Reactie ministerie zienswijzen NRD 380 kV hoogspanningsverbinding.pdf
Tekst van het document
Reactie ministerie EZK/TenneT op de ingediende zienswijzen inclusief duiding Zienswijze 1: Indiener verzoekt om voor de start van het planMER een nadere analyse uit te voeren in het kader van de IEA. Antwoord 1: Indiener koppelt de knelpuntanalyses naar haalbaarheid en maakbaarheid aan de IEA qua fase. In het kader van de lopende ontwikkeling van onderzoeksalternatieven binnen de corridors die nodig zijn voor de effectstudies, wordt momenteel al nadrukkelijk gekeken naar maakbaarheid en haalbaarheid. Zie voor dit proces ook hoofdstuk 4.7 van de concept-NRD. Als het duidelijk is of wordt dat een knelpunt niet oplosbaar is, dan kan een corridor vroegtijdig afvallen. Daartoe wordt dan in dit (begin)stadium van de verkenning al alle benodigde informatie verzameld en beoordeeld. Conclusies worden met de betrokken gemeenten besproken, zoals afgesproken. In dat kader zal dan ook de benodigde communicatie worden afgestemd. Over de volgorde van planMER, IEA en ontwerpvoorkeursbeslissing zullen wij met uw gemeente in overleg treden, om hier een nadere toelichting over te geven. Er wordt gelijktijdig gewerkt aan planMER en IEA, waarbij de planMER input is voor de IEA. Beide starten echter zo spoedig mogelijk als hiervoor de relevante voorbereiding(stappen) en informatie voorhanden is.
Reactie 1: In het ambtelijk en bestuurlijk overleg is besproken dat zowel de IEA als het planMER een grote gelijktijdigheid hebben en ook een itererend proces kennen. Hiermee wordt in de praktijk recht gedaan aan onze zorg rond de twee trajecten.
Zienswijze 2: Indiener verzoekt een omissie te herstellen met betrekking tot de doelstelling van CO2-uitstoot. Antwoord 2: De bevinding van de gemeente klopt en zal worden aangepast in de definitieve NRD. Reactie 2: Ingestemd is met onze zienswijze.
Zienswijze 3: Indiener verzoekt op de belemmeringenkaart het Rijksproject Delta Rhine Corridor op te nemen en te betrekken bij verdere processtappen. Antwoord 3: De Delta Rhine Corridor uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Energie en Klimaat (MIEK) zal als belangrijk gelieerd energieproject met het ministerie van EZK als bevoegd gezag uiteraard worden betrokken in de besluitvorming over onderhavig project. Op de volgende versie van de belemmeringenkaart zal deze worden aangegeven. Reactie 3: De impact van het Delta Rhine Corridor wordt direct betrokken bij de belemmeringen waarbij invulling is gegeven aan onze zienswijze.
Zienswijze 4: Indiener vraagt om herziening van corridor 1 op basis van het uitgangspunt dat stedelijk gebied niet tot het zoekgebied van de nieuwe verbinding behoort (pagina 31 concept-NRD). Antwoord 4: Stedelijk gebied is in voor de bepaling van het zoekgebied en ontwikkeling van de corridors aangemerkt als aaneengesloten stedelijke agglomeratie. De meer landelijke, - rand- of tussengelegen zones zijn hier niet in meegenomen. Dat is interpretabel, maar wij zijn van oordeel dat we met inachtneming van het maatwerk door de corridor deels te (moeten) versmallen, recht hebben gedaan “redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven” te definiëren. Reactie 4: Er wordt in dit project gebruik gemaakt van een andere definitie van stedelijk gebied als welke de provincie hanteert in haar omgevingsvisie. Dit wordt ook met zoveel woorden erkend. Dit blijft een punt van nadere aandacht.
