CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapportage relatie scheidingen ggz en jeugdhulp.pdf

Commissie Samen leven RK 30 maart 2023, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Gespreksnotitie over Gezondheidsmonitor Kinderen 2022 Ridderkerk op verzoek van de raadsleden R. van de Waerdt, E. de Wolff - ter Beek, T. Overheid, C. van Vliet en A. Ripmeester7.292 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RELATIE TUSSEN SCHEIDINGEN, GGZGEBRUIK EN JEUGDZORGGEBRUIK NADER ONDERZOEK

KLANT KENMERK AUTEUR(S) DATUM VERSIE

Ministerie van VWS MB/jve/002757 Maarten Batterink & Wijnand van Plaggenhoef 27 januari 2022 Definitief

INHOUDSOPGAVE

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Inleiding

3

1.1

Achtergrond en aanleiding

3

1.2

Vraagstelling

3

1.3

Ontwikkelingen met betrekking tot scheidingen

4

1.4

Scheidingen en jeugdzorggebruik

4

1.5

Geestelijke gezondheidzorg bij ouders en jeugdzorg

5

Aanpak

6

2.1

Gebruikte databestanden

6

2.2

Disclaimer van het CBS bij het gebruik van niet-openbare microdata

6

2.3

Aanpak

7

Resultaten

8

3.1

Samenhang scheidingen en jeugdzorg

8

3.2

Samenhang specialistisch ggz-gebruik ouders en jeugdzorggebruik

13

3.3

Samenhang scheidingen, ggz-gebruik bij de ouders en jeugdzorggebruik

14

3.4

Ontwikkeling samenhang scheidingen en jeugdhulp over de tijd

17

Conclusies

19

4.1

Sterke samenhang tussen scheidingen tussen ouders en jeugdzorggebruik bij de kinderen

19

4.2

Specialistisch ggz-gebruik van de ouders hangt sterk samen met jeugdzorggebruik van de kinderen, vooral wanneer er ook sprake is van een scheiding

19

4.3

Aandeel kinderen met scheidingen in de jeugdzorg constant over de tijd

19

4.4

Wat betekenen deze uitkomsten?

20

4.5

Suggesties voor vervolgonderzoek

20

1 Inleiding 1.1

Achtergrond en aanleiding

De afgelopen decennia wordt er steeds vaker een beroep gedaan op de jeugdzorg. We zien ook dat de afgelopen jaren de uitgaven aan jeugdzorg flink zijn toegenomen1. Het is daarom van belang om een goed beeld te hebben van oorzaken van deze toename van het jeugdzorggebruik en daarbij onderscheid te maken tussen factoren die samenhangen met de demografische ontwikkeling van de Nederlandse populatie en de factoren die samenhangen met de manier waarop de jeugdzorg is georganiseerd. Op verschillende plekken en in verschillende onderzoeken wordt de relatie gelegd tussen (echt)scheidingen en jeugdzorggebruik2. Zo zijn er studies die significante relaties tonen (zie ook een recente maatwerktabel van het CBS), maar ook jeugdzorgprofessionals geven aan dat bij soms tot wel 80% van hun caseload sprake is van gerelateerde scheidingsproblematiek bij de ouders. In een recent onderzoek dat de (maatschappelijke) kosten van complexe scheidingen in beeld heeft gebracht, wordt ook de samenhang benadrukt tussen scheidingen en (de kosten) voor jeugdzorg. Bij een deel van de scheidingen speelt ook andere problematiek een rol, bijvoorbeeld bij (een van) de ouders2. Daarmee is het moeilijk om de causaliteit exact te duiden. In het onderzoek van het CBS naar de sociale omgeving wordt het krijgen van jeugdzorg in verband gebracht met een scheiding tussen de ouders in de afgelopen vijf jaar.

Hierbij valt op dat kinderen met jeugdzorg vaker te maken hebben gehad met ouders die in de vijf afgelopen jaren zijn gescheiden dan kinderen die geen jeugdzorg krijgen. Onduidelijk is echter of en hoe de jeugdzorg geplaatst kan worden in de tijd ten opzichte van de scheiding van de ouders. Was er al sprake van jeugdzorg voorafgaand aan de scheiding, begon deze rond het moment van de scheiding, of startte de jeugdzorg pas na de scheiding? Inzicht in de samenhang tussen scheidingen en jeugdzorg kan gemeenten en jeugdzorgprofessionals helpen om beleid en passend aanbod te ontwikkelen gericht op het voorkomen van (escalatie bij) scheidingen.

Inmiddels zijn er over zes jaren data beschikbaar over jeugdzorggebruik. Het betreft de beleidsinformatie jeugd, een zeer rijke en meest complete gegevensset over jeugdzorggebruik. Dit is een opportuun moment om de beleidsinformatie op microniveau te gebruiken om meer inzicht te krijgen in de relatie tussen scheidingen en jeugdzorggebruik.

1.2

Vraagstelling

Dit onderzoek is erop gericht om de volgende onderzoeksvragen te beantwoorden: 1.

Welke vormen van jeugdhulp en jeugdbescherming volgen na scheiding met kinderen het meest, of gaan daaraan vooraf?: a.

Op welke momenten (in de jaren voorafgaand aan de scheiding, in het jaar van de scheiding, in de jaren na de scheiding) is sprake van jeugdzorggebruik en hoe verhoudt zich dat tot de referentiegroep kinderen waarvan de ouders bij elkaar zijn gebleven?

b. 2.

Om welke vormen van jeugdzorg gaat het dan?

Is het mogelijk om hierin een ontwikkeling te zien? a.

Zien we inderdaad een toename van scheiding gerelateerde hulp, zoals veel professionals aangeven, of neemt dit aandeel juist af (we zien in de cijfers van het CBS dat het aantal jongeren tot 18 jaar betrokken bij een echtscheiding de afgelopen jaren licht afneemt).

3.

Is er een relatie tussen ouderlijke ggz-hulp, jeugdhulp en jeugdbescherming en scheidingen? En zo ja, in welke richting?

1

Stelsel in groei, onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg. AEF 2020.

2

De sociale omgeving van jeugdzorgjongeren, 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek 2020.

3

De nadruk ligt dus op een kwantitatieve analyse op basis van de microdata van de beleidsinformatie jeugd en enkele aanvullende bronnen van het CBS.

