 Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit ................................................................................................ 31 7.2 Waterbodemkwaliteitskaart.................................................................................................................. 31 7.3 Hergebruik op aangrenzende percelen ................................................................................................. 32 7.3.1 Voorwaarden ..................................................................................................................................

32 7.3.2 Acceptatieplicht .............................................................................................................................. 32 7.4 Geen gebiedsspecifiek beleid ................................................................................................................ 32 8. Procedurele aspecten .................................................................................................................................. 33 8.1 Meldingen .............................................................................................................................................. 33 8.2 Handhaving ............................................................................................................................................ 33 8.2.1. Pro-actieve handhaving ................................................................................................................. 33 8.2.2 Post-actieve handhaving ................................................................................................................ 34 8.2.3 Preventieve handhaving ................................................................................................................. 34 8.3 Transport ...............................................................................................................................................

34 8.4 Registratie .............................................................................................................................................. 34 9. Bodemtoetsen ............................................................................................................................................. 35 9.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 35 9.2 WABO en omgevingsvergunning ........................................................................................................... 35 9.2.1 Bestemmingsplannen en afwijken van bestemmingsplannen. ...................................................... 36 9.2.2 Omgevingsvergunning voor het bouwen ....................................................................................... 36 9.2.3 Bodemonderzoek bij ruimtelijke procedures en aan- en verkoop van percelen. .......................... 37 9.3 Nul- en eindsituatie onderzoek ............................................................................................................. 38 9.4 Relatie met de Wet bodembescherming .............................................................................................. 38 10.

Saneren ...................................................................................................................................................... 39 10.1 Saneren van historische bodemverontreiniging ontstaan vóór 1987 ................................................. 39 10.1.1 Gevallen van ernstige bodemverontreiniging .............................................................................. 39 10.2 Saneren van nieuwe gevallen van bodemverontreiniging .................................................................. 40 10.2.1 Nieuwe gevallen binnen Wm-inrichtingen ................................................................................... 40 10.2.2 Nieuwe gevallen buiten Wm-inrichtingen.................................................................................... 41 10.2.3 Calamiteiten (ongewone gevallen) ............................................................................................... 41 11. Saneren van asbest .................................................................................................................................... 43 11.1 Asbest in grond ....................................................................................................................................

43 11.1.1 Doelstelling ................................................................................................................................... 43 11.1.2 Onderzoek .................................................................................................................................... 43 5

11.1.3 Maatregelen ................................................................................................................................. 43 11.1.4 Hergebruik .................................................................................................................................... 44 11.2 Asbestwegen ....................................................................................................................................... 44 11.3 Overige situaties .................................................................................................................................. 44 11.4 Bevoegde gezagen ............................................................................................................................... 45 12. Gegevensbeheer ........................................................................................................................................ 46 12.1 Gegevensbeheer .................................................................................................................................. 46 12.2 Uitwisseling bodeminformatie tussen gemeente en adviesbureaus .................................................. 46 12.3 Uitwisseling bodeminformatie tussen gemeente en provincie ..........................................................

47 12.3.1 Geautomatiseerde uitwisseling .................................................................................................... 47 12.3.2 Frequentie van uitwisseling .......................................................................................................... 47 13. Duurzaamheid ........................................................................................................................................... 48 14. Communicatie............................................................................................................................................ 49 Literatuur ......................................................................................................................................................... 50 Bijlage 1

Begrenzing van het bodembeheergebied ............................................................................... 52

Bijlage 2

Bodemfunctiekaart gebiedsspecifiek ...................................................................................... 53

Bijlage 3a

Toepassingskaart gebiedsspecifiek (bovengrond en ondergrond).......................................... 54

Bijlage 3b

Toepassingskaart generiek Barendrecht (bovengrond) .......................................................... 55

Bijlage 3b

Toepassingskaart generiek Barendrecht (ondergrond) ........................................................... 56

Bijlage 3b

Toepassingskaart generiek Ridderkerk (bovengrond) ............................................................. 57

Bijlage 3b

Toepassingskaart generiek Ridderkerk (ondergrond) ............................................................. 58

Bijlage 4

Grondstromenmatrix gebiedsspecifiek ................................................................................... 59

Bijlage 5

Uitkomsten risicotoolbox ........................................................................................................ 60

Bijlage 6

Schema: Meldingsplicht........................................................................................................... 69

Bijlage 7

Schema: Toets melding Bbk..................................................................................................... 70

Bijlage 8 Schema: Procedure bij aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen of afwijken van bestemmingsplannen .................................................................................................................................. 71 Bijlage 9

Toelichting asbestbeleid .......................................................................................................... 72

Bijlage 10

Begrippenlijst ........................................................................................................................... 79

Bijlage 11

Formulier 'Toets herkomst' t.b.v. vrij grondverzet .................................................................. 83

Bijlage 12

Bepaling veiligheidsklassen voor werken in en met verontreinigde bodem........................... 85

6

1. Inleiding 1.1 Waarom deze Nota Bodembeheer? Gemeenten zijn het bevoegd gezag voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen op of in de landbodem. Dit is sinds 1 juli 2008 geregeld in het Besluit bodemkwaliteit [literatuurlijst: Bron 1] en de Regeling Bodemkwaliteit [2]. Op grond van het Besluit bodemkwaliteit moeten gemeenten tenminste een bodemfunctiekaart opstellen. Willen gemeenten het hergebruik van grond en baggerspecie doelmatig en weloverwogen regelen en stimuleren, dan zijn daarnaast een bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer onmisbaar. Dankzij de overgangsregeling in het Besluit bodemkwaliteit waren de bodemkwaliteitskaart en bijbehorend Bodembeheerplan nog geldig tot 2013. Het is wenselijk om ook vanaf 2013 gebruik te kunnen maken van gebiedsspecifiek beleid in plaats van een beleid op generieke normen. Een bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer geven een gemeente ruimte voor het toepassen van gebiedsspecifiek beleid. Daarnaast voorkomt het opstellen van een kaart met nota, dat elke partij grond of baggerspecie moet worden gekeurd en dat de ontvangende locatie moet worden onderzocht. Met het gebruik van de kaart en nota kan sneller worden gezien of grondverzet mogelijk is en wordt het grondverzet niet vertraagd door uit te voeren bodemonderzoek.

