Regels BP Woningbouw Pruimendijk 19 - 21 - versie ter vastelling.pdf
Tekst van het document
Woningbouw Pruimendijk 19 - 21
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
4 4 7
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Wonen Waarde - Archeologie 2 Waterstaat - Waterkering
8 8 11 13
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
14 14 15 16 17 18 19
Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
20 20 21
Bijlagen bij de regels
22
Bijlage 1
Bodemonderzoek
23
Bijlage 2
Quickscan natuurwaardenonderzoek
24
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Regels
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan Woningbouw Pruimendijk 19 - 21 met identificatienummer NL.IMRO.0597.BPRIJS2020Prdk1921-VG01 van de gemeente Ridderkerk. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan-huis-gebonden bedrijf: het op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt en die door de beperkte omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij behorende bebouwing worden uitgeoefend. 1.6 aan-huis-gebonden beroep: het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch of daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, dan wel het uitoefenen van een beroep op medisch, paramedisch of therapeutisch gebied, welke door hun beperkte omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij behorende bebouwing worden uitgeoefend.
1.7 achtererf: de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevellijn van het hoofdgebouw. 1.8 archeologisch onderzoek: onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.9 archeologisch deskundige een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg. 1.10 bebouwing: een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.11 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.12 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.13 bevoegd gezag: bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 1.14 bijgebouw: een vrijstaand, afzonderlijk van het hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat in functioneel en bouwkundig opzicht te onderscheiden is van en in volume ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.15 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, het veranderen of het vernieuwen en het vergroten van een bouwwerk. 1.16 bouwgrens: de grens van een bouwvlak. 1.17 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.18 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel. 1.19 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.20 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.21 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit.
1.22 dienstverlening: het bedrijfsmatig aanbieden, verkopen en/of leveren van diensten aan personen, zoals reisbureaus, kapsalons en wasserettes. 1.23 erker: een uitbouw aan de voorzijde van de woning, met een maximale breedte van 75% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw, een maximale diepte van 2 m en een maximale hoogte gelijk aan de hoogte van de begane grondlaag van de desbetreffende woning vermeerderd met 0,35 m. 1.24 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.25 hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.26 nadere eis: Een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 onder d van de Wet ruimtelijke ordening;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 1.27 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.28 omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.29 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.30 peil: a. voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen op een afstand van 5 m of minder uit de bestemming 'Verkeer' of 'Verkeer - Verblijfsgebied': de hoogte van die weg; b. voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen op een afstand van meer dan 5 m uit de bestemming 'Verkeer' of 'Verkeer - Verblijfsgebied': de gemiddelde hoogte van het aangrenzend terrein. 1.31 seksinrichting: het bedrijfsmatig -of in omvang of frequentie die daarmee overeenkomt- gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of in een vaartuig, verrichten van seksuele handelingen. 1.32 voorgevel: de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.33 wonen: het gehuisvest zijn in een woning.
1.34 woning/wooneenheid: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.35 zijerf: de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn tussen de voorgevel- en de achtergevellijn van het gebouw.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 breedte van dakkapellen de maximaal toegestane breedte van dakkappellen ten opzichte van de breedte van daken wordt gemeten langs een horizontale lijn die de betreffende dakkapellen in het verticale midden doorsnijdt. 2.4 diepte en breedte van een hoofdgebouw de diepte en de breedte van een hoofdgebouw worden gemeten daar waar deze maten het grootst zijn, met dien verstande dat erkers en aan- en uitbouwen niet worden meegerekend. 2.5 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.7 Ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers met ten hoogste 50% van de gevelbreedte van een hoofdgebouw, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens, dan wel de rooilijn met niet meer dan 1 m wordt overschreden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-gebonden beroepen en aan-huis-gebonden bedrijven; met daaraan ondergeschikt: b. wegen en straten; c. paden; d. parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. waterlopen en waterpartijen; met de daarbijbehorende: h.
tuinen, erven en terreinen.
3.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e. f.
hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; het aantal wooneenheden binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan door middel van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven; de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte; uitbreiding van hoofdgebouwen mag uitsluitend plaatsvinden in de vorm van aanbouwen, uitbouwen en/of bijgebouwen; de voorgevels van de hoofdgebouwen dienen in of maximaal 3 meter achter de naar de weg gekeerde bouwvlaklijn te worden gebouwd; de diepte van hoofdgebouwen bedraagt, gemeten vanaf de voorgevel, maximaal 12 m.
3.2.2
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. b. c. d.
e. f. g. h. i.
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd; aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd, met uitzondering van erkers; de diepte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 3 m, gemeten vanaf de achtergevel van het hoofdgebouw; het gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50% van de bij het hoofdgebouw behorende zij- en/of achtererf, met een maximum van 50 m², met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 25 m² van het zij- en achtererf onbebouwd en onoverdekt dient te blijven; de goothoogte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,35 m, met een maximum van 4 m; de aan- en uitbouw mag worden voorzien van een kap of schuin dak met een hoogte van maximaal 1 m; de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m; de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 3.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. b. c.
de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m; de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
3.3
Nadere eisen
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de situering en de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,5 m in de zijerfscheiding wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de op te richten bebouwing geen onnodige nadelige veranderingen teweegbrengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat: a. b. c.
daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad; de goothoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,5 m; geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in lid 3.2.2 onder d ten aanzien van het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden.