1.3

Ontwikkelingen met betrekking tot scheidingen

Jaarlijks maken tussen de 25 duizend en de 35 duizend minderjarige kinderen mee dat hun ouders scheiden. Het gaat om jaarlijks tussen de 15 duizend en 20 duizend echtscheidingen (zie figuur 1). Daarnaast gaan er ook ouders uit elkaar die niet gehuwd zijn, maar bijvoorbeeld een geregistreerd partnerschap hebben. Het CBS heeft voor 2016 uitgezocht dat meer dan 53 duizend kinderen meemaakten dat hun ouders uit elkaar gingen3. Bij 33 duizend kinderen betrof het een echtscheiding en bij 20 duizend kinderen waren de ouders niet getrouwd. Het aantal kinderen dat jaarlijks betrokken is bij een echtscheiding lijkt al langere tijd redelijk stabiel te zijn. Toch neemt het percentage van de kinderen dat niet gezamenlijk met beide ouders woont toe. Zo geeft het CBS aan dat tussen 1997 en 2017 het percentage vijftienjarigen dat niet gezamenlijk met beide ouders op hetzelfde adres woont, is gestegen van 20 naar 30. In verreweg de meeste gevallen was een scheiding van de ouders de oorzaak. Bij minder dan 5 procent van de vijftienjarigen in nietintacte gezinnen was een of beide ouders overleden3.

Figuur 1. Aantal echtscheidingen met kinderen en het aantal kinderen betrokken bij echtscheidingen in de periode 2000 - 2020

1.4

Scheidingen en jeugdzorggebruik

Scheidingen tussen ouders wordt in verband gebracht met verschillende problematiek bij de kinderen. Uit een metaanalyse blijkt dat de problemen als gevolg van een scheiding de afgelopen tien jaar in ernst zijn toegenomen (SwartzDen Hollander et al., 2018). Uit deze studie blijkt onder andere dat bij 20 procent van de kinderen die een scheiding meemaken, de problemen blijven voortduren. Bij ongeveer 80 procent gaat het na zo’n twee jaar weer goed.

Daarnaast hangt verschillende problematiek waarvoor zorg en hulpverlening wordt ingezet ook samen met scheidingen, los van de vraag hoe de causaliteit precies ligt. Voor een deel van de problematiek wordt jeugdzorg ingezet. In een kostenanalyse van complexe scheidingen zijn verschillende typen hulpverlening op een rijtje gezet, waaronder verschillende vormen van hulp die onder de jeugdzorg vallen4:

3

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/18/3-op-10-vijftienjarigen-wonen-niet-met-beide-ouders

4

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/11/04/kostenanalyse-van-complexe-scheidingen

4

a.

Preventieve programma’s en interventies gericht op ondersteuning van (en voorkomen van problemen bij) kinderen die te maken hebben met ouders die scheiden. Denk hierbij aan preventieve programma’s van wijkteams of centra voor Jeugd en Gezin en zorgaanbieders;

b.

Zorg gericht op individuen in een gezin die te lijden hebben onder de scheiding. Deze zorg of hulpverlening is niet altijd los te zien van problemen die er ook zijn/waren zonder de scheiding of die zelfs (mede) aanleiding zijn van een scheiding. Oorzaak-gevolg is in dit geval niet altijd eenduidig;

c.

Bij complexe echtscheidingen kan de rechter aan de Raad voor de Kinderbescherming vragen om een gezagsen omgangsonderzoek uit te voeren. De rechtszaken betreffen hier ontbindingen van huwelijken waar de rechter zich over buigt, dan wel een hoger beroep hierover, of rechtsprocedures die in een later stadium na een echtscheiding spelen bijvoorbeeld over de omgangsregeling of over het gezag. In 2019 was ruim 5000 keer sprake van een gezags- en omgangsonderzoek5. Een dergelijk onderzoek kan, als daar aanleiding voor is, worden uitgebreid tot een beschermingsonderzoek (in 2019 was hier bijna 1400 keer sprake van). In 2019 zijn er vervolgens ruim 1000 aanvragen voor een OTS ingediend. Daarnaast geven jeugdbeschermers aan bij een groot deel van hun caseload (ondertoezichtstellingen en voogdij) te maken hebben met complexe scheidingen (tussen de 70% en 80%). De scheiding is dan niet altijd de aanleiding geweest voor een onderzoek en/of een OTS, maar speelt dan wel een rol in de casuïstiek. Het CBS becijferde dat 51% van alle kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel gescheiden ouders heeft die in de afgelopen vijf jaar waren gescheiden2. Het totale aandeel gescheiden ouders (ook eerder dan in de afgelopen vijf jaar gescheiden) bij jeugdbescherming ligt dus nog hoger;

d.

Een jeugdbeschermer kan ook interventies voor kinderen, ouders of kinderen en ouders inzetten die uitgevoerd worden door (jeugdhulp)aanbieders. Deze interventies kunnen ten tijde van een OTS ook door het lokale wijkteam worden ingezet. In het geval er sprake is van jeugdbescherming en er moet worden overgegaan tot uithuisplaatsing van (een van) de kinderen, wordt jeugdhulp met verblijf ingezet. Bij een uithuisplaatsing heeft een gezinsgerichte vorm van hulp/opvang, zoals pleegzorg meestal de voorkeur.

1.5

Geestelijke gezondheidzorg bij ouders en jeugdzorg

De link tussen ggz-gebruik van ouders en jeugdzorggebruik wordt vaak gelegd, maar is niet makkelijk in cijfers uit te drukken. Uit de eerder genoemde analyse van het CBS (de sociale omgeving van jeugdzorggebruikers2) komt naar voren dat ouders van kinderen met jeugdzorg gemiddeld genomen vaker te maken hebben (gehad) met geestelijke gezondheidszorg dan kinderen zonder jeugdzorg. Voor het huidige objectieve gemeentelijke verdeelmodel voor de jeugdzorg is langdurig ggz-medicijngebruik een van de maatstaven, waarmee wordt uitgegaan van een relatie tussen ggz-gebruik van ouders en jeugdzorggebruik. In 2019 maakten 1,2 miljoen mensen gebruik van de curatieve ggz6. Hieronder valt de generalistische basis-ggz, gespecialiseerde ggz en zorg geleverd door de praktijkondersteuners bij huisartsen (POH-GGZ).

5

Scheidingen 2019. Gerechtelijke procedures en gesubsidieerde rechtsbijstand. Factsheet 2020-1. WODC.

6

De Staat van Volksgezondheid en Zorg.

5

2 Aanpak In dit hoofdstuk gaan we in op de voor dit onderzoek gebruikte databestanden en gaan we in op de aanpak van de analyses die we hebben uitgevoerd en de belangrijkste keuzes die we hierin hebben gemaakt.

2.1

Gebruikte databestanden

Dit onderzoek betreft een analyse van niet-openbare microdatabestanden die onderdeel zijn van de catalogus van het CBS. In totaal zijn voor de analyse een zevental databestanden gebruikt: a.