Een groot deel van de gemeenten in de regio Rijnmond heeft gekozen voor gebiedsspecifiek beleid met een bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer. Voor het opstellen van de nieuwe bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer is wederom samengewerkt tussen de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk. Aan de hand van deze bodemkwaliteitskaarten en de knelpunten die uit deze kaarten blijken is de nu voorliggende Nota Bodembeheer opgesteld. Deze nota vervangt het eerder opgestelde Bodembeheerplan [3].

1.2 Doel van de Nota Bodembeheer Het doel van de Nota Bodembeheer is om zoveel mogelijk grond en baggerspecie binnen de gemeenten als grond te kunnen hergebruiken, zonder daarmee het duurzaam functioneel gebruik van de bodem te belemmeren. Daarnaast schept de Nota Bodembeheer kaders voor saneringen die onder de bevoegdheid van de gemeente vallen. Dit doel kan alleen worden gerealiseerd als de in deze Nota Bodembeheer geboden beleidsruimte wordt benut door de verschillende betrokken actoren rond hergebruik van grond en baggerspecie, zoals gemeenten, waterschap, projectontwikkelaars, aannemers etc. Het streven is om een gesloten grondbalans te realiseren, waarbij de vrijkomende grond en baggerspecie in de gemeenten kan blijven en kan worden hergebruikt. Hierdoor wordt invulling gegeven aan het principe van zelfvoorzienendheid, tegenwoordig ook wel cradle-to-cradle genoemd. Het geven van meer beleidsruimte voor grond- en baggerspecieverzet biedt daarnaast ook financiële voordelen. Hergebruik van grond en baggerspecie betekent dat bespaard kan worden op de aanschaf van primair materiaal en dat de dure afvoer naar verwerkers minder noodzakelijk is. Dit zorgt voor kortere transportafstanden en daardoor ook een lagere CO2-uitstoot. Daarmee wordt gestreefd naar een duurzaam bodembeheer. Voorwaarde is hierbij wel dat het ‘standstill-principe’ wordt gehanteerd.

Hiermee wordt bedoeld dat het onder voorwaarden lokaal afnemen van de bestaande bodemkwaliteit alleen is toegestaan wanneer dit plaatsvindt met grond of baggerspecie die afkomstig is uit de eigen gemeenten. Op deze manier blijft de binnen de gemeenten al aanwezige bodembelasting namelijk gelijk. Er wordt geen nieuwe bodembelasting gecreëerd.

7

Subdoelen zijn:  het voorkómen van bodemverontreiniging;  het faciliteren van hergebruik tussen de gemeenten;  het verkleinen van de onderzoeksinspanning bij bouwen en grondtransacties;  het scheppen van heldere kaders voor saneringen die vallen onder de bevoegdheid van de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk;  het verminderen van kosten en administratieve lasten van particulieren en milieuadviesbureaus bij hergebruik van grond en saneringen. In de keten van bodembeheer zijn drie onderdelen te onderscheiden, namelijk preventie, beheren en saneren. In de onderstaande figuur is de relatie tussen deze onderdelen weergegeven.

Preventie (o.a. toepassen van bouwstoffen):  introductie van nieuwe materialen in een gebied;  voorkomen dat hierdoor verontreiniging ontstaat. Beheer (toepassen van grond en baggerspecie):  bescherming van actuele kwaliteit en functie van de bodem, streven naar stand-still;  beleid biedt handvatten voor de verplaatsing van de bestaande bodembelasting, die geen onaanvaardbare risico’s veroorzaakt. Saneren:  wegnemen van onaanvaardbare risico’s of verontreinigingen die bijv. door calamiteiten in het milieu terecht zijn gekomen.

Figuur 1.1: De keten van bodembeheer Het Besluit bodemkwaliteit omvat de schakel 'beheer' en een gedeelte van de schakel 'preventie'. Het Besluit bodemkwaliteit hangt onder de Wet bodembescherming en de Waterwet. In de Wet bodembescherming is de schakel 'saneren' geregeld. In alle schakels heeft de gemeente verschillende wettelijke taken. Deze Nota Bodembeheer behandelt de gehele keten.

8

1.3 Afbakening Nota Bodembeheer Beheergebied Het beheergebied betreft de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk. Beide gemeenten vallen binnen het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta. Bij de start van het traject om te komen tot een bodemkwaliteitskaart en een Nota Bodembeheer is de keuze gemaakt om niet aan te sluiten bij de ontwikkeling van een bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer op een schaal van de regio Rijnmond, maar de stukken in op te stellen voor Ridderkerk en Barendrecht. De belangrijkste reden hiervoor is dat de algemene bodemkwaliteit van onze gemeenten ligt tussen die van de landelijke gemeenten van Voorne-Putten (schoner) en de meer stedelijke gemeenten als Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen (meer verontreinigd). Gemeente Albrandswaard heeft aangegeven op dit moment geen onderdeel te willen uitmaken van een gezamenlijk beleid. Vaststelling en geldigheidsduur De Nota Bodembeheer is per gemeente door de gemeenteraad vastgesteld. De regels uit Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing. De geldigheidsduur van de Nota Bodembeheer is 10 jaar. De bodemkwaliteits- en functiekaarten, waar de Nota Bodembeheer op is gebaseerd, dienen daarentegen elke 5 jaar geactualiseerd te worden op basis van nieuwe en/of beschikbare data.