Zienswijze 5: Indiener vraagt of wordt vastgehouden aan de minimale maat van een corridor (1.200 meter) waardoor corridor 1 komt te vervallen, of dit uitgangspunt wordt losgelaten. Antwoord 5: Dit uitgangspunt is door de bij punt 4 genoemde reden in dit specifieke geval komen te vervallen. Reactie 5: De minimale maat wordt in dit specifieke corridor losgelaten, nadrukkelijk zal bij mogelijk verdere uitwerking door ons scherp worden gekeken naar de mogelijke effecten van deze smallere corridor.
Zienswijze 6: Indiener vraagt om de IEA op korte termijn uit te voeren, met inachtneming van een financiële beoordeling, om zo onhaalbare oplossingen te kunnen laten vervallen. Antwoord 6: Graag wordt verwezen naar onze reactie onder punt 1. Reactie 6: In zowel het ambtelijk als het bestuurlijk overleg is besproken dat zowel de IEA als het planMER een grote gelijktijdigheid hebben en ook een itererend proces kennen. Hiermee wordt in de praktijk recht gedaan aan onze zorg rond de twee trajecten.
Zienswijze 7: Indiener verzoekt nogmaals eerst de IEA uit te voeren en dan het planMER en om te benoemen wie het besluitvormend orgaan is m.b.t. de IEA. Antwoord 7: Graag wordt verwezen naar onze reactie onder punt 1 voor wat betreft gelijktijdigheid van IEA en planMER. Voor wat betreft besluitvorming wordt verwezen naar hoofdstuk 1.3 van de concept-NRD; TenneT is als netbeheerder van het hoogspanningsnet binnen Nederland de initiatiefnemer van dit project en verantwoordelijk voor het uitvoeren van de benodigde onderzoeken en het opstellen van de benodigde rapporten, zoals het planMER en projectMER. Hiertoe wordt ook de IEA gerekend. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) coördineert de besluitvorming, met als verantwoordelijken de ministers voor K&E en voor VRO. Zij vormen het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het op juiste wijze doorlopen van de procedures en de kwaliteit van de opgestelde rapporten. Reactie 7: Duidelijk is nu gemaakt wie uiteindelijk de besluiten gaat nemen. Wij kunnen op diverse momenten invloed proberen uit te oefenen maar de uiteindelijke beslissing is niet aan het college of gemeenteraad. In deze situatie is het dan ook van het grootste belang om alle ontwikkelingen nauwgezet te blijven volgen en waar mogelijk invloed uit te oefenen.
Zienswijze 8: Indiener verzoekt om de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond en ondernemers en maatschappelijke instellingen toe te voeren aan de lijst van partijen die betrokken worden in het proces. Antwoord: Antwoord 8: Met betrekking tot dit verzoek wordt voorgesteld nader te overleggen. Wij zullen hiervoor contact opnemen. Op onze website (www.tennet.eu/geertruidenberg-krimpen) staan onze contactgegevens. Reactie 8: In het ambtelijk overleg is de afspraak gemaakt om de genoemde partijen nadrukkelijker te betrekken bij de resultaten uit het planMER.
Zienswijze 9: Indiener verzoekt te onderzoeken wat de risico's kunnen zijn van mogelijke domino effecten en onderzoek te doen naar effecten van draden van een hoogspanningskabel op bedrading van elektrisch aangedreven treinen. Antwoord 9: Dit aspect zal onderzocht en beoordeeld worden in het kader van de veilige maakbaarheid en instandhouding van kruisingen met (spoor)weginfra. Voor zover het domino-effect betreft zal dit worden beoordeeld in het kader van veiligheid bij calamiteiten. Reactie 9: Het domino-effect wordt nu nadrukkelijk benoemd en maakt onderdeel uit van de veiligheidsstudie waarmee invulling is gegeven aan onze zienswijze.
Zienswijze 10. Indiener verzoekt onderzoek te doen naar de haalbaarheid rond het passeren van knooppunt Ridderkerk, zowel technische als ruimtelijke en financieel, uit te voeren voor zowel de bouwfase als de exploitatiefase. Antwoord 10: Zoals indiener het verzoek beschrijft, zal dit ook in de komende onderzoeksfase worden onderzocht en beoordeeld. Reactie: In het planMER zal nadrukkelijk de kruising van het knooppunt worden onderzocht waarmee invulling is gegeven aan onze zienswijze.