Databestand met gegevens over jeugdhulpgebruik: in dit bestand zijn de trajecten voor jeugdhulp bijeengebracht, die door alle aanbieders van jeugdhulp aan het CBS geleverd zijn, in het kader van de Beleidsinformatie Jeugd. Dit bestand bevat personen aan wie gedurende (een deel van) de verslagperioden een of meerdere vormen van hulp of zorg is verleend in het kader van de Jeugdwet, uitgezonderd jeugdbescherming en jeugdreclassering. In de regel zijn dit personen met een leeftijd tot 18 jaar, maar in bepaalde gevallen kunnen personen tot 23 jaar ook hulp of zorg ontvangen;

b.

Databestand met gegevens over jeugdbescherming: in dit bestand zijn de trajecten over jeugdbescherming bijeengebracht die door alle aanbieders van jeugdbescherming aan het CBS geleverd zijn in het kader van de Beleidsinformatie Jeugd. Dit bestand bevat personen aan wie gedurende (een deel van) de verslagperioden een of meerdere vormen van jeugdbescherming is verleend in het kader van de Jeugdwet;

c.

Databestand met gegevens over het vormen van een samenwonend paar. Dit bestand bevat aan elkaar gekoppelde personen die gedurende een aaneengesloten periode op één adres een samenwonend paar hebben gevormd. Om als partners in een samenwonend paar te worden getypeerd is gebruikgemaakt van hulpinformatie. Deze hulpinformatie betreft: - een huwelijk van een persoon met een partner; - een gezamenlijk kind van twee ouders; - het gezamenlijk verhuizen van twee personen van eenzelfde adres naar eenzelfde ander adres; - het als partner in een paar verkrijgen van zorgtoeslag, huurtoeslag of een gezamenlijke voorlopige aanslag voor de belastingdienst. Deze informatie is gebruikt voor alle perioden dat de aldus geïdentificeerde paren samen op één adres wonen of gewoond hebben;

d.

Databestand met gegevens over ggz-diagnoses. Dit bestand maakt onderdeel uit van een set bestanden die betrekking hebben op behandelingen binnen de geestelijke gezondheidszorg, zoals deze geregistreerd worden in de DBC-systematiek. Dit bestand betreft de gespecialiseerde GGZ. DBC staat voor Diagnose Behandeling Combinatie. Een DBC-zorgproduct is een pakketje zorg met informatie over de diagnose en de behandeling die een patiënt krijgt. Het gaat hier voornamelijk om zorgproducten die beschreven zijn in het basispakket van de zorgverzekering. De zorg vindt plaats in GGZ-instellingen en vrijgevestigde praktijken. De bestanden zijn gebaseerd op de door de instellingen aangeleverde gegevens aan het DBC Informatiesysteem. In het bestand staan alle personen waarvoor in een peiljaar minstens één DBC GGZ is geopend. Basis ggz en geestelijke gezondheidszorg geleverd door een praktijkondersteuner van de huisarts vallen hier niet onder;

e.

Databestand met gegevens over wie de juridische ouders van kinderen zijn voor zover deze geïdentificeerd konden worden. Met deze gegevens is duidelijk welke ouder-kindrelaties er zijn;

f.

Databestand met gegevens over personen die vanaf 1 oktober 1994 in de Basis Registratie Personen (BRP) voorkomen en de demografische achtergrondgegevens (bijvoorbeeld geslacht en geboortejaar);

g.

Databestand met gegevens over adressen van personen die vanaf 1 januari 1995 in de gemeentelijke bevolkingsregisters ingeschreven (hebben ge)staan.

2.2

Disclaimer van het CBS bij het gebruik van niet-openbare microdata

Resultaten zijn gebaseerd op eigen berekeningen van de onderzoekers van Significant Public op basis van nietopenbare microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek betreffende trajecten jeugdhulp aan jeugdigen, trajecten

6

jeugdbescherming aan jeugdigen, perioden van samenwoning van in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven personen die een samenwonend paar vormen of gevormd hebben, en geopende Diagnose Behandeling Combinatietrajecten in de geestelijke gezondheidszorg hoofddiagnose.

2.3

Aanpak

Voor dit onderzoek hebben wij de in 2.1 genoemde bestanden aan elkaar gekoppeld. Aan de ene kant hebben we de gegevens van kinderen die al dan niet gebruikmaken van jeugdzorg. Deze kinderen zijn gekoppeld aan hun ouders die al dan niet een samenwoonrelatie hebben, of op een bepaald moment zijn gescheiden. Van deze ouders weten we ook of zij gebruik hebben gemaakt van de specialistische ggz.

Om een analyse uit te voeren waarbij wordt gekeken naar het jeugdzorggebruik voorafgaand aan een scheiding, hebben wij ervoor gekozen om 2018 als basisjaar voor de jeugdzorg te nemen7. We kijken daarmee naar kinderen met jeugdzorg in 2018 en brengen dat in verband met scheidingen van ouders voorafgaand aan, in het jaar van en in de twee jaar (2019 en 2020) na het jaar van de scheiding. Concreet maken we onderscheid tussen de volgende groepen: 1.

Kinderen van ouders die niet zijn gescheiden [referentiegroep];

2.

Kinderen van ouders die voor 2018 al zijn gescheiden;

3.

Kinderen van ouders die in 2018 zijn gescheiden;

4.

Kinderen van ouders die na 2018 gaan scheiden;

5.

Kinderen van ouders die geen samenwoonrelatie hebben gehad: a.

Een van beide ouders onbekend;

b.

Beide ouders bekend, maar geen samenwoonrelatie gehad.

We kijken in onze analyse verder naar minderjarige kinderen die in Nederland wonen. We hebben in onze analyse met 2018 als basisjaar alle kinderen meegenomen die op 1 januari 2018 nog geen 18 jaar waren en die op enig moment in 2018 in Nederland hebben gewoond. Kinderen die in de loop van 2018 18 jaar zijn geworden zijn wel meegenomen in de analyses. Kinderen die voor 2018 al 18 jaar geworden waren en toch in 2018 jeugdzorg hebben gekregen, zijn niet meegenomen in de analyses.

Voor de analyses over de relatie tussen ggz-gebruik van ouders en jeugdzorggebruik van de kinderen hebben we ook 2018 als basisjaar gekozen. Hierbij hebben we naar jeugdzorg van de kinderen in 2018 en ggz-gebruik van de ouders in 2018 gekeken.