3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1
Niet strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen en/of bijgebouwen voor kantoor- en/of praktijkruimte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en aan-huis-gebonden bedrijven, voor zover: a. b. c. d. e. f. g.
de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd wordt; het vloeroppervlak in gebruik voor kantoor- en/of praktijkruimte niet groter is dan 30% van het vloeroppervlak van hoofdgebouwen en erfbebouwing, met een maximum van 70 m²; ten behoeve van de kantoor- en/of praktijkruimte wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer; geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop ondergeschikt aan de uitoefening van toegestane aan-huis-gebonden beroepen; het beroep of de activiteit door de bewoner wordt uitgeoefend; de handel in en opslag van consumentenvuurwerk, softdrugs en hallucinogene middelen is niet toegestaan.
3.4.2
Voorwaardelijke verplichting sanering voor ingebruikname
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik of in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder sanering van de in Bijlage 1 geconstateerde saneringsplichtige verontreinigde gronden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
3.5
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
3.5.1
Vergunningsplicht
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 3.5.2
Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 3.5.1 is niet van toepassing indien nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar de in Bijlage 2 Quickscan natuurwaardenonderzoek van d.d. 21-09-2020 genoemde huismus en vleermuizen en eventueel verplichte vervolgstappen zijn genomen, waaronder wordt verstaan het treffen van mitigerende maatregelen en het verkrijgen van een ontheffing betreffende de beschermde diersoorten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Artikel 4 4.1
Waarde - Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden ter plaatse van terreinen met een hoge archeologische verwachtingswaarde. 4.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
c.
op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 4.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; 3.
een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a.
b. c. d. e.
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 0 cm waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
4.3.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van lid 4.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. b. c.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 4.2 in acht is genomen; een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m²; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld d. e. f.
ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. gericht zijn op het normale onderhoud, gebruik en beheer van de betreffende gronden; plaatsvinden in bestaande weg- en leidingcunetten.
4.3.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
De werken en werkzaamheden, zoals in lid 4.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a.
b.
de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Artikel 5 5.1
Waterstaat - Waterkering
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het beheer van waterstaatsdoeleinden in de vorm van dijken, kaden en dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering. 5.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b. c.
5.3
op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 4 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 onder c., indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag dient voorafgaande aan de vergunningverlening advies in te winnen bij het waterschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Artikel 7 7.1
Algemene bouwregels
Overschrijding goothoogte
De goothoogte mag worden overschreden door: a.
b.
c.
d. e. 7.2
dakruimten, mits: 1. het gezamenlijk oppervlak van (nagenoeg) horizontale dakvlakken niet meer bedraagt dan 50% van het gezamenlijk grondoppervlak van de af te dekken gedeelten van het bouwwerk; 2. de hoogte van de overschrijding ten opzichte van de aanwezige goothoogte niet meer dan 4,5 m bedraagt; 3. de breedte van enig deel van een gevelvlak van deze dakruimte, geen dakkapel zijnde, niet meer bedraagt dan 40% van de breedte van de onderliggende gevel dan wel in opwaartse richting geleidelijk afneemt tot deze maat; dakkapellen op woningen, voor zover gelegen aan de voor- of zijgevel, waarvan de gezamenlijke breedte per dakvlak niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de voor- of zijgevel en waarvan de hoogte niet meer bedraagt dan 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximumhoogte van 1,5 m; dakkapellen op woningen, voor zover niet gelegen aan de voor- of zijgevel van een pand, waarvan de afstand tot de zijgevel of de woningscheidende muur niet minder dan 0,5 m bedraagt met een maximumhoogte van 1,5 m; (delen van) bouwwerken, waarvan de grootste horizontale doorsnede niet meer dan 1 m² bedraagt en door trappenhuizen, lichtstraten, koepels en liftkokers; technische ruimten voor klimaatregeling, koeling en dergelijke met een maximale oppervlakte van 4 m2. Overschrijding bouwhoogte
De bouwhoogte mag worden overschreden door: a. b. c. 7.3
(delen van) bouwwerken, waarvan de grootste horizontale doorsnede niet meer dan 1 m² bedraagt en door trappenhuizen, lichtstraten, koepels en liftkokers; technische ruimten voor klimaatregeling, koeling en dergelijke met een maximale oppervlakte van 4 m2; antennes met ten hoogste 6 m. Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: a. b. c. 7.4 a.
b.
c.
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. Voldoende parkeergelegenheid Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. Bij het bepalen van of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt getoetst aan de normen van de parkeerkencijfers in de CROW-publicatie 381 ('Toekomstbestendig parkeren'). Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient rekening te worden gehouden met de wijziging(en). Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Artikel 8 8.1
Algemene aanduidingsregels
Molenbiotoop
In afwijking van Hoofdstuk 2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone- molenbiotoop' de volgende regels: a.
b.
c.
binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1. voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; 2. voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van dit lid onder a en b, indien de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en beplanting en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing en de beplanting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Artikel 9 9.1
Algemene afwijkingsregels
Afwijken van maten
Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van Hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. b.
afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. De bevoegdheid tot afwijken wordt niet gebruikt, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Artikel 10 10.1
Algemene wijzigingsregels
Overschrijding bestemmingsgrenzen
Het college van burgemeester en wethouders kan de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Artikel 11 11.1
Overige regels
Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Hoofdstuk 4 Artikel 12 12.1
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a.
b. c.
12.2
een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Overgangsrecht gebruik
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. b.
c.
d.