Als blijkt dat de bodemkwaliteit in de zones wijzigt (verbetert dan wel verslechtert), dient bekeken te worden in hoeverre aanpassing van de Nota noodzakelijk is. Ook in het geval van relevante wijzigingen in de wet- en regelgeving moet worden nagegaan of het noodzakelijk is om de Nota te actualiseren.

1.4 Acceptatie regionale (water)bodemkwaliteitskaarten De gemeenten Barendrecht en Ridderkerk kunnen besluiten om een bodemkwaliteitskaart van buiten het eigen bodembeheergebied te erkennen. In dat geval kan desbetreffende bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring dienen, mits geen sprake is van een uitzonderingslocatie. Bij het in werking treden van deze Nota Bodembeheer erkennen de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk andere bodemkwaliteitskaarten binnen de provincie Zuid-Holland voor zover deze tot dusverre zijn opgesteld conform de Richtlijn voor bodemkwaliteitskaarten en bestuurlijk zijn vastgesteld conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Nieuwe bodemkwaliteitskaarten worden niet automatisch erkend wanneer een andere gemeente of instantie in Zuid-Holland een nieuwe bodemkwaliteitskaart conform het Besluit bodemkwaliteit vaststelt. Wel kunnen de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk besluiten om na beoordeling een nieuwe bodemkwaliteitskaart te erkennen. Hiervoor hoeft geen voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht meer te worden gevolgd. Hetzelfde geldt voor een waterbodemkwaliteitskaart die bestuurlijk wordt vastgesteld door het waterschap Hollandse Delta.

Een erkenning van een bodemkwaliteitskaart komt te vervallen zodra de bodemkwaliteitskaart niet meer geldig is in het bodembeheergebied waarvoor die bodemkwaliteitskaart is opgesteld.

9

1.5 Betrokken organisaties Gedurende de totstandkoming van de bodemkwaliteitskaart en de Nota Bodembeheer zijn diverse actoren betrokken. DCMR Milieudienst Rijnmond heeft een belangrijke faciliterende en adviserende rol gehad. DCMR bood het platform om met andere gemeenten te discussiëren over knelpunten. Verder is deze Nota Bodembeheer tot stand gekomen in samenwerking met de ILB-adviseur voor Barendrecht en Ridderkerk en het beleidsplatform Natuur, Milieu en Duurzaamheid van de gemeente Ridderkerk. Ook is input op het plan verkregen van Waterschap Hollandse Delta, Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen, Prorail, Rijkswaterstaat, Deltanatuur, Dienst Landelijk Gebied en Natuur en Recreatieschap IJsselmonde.

1.6 Aansprakelijkheid en beperkingen De bodemkwaliteitsdata en afgeleide kaarten in dit plan geven de diffuse kwaliteit van de bodem weer. Echter een garantie voor de kwaliteit van de bodem of de kwaliteit van een bepaalde partij vrijkomende grond kan niet worden geboden. Door bijvoorbeeld de aanwezigheid van (on)bekende verontreinigingen in de grond en het grondwater kunnen lokaal verschillen optreden met de op de kaarten aangegeven milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast zijn de kaarten gebaseerd op een beperkt aantal waarnemingen in onverdachte gebieden (of zones), waardoor een bepaalde mate van onzekerheid ontstaat. Dit in tegenstelling tot een verkennend bodemonderzoek of een partijkeuring waarbij sprake is van een daadwerkelijke kwaliteitsbepaling. Een bodemonderzoek of een partijkeuring geeft dan ook meer zekerheid over de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem en een partij toe te passen grond dan de bodemkwaliteitskaart. De eindverantwoordelijkheid voor het toepassen van een partij grond (of baggerspecie) op basis van de bodemkwaliteitskaart ligt bij de eigenaar van de locatie waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. De gemeenten Barendrecht en Ridderkerk kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortkomt uit onzekerheden in de bodemkwaliteitsdata.

Ondanks de bovenstaande beperkingen dienen de bij dit plan behorende kaarten door het bevoegd gezag als een wettig bewijsmiddel te worden geaccepteerd bij het toepassen van grond en baggerspecie in het beheergebied. Uiteraard met inachtneming van de voorwaarden die in de Nota worden genoemd.

1.7 Leeswijzer De uitgangspunten voor de nieuwe Nota zijn uitgewerkt in hoofdstuk 3. Het Besluit bodemkwaliteit kent drie belangrijke instrumenten: de bodemfunctiekaart, de bodemkwaliteitskaart en de toepassingskaart. Deze worden in hoofdstuk 4 toegelicht. Aan de hand van deze kaarten wordt de lezer in hoofdstuk 5 meegenomen naar de beslissing om gebiedsspecifiek beleid uit te werken. Vervolgens leidt dit (resp. in hoofdstukken 6 en 7) tot het gebiedsspecifieke kader voor het toepassen of hergebruiken van grond en baggerspecie. Naast de hiervoor beschreven wettelijke taken als opgenomen in de geldende wet- en regelgeving gaat deze Nota ook in op de aspecten rond het melden van toepassingen van grond en baggerspecie en het toezicht hierop en de handhaving hiervan (hoofdstuk 8). In hoofdstuk 9 wordt het toetsingskader voor bodem in ruimtelijke plannen nader toegelicht. In hoofdstuk 10 worden de kaders geschetst voor saneringen waar de gemeenten zelf bevoegd gezag zijn en specifiek voor asbest in hoofdstuk 11. Hoofdstuk 12 behandelt hoe we als gemeenten omgaan met ons gegevensbeheer. Hoofdstuk 13 beschrijft hoe met de Nota Bodembeheer invulling wordt gegeven aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de beide gemeenten. Hoofdstuk 14 gaat over de communicatie rond de Nota Bodembeheer.