Voor de analyses die inzicht geven in de ontwikkeling van het aandeel kinderen van gescheiden ouders in de jeugdzorg, hebben we per jaar gekeken naar het jeugdzorggebruik in het betreffende jaar en naar of de ouders zijn gescheiden in het betreffende jaar of eerder. Daarmee hebben we per jaar een (deels) andere populatie als basis.

Een groot deel van de benodigde gegevens waren voldoende koppelbaar voor het doel van de analyses van dit onderzoek. Een zeer klein percentage kinderen is uitgevallen, omdat deze niet koppelbaar waren. Deze beperkte uitval heeft geen gevolgen voor de uitkomsten van dit onderzoek.

7

We hebben echter, mede in het kader van de longitudinale analyse de jeugdzorggegevens van 2015 - 2020 gebruikt.

In 2019 en 2020 zijn er nog trajecten in de dataset bijgekomen die betrekking hadden op 2018. Daardoor sluiten de jeugdzorgcijfers van 2018 niet exact aan bij de jeugdzorgcijfers die het CBS presenteert in StatLine.

7

3 Resultaten In dit hoofdstuk presenteren wij de resultaten van de analyse op basis van de CBS-microdata. We gaan eerst in op de relatie tussen scheidingen en jeugdhulpgebruik. Vervolgens gaan we (op vergelijkbare wijze) in op de relatie tussen scheidingen en jeugdbescherming en jeugdreclassering. Vervolgens gaan we in op de relatie tussen ggz-gebruik en scheidingen, tussen ggz-gebruik en jeugdzorggebruik en als laatste op de samenhang tussen ggz-gebruik, scheidingen en jeugdzorggebruik.

3.1

3.1.1

Samenhang scheidingen en jeugdzorg

Relatie tussen scheidingen en jeugdhulp zonder verblijf

Figuur 2 geeft inzicht in de samenhang tussen ambulant jeugdhulpgebruik in 2018 en scheidingen van de ouders. We maken onderscheid tussen vier vormen van ambulante jeugdhulp: a.

Jeugdhulp uitgevoerd door het wijk- of buurtteam;

b.

Ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder;

c.

Daghulp op locatie van de aanbieder;

d.

Jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige.

In de figuur maken we onderscheid tussen kinderen van al dan niet gescheiden ouders zoals die in paragraaf 2.3 zijn toegelicht.

Figuur 2. Aandeel jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf, met ouders die al dan niet gescheiden zijn

In de figuur is te zien dat kinderen van ouders die niet zijn gescheiden en ook niet na 2018 (tot en met 2020, tot dat jaar gaan de gegevens) gaan scheiden het laagste aandeel jeugdigen met jeugdhulpgebruik hebben. Dit geldt voor alle subcategorieën van ambulante jeugdhulp. Het aandeel jeugdigen met jeugdhulp van gescheiden ouders ligt bij de meeste subcategorieën aanzienlijk hoger dan het aandeel bij kinderen van ouders die niet gescheiden zijn. Zowel

8

kinderen van ouders die zijn gescheiden voorafgaand aan het jaar van jeugdhulp (2018) als kinderen van ouders die in 2018 zijn gescheiden hebben relatief veel te maken met jeugdhulp in dat jaar. Jeugdhulp uitgevoerd door het wijk- of buurtteam betreft vaak vrij toegankelijke jeugdhulp en is daarmee relatief gezien een vooruitgeschoven post van de jeugdhulp. Het is in die zin logisch dat hulp vanuit het wijkteam als eerste in beeld komt als er problemen bij een scheiding ontstaan. Ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder, daghulp op locatie van de aanbieder en jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige betreft geïndiceerde zorg, zoals jeugd-ggz.

Opvallend is dat ook het aandeel jeugdigen met jeugdhulp hoger ligt bij kinderen van ouders die (in 2018) nog niet zijn gescheiden, maar nog wel gaan scheiden. Vooral jeugdhulp uitgevoerd door het wijk- of buurtteam komt bij deze groep jeugdigen in verhouding bijna tweemaal zo vaak voor als bij de groep kinderen van ouders die niet zijn gescheiden of gaan scheiden. Van de groep kinderen van ouders die nooit hebben samengewoond heeft ook een relatief hoog aandeel jeugdhulp zonder verblijf, vooral bij jeugdhulp uitgevoerd door het wijk- of buurtteam valt deze groep op.

Bij alle vormen van jeugdhulp zonder verblijf zijn kinderen van gescheiden ouders of van ouders die binnen twee jaar gaan scheiden oververtegenwoordigd. Deze oververtegenwoordiging is het grootst bij jeugdhulp uitgevoerd door het wijk- of buurtteam en bij jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige. Wanneer het gaat om jeugdhulp uitgevoerd door het wijk- of buurtteam, gaat het voor 62% van de jeugdigen om kinderen waarvan de ouders niet samenwonen, waarvan 43% jeugdigen van ouders die zijn gescheiden of ouders die binnen twee jaar gaan scheiden (3%). Bij ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder heeft 47% van alle jeugdigen ouders die niet bij elkaar wonen, 39% van de jeugdigen met ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder heeft gescheiden ouders of gaan de ouders binnen twee jaar scheiden (3%). Bij daghulp op locatie van de aanbieder heeft 48% van de jeugdigen ouders die niet bij elkaar wonen, bij jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige gaat het om 60% van de jeugdigen. Ter referentie: van alle kinderen tot 18 jaar heeft 30% gescheiden ouders (of ouders die nooit bij elkaar hebben gewoond) en gaat zo’n 3% van de ouders binnen twee jaar scheiden.

Figuur 3. Verdeling aantal jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf met al dan niet gescheiden ouders per type jeugdhulp

9

3.1.2

Relatie tussen scheidingen en jeugdhulp met verblijf

Figuur 3 geeft inzicht in de samenhang tussen jeugdhulpgebruik met verblijf in 2018 en scheidingen van de ouders. We maken onderscheid tussen: a.

Pleegzorg;

b.

Jeugdhulp met verblijf bij een instelling of gezinshuis (inclusief gesloten plaatsing).

We maken wederom onderscheid tussen kinderen van al dan niet gescheiden ouders zoals die in paragraaf 2.3 zijn toegelicht.

Figuur 4. Aandeel jeugdigen met jeugdhulp met verblijf, met ouders die al dan niet gescheiden zijn In figuur 4 is te zien dat het aandeel jeugdigen met jeugdhulp met pleegzorg bij kinderen van ouders die niet gescheiden zijn aanzienlijk lager is dan het aandeel jeugdigen met pleegzorg bij kinderen van ouders die wel gescheiden zijn of (nog) gaan scheiden. Ook bij andere vormen van jeugdhulp met verblijf is er sprake van een hoger aandeel jeugdigen met jeugdhulp met verblijf bij kinderen van ouders die zijn gescheiden of dit binnen twee jaar gaan doen. Opvallend is hier het grote verschil in het aandeel jeugdhulp met verblijf tussen kinderen van ouders die niet zijn gescheiden en kinderen van ouders die in 2018 (het jaar van de jeugdhulp) of in de periode 2019 - 2020 gaan scheiden. Kinderen van ouders die nooit hebben samengewoond, hebben veruit het hoogste aandeel jeugdhulp met verblijf.