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Artikel 13
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Woningbouw Pruimendijk 19 - 21 van de gemeente Ridderkerk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Bijlagen bij de regels
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Bijlage 1
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Bijlage 2
Quickscan natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
RAPPORT betreffende een milieukundig bodemonderzoek Pruimendijk 21 te Rijsoord
Status Datum Kenmerk Auteur
: Concept : 29 juni 2015 : 1501G915/DBI/rap1 : De heer D.D.C.A. Bijl
Vrijgave
: De heer C. Brouwer bba (projectleider)
: ………………….
Opdrachtgever
: De Waal Beheer Ridderkerk B.V. : Mevrouw B.E. de Jong-de Graaff : Pruimendijk 21 : 2988 XM RIDDERKERK
© IDDS bv. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
BRL SIKB 2000 VKB-protocollen 2001 & 2002 & 2018
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING .......................................................................................................................... 3
2.
VOORONDERZOEK EN ONDERZOEKSOPZET .............................................................. 4 2.1. ALGEMEEN ............................................................................................................. 4 2.2. REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ...................................... 4 2.3. BESCHRIJVING ONDERZOEKSLOCATIE ............................................................ 5 2.4. HISTORISCHE INFORMATIE ................................................................................. 6 2.5. CONCLUSIES VOORONDERZOEK ....................................................................... 7 2.6. ONDERZOEKSOPZET............................................................................................ 7
3.
VELDONDERZOEK ............................................................................................................ 9 3.1. VELDWERKZAAMHEDEN ...................................................................................... 9 3.2. RESULTATEN VELDWERK .................................................................................. 11
4.
CHEMISCH ONDERZOEK ............................................................................................... 15 4.1. ANALYSESTRATEGIE .......................................................................................... 15 4.2. RESULTATEN EN TOETSING CHEMISCHE ANALYSES ................................... 16
5.
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN................................................................ 21
6.
CONCLUSIES EN ADVIES .............................................................................................. 23
7.
BETROUWBAARHEID ..................................................................................................... 26
BIJLAGEN 1.
Kaarten en tekeningen 1.1. overzichtskaart 1.2. situatietekening 1.3. verontreinigingssituatie grond 1.4. verontreinigingssituatie grondwater
2.
Boorstaten en legenda
3.
Analysecertificaten grond en grondwater 3.1. grond 3.2. grondwater 3.3. asbest
4.
Toetsingsresultaten en -waarden grond en grondwater 4.1 . grond 4.2 . grondwater
5.
Fotoreportage
6.
Veldverslag
7.
Historische informatie
1.
INLEIDING
In opdracht van De Waal Beheer Ridderkerk B.V. is een milieukundig bodemonderzoek verricht op de locatie Pruimendijk 21 te Rijsoord. Aanleiding en doelstelling onderzoek Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de geplande transactie (verkoop) van het terrein. In dit kader wenst de opdrachtgever inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Doel van het onderzoek is vast te stellen of het voormalige, dan wel het huidige, gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt het verkrijgen van inzicht in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740, de norm NEN 5707 en de norm NTA 5755 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond. Leeswijzer De locatiegegevens, het vooronderzoek en de opzet van het onderzoek zijn beschreven in hoofdstuk 2. De keuze van de opzet van het onderzoek is onder meer afhankelijk van het huidige en het voormalige gebruik van het perceel.
Een beschrijving van het veldonderzoek en het analytisch onderzoek is weergegeven in de hoofdstukken 3 en 4. De verzamelde gegevens zijn getoetst aan het toetsingskader van de Wet bodembescherming, geïnterpreteerd en besproken in hoofdstuk 5. Op basis van de verzamelde onderzoeksresultaten is de chemische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie beoordeeld. Deze beoordeling is ondergebracht in hoofdstuk 6 (conclusies). Daarnaast worden op basis van de onderzoeksresultaten aanbevelingen gedaan met betrekking tot eventueel te nemen vervolgstappen. In hoofdstuk 7 zijn de factoren, die van invloed zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek, toegelicht.
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
3/26
2.
VOORONDERZOEK EN ONDERZOEKSOPZET
2.1.
ALGEMEEN
Bij toepassing van de NEN 5740 moet een hypothese worden opgesteld omtrent de aan- of afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventueel te verwachten verontreinigingen. Ten behoeve van het opstellen van de hypothese dient een vooronderzoek uitgevoerd te worden overeenkomstig de NEN 5725 (Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek, NNI, januari 2009). In het kader van onderhavig onderzoek is het vooronderzoek uitgevoerd conform het standaard niveau. In dit kader is informatie verzameld over de volgende aspecten van de locatie: -
regionale bodemopbouw en geohydrologie (paragraaf 2.2); huidig (en toekomstig) gebruik van de onderzoekslocatie (paragraaf 2.3); historische informatie (paragraaf 2.4).
De verzamelde informatie is vastgelegd per bron en weergegeven in de genoemde paragrafen van onderhavige rapportage. De conclusies van het vooronderzoek worden weergegeven in paragraaf 2.5. Op basis van deze gegevens is in paragraaf 2.6 de onderzoeksopzet bepaald. Als afbakening van de onderzoekslocatie, ten behoeve van het vooronderzoek, is gekozen voor het te onderzoeken perceel alsmede de aangrenzende percelen tot maximaal 50 meter gerekend vanaf de grens van het te onderzoeken perceel. Opgemerkt dient te worden dat de genoemde afstand een arbitraire keuze betreft.
2.2.
REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Teneinde inzicht te kunnen verkrijgen in de samenstelling van de diepere bodemlagen is de Grondwaterkaart van Nederland, kaartblad 38 west (Gorinchem) geraadpleegd. Deze is uitgegeven door het Instituut van Grondwater en Geo-energie TNO (IGG). De regionale geohydrologische opbouw kan als volgt worden omschreven: Deklaag Over het algemeen wordt de slecht doorlatende deklaag gevormd door de Westland formatie en bestaat uit een afwisseling van klei en veen. De dikte van de deklaag op de onderzoekslocatie bedraagt circa 9 meter. De verticale hydraulische weerstand van de deklaag bedraagt tussen de 500 en de 1000 dagen. 1e watervoerende pakket Het eerste watervoerende pakket wordt globaal gevormd door goed doorlatende afzettingen tussen de slecht doorlatende deklaag en de scheidende laag. Het eerste watervoerende laag bestaat voornamelijk uit uiterst grof tot en met uiterst fijn zand. In de nabijheid van de onderzoekslocatie bedraagt de dikte van dit pakket circa 12 meter. Het doorlaatvermogen (kDwaarde), zijnde het product van de doorlaatbaarheidscoëfficiënt (k) en de dikte (D) van het eerste watervoerende pakket wordt geschat op 800 m2/d. De grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket is overwegend westelijk gericht. De stijghoogte van het grondwater bedraagt circa 0,88 m - NAP.
1e scheidende laag Het eerste en het derde watervoerende pakket worden gescheiden door fijne slibhoudende zanden en klei houdende afzettingen (formatie van Kedichem). De top van de scheidende laag in de nabijheid van de onderzoekslocatie ligt op een diepte van circa 30 m - NAP en de dikte van dit pakket bedraagt ongeveer 50 meter.
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
4/26
3e watervoerende pakket Het derde watervoerende pakket bestaat uit een afwisseling van matig fijne en matig grove zanden en kleilagen. De top van het tweede watervoerende pakket in de nabijheid van de onderzoekslocatie ligt op een diepte van circa 80 m - NAP. De onderzijde van het derde watervoerend pakket komt ongeveer overeen met de overgang naar pliocene afzettingen (Formatie van Oosterhout). De kD-waarde voor het derde watervoerende pakket is niet bekend.
2.3.
BESCHRIJVING ONDERZOEKSLOCATIE
De ligging van de onderzoekslocatie is globaal weergegeven in de overzichtskaart van bijlage 1.1. Enkele locatiespecifieke aspecten zijn opgenomen in tabel 1.
TABEL 1: Locatiespecifieke gegevens Locatiegegevens Adres
Pruimendijk 21
Postcode en plaats
2988 XM RIDDERKERK
Gemeente
Ridderkerk
Provincie
Zuid-Holland
Kadastrale gemeente
Ridderkerk
Kadastrale gegevens
sectie C, nummers 5940 en 5941
Rijksdriehoekcoördinaten
X: 100.724
Oppervlakte in m
2
Y: 429.329
circa 3.250
Huidige gebruik
garagebedrijf en wonen met tuin
Maaiveldtype
klinkers, tegels, beton en tuin
Huidig (en toekomstig) gebruik Op 1 april 2015 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden inzake het huidige gebruik. Op de locatie bevindt zich momenteel een bedrijfspand (garagebedrijf met werkplaats en wasplaats) en een woning met tuin. Het garagebedrijf is grotendeels voorzien van een betonverharding. In de showroom is een gedeelte van het maaiveld voorzien van een tegelverharding. Hier worden enkel auto’s gestald. In de werkplaats worden werkzaamheden verricht aan auto’s. Uitpandig is het maaiveld verhard met klinkers, tegels of onverhard. Men is voornemens in de toekomst nieuwbouw te realiseren op de onderzoekslocatie. Concrete plannen zijn (nog) niet voorhanden. Ter illustratie is in bijlage 5 een fotoreportage opgenomen.
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
5/26
2.4.
HISTORISCHE INFORMATIE
Door de opdrachtgever is een voorgaand BSB bodemonderzoek van Milieutechniek Gebr. Reehorst Dordrecht b.v. (rapport kenmerk: 02.202, d.d. januari 2002). aangeleverd. Door BKH adviesbureau is de historie in kaart gebracht en een strategie opgesteld voor het milieukundig bodemonderzoek, welke door Milieutechniek Gebr. Reehorst Dordrecht b.v. is uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 7 van onderhavige rapportage. In de betreffende rapportage is de historie van de locatie en omliggende percelen beschreven. Onderstaand zijn de belangrijkste punten benoemd van de historie en de resultaten van het voorgaand onderzoek: Op locatie zijn diverse tanks aanwezig, te weten: -
één ondergrondse 6.000 liter HBO (later benzine) tank (afgevuld met zand in 1993), waarvan de voormalige ligging onbekend is; één ondergrondse 5.000 liter afgewerkte olietank (afgevuld met zand in 1991); één bovengrondse 2.500 liter afgewerkte olietank; twee ondergrondse 12.000 liter benzinetanks (afgevuld met schuim, dan wel zand in 1991); één ondergrondse 12.000 liter dieseltank (afgevuld met schuim in 1991).
Aan de zuidzijde was in het verleden een pompeiland aanwezig. Daarnaast is een deel van de locatie opgehoogd. Onbekend is welk materiaal hiervoor gebruikt is. Het onderzoek van Milieutechniek Gebr. Reehorst Dordrecht b.v. heeft zich geconcentreerd op de navolgende terreindelen: -
werkplaats; voormalige opslagtanks en pompeiland; opslag afgewerkte olie; olie-slib-afscheider; ophoging.
Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt dat over het algemeen in de grond en in het grondwater lichte verontreinigingen zijn aangetoond voor de geanalyseerde parameters. Echter, ter plaatse van het pompeiland werden in één boring een sterk verhoogde gehalten vluchtige aromaten aangetoond. Ter plaatse van de bovengrondse afgewerkte olietank is een sterk gehalte minerale olie aangetoond. Aan de westzijde van het terrein is in de bodem bodemvreemd materiaal aangetroffen in een tweetal boringen (B1 en B2). De betreffende boringen zijn gestaakt op waarschijnlijk puinhoudende lagen. Onbekend is of in de betreffende lagen asbest aanwezig is. Daarnaast is een groot deel van het terrein niet onderzocht. Uit informatie van de opdrachtgever blijkt dat in het verleden een boerderij gesitueerd was op de locatie. Mogelijk is de boerderij afgebroken en als fundering in de bodem geplaatst. Dit is tijdens de veldwerkzaamheden bekend geworden.
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
6/26
2.5.
CONCLUSIES VOORONDERZOEK
Op basis van voorgaand onderzoek kan worden afgeleid dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie nog niet volledig in beeld is gebracht. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat de navolgende terreindelen nog nader onderzocht dient te worden, dan wel nog niet onderzocht zijn: -
pompeiland (afperken verontreiniging); bovengrondse afgewerkte olietank; gestaakte boringen B1 en B2 (puin/fundering); nog niet onderzochte terreindelen.
2.6.
ONDERZOEKSOPZET
In tabel 2 is per onderzoeksaspect de gevolgde onderzoeksstrategie aangegeven.
TABEL 2: Onderzoekstrategie Onderzoeksaspect
Kritische parameters
Kritische bodemlaag (m-mv)
Hypothese
Strategie
pompeiland
(vluchtige) minerale olie, vluchtige aromaten, MTBE en ETBE
0–4 grondwater
verdacht
Gebaseerd op NTA 5755
bovengrondse afgewerkte olietank
(vluchtige) minerale olie, vluchtige aromaten, MTBE en ETBE
0–4 grondwater
verdacht
Gebaseerd op NTA 5755
gestaakte boringen B1 en B2
asbest
0–1
onverdacht
NEN 5707
niet onderzochte terreindelen
zware metalen, PAK en minerale olie
0–2
verdacht
NEN 5740
Onderzoeksvragen Vanuit de bekende gegevens en de doelstelling van het nader bodemonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: 1. zijn de verontreinigingen uit voorgaand onderzoek nog aanwezig?; 2. zo ja, wat is de omvang van de verontreinigingssituatie?; 3. is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging?. Door beantwoording van bovenstaande vragen middels het uitvoeren van nader bodemonderzoek moet de verontreinigingsituatie ter plaatse afdoende in beeld zijn gebracht, zijnde het primaire onderzoeksdoel. Ten behoeve van het realiseren van de doestellingen van het milieukundig onderzoek worden, met betrekking tot de te volgen onderzoeksstrategie, de volgende beschikbare onderzoeksprotocollen en richtlijnen aangehouden: -
NEN-5740, Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, onderzoek naar de milieuhygienische kwaliteit van bodem en grond, januari 2009; NTA-5755, Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek, onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging, juli 2010.
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
7/26
In onderstaande tabel zijn de werkzaamheden weergegeven. TABEL 3: Uit te voeren boringen en analyses Onderzoeksaspect
Aantal boringen x diepte [m-mv]
Chemische analyses grond
grondwater
voormalige pompeiland
8 x 2,0 2 x 3,0 met peilbuis 1 x 5,0 met peilbuis
6 x tankstation-pakket
3 x tankstation-pakket
afgewerkte olietank
4 x 2,0 1 x 3,0 met peilbuis
5 x tankstation-pakket
1 x tankstation-pakket
gestaakte boringen B1 en B2
5 x asbestgat (0,3 x 0,3 x 0,5) 1 x gat doorzetten 2,0
1 x asbestanalyse
-
niet onderzochte terreindelen
14 x 2,0 1 x 3,0 met peilbuis
3 x NEN-pakket
1 x NEN-pakket
Aanvullend bodemonderzoek Ter plaatse van diverse boringen (grond) en peilbuizen (grondwater) zijn verontreinigingen aangetoond, welke aanleiding geven tot het aanvullend bodemonderzoek. Ter plaatse van de voormalige pompeiland zijn in de grond en in het grondwater verhoogde waarden aan (vluchtige) olie en vluchtige aromaten aangetoond. Derhalve zijn rondom de vermoedelijke kern (boringen 30 en 31) boringen en peilbuizen geplaatst om de verontreiniging horizontaal in kaart te brengen. Tevens is één boring met peilbuis geplaatst in de vermoedelijke kern om de verontreiniging verticaal in kaart te brengen. Ter plaatse van boring 02 zijn in de grond verhoogde gehalten zware metalen en minerale olie aangetoond. Rondom boring 02 zijn boringen en peilbuizen geplaatst om de verontreiniging horizontaal in kaart te brengen. De resultaten zijn opgenomen in onderhavig onderzoek.
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
8/26
3.
VELDONDERZOEK
3.1.