10

2. Preventie van bodemverontreiniging Preventie is gericht op het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en bevat het geheel aan voorzieningen en maatregelen die getroffen worden om het ontstaan van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. De gemeente past hiervoor instrumenten uit de Wet milieubeheer (Wm), het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de provinciale milieuverordening (PMV) toe.

2.1 Wet milieubeheer De taken die de gemeente in dit kader uitvoert zijn het verlenen van omgevingsvergunningen, het beoordelen van meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit en het uitoefenen van toezicht bij bedrijven op het naleven van de regels.

2.2 Omgevingsvergunning In een omgevingsvergunning (aspect milieu) stelt de gemeente altijd voorwaarden aan bedrijfsmatige activiteiten, die gezien hun aard en omvang een bedreiging vormen voor de bodemkwaliteit. Bij het voorschrijven van bodembeschermende voorzieningen hanteert de gemeente de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) en/of publicaties van het Plan Bodembeschermende Voorzieningen (PBV). Een voorbeeld hiervan is de CUR/PBV- beoordelingsrichtlijn voor de aanleg van vloeistofdichte vloeren. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning (aspect milieu) moet de aanvrager een bodemrisicoanalyse (conform de NRB) uitvoeren teneinde de aard en mate van bodembedreigende activiteiten te bepalen. Als sprake is van bodembedreigende activiteiten dient de aanvrager tevens een nulsituatie(bodem)onderzoek uit te voeren. Een nulsituatieonderzoek is bedoeld om de bodemsituatie op de plaats van de bodembedreigende activiteiten binnen de inrichting (het bedrijfsterrein) in kaart te brengen. Ook bij actualisatie van vergunningen kan om een nulsituatieonderzoek worden gevraagd als bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Als de bodem op een later tijdstip nogmaals wordt onderzocht, kan bij een eventueel geconstateerde bodemvervuiling een veroorzaker worden aangewezen.

In de vergunning kan worden opgenomen dat regelmatig een herhalingsonderzoek dient te worden uitgevoerd, ook dit dient te voldoen aan NEN 5740. Bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten wordt in principe een eindonderzoek verlangd. Een nul- of eindsituatieonderzoek in het kader van een omgevingsvergunning dient te voldoen aan NEN 5740, protocol B8 ‘onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie en eindsituatie bij een toekomstige bodembelasting'. Het bevoegd gezag kan eventueel aanvullende eisen stellen omtrent het aantal en de plaats van peilbuizen, de te gebruiken analysemethode en de te bepalen parameters. Voor ondergrondse tanks geldt NEN 5740, protocol B9.

2.3 Activiteitenbesluit Bij bedrijven, die onder het Activiteitenbesluit vallen, wordt in een aantal voorschriften van het Besluit specifiek aandacht besteed aan bodemaspecten. Conform artikel 2.11 lid 2 van het Activiteitenbesluit kan de gemeente maatwerkvoorschriften opnemen waarin aanvullende eisen in relatie tot 'bodem' kunnen worden gesteld.

11

2.4 Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit stelt eisen aan steenachtige bouwstoffen, baggerspecie en grond die worden toegepast in onder meer de weg- en waterbouw. Hiermee wordt voorkomen dat nieuwe bodemverontreiniging ontstaat. De gemeente heeft als taak te toetsen of de toepassing van grond, baggerspecie en bouwstoffen voldoet aan de eisen van het Besluit.

2.5 Provinciale milieuverordening (PMV) De PMV stelt eisen aan onder meer de bodemkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden. Binnen het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart liggen twee grondwaterbeschermingsgebieden (Ridderkerk).

12

3. Uitgangspunten 3.1 Karakterisering gebied Barendrecht en Ridderkerk lijken qua historie en gebruik veel op elkaar (zie bijlage 1 voor luchtfoto’s van het beheergebied), dit geldt ook voor de bodemopbouw. De bodem is zeker de eerste 12 meter voornamelijk opgebouwd uit klei en veen. De bovengrond in beide gemeenten is over het algemeen schoon tot licht verontreinigd. Zo ook de bovengrond in de nieuwe(re) woonwijken. Deze zijn later gebouwd op gronden die daarvoor vooral in gebruik waren als landbouwgrond. Deze bodemkwaliteit komt naar voren uit bodemonderzoeken die voorafgaand aan de bouw zijn uitgevoerd. De lintbebouwing en ook de oude kernen zijn echter van oudsher concentratiepunten geweest van bedrijvigheid en bebouwing. Kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijfjes hebben hier activiteiten ontplooid die hebben kunnen leiden tot matige en sterke bodemverontreiniging.

3.2 Gebiedsopgave Ten opzichte van eerdere regelgeving geeft het Besluit bodemkwaliteit meer ruimte om rekening te houden met de “gebiedsopgave”. Met gebiedsopgave wordt bedoeld: ‘voor welke opgave staat het gebied met betrekking tot grond- en baggerspecieverzet?’ Om de ruimte die het Besluit bodemkwaliteit biedt zo optimaal mogelijk te benutten is in de afgelopen periode een overzicht gegenereerd van projecten waar veel grond- en baggerspecieverzet zal plaatsvinden. Zo kan in nog uit te voeren projecten rekening worden gehouden met de kwaliteit van vrijkomende grond en/of baggerspecie en het toepassen van elders vrijkomende grond en/of baggerspecie. Ook kan met de kwaliteit van toe te passen grond en/of baggerspecie geanticipeerd worden op de toekomstige functie van een gebied. Voorbeeld van rekening houden met kwaliteit van vrijkomende grond: Bekend is dat in een bepaalde zone veel grond gaat vrijkomen. Deze zone heeft de kwaliteit Industrie. In een ander gebied is juist veel grond nodig. De Lokale Maximale Waarden (kwaliteitseisen) van de ontvangende zone kunnen desgewenst worden afgestemd op de kwaliteit van de leverende zone: klasse Industrie (mits de functie dit toestaat). Voorbeeld rekening houden met toekomstige functie: Bekend is dat een nieuw bedrijventerrein ontwikkeld zal worden in nu nog landelijk gebied.