Bij alle vormen van jeugdhulp met verblijf zijn kinderen van gescheiden ouders of van ouders die binnen twee jaar gaan scheiden zeer sterk oververtegenwoordigd (figuur 5). Deze oververtegenwoordiging is het grootst bij pleegzorg. Daar zien we dat 7% van alle jeugdigen met pleegzorg kinderen betreffen van ouders die niet zijn gescheiden en ook niet binnen twee jaar gaan scheiden. Voor overige vormen van jeugdhulp met verblijf betreft zo’n 25% kinderen van ouders die niet zijn gescheiden of nog gaan scheiden. Ter referentie: van alle kinderen tot 18 jaar heeft 29% gescheiden ouders (of ouders die nooit bij elkaar hebben gewoond) en gaat zo’n 3% van de ouders binnen twee jaar scheiden.

10

Figuur 5. Verdeling aanpak jeugdigen jeugdhulp met verblijf met al dan niet gescheiden ouders per type jeugdhulp met verblijf

3.1.3

Relatie tussen scheidingen en jeugdbescherming en jeugdreclassering

Figuur 6 geeft inzicht in de samenhang tussen jeugdbescherming en jeugdreclassering in 2018 en scheidingen van de ouders. We maken onderscheid tussen: a.

Ondertoezichtstelling OTS);

b.

Voogdij;

c.

Jeugdreclassering.

We maken wederom onderscheid tussen kinderen van al dan niet gescheiden ouders zoals die in paragraaf 2.3 zijn toegelicht.

In figuur 6 is te zien dat het aandeel jeugdigen met jeugdbescherming (OTS of voogdij) bij kinderen van ouders die niet gescheiden zijn aanzienlijk lager is dan het aandeel jeugdigen met pleegzorg bij kinderen van ouders die wel gescheiden zijn of (nog) gaan scheiden. Bij de jeugdreclassering zien we ook dat het aandeel jeugdigen met een reclasseringsmaatregel bij kinderen van ouders die niet gescheiden zijn lager is dan bij kinderen van ouders die niet bij elkaar zijn. Een OTS kan worden opgelegd naar aanleiding van een scheiding. Een rechter kan de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) vragen om een gezag- en omgangsonderzoek. Dit onderzoek kan, als daar aanleiding toe is, worden uitgebreid naar een beschermingsonderzoek om te bezien of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is om de ontwikkeling van het kind veilig te stellen8. Opvallend in deze doelgroep (jeugdbescherming, jeugdreclassering) is het hoge aandeel bij kinderen van ouders die nooit een samenleefrelatie hebben gehad.

8

Factsheet Scheidingen 2019. M. ter Voert, 2020.

11

Figuur 6. Aandeel jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel of met jeugdreclassering, met ouders die al dan niet gescheiden zijn

Figuur 7. Verdeling aantal jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel of met jeugdreclassering met al dan niet gescheiden ouders

Binnen de jeugdbescherming en jeugdreclassering zijn kinderen van gescheiden ouders of van ouders die binnen twee jaar gaan scheiden zeer sterk oververtegenwoordigd (figuur 7). Deze oververtegenwoordiging is het grootst bij de jeugdbescherming. Daar zien we dat 7% van alle jeugdigen met een OTS kinderen betreffen van ouders die niet zijn gescheiden en ook niet binnen twee jaar gaan scheiden. Bij voogdij is dit percentage slechts 5%. Ter referentie: van alle

12

kinderen tot 18 jaar heeft 29% gescheiden ouders (of ouders die nooit bij elkaar hebben gewoond) en gaat zo’n 3% van de ouders binnen twee jaar scheiden.

3.2

Samenhang specialistisch ggz-gebruik ouders en jeugdzorggebruik

In deze paragraaf kijken we naar de relatie tussen specialistisch ggz-gebruik van de ouders en jeugdzorggebruik van de kinderen in 2018. We maken onderscheid tussen of een van de ouders specialistische ggz heeft gehad en of beide ouders specialistische ggz heeft gehad. In totaal betreft dit ongeveer 4% van alle kinderen (met minimaal één ouder die in 2018 specialistische ggz heeft gehad).

In figuur 8 is te zien dat het aandeel jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf bij kinderen van ouders waarvan minimaal een van de ouders specialistische ggz heeft gehad aanzienlijk hoger ligt dan dit aandeel bij kinderen van ouders die geen specialistische ggz hebben gehad. Het aandeel jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf is vooral hoog bij kinderen waarvan beide ouders specialistische ggz hebben gehad.

Figuur 8. Aandeel jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf en specialistisch ggz-gebruik ouders in 2018

We zien bij alle vormen van jeugdhulp zonder verblijf dat kinderen van ouders met specialistische ggz relatief vaker ook jeugdzorg hebben. De kans dat kinderen jeugdhulp zonder verblijf hebben is ruim twee keer zo groot indien een van de ouders specialistische ggz heeft gehad en ruim drie (tot wel vier) keer zo groot indien beide ouders specialistische ggz hebben gehad. Deze analyse zegt overigens niets over de causaliteit, het laat alleen de samenhang zien.

Bij jeugdhulp met verblijf is de samenhang tussen ggz-gebruik bij de ouders en jeugdhulpgebruik bij de kinderen zelfs nog wat sterker (zie figuur 9). Ook hier zien we dat de kans dat kinderen jeugdhulp met verblijf hebben aanzienlijk groter is bij kinderen van ouders die specialistische ggz hebben gehad, dan wanneer de ouders geen specialistische ggz hebben gehad. Vooral wanneer beide ouders specialistische ggz hebben gehad is er relatief vaak sprake van jeugdhulp met verblijf. Nogmaals, deze relatie zegt niets over de causaliteit, alleen dat er sprake is van een (sterke) samenhang.

13

Figuur 9. Aandeel jeugdigen met jeugdhulp met verblijf en specialistische ggz-gebruik ouders in 2018

Bij jeugdbescherming en jeugdreclassering zien we tenslotte ook een sterke samenhang tussen het specialistische ggzgebruik bij de ouders en jeugdbescherming en jeugdreclassering bij de kinderen (zie figuur 10). De kans dat kinderen te maken hebben met jeugdbescherming en jeugdreclassering is aanzienlijk groter wanneer een of beide ouders specialistische ggz heeft gehad, vooral in het geval beide ouders specialistische ggz hebben gehad. Bij jeugdreclassering is dat minder goed te zien in figuur 10, maar ook daar scheelt het een factor 2.