VELDWERKZAAMHEDEN
De veldwerkzaamheden zijn op 1, 2, 3 en 14 april en 13 mei 2015 uitgevoerd. Op 14 april en 21 mei 2015 heeft bemonstering van het grondwater plaatsgevonden. De uitgevoerde boringen zijn beschreven in tabel 4. De onderzoekslocatie en de posities van de meetpunten zijn weergegeven in de situatietekening van bijlage 1.2. TABEL 4: Aantal boringen en boordiepte (in m-mv) Onderzoeksaspect
Aantal boringen x diepte [m-mv]
Boornummers
voormalige pompeiland
10 x 2,0 1 x 3,0 5 x 2,8 met peilbuis 1 x 2,9 met peilbuis 1 x 3,0 met peilbuis 1 x 3,2 met peilbuis 1 x 5,0 met peilbuis 1 x 7,0 met peilbuis
33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 41, 42 en 43 40 31, 32, 47, 48 en 50 46 49 45 30 44
afgewerkte olietank
3 x 0,7/0,8* 3 x 2,0 1 x 2,8 met peilbuis
24, 24a en 24b 21, 22 en 23 20
gestaakte boringen B1 en B2
5 x proefgat t.b.v. asbest
As01 t/m As05
niet onderzochte terreindelen
19 x 2,0 1 x 2,1 1 x 0,4* 1 x 2,5 met peilbuis 3 x 2,8 met peilbuis
02,02a, 02b, 02c, 02d, 03, 04, 05, 06, 07, 08, 09a, 10, 11, 12, 13, 14 en 15 19 09 01 16, 17 en 18
*: gestaakte boring
Uitvoeringswijze De veldwerkzaamheden zijn verricht door Brussee Grondboringen / VeldXpert onder certificaat BRL SIKB 2000, VKB protocol 2001, 2002 en 2018 (meer informatie over ons bedrijf en kwalificaties kunt u vinden op onze website www.idds.nl). Tijdens de veldwerkzaamheden is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag (met daarin de namen van de veldwerkers) is opgenomen in bijlage 6. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot de veldwerkzaamheden en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Uit oogpunt van onafhankelijkheid verklaart IDDS geen eigenaar te zijn van het terrein waarop het bodemonderzoek en de advisering betrekking heeft. Tijdens het verrichten van de veldwerkzaamheden zijn de grond en het grondwater zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen (organoleptisch onderzoek) en is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodemlagen nauwkeurig beschreven (lithologisch onderzoek). Organoleptisch onderzoek Het opgeboorde bodemmateriaal is visueel beoordeeld op het voorkomen van antropogene bestanddelen (puin, slakken en dergelijke) en olieproduct (via olie/watertest).
Het materiaal is met name beoordeeld op de volgende aspecten: de aard, grootte en gradatie van voorkomen.
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
9/26
Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden beschreven. Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld van de onderzoekslocatie, evenals het opgeboorde bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de NEN 5707/C1, Bodem - inspectie, monsterneming en analyses van asbest in bodem (augustus 2006) en de BRL SIKB 2000, VKBprotocol 2018. De veldwerkzaamheden zijn verricht door Brussee Grondboringen. Op 1 april 2015 heeft ter plaatse van de onderzoekslocatie een visuele inspectie van het maaiveld en een inspectie van de diepere bodemplagen plaatsgevonden. Voor de inspectie van de diepere bodemlagen zijn aselect een vijftal gaten (nrs AS01 t/m AS05) gegraven. De gaten hebben een minimale afmeting van 0,3 x 0,3 meter en een diepte van 1,0. De gaten zijn niet volledig gegraven met een schep in verband met de diepte. De gaten zijn met een edelmanboor doorgezet tot een diepte van maximaal 2,0 m-mv.
De onderzoekslocatie en de posities van de meetpunten zijn weergegeven in de situatietekening van bijlage 1.2
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
10/26
3.2.
RESULTATEN VELDWERK
Lithologisch onderzoek De bodem van het terrein bestaat globaal vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 1,0 m-mv uit zand. Vanaf een diepte van circa 1,0 m-mv tot een diepte van circa 2,2 m-mv bestaat de bodem uit klei. Vanaf een diepte van circa 2,2 m-mv tot een diepte van circa 3,2 m-mv bestaat de bodem uit veen. Vanaf een diepte van circa 3,2 m-mv tot een diepte van circa 5,3 m-mv bestaat de bodem uit klei. Vanaf een diepte van circa 5,3 m-mv tot de geboorde diepte van 7,0 m-mv bestaat de bodem uit zand. Een gedetailleerde beschrijving van de ter plaatse van de onderzoekslocatie aangetroffen bodemopbouw (lithologie) is weergegeven in bijlage 2 (boorstaten). Organoleptisch onderzoek In tabel 5 zijn de zintuiglijk waargenomen relevante bijzonderheden weergegeven die mogelijk gerelateerd kunnen worden aan een bodemverontreiniging. TABEL 5: Zintuiglijk waargenomen afwijkingen Boring