Door dit bedrijventerrein alvast op te nemen in de bodemfunctiekaart/bodemkwaliteitskaart en het nieuwe beleid kan -indien gewenst- grond met klasse Industrie worden toegepast. Zo kan bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard aangegeven worden als functie Industrie.

Uit de gesprekken die met de diverse partijen zijn gevoerd (zie paragraaf 1.5) en de opgaven van grondverzet die zijn gedaan, blijkt dat het lastig is om een goed beeld van het toekomstig grondverzet te genereren. Men weet vaak niet precies wanneer projecten in uitvoering gaan, welke grondstromen er vrij komen, hoeveel grond daarvan weer herbruikbaar is en hoeveel grond uiteindelijk aan- of afgevoerd moet worden. Het afstemmen van grondstromen om zodoende hergebruik te maximaliseren is daarom lastig. Ook blijkt dat depotruimte schaars is. In deze Nota Bodembeheer zal het daarom lastig zijn om met de toepassingseisen voor vrijkomende grond tot in detail in te spelen op toekomstige grondstromen. Er is voor gekozen om in de Nota Bodembeheer voldoende ruimte op te nemen voor bekende projecten:  realisatie bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard (Ridderkerk);  natuurontwikkeling Zuidpolder, Waalbos, Crezeépolder en Deltapoort.  grondverzet op de kleine ontwikkel- en inbreidingslocaties.

3.3 Andere uitgangspunten Andere uitgangspunten voor de nieuwe Nota zijn:  één beleid voor zowel Barendrecht als Ridderkerk;  het Bbk geeft de mogelijkheid om het stand-still principe op te schalen naar een groter gebied (het ‘bodembeheergebied’), en de bodemkwaliteit af te stemmen op de functie;  meer mogelijkheden bieden voor regionaal grond- en baggerspecieverzet.

13

4. Besluit Bodemkwaliteit volgens generiek kader Dit hoofdstuk beschrijft het hergebruik van grond volgens het generieke kader van het Besluit Bodemkwaliteit. De uitwerking hiervan voor Barendrecht en Ridderkerk is opgenomen in het rapport ‘Regionale bodemkwaliteitskaart gemeenten Barendrecht en Ridderkerk’ [4]. Om het toepassen van de grond of baggerspecie binnen de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk te faciliteren zonder dat telkens een bodemonderzoek of partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd, hebben de gemeenten een bodemkwaliteitskaart op laten stellen. Deze bodemkwaliteitskaart bestaat uit de volgende deelkaarten: 1. een bodemfunctiekaart; 2. een ontgravingskaart; 3. een toepassingskaart. Niet gezoneerde gebieden De bodemkwaliteitskaart heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk met uitzondering van:  het buitendijks gebied;  de rijkswegen;  de spoorwegen;  de wegen van het Waterschap Hollandse Delta. De gemeente is bevoegd gezag voor het toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem. Waterbodems, uiterwaarden en andere gebieden die vallen onder de Waterregeling zijn uitgesloten van de Bodemkwaliteitskaart. Wie bevoegd gezag is voor deze zones blijkt uit de Waterregeling.

4.1 Bodemfunctiekaart Op de bodemfunctiekaart worden de functies van gebieden aangegeven. Het gaat daarbij niet om de functie op perceelsniveau (zoals op bestemmingsplannen), maar om de overheersende functie in een gebied of zone. Er zijn zeven bodemfuncties (tabel 4.1) die op de kaart worden ingedeeld in drie bodemfunctieklassen: 1. Landbouw/Natuur Bodemfunctie Bodemfunctieklasse 2. Wonen 3. Industrie Moestuin en volkstuinen Landbouw/Natuur Natuur (AW2000) Op de bodemfunctiekaart wordt niet Landbouw alleen de huidige functie afgebeeld. Het kan ook een blik werpen op de Wonen met tuin toekomst: welke ambitie ten aanzien Plaatsen waar kinderen Wonen van de bodemkwaliteit hebben wij spelen met een gebied? Daarom wordt één Groen met natuurwaarden enkel bedrijfsperceel in een woonwijk Ander groen, bebouwing, niet apart ingedeeld als functie Industrie infrastructuur en industrie Industrie. Tabel 4.1: Vertaling van de 7 bodemfuncties naar de bodemfunctieklasse

14

De bodemfunctiekaart speelt een belangrijke rol bij het toepassen van partijen grond of baggerspecie op de landbodem. Eén van de uitgangspunten van het Bbk is namelijk dat de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie geschikt moet zijn voor het gebruik van de ontvangende bodem (de bodemfunctieklasse). Daarnaast bepaald de bodemfunctiekaart bij bodemsaneringen de terugsaneerwaarde (ontgravingsgrenzen) en de kwaliteit van de toe te passen aanvulgrond of leeflaag. De bodemfunctiekaart is opgesteld volgens de richtlijn in Bijlage M van de Regeling Bodemkwaliteit [2]. Ter verduidelijking is in figuur 4.1 een uitsnede van de kaart opgenomen.

Figuur 4.1: uitsnede Bodemfunctiekaart

Omgang met tussentijdse functiewijzigingen Bij het opstellen van de bodemfunctiekaart is rekening gehouden met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Desondanks is het mogelijk dat de functie van een locatie wijzigt als gevolg van een bestemmingsplanwijziging. Als gevolg van een dergelijke wijziging kan het voorkomen dat de functieklasse, zoals aangegeven op de bodemfunctiekaart, niet meer correspondeert met de actuele functie van de locatie. In dat geval kan de gemeente besluiten om de bodemfunctiekaart op dit punt aan te passen. Door de gemeenten wordt ten minste één maal per vijf jaar nagegaan of het noodzakelijk is om de bodemfunctiekaart aan te passen en opnieuw vast te stellen.