Figuur 10. Aandeel jeugdigen met jeugdbescherming en jeugdreclassering en specialistische ggz-gebruik ouders in 2018

3.3

Samenhang scheidingen, ggz-gebruik bij de ouders en jeugdzorggebruik

In paragraaf 3.1 zagen we een duidelijke samenhang tussen scheidingen tussen ouders en jeugdzorggebruik. In paragraaf 3.2 zagen we een duidelijke samenhang tussen specialistische ggz-gebruik van (een van de) ouders en jeugdzorggebruik. In deze paragraaf combineren de informatie over scheidingen, ggz-gebruik en jeugdzorggebruik. Daarmee kijken we naar de interactie tussen het scheiden van ouders, ggz-gebruik van de ouders en het jeugdzorggebruik van de kinderen. In deze analyse heeft de jeugdbescherming en het ggz-gebruik betrekking op 2018. We maken net als in paragraaf 3.1 onderscheid tussen of ouders al voor 2018, in 2018, na 2018 zijn gescheiden of helemaal niet zijn gescheiden. Ook komt hier de categorie naar voren van kinderen van ouders die nooit hebben

14

samengewoond (of waarvan een van de ouders uit beeld is). Bij deze laatste groep, indien een van de ouders onbekend is, dan is het ook niet bekend of deze ouder specialistische ggz heeft gehad. We zijn in deze gevallen uitgegaan van geen specialistische ggz-gebruik van deze onbekende ouder.

3.3.1

Scheidingen, ggz-gebruik en jeugdhulp

In figuur 11 presenteren we het aandeel jeugdigen met jeugdhulp uitgesplitst naar of de ouders al dan niet gescheiden zijn en of zij al dan niet gebruikmaken van specialistische ggz. In de figuur is te zien dat bij kinderen van ouders die gescheiden zijn én waarvan een of beide ouders specialistische ggz heeft gehad sprake is van een groter aandeel kinderen met jeugdhulp dan wanneer deze combinatie niet aan de orde is. We benadrukken hier dat we op basis van deze analyse niets kunnen zeggen over een eventuele causaliteit, wel blijkt uit deze analyse dat daar waar meer problematiek is bij de ouders (scheiding, psychische problematiek) er ook vaker een beroep wordt gedaan op de jeugdhulp.

Figuur 11. Aandeel jeugdigen met jeugdhulp in 2018 in relatie tot of de ouders zijn gescheiden en in relatie tot of zij (of een van hen) specialistische ggz hebben gehad in 2018

3.3.2

Scheidingen, ggz-gebruik en jeugdbescherming

In figuur 12 presenteren we het aandeel jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel uitgesplitst naar of de ouders al dan niet gescheiden zijn en of zij al dan niet gebruikmaken van specialistische ggz. In de figuur is te zien dat bij kinderen van ouders die gescheiden zijn én waarvan een of beide ouders specialistische ggz heeft gehad sprake is van een groter aandeel kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel dan wanneer deze combinatie niet aan de orde is. Zo heeft 10% van de kinderen waarvan de ouders voor 2018 gescheiden zijn en waarvan minimaal een van de ouders specialistische ggz heeft gehad in 2018 een jeugdbeschermingsmaatregel.

Ook hier benadrukken we dat we op basis van deze analyse niets kunnen zeggen over een eventuele causaliteit, wel blijkt uit deze analyse dat daar waar meer problematiek is bij de ouders (scheiding, psychische problematiek) er ook vaker een beroep wordt gedaan op de jeugdbescherming.

15

Figuur 12. Aandeel jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel (OTS of voogdij) in 2018 in relatie tot of de ouders zijn gescheiden en in relatie tot of zij (of een van hen) specialistische ggz hebben gehad in 2018

3.3.3

Scheidingen, ggz-gebruik en jeugdreclassering

In figuur 13 presenteren we het aandeel jeugdigen met een jeugdreclasseringsmaatregel uitgesplitst naar of de ouders al dan niet gescheiden zijn en of zij al dan niet gebruikmaken van specialistische ggz. In de figuur is te zien dat bij kinderen van ouders die gescheiden zijn én waarvan een of beide ouders specialistische ggz heeft gehad sprake is van een groter aandeel kinderen met een jeugdreclasseringsmaatregel dan wanneer deze combinatie niet aan de orde is.

Bij twee categorieën (ouders zijn in 2018 gescheiden en ouders zijn na 2018 gescheiden) zijn de aantallen te klein om te mogen weergeven, waardoor we hier ook geen percentages hebben berekend.

Opvallend is dat de samenloop tussen scheidingen en ggz-gebruik bij de ouders een minder sterk effect heeft bij jeugdreclasseringsmaatregelen dan bij jeugdbeschermingsmaatregelen. De samenhang tussen jeugdreclassering en scheidingen bij de ouders is wat dat betreft sterker dan de samenhang tussen jeugdreclassering en ggz-gebruik bij de ouders.

16

Figuur 13. Aandeel jeugdigen met een jeugdreclasseringsmaatregel in 2018 in relatie tot of de ouders zijn gescheiden en in relatie tot of zij (of een van hen) specialistische ggz hebben gehad in 2018

3.4

Ontwikkeling samenhang scheidingen en jeugdhulp over de tijd

In deze paragraaf gaan we in op de ontwikkeling van het aandeel kinderen van ouders die gescheiden zijn in de jeugdzorg. We kijken in de periode 2015 - 2020 naar het percentage kinderen van gescheiden ouders in het betreffende jaar. Kinderen van ouders die op een later moment nog gaan scheiden, tellen we in het betreffende jaar mee met de kinderen van ouders die tot en met het betreffende jaar niet gescheiden zijn.

3.4.1

Ontwikkeling percentage kinderen van gescheiden ouders met jeugdhulp

In figuur 14 is te zien dat het percentage kinderen van gescheiden ouders met jeugdhulp in de periode 2015 - 2020 langzaam is gestegen van 47,4% in 2015 naar 49,4% in 2020. Daarmee is er sprake van dat het aandeel kinderen van gescheiden ouders met jeugdhulp binnen het totale aantal kinderen met jeugdhulp van jaar tot jaar steeds iets groter wordt.