Diepte boring (m -mv)
01
2,80
02
2,00
Traject Bodemtype (m -mv) Niet onderzochte terreindelen 0,08 - 0,30 Zand 0,30 - 0,80 Zand 0,80 - 1,30 Klei 0,40 - 0,90 0,90 - 1,50
Klei
02a
2,00
0,50 - 1,50
Klei
02b
2,00
1,50 - 2,00 0,30 - 1,50
Klei Klei
02c
2,00
02d
2,00
1,50 - 2,00 0,40 - 0,70 0,70 - 2,00 0,50 - 1,50
Klei Zand Klei Klei
03
2,00
04
2,00
0,08 - 1,20 1,20 - 2,00 0,00 - 1,00
Zand Klei Klei
05
2,00
0,50 - 1,50
06
2,00
07
2,00
0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 0,70 0,70 - 1,20
Klei Zand Klei Zand Klei
08
2,00
0,60 - 0,80 0,80 - 1,30
Klei Klei
09a
2,00
10
2,00
Klei Klei Klei
11
2,00
0,80 - 1,30 1,30 - 2,00 0,08 - 0,80 0,80 - 1,50 0,20 - 0,45 0,45 - 1,00 1,00 - 1,30 1,30 - 2,00 0,00 - 1,00 1,00 - 1,50
Klei Klei Klei Klei
12
2,00
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
Zand
Waargenomen bijzonderheden
zwak baksteenhoudend matig baksteenhoudend, sterk puinhoudend sterk puinhoudend uiterst puinhoudend, matig baksteenhoudend resten slakken, zwak puinhoudend, zwakke olie-water reactie zwak zandhoudend, zwak baksteenhoudend, brokken puin sporen puin zwak puinhoudend, matig baksteenhoudend, matig grindhoudend resten baksteen zwak puinhoudend, matig baksteenhoudend resten baksteen zwak puinhoudend, zwak baksteenhoudend, zwak zandhoudend zwak puinhoudend, zwak sintelhoudend resten baksteen matig baksteenhoudend, matig grindhoudend, matig zandhoudend sterk baksteenhoudend, sterk puinhoudend, zwak slakhoudend sterk puinhoudend, matig baksteenhoudend matig baksteenhoudend sterk puinhoudend, zwak slakhoudend zwak baksteenhoudend zwak baksteenhoudend, matig kalksteenhoudend zwak baksteenhoudend zwak baksteenhoudend, sterk kalksteenhoudend sterk baksteenhoudend, matig puinhoudend resten baksteen zwak puinhoudend uiterst baksteenhoudend geen olie-water reactie, Slakkenlaag matig baksteenhoudend, matig puinhoudend sterk baksteenhoudend, matig puinhoudend resten baksteen zwak baksteenhoudend resten kolengruis, zwak slakhoudend, matig baksteenhoudend
11/26
Boring
Diepte boring (m -mv)
13
2,00
14
2,00
15 16
2,00 2,80
17
2,80
18 19
2,80 2,10
20
2,80
21
2,00
22
2,00
Klei Zand Klei Zand Klei Klei Zand Klei Klei Afgewerkte olietank 0,17 - 0,60 Zand 0,60 - 1,90 Klei 1,90 - 2,80 Klei 0,20 - 0,70 Zand 0,70 - 1,70 Klei 0,00 - 0,70 Zand
23
2,00
0,70 - 1,20 0,00 - 1,00
Klei Zand
24
0,70
1,00 - 2,00 0,17 - 0,70
Klei Klei
24A
0,80
0,07 - 0,80
Klei
24B
0,80
30
5,00
0,07 - 0,80 Klei Voormalige pompeiland 0,40 - 0,70 Zand
2,80
0,70 - 2,20 2,20 - 3,20 0,70 - 1,70
Klei Veen Klei
1,70 - 2,00
Klei
2,00 - 2,30 0,70 - 1,20 1,20 - 2,20 1,00 - 2,00 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 2,00 0,00 - 0,30 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,50 1,50 - 2,50 0,20 - 1,50
Klei Klei Klei Klei Zand Zand Klei Zand Zand Klei Klei Klei Klei
0,30 - 0,70 0,70 - 1,20 1,20 - 2,00 0,50 - 1,20 0,50 - 2,20
Klei Klei Klei Zand Klei
0,50 - 1,20 1,20 - 2,20
Zand Klei
31
32
2,80
34 35 36
2,00 2,00 2,00
37 38
2,00 2,00
40
3,00
41
2,00
42
2,00
43 44
2,00 7,00
45
3,20
Traject (m -mv) 1,50 - 2,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,50
Bodemtype
Waargenomen bijzonderheden
Klei Klei Klei
1,50 - 2,00 0,00 - 1,50
Klei Zand
resten baksteen zwak baksteenhoudend resten kolengruis, sterk baksteenhoudend, sterk puinhoudend resten baksteen sterk baksteenhoudend, matig puinhoudend, resten slakken zwak baksteenhoudend brokken baksteen brokken baksteen, zwakke olie-water reactie brokken baksteen brokken baksteen brokken baksteen brokken baksteen brokken baksteen sporen baksteen
0,08 - 1,00 0,30 - 0,80 0,80 - 1,20 0,30 - 0,80 0,80 - 1,20 0,30 - 1,50 0,50 - 1,10 1,10 - 1,60 1,60 - 2,10
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
sterk baksteenhoudend, sterk puinhoudend laagjes puin, matige olie-water reactie sporen baksteen matig puinhoudend zwak baksteenhoudend sterk baksteenhoudend, zwak afvalhoudend, matig puinhoudend zwak baksteenhoudend sterk baksteenhoudend, zwak afvalhoudend, matig puinhoudend resten puin matig puinhoudend, matig baksteenhoudend, Gestaakt op tank? matig puinhoudend, matig baksteenhoudend, Gestaakt brokken baksteen, Gestaakt op tank? zwak baksteenhoudend, zwakke olie-water reactie sterke olie-water reactie zwak houthoudend, resten baksteen zwak baksteenhoudend, matige olie-water reactie sterk puinhoudend, matig aardewerkhoudend, zwakke olie-water reactie zwakke olie-water reactie zwak baksteenhoudend sporen baksteen, matige olie-water reactie sporen baksteen zwak puinhoudend zwak baksteenhoudend, sporen puin resten baksteen resten baksteen sterk baksteenhoudend resten baksteen, zwakke olie-water reactie zwak baksteenhoudend resten baksteen, matige olie-water reactie zwak puinhoudend, zwak baksteenhoudend sporen puin matig puinhoudend, brokken baksteen resten baksteen sterk baksteenhoudend, matig puinhoudend brokken baksteen, matige brandstofgeur, matige olie-water reactie brokken baksteen matige brandstofgeur, zwakke olie-water reactie