4.2 Ontgravingskaart Op de ontgravingskaart zijn zones met een bepaalde gemiddelde (diffuse) bodemkwaliteit aangegeven. Deze is voornamelijk bepaald door het gebruik van de bodem, ophogingen in het verleden en atmosferische depositie. De kaart geeft dus een verwachting van de gemiddelde kwaliteit van een zone; op een willekeurige andere locatie in de zone kan de kwaliteit beter of juist minder goed zijn. De kaart doet geen uitspraak over de kwaliteit van locaties met puntbronnen zoals tanks of bedrijven. Binnen een zone is de kwaliteit min of meer gelijk, terwijl de zones onderling juist van kwaliteit verschillen. Een uitsnede van de ontgravingskaart is afgebeeld in onderstaande figuur 4.2. Er is ook een ontgravingskaart voor de ondergrond (0,5 tot 2 meter beneden maaiveld). De ontgravingskaart van de ondergrond wordt ook representatief geacht voor grond uit diepere bodemlagen dan 2 meter beneden maaiveld. Dit betekent dat de ontgravingskaart ook als bewijsmiddel voor vrijkomende grond uit grotere diepten mag worden gebruikt. Figuur 4.2: uitsnede Bodemkwaliteitskaart (bovengrond)

15

4.3 Toepassingskaart Op de toepassingskaart is de kwaliteitsklasse aangegeven waar een partij grond of baggerspecie aan moet voldoen wanneer men deze op een bepaalde locatie wil toepassen. De toepassingskaart is een combinatie van de bodemfunctiekaart en de kaart met de kwaliteitsklassen van de ontvangende bodem. Voor het kunnen toepassen van een partij grond of baggerspecie op een locatie wordt gekeken naar de functie van het perceel waarop de toepassing plaats gaat vinden én de kwaliteit van de bodem op die plaats. Bij deze toets is de strengste norm bepalend voor het al dan niet kunnen toepassen van de partij. Alleen met deze manier van werken wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit op de toepassingslocatie verslechterd en wordt recht gedaan aan het stand-still principe.

16

5. Afweging tussen generiek en gebiedsspecifiek beleid 5.1 Kader Het Besluit bodemkwaliteit biedt gemeenten de mogelijkheid te kiezen voor een generiek beleid of een gebiedsspecifiek beleid. Het generieke bodembeleid is bodembeleid zoals beschreven in hoofdstuk 4. Als gekozen wordt voor een gebiedsspecifiek beleid kunnen gemeenten Lokale Maximale Waarden (LMW) vaststellen voor het hergebruik van grond. Dit zijn eigen lokale waarden. In het gebiedsspecifieke kader kan op basis van ruimtelijke ontwikkelingen, kwaliteitsambities en het te verwachten grond- en baggerspecieverzet een afweging worden gemaakt. Er moet daarbij een goede balans worden gevonden tussen bodembescherming enerzijds en de afzet van grond en baggerspecie anderzijds. Hulpmiddelen hierbij zijn de Risicotoolbox, de bodemfunctiekaart en de bodemkwaliteitskaart. Ook de uitgangspunten zoals verwoord in hoofdstuk 3 worden meegenomen in de afweging.

5.2 Keuze voor gebiedsspecifiek beleid Daar waar de bodemkwaliteit en de bodemfunctie in balans met elkaar zijn (er zijn geen risico’s aan het bodemgebruik gebonden en de bodemkwaliteit verslechtert niet automatisch door de functie), is gebruik gemaakt van het generieke beleid. Dit geldt voor nagenoeg het gehele grondgebied van Barendrecht en Ridderkerk. Het volgen van het generieke beleid levert in de gemeenten een viertal knelpunten op: 1. locaties waar de generieke toepassingseis strenger is dan de functie; 2. locaties waar de bodemkwaliteit slechter is dan de functie; 3. zone met diffuse verontreiniging met drins; 4. de baggerspecieopgave. Voor de oplossing van deze knelpunten is gekozen voor het opstellen van gebiedsspecifiek beleid, gebaseerd op generieke normen. Daarnaast worden alleen voor zone 9 Lokale Maximale Waarden voor drins opgesteld.

17

Knelpunt 1 - Eis is strenger dan de functie Voor een aantal zones is deze generieke toepassingseis strenger dan voor de functie noodzakelijk is. Deze zones worden weergegeven in tabel 5.1. Tabel 5.1: Zones waar de eis strenger is dan de functie

Zone Bodemfunctie Bodemkwaliteit Toepassingseis BFK

BKK

TPK

Bovengrond 2

Wonen

AW2000

AW2000

3

Industrie

AW2000

AW2000

8

Industrie

Wonen

Wonen

Ondergrond 2

Wonen

AW2000

AW2000

3

Industrie

AW2000

AW2000

4

Wonen

AW2000

AW2000

6

Wonen

AW2000

AW2000

8

Industrie

Wonen

Wonen

Het hanteren van de generieke toepassingseis heeft voor bovenstaande zones consequenties voor hergebruik van grond en zou tot onnodig strenge eisen leiden. Een voorbeeld van dit knelpunt is zone 3, bedrijventerreinen in Barendrecht en Ridderkerk. Op basis van het generieke beleid mag hier nu alleen grond of baggerspecie worden toegepast van de klasse AW2000. Terwijl hier op basis van de functie ook grond of baggerspecie van de klasse Industrie naartoe kan. Daarom is besloten om in deze Nota Bodembeheer gebiedsspecifiek beleid op te stellen om dit knelpunt op te lossen.