17

Figuur 14. Ontwikkeling percentage kinderen van gescheiden ouders met jeugdhulp

3.4.2

Ontwikkeling percentage kinderen van gescheiden ouders met een jeugdbeschermingsmaatregel

In figuur 15 is te zien dat het percentage kinderen van gescheiden ouders met een jeugdbeschermingsmaatregel in de periode 2015 - 2020 is gestegen van 90,6% naar 92,3%. Daarmee is het aandeel kinderen van gescheiden ouders met een jeugdbeschermingsmaatregel binnen het totale aantal kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel hoog, en stijgt dit aandeel in beperkte mate van jaar tot jaar.

Figuur 15. Ontwikkeling percentage kinderen van gescheiden ouders met een jeugdbeschermingsmaatregel

3.4.3

Ontwikkeling percentage kinderen van gescheiden ouders met een jeugdreclasseringsmaatregel

In figuur 16 is te zien dat het percentage (minderjarige) kinderen van gescheiden ouders met een jeugdreclasseringsmaatregel in de periode 2015 - 2020 gestegen van 74,5% naar 76,5% in 2019. In 2020 is dit percentage weer gedaald naar 75,8%. Er is dus sprake geweest van een daling van het aantal minderjarige kinderen met een jeugdreclasseringsmaatregel, maar de verhouding tussen kinderen van gescheiden ouders en kinderen van niet gescheiden ouders is nauwelijks veranderd.

Figuur 16. Ontwikkeling percentage kinderen van gescheiden ouders met een jeugdreclasseringsmaatregel

18

4 Conclusies 4.1

Sterke samenhang tussen scheidingen tussen ouders en jeugdzorggebruik bij de kinderen

Uit dit onderzoek blijkt dat er een duidelijke samenhang is tussen scheidingen van ouders en het jeugdzorggebruik bij de kinderen. Deze relatie was al in meer algemene zin bekend. Met dit onderzoek hebben we deze relatie verder uitgediept door enerzijds onderscheid te maken tussen verschillende vormen van jeugdhulp en jeugdbescherming en anderzijds door rekening te houden met het moment van de scheiding in relatie tot de jeugdzorg.

We zien bijvoorbeeld dat voor alle vormen van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering kinderen van gescheiden ouders oververtegenwoordigd zijn. Vooral bij jeugdhulp met verblijf en bij jeugdbescherming is het aandeel kinderen van gescheiden ouders hoog. Maar ook bij jeugdhulp zonder verblijf is sprake van relatief veel kinderen van gescheiden ouders. Zo is bij jeugdhulp, uitgevoerd door het wijk- of buurtteam, en jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige de hulp relatief vaak geboden aan kinderen van gescheiden ouders. Ook is het aandeel kinderen van ouders die gescheiden zijn bij jeugdhulp zonder verblijf tot wel twee maal zo hoog als het aandeel bij kinderen van ouders die niet gescheiden zijn. De kans dat kinderen van gescheiden ouders met jeugdzorg te maken krijgen, is daarmee aanzienlijk groter dan deze kans voor kinderen van ouders die bij elkaar zijn.

Opvallend is dat het jeugdzorggebruik niet alleen meer is bij kinderen van ouders die al gescheiden zijn, ook zien we dat er meer jeugdzorggebruik is bij kinderen waarvan de ouders in het betreffende jaar (waarin jeugdzorg wordt gegeven) zijn gescheiden. Daarnaast zien we dat kinderen van ouders die scheiden in de twee jaar na het jaar waarin jeugdzorg wordt gegeven ook vaker jeugdzorg ontvangen dan kinderen van ouders die niet zijn gescheiden en dit ook niet in de nabije toekomst gaan doen. Dit zijn allemaal sterke indicaties dat scheidingen en jeugdzorggebruik op verschillende manieren met elkaar samenhangen, zonder dat we daarbij op basis van dit onderzoek precies kunnen zeggen hoe de causaliteit ligt. Om beter zich in de causaliteit te krijgen, zal op casusniveau moeten worden gekeken. Die kan namelijk van casus tot casus verschillen.

4.2

Specialistisch ggz-gebruik van de ouders hangt sterk samen met jeugdzorggebruik van de kinderen, vooral wanneer er ook sprake is van een scheiding

Met dit onderzoek hebben we inzichtelijk gemaakt dat er sprake is van een sterke samenhang tussen specialistisch ggzgebruik van de ouders en jeugdzorggebruik van de kinderen. Indien een van de ouders specialistische ggz heeft gehad in een bepaald jaar, is de kans dat een kind jeugdhulp zonder verblijf heeft gehad in dat jaar twee tot drie maal zo groot als wanneer geen van beide ouders specialistische ggz heeft gehad. Wanneer beide ouders specialistische ggz hebben gehad in een jaar, is de kans dat een kind jeugdhulp zonder verblijf heeft gehad nog groter. Bij jeugdhulp met verblijf en bij jeugdbescherming is deze samenhang nog sterker. Ook hier geldt dat deze samenhang nog niet iets zegt over de causaliteit. Zo kunnen psychische problemen of een stoornis bij de ouders leiden tot problemen bij de kinderen, maar ook andersom. Ook kan er sprake zijn van gedeelde trauma, dat meerdere gezinsleden treft.

Wanneer we naar zowel specialistisch ggz-gebruik bij de ouders als scheidingen tussen ouders kijken, zien we dat juist bij die combinatie (ouders gescheiden én specialistisch ggz-gebruik) sprake is van een hoog aandeel kinderen met jeugdzorg. We zien deze relatie zowel bij jeugdhulp als bij jeugdbescherming heel sterk. Bij jeugdreclassering is deze relatie minder sterk.

4.3

Aandeel kinderen met scheidingen in de jeugdzorg constant over de tijd

In de periode 2015 - 2020 is het aandeel kinderen van gescheiden ouders in de jeugdzorg in beperkte mate toegenomen. Voor jeugdhulp is dit aandeel in deze periode gestegen van 47% naar 49%, voor jeugdbescherming van

19

91% naar 92,5% en voor jeugdreclassering van 74% naar 75%. Deze ontwikkeling wijkt niet af van de ontwikkeling van het totale aandeel kinderen van ouders die niet meer bij elkaar zijn in de periode 2015 - 2020 (stijging van 28% in 2015 naar 30% in 2020).

4.4

Wat betekenen deze uitkomsten?

Dit onderzoek kan worden gezien als een nieuwe aanzet om de relatie tussen scheidingen en jeugdzorg verder inzichtelijk te maken. Met behulp van de microdata van het CBS hebben we inzicht gegeven in de samenhang tussen scheidingen tussen ouders, specialistisch ggz-gebruik van de ouders en jeugdzorggebruik bij de kinderen. We hebben daarbij niet alleen naar echtscheidingen gekeken, maar ook naar andere vormen van samenleefrelaties tussen de ouders, die beëindigd zijn.