Zienswijze 11 Indiener verzoekt om expliciet onderzoek te doen naar de belemmering die de mogelijke werpafstand van windturbines heeft op corridor 1 en onderlinge effecten tussen windturbines een hoogspanningsverbindingen. Antwoord 11: Een van de uitgangspunten is dat er voldoende afstand dient te zijn tussen de te realiseren bovengrondse verbinding en de windturbines en/of zonneparken in het plangebied. Bij windturbines is de val-/werpafstand bepalend: het streven is om te voorkomen dat een molenwiek de draden van de bovengrondse verbinding kan raken. Maar in sommige gevallen kan niet op voorhand worden uitgesloten dat er windturbines zich toch binnen de belemmeringenstrook (of ZRO-strook als die breder is) bevinden. Via een GIS-viewer wordt het aantal windturbines en de locaties in het plangebied bepaald (hierin worden de (autonome) wijzigingen tot aan 2030 die nu bekend zijn meegenomen). Om elke windturbine wordt (als worst case) de maximaal mogelijke werpafstand van de wieken geprojecteerd (op basis van de hoogtes van die windturbines en mede op basis van de Handreiking Risicozonering Windturbines 2020). Reactie 11: De effecten van de vergunde windturbines in Nieuw-Reijerwaard zullen op bovenstaande wijze worden beoordeeld waarbij er ook een afweging zal worden gemaakt door het ministerie van EZK welke ontwikkeling prioritair wordt.
Hierbij kan de situatie ontstaan dat reeds bestaande turbines zullen moeten wijken voor deze verbinding. Bij het uitvoeren van de onderzoeken binnen het planMER wordt hieraan aandacht gegeven.
Zienswijze 12. Indiener verzoekt om de gebiedsvisie en overige ontwikkelingen in gemeente Ridderkerk als vaststaand gegeven mee te nemen in het onderzoek, zodat door de gemeente gewenste ontwikkelingen niet onmogelijk worden gemaakt. Antwoord 12: In dit kader is met de gemeente overlegd over aard en omvang van de autonome ontwikkelingen in de gemeente. Voor wat betreft het meenemen van plannen, projecten en gebiedsvisies, wordt graag verwezen naar paragraaf 3.10 van deze reactienota. In het overleg over de autonome ontwikkelingen met de gemeente, zal worden besproken welke ontwikkelingen als autonoom worden aangemerkt en worden betrokken in de referentiesituatie. Reactie: Uit het ambtelijk overleg is duidelijk geworden dat autonome ontwikkelingen slechts dan worden meegenomen indien over deze ontwikkelingen een formeel ruimtelijk besluit is genomen. Een voornemen tot ontwikkeling wordt niet meegenomen in de belemmeringenkaart. Voor o.a. de ontwikkeling van de rivieroevers heeft dit tot gevolg dat deze autonome ontwikkeling op dit moment nog niet als belemmering wordt gezien.
Zienswijze 13: Indiener verzoekt om effecten op Rijksmonumenten en cultuurhistorische waarde van omliggend park mede te onderzoeken. Antwoord 13: In de concept-NRD is op p. 40 opgenomen dat de aanwezigheid van NNN-gebied en Landgoed Donckse Bos een van de belangrijke belemmeringen betreft die worden betrokken in nader onderzoek om te bezien of een tracé in corridor 1 haalbaar en maakbaar is. In dat kader maar ook bij een vervolg van het onderzoek ten behoeve van planMER en IEA, zal het landgoed e.o. nadrukkelijk onderwerp zijn van de effectbeoordeling. Reactie 13: Met het antwoord is duidelijk aangegeven dat er nadrukkelijk aandacht is voor deze waarden en er invulling is gegeven aan onze zienswijze.