18

Knelpunt 2 - Kwaliteit slechter dan de functie Voor een aantal zones is de bodemkwaliteit slechter dan de functie die in de zone van toepassing is. Deze zones worden weergegeven in tabel 5.2. Tabel 5.2: Zones waar de kwaliteit slechter is dan de functie

Zone Bodemfunctie Bodemkwaliteit Toepassingseis BFK

BKK

TPK

Bovengrond 11

AW2000

Industrie

AW2000

5

Wonen

Industrie

Wonen

72

AW2000

Wonen

AW2000

Industrie

AW2000

Ondergrond 72

AW2000

1 Deelgebied Zuidpolder (BA07) 2 Deelgebied Crezeépolder (RA11)

Het hanteren van de generieke toepassingseis heeft hier consequenties voor hergebruik van grond uit eigen zone en zou tot relatief strenge eisen leiden. Vooral in het landelijk gebied zal dit leiden tot knelpunten. Wanneer grond is opgepakt, mag het niet meer op dezelfde plek worden teruggelegd vanwege de toepassing van de dubbele toets. Het is echter wenselijk om binnen een zone grond te kunnen hergebruiken. Grondverzet binnen een zone moet mogelijk zijn, mits er geen sprake is van risico’s. Voorbeelden van dit knelpunt zijn de Zuidpolder in Barendrecht (zone 1 – gedeeltelijk) en de Crezeépolder in Ridderkerk (zone 7 - gedeeltelijk). In dit landelijk gebied staat veel natuurontwikkeling met grondverzet gepland. Uitgangspunt is dat gewerkt wordt met een gesloten grondbalans. De grond die vrijkomt bij het graven van water wordt gebruikt voor ophoging elders in het gebied. Op basis van het generieke beleid is dit niet mogelijk. Voor de Crezeépolder blijkt dit uit de bodemkwaliteitskaart, voor de Zuidpolder is dit gebleken uit recent bodemonderzoek dat in het kader van aan- en verkoop van percelen is uitgevoerd. Door licht verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen is op sommige percelen in de Zuidpolder sprake van klasse Industrie.

Op basis van deze gegevens zou vrijkomende grond uit deelgebieden BA 07 en RA 11 afgevoerd moeten worden en grond van klasse AW2000 opnieuw moeten worden aangevoerd. Daarom is besloten om in deze Nota Bodembeheer gebiedsspecifiek beleid op te stellen om dit knelpunt op te lossen.

19

Knelpunt 3 - Drins Omdat in de gemeenten in het verleden bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt in de glastuinbouw, zijn delen van de gemeenten diffuus verontreinigd met drins. Per 1 oktober 2008 is door VROM het criterium voor hergebruik van met drins licht verontreinigde grond bijgesteld van 4 naar 0,14 mg drins/kg droge stof. Hierdoor kunnen er problemen ontstaan omdat hergebruik van grond binnen een zone niet meer mogelijk blijkt. Omdat bij de realisatie van het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard (zone 9) veel grondverzet gaat plaatsvinden, ontstaat hier een probleem. Daarom is besloten om in deze Nota Bodembeheer gebiedsspecifiek beleid op te stellen om dit knelpunt op te lossen.

Knelpunt 4 - De baggerspecieopgave De vrijkomende baggerspecie binnen de bebouwde kom vormt een knelpunt, omdat verharding en bebouwing de mogelijkheden sterk beperken. De hier vrijkomende baggerspecie moet worden afgevoerd naar een depot of verwerker. Gebiedsspecifiek beleid kan de toepassingsmogelijkheden van baggerspecie verruimen.

20

5.3 Gebiedsspecifieke toepassingseis In de vorige paragraaf is duidelijk geworden dat het opstellen van gebiedsspecifiek beleid nodig is voor Barendrecht en Ridderkerk. Het betreft met name het opstellen van gebiedsspecifieke toepassingseisen om een viertal knelpunten op te lossen. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat de toepassingseisen niet mogen leiden tot risico’s. Oplossing knelpunt 1 Voor de oplossing van knelpunt 1 (tabel 5.1) is als gebiedsspecifieke toepassingseis in principe de bodemfunctieklasse gekozen: de functie van de zone is leidend voor de grond die er mag worden toegepast. Hiermee wordt geborgd dat grond altijd voldoet aan de functie en er dus geen risico’s zullen zijn. Door te kiezen voor functiegerichte waarden ontstaat een goed uitlegbaar en eenvoudig toetsingskader: in woonwijken mag/moet grond van de klasse Wonen worden toegepast, op bedrijfsterreinen mag/moet grond van de klasse Industrie worden toegepast en in het landelijk gebied mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de Klasse Landbouw/Natuur (AW2000). De functiekaart is dus de toepassingskaart. Oplossing knelpunt 2 Voor de zones uit tabel 5.2 (zones 1, 5 en 7) mag grond uit het betreffend deelgebied (deel van de zone) worden hergebruikt binnen hetzelfde deelgebied, ook al voldoet de kwaliteit niet altijd.

Getoetst moet worden of dit hergebruik humane en/of ecologische risico’s oplevert en of de waarden daarop moeten worden aangepast (zie hiervoor de volgende paragraaf 5.5). Voor hergebruik van grond van buiten het betreffend deelgebied wordt wel aangesloten bij de generieke toepassingseisen. Oplossing knelpunt 3 Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard wordt een nieuwe zone: zone 9. Op de functiekaart wordt de zone veranderd van de functie Landbouw (AW2000) naar Industrie. Daarnaast worden Lokale Maximale Waarden voor drins vastgesteld op 2 mg/kg d.s., voor hergebruik van grond binnen de eigen zone. Hiervoor moet worden getoetst of de berekende lokale maximale waarden humane en/of ecologische risico’s opleveren en of de waarden daarop moeten worden aangepast (zie hiervoor de volgende paragraaf 5.5). Voor hergebruik van grond van buiten deze zone naar zone 9 wordt wel aangesloten bij de generieke toepassingseis, zijnde Industrie. Oplossing knelpunt 4 Het knelpunt met betrekking tot baggerspecie wordt uitgewerkt in hoofdstuk 6. Aanvullend Omdat er voor de ondergrond (bodemlaag 0,5 tot 2 m-mv) geen contactrisico’s bestaan, kunnen er ruimere toepassingseisen worden gesteld dan voor de bovengrond. Het wordt niet duurzaam en doelmatig geacht om schone grond te verwerken in de ondergrond van een relatief verontreinigde zone.