Wat betekenen deze resultaten voor het veld en voor de maatschappij? In ieder geval leiden de onderzoeksresultaten tot een aantal belangrijke vragen, of onderstrepen de resultaten een aantal vragen die momenteel al onderdeel zijn van het maatschappelijk debat. We benoemen hieronder een aantal vragen: a.

Een groot deel van de caseload van jeugdhulpverleners en jeugdbeschermers betreft kinderen die te maken hebben met ouders die (al dan niet recent) zijn gescheiden of dit in de nabije toekomst gaan doen. Dit onderzoek laat wellicht zien dat dit aandeel nog wat groter is dan tot nu toe werd gedacht. Vooral bij complexe scheidingen leidt dit tot een verzwaring van het werk van de hulpverleners. Er zijn verschillende aanpakken ontwikkeld om binnen de jeugdzorg te werken in de context van een complexe scheiding. Maar zijn de hulpverleners daadwerkelijk voldoende toegerust om goed rekening te houden met deze ‘complexe context’ van de jeugdige? Zijn de ontwikkelde aanpakken gericht op de complexe scheidingen voldoende effectief?

b.

Bij een deel van de ‘jeugdhulp’ die momenteel wordt ingezet kan worden afgevraagd of de kern van het probleem niet bij de ouders ligt. Hoe effectief is de inzet op de jeugdige in die gevallen? En als de kern van de problematiek bij de ouders ligt, wie is aan zet om met deze problematiek aan de slag te gaan?

c.

Met dit onderzoek dat zich primair richtte op jeugdzorg wordt ook weer een stukje duidelijker dat er flinke maatschappelijke kosten kleven aan de scheidingen van ouders. Een deel van de hulpverlening gericht op de kinderen van gescheiden ouders is terug te leiden tot de problematiek van de ouders, maar deze hulpverlening wordt betaald met publiek geld en in veel gevallen met ‘jeugdzorggeld’. In hoeverre is het de verantwoordelijkheid van gemeenten om deze hulpverlening te betalen?

d.

In het verlengde van het vorige punt ligt de vraag of vanuit maatschappelijk oogpunt het wenselijk is om scheidingen en vooral complexe scheidingen te voorkomen. Een relatie tussen twee personen is niet het domein van de overheid, maar in hoeverre krijgen mensen in hun opvoeding, vanuit het onderwijs, of anderszins voldoende skills mee om een relatie goed te laten functioneren, of als een relatie misloopt op een goede manier uit elkaar te gaan? Wat kan de overheid doen aan dit maatschappelijk vraagstuk en in hoeverre zou moeten worden ingezet op preventie van scheidinggerelateerde problematiek? In hoeverre kan en moet de overheid op preventie van (complexe) scheidingen of het versterken van de relatie- en communicatievaardigheden inzetten? Of vinden we dat scheidingen tussen ouders ‘het nieuwe normaal’ zou moeten worden en moet er worden ingezet op de-escalatie van scheidingsproblematiek?

4.5

Suggesties voor vervolgonderzoek

Dit onderzoek kan worden gezien als een nieuwe stap waarmee de relatie tussen scheidingen, ggz-gebruik bij de ouders en jeugdzorggebruik inzichtelijker is gemaakt. De uitkomsten leiden ook tot nieuwe vragen en suggesties voor vervolgonderzoek: a.

Op basis van meer kwalitatief onderzoek zou meer inzicht gegeven kunnen worden in de causaliteit tussen scheidingen, ggz-gebruik en jeugdzorggebruik. Deze causaliteit kan per gezin verschillen, bovendien kunnen er ook andere factoren meespelen in de problematiek binnen een gezin, zoals schuldenproblematiek of een verslaving. Dergelijke inzichten in causaliteit kunnen helpen om het hulpaanbod gericht op gezinnen met

20

multiproblematiek te verbeteren. Op basis van kwalitatief onderzoek kan bovendien een vertaling worden gemaakt naar de macrocijfers; b.

In dit onderzoek lag de nadruk op specialistisch ggz-gebruik bij de ouders. Vervolgonderzoek zou de relatie tussen ggz-gebruik bij de ouders en jeugdzorggebruik bij de kinderen verder kunnen uitdiepen door ook te kijken naar basis-ggz een zorg gegeven door een POH-GGZ. Indien hiervoor data over voldoende jaren beschikbaar is, kan bovendien ook worden gekeken naar de volgordelijkheid van het ggz-gebruik in relatie tot het jeugdzorggebruik;

c.

In dit onderzoek hebben we gekeken naar of ouders samenwonen (gehuwd of anderszins). In vervolgonderzoek zou niet alleen gekeken kunnen worden naar of de ouders zijn gescheiden, maar ook naar de huidige samenleefsituatie van de ouders. Wat is de samenhang tussen jeugdzorggebruik en of de kinderen vervolgens in een eenoudergezin opgroeien, of dat de kinderen bij ouders opgroeien die inmiddels weer een nieuwe relatie zijn aangegaan? En wat is de samenhang met jeugdzorggebruik bij samengestelde gezinnen (kinderen met verschillende ouders wonen op een adres)?

d.

Met dit onderzoek hebben we geen onderscheid kunnen maken tussen scheidingen die gepaard gaan met complexe problematiek (zogenaamde vechtscheidingen) en scheidingen die op een ordentelijke manier verlopen. Met vervolgonderzoek zou gekeken kunnen worden of er aanknopingspunten zijn om op basis van bestaande data kan worden achterhaald of er sprake is van een complexe scheiding of niet en wat dit betekent voor het jeugdzorggebruik. In het verlengde hiervan zou het van waarde kunnen zijn als er op basis van vervolgonderzoek meer zicht komt op de factoren die bijdragen aan dat de situatie bij een scheiding tussen ouders escaleert. Vanuit het veld is hier op basis van ervaringen het nodige over bekend, maar mogelijk kan een grootschalige analyse met data hier nieuw licht op werpen. Dergelijke inzichten zijn van belang voor het vormgeven van (preventief) jeugdzorgbeleid en/of hulpverlening;

e.

Gezien het grote aandeel kinderen van gescheiden ouders in de jeugdzorg, zou dit aandeel structureel gemonitord moeten worden. Enerzijds kan dit helpen bij de duiding van de uitgaven aan de jeugdzorg. Anderzijds kan dit helpen om beleidsdoelen en/of interventies gericht op bijvoorbeeld scheidinggerelateerde problematiek te monitoren.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/950/documents/34369