Zienswijze 14: Indiener vraagt om effecten op drinkwaterputten en zoekgebied voor beschermd drinkwater mee te nemen in het plan MER. Antwoord 14: Rondom onttrekkingsputten, zoals ook door de gemeente aangegeven, zijn ‘waterwingebieden’ aangewezen. Deze worden in beginsel enkel gebruikt voor hoogspanning infrastructuur, als deze geen effecten op de drinkwatervoorziening hebben. Voor zover het betreft zoekgebieden, zal nader overleg dienen plaats te vinden. Dit onderwerp zal nadrukkelijk deel uitmaken van tracering en effectonderzoek. Reactie 14: Het drinkwaterwingebied is opgenomen als nadrukkelijk aandachtspunt waarbij de effecten zullen worden onderzocht waarmee invulling is gegeven aan onze zienswijze.
Zienswijze 15: Indiener vraagt om, uitgaande van het landelijk voorzorgsbeginsel, te onderzoeken welke afstand nodig is tot gevoelige bestemmingen. Antwoord 15: In de onderzoeksfase worden afstanden en hoeveelheden gevoelige bestemmingen zoals woningen, scholen en kinderdagverblijven binnen de magneetveldzone bepaald. Graag wordt voor dit onderwerp en nadere informatie verwezen naar paragraaf 3.5 van deze reactienota. Reactie 15: In het antwoord wordt geen standpunt ingenomen rond de “harde” grens van 0,4 microTesla als grens waarbinnen zich geen gevoelige bestemmingen mogen bevinden. Er wordt verwezen naar het nieuwe rijksbeleid waarbij er ruimte wordt gecreëerd om ook hogere magneetveldsterktes toe te staan, gebaseerd op een goede ruimtelijke onderbouwing. Dit blijft een nadrukkelijk aandachtspunt waarbij het college zich op het standpunt stelt dat er geen gevoelige bestemmingen mogen zijn binnen de 0,4 microTesla magneetveldzone. Dit zal dan ook nadrukkelijk aandacht krijgen bij de ambtelijke en bestuurlijke overleggen.
Zienswijze 16: Indiener verzoekt om de vrijwaringszone buisleiding uit de structuurvisie buisleiding als afstandsbeperking mee te nemen in het zoekgebied van corridor 1, naast de mogelijke ontwikkelingen van de Delta Rhine Corridor. Antwoord 16: Dit verzoek zal eerst intern worden besproken voor zover het een uitspraak over de vrijwaringszone betreft. Hierover zal nog contact worden opgenomen in het kader van (autonome) ontwikkelingen in het gebied. Reactie 16: Dat dit intern moet worden besproken wekt verwondering. De vrijwaringszone is wettelijk ruimtelijk vastgelegd en is een hard gegeven. In de komende ambtelijk overleggen over de belemmeringenkaart zal dit nogmaals worden aangegeven dat er geen sprake is van vrijblijvendheid maar dat de vrijwaringszone een gegeven is.
Zienswijze 17: Indiener verzoekt om laagfrequent geluid op te nemen in de onderzoeken. Antwoord:17: Voor stations wordt nader onderzoek gedaan naar de effecten van laagfrequent geluid. In de gemeente Ridderkerk is geen (380kV-)hoogspanningsstation aanwezig dat vanwege het project wordt aangepast. In het IP2024 is wel een nieuw 150kV-hoogspanningsstation in de gemeente Ridderkerk opgenomen. Reactie: De ontwikkeling van het nieuwe station kent uiteraard zijn eigen dynamiek. Bijzonder hierbij is wel dat dit station bij voorkeur gepositioneerd wordt binnen corridor 1 en daarmee een directe relatie krijgt met de 380 kV verbinding. In het antwoord wordt impliciet aangegeven dat er geen sprake is van laagfrequent geluid vanuit de verbinding.