12/26
Boring 46
Diepte boring (m -mv) 2,90
48
2,80
49
3,00
50
2,80
As01
1,80
As02
1,50
As03
Traject Bodemtype (m -mv) 0,50 - 0,90 Zand 0,90 - 2,40 Klei 0,30 - 1,00 Zand 1,00 - 1,40 Klei 1,40 - 1,60 Zand 0,50 - 1,50 Klei 1,50 - 2,20 Klei 0,50 - 2,00 Klei Gestaakte boringen B1 en B2 0,40 - 0,60 Zand 0,60 - 1,30
2,00
1,30 - 1,80 0,40 - 1,00 1,00 - 1,50 0,40 - 1,00
Klei Zand Klei Zand
1,60
1,00 - 2,00 0,40 - 1,10
Klei
As04 As05
1,50
0,40 - 1,00
Waargenomen bijzonderheden brokken baksteen brokken baksteen brokken baksteen brokken baksteen uiterst baksteenhoudend brokken baksteen zwakke olie-water reactie brokken baksteen matig baksteenhoudend, brokken beton sterk baksteenhoudend, sterk puinhoudend, Stort resten baksteen sterk baksteenhoudend, brokken puin, Stort resten puin sterk baksteenhoudend, matig puinhoudend, zwak slakhoudend, Stort? resten baksteen uiterst baksteenhoudend, matig puinhoudend, brokken hout, Stort? uiterst baksteenhoudend, matig puinhoudend, zwak slakhoudend, resten glas
Grondwatermetingen In tabel 5 zijn de resultaten van de metingen die aan het grondwater zijn uitgevoerd weergegeven. TABEL 5: Metingen uitgevoerd aan het grondwater Boring
Filterstelling (m -mv)
01 16 17 18
1,80 - 2,80 1,80 - 2,80 1,80 - 2,80 1,80 - 2,80
20
1,80 - 2,80
30 31 32 44 45 46 47 48 50
4,00 - 5,00 1,80 - 2,80 1,80 - 2,80 6,00 - 7,00 2,20 - 3,20 1,90 - 2,90 1,80 - 2,80 1,80 - 2,80 1,80 - 2,80
Grondwaterstand pH EC (m -mv) (-) (µS/cm) Niet onderzochte terreindelen 1,30 7,3 657 1,70 7,1 1.345 1,60 7,0 931 1,48 6,9 676 Afgewerkte olietank 1,39 7,1 594 Voormalige pompeiland 2,54 6,8 1.503 0,98 7,0 834 0,96 6,7 949 2,64 7,2 899 1,50 6,5 1.607 1,40 6,8 1.081 1,75 7,0 1.428 1,45 7,0 776 1,80 7,5 488
Troebelheid (NTU)
Belucht
8,67 23,6 7,39 7,23
nee nee nee nee
4,23
nee
5,65 4,56 4,56 19,2 30,5 8,95 4,67 6,73 7,75
nee ja ja nee ja nee nee ja ja
De gemeten waarden van het grondwater vertonen geen afwijkende waarden ten opzichte van een natuurlijke situatie. De gemiddelde grondwaterstand bedraagt circa 1,60 m-mv. De grondwaterstand is berekend op basis van het freatisch grondwater. Op basis van de grondwaterstanden uit de “diepe” peilbuizen blijkt dat er sprake is van neerwaarts gerichte grondwaterstroming.
Pruimendijk 21 te Rijsoord: 1501G915/DBI/rap1
13/26
Asbestonderzoek Tijdens de visuele inspectie van het maaiveld is één stukje asbestverdacht materiaal aangetroffen. De locatie van het asbestverdacht materiaal is weergegeven in de situatietekening (bijlage 1.2). Ter bevestiging en voor het vaststellen van de samenstelling van het asbestverdachte materiaal is het stukje overgebracht naar RPS Analyse B.V. (RvA L192) te Ulvenhout. De resultaten van de kwantificatie, alsmede de gegevens van het op het maaiveld aangetroffen stukje zijn in tabel 6 weergegeven. De analysecertificaten zijn in bijlage 3.2 opgenomen. TABEL 6: Aangetroffen stukje Nummer
Omschrijving
Gewicht [g]
Samenstelling
Hechtgebonden
AVM01
plaatmateriaal
89
chrysotiel 10-15%
goed
Voor de inspectie van de bodem zijn vijf gaten gegraven. Echter, in verband met de bodemopbouw en diepte van de puinlagen was het niet mogelijk om in de puinhoudende bodemlagen volledig een gat te graven. De samenstelling van de bodem is weergegeven in bijlage 2. Van het opgeboorde puinhoudende materiaal is één mengmonster samengesteld. Om deze reden wordt het onderzoek als zijnde indicatief beschouwd, maar wel voldoende om een goed beeld te schetsen of al dan niet sprake is van asbest in de bodem/puin. Voor de verrichting van een kwantificatie is het mengmonster overgebracht naar RPS Analyse B.V. (RvA L192) te Ulvenhout. De analysecertificaten zijn in bijlage 3 opgenomen. De samenstelling van het mengmonster, alsmede de resultaten zijn beknopt in tabel 7 weergegeven. TABEL 7: Analyseresultaten (asbest < 16 mm) code