Daarom wordt gekozen voor de ruimste van de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteitsklasse.

21

5.4 Beoordeling risico’s In deze paragraaf wordt getoetst of de gebiedsspecifieke toepassingseisen leiden tot mogelijke risico’s. De keuze voor het gebruik van de bodemfunctieklasse als toepassingseis (oplossing knelpunt 1) zorgt niet voor risico’s, omdat de kwaliteit van de grond altijd voldoet aan de functie. Om te bepalen of voor de in tabel 5.2 genoemde zones risico’s ontstaan wanneer grond binnen de zone wordt hergebruikt (oplossing knelpunt 2), is gebruik gemaakt van de RisicoToolBox. Ook voor het bepalen van de risico’s van het vaststellen van Lokale Maximale Waarden voor zone 9 is gebruik gemaakt van de RisicoToolBox (oplossing knelpunt 3). De RisicoToolBox is een door het RIVM ontwikkelde webapplicatie (www.risicotoolboxbodem.nl). De RisicoToolBox hanteert beleidsmatige grenswaarden voor humane en ecologische risico’s. Wanneer de uitkomst van de RisicoToolBox leidt tot een risico-index kleiner dan 1, dan is de bodem duurzaam geschikt voor gebruik door de mens en voor de beoogde functie. Een risico-index groter dan 1 kan acceptabel zijn, mits voldoende gemotiveerd op basis van kennis van lokale blootstellingsroutes. De RisicoToolBox is een landelijk model met generieke normen; lokaal kan de situatie afwijken en aanleiding geven de resultaten anders te interpreteren. De uitkomsten van de RisicoToolBox zijn opgenomen in bijlage 5.

Samengevat leveren de risicoanalyses de volgende conclusies voor alle berekende zones: - In zone 5 (lintbebouwing) zijn met betrekking tot humane risico’s lood en PAK kritische parameters bij de terreingebruiken ‘moestuin/ volkstuin’ en ‘wonen met tuin’. Voor lood wordt dit mede veroorzaakt doordat de risicotoolbox de blootstelling aan lood meerekent vanuit andere bronnen zoals luchtverontreiniging. Voor de risico’s die voorvloeien uit het hergebruik van grond uit zone 5 blijft de eigenaar van het betreffend perceel verantwoordelijk. Zo kent een kinderspeelplaats of een moestuin hogere risico’s dan een verhard (parkeer)terrein. Bij gemeentelijke projecten wordt rekening gehouden met deze risicogevoelige functies. - De gekozen oplossingsrichtingen zorgen voor ecologische risico’s. Per deelgebied wordt toegelicht of er nadelige effecten zijn vanwege de ecologische risico’s en wordt op basis hiervan een beleidsstandpunt ingenomen: o Zone 5 - Lintbebouwing Deze zone is van oudsher een concentratiepunt geweest van bedrijvigheid en bebouwing. Kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijfjes hebben hier activiteiten ontplooid die hebben kunnen leiden tot bodemverontreiniging. Hergebruik van deze grond in dezelfde zone zorgt dan ook niet voor verslechtering van de ecologie. Daarnaast vormt ecologie voor deze zone geen onderscheidend of bepalend kenmerk.

Gemeente Barendrecht en Ridderkerk streven voor deze zone geen ecologisch beschermingsniveau na, derhalve zijn de ecologische risico’s niet relevant. Hergebruik van grond binnen deze zone wordt dan ook toegestaan. o Zone 7 - Crezeépolder De Crezeépolder (deelgebied RA 11) is momenteel een landbouwgebied dat wordt omgevormd tot een waterrijk zoetwatergetijdengebied met verschillende voorzieningen voor recreatie. Hergebruik van de grond in deze zone zorgt niet voor een verslechtering van de kwaliteit. Er treedt dan ook geen verslechtering op ten aanzien van doorvergiftiging in de voedselketen. Omdat grond van buiten de zone van betere kwaliteit moet zijn, conform generiek beleid, zal op termijn een verbetering van de kwaliteit optreden. Hergebruik van grond binnen deze zone wordt dan ook toegestaan. o Zone 9 - Nieuw Reijerwaard Zone 9 wordt op termijn omgevormd van landbouwgebied naar industrieterrein. Dit betekent dat veel oppervlakte verhard gaat worden, met name door de aanleg van wegen en bedrijfsgebouwen. Gemeente Barendrecht en Ridderkerk streven voor deze zone geen ecologisch beschermingsniveau na, derhalve zijn de ecologische risico’s niet relevant. Hergebruik van deze grond in dezelfde zone zorgt niet voor verslechtering van de ecologie. Hergebruik van grond binnen deze zone wordt dan

22

ook toegestaan. Daarnaast worden voor deze zone ook Lokale Maximale Waarde vastgesteld voor drins van 4 mg/kg d.s., voor hergebruik van grond binnen deze zone. o Deelgebied BA 07 - Zuidpolder De Zuidpolder is momenteel een landbouwgebied dat wordt omgevormd tot natuurgebied (klimaatbuffer) met verschillende voorzieningen voor recreatie. Hergebruik van de grond in deze zone zorgt niet voor een verslechtering van de kwaliteit. Er treedt dan ook geen verslechtering op ten aanzien van doorvergiftiging in de voedselketen. Omdat grond van buiten de zone van betere kwaliteit moet zijn, conform generiek beleid, zal op termijn een verbetering van de kwaliteit optreden. Hergebruik van grond binnen deze zone wordt dan ook toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/813/documents/28838