Zienswijze 18: Indiener verzoekt om andere effecten op vogels dan botsingen met draden te onderzoeken en andere beschermde diersoorten zoals bijvoorbeeld vleermuizen. Antwoord 18: Vaak worden masten van hoogspanningsverbindingen als broedplaats door bepaalde soorten roofvogels gebruikt. Dit geldt voor de bouw van nieuwe nesten, als ook gebruik van verlaten oude nesten. Ook worden hoogspanningsmasten- en verbindingen door vogels als uitkijkpost benut. Op welke wijze deze positieve effecten worden betrokken in het natuuronderzoek naar soorten, is op dit moment nog niet bekend. Onderzoek naar effecten op vleermuizen zullen uiteraard deel uitmaken van het effectonderzoek. Voor wat betreft de Biesbosch maakt Staatsbosbeheer hier ook nadrukkelijk melding van (o.m. de meervleermuis). Reactie: Alle door ons benoemde effecten worden nu onderzocht waarmee invulling wordt gegeven op onze zienswijze.
Zienswijze 19: Indiener verzoekt om effecten van stikstofdepositie op beschermde Natura200 gebieden te onderzoeken. Antwoord 19: De omvang van stikstofdepositie in de aanlegfase zullen voor de verschillende corridors in beeld worden gebracht en beoordeeld. Zie voor een nadere toelichting ook paragraaf 3.6 onder stikstof. Reactie: De stikstofdepositie wordt onderzocht waarbij onze zienswijze is ingevuld.
Zienswijze 20: Indiener verzoekt om effecten op landbouwhuisdieren te onderzoeken. Antwoord 20: In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat op basis van de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek dat er geen reden is om aan te nemen dat er sprake is van schadelijke effecten op landbouwdieren als gevolg van magneetvelden van hoogspanningsverbindingen. Hier wordt dan ook geen onderzoek naar gedaan in de milieueffectrapportage. Reactie 20: In de beantwoording is in het algemene deel aangegeven dat, gebaseerd op onderzoek, er geen (bekende) effecten zijn op landbouwdieren. Met deze verdere onderbouwing is dan ook invulling gegeven op onze zienswijze.
Zienswijze 21: Indiener verzoek om vermijdgedrag in recreatiegebieden te onderzoeken als gevolg van de aanwezigheid van een hoogspanningsverbinding. Antwoord 21: De ligging van een hoogspanningsverbinding dichtbij een recreatiegebied werkt afstotend en zorgt voor vermijdgedrag. Via een GIS-analyse wordt het aantal recreatiegebieden bepaald in de nabijheid van de onderzoeksalternatieven. Op basis van “expert-judgement” wordt bepaald of de alternatieven onderscheidend zijn. Reactie 21: Het vermijdgedrag is toegevoegd aan de onderzoeksopgave waarbij de diverse gebieden worden bezien om te kunnen beoordelen of er onderscheid gemaakt kan worden tussen de diverse gebieden.
Zienswijze 22: Indiener verzoekt te onderzoeken in welke mate ijsafzetting op draden en masten een risico vormt voor bewoners en ondernemers. Antwoord 22: Door mogelijke ijsvorming en ijsafzetting op de draden kan er een risico op schade ontstaan op omliggende bebouwing (o.a. bij kassen). Via een GIS-analyse wordt beoordeeld of sprake is van bebouwing die hinder kan ondervinden van ijsvorming op de draden. Reactie 22: Door de risico’s in kaart te brengen is invulling gegeven aan onze zienswijze.
Zienswijze 23: Indiener verzoekt te onderzoeken of corridor 1 door Ridderkerk ondergronds aangelegd kan worden. Antwoord 23: Wij begrijpen vanuit gemeentelijk perspectief de wens om bepaalde gedeeltes ondergronds aan te leggen. Voor de mogelijkheden hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 3.4 van deze reactienota. Reactie: Landelijk uitgangspunt voor dit soort verbindingen is bovengrondse aanleg tenzij dit niet anders kan en dan nog in beperkte lengte. Gezien de impact en de grote belemmeringen, denk aan de Ridderster, blijft onze inzet gericht op zoveel mogelijk ondergronds.