Participatieverordening gemeente Ridderkerk
Tekst van het document
De gemeenteraad van de gemeente Ridderkerk; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 september 2026; gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit; gezien het advies van de commissie samen leven; besluit vast te stellen de volgende verordening: Participatieverordening gemeente Ridderkerk Hoofdstuk 1. - Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities Deze verordening verstaat onder: - beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren; - bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester; - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk; - inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet; - inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet; - inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid of gemeentelijke projecten; - maatschappelijke instellingen: kerkgenootschappen,
verenigingen, stichtingen, buurtcomités en andere organisaties die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente; - ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten; - overheidsparticipatie: op initiatief van inwoners en maatschappelijke instellingen betrekken van de gemeente bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid, daaronder ook het uitdaagrecht begrepen; - participatie: de samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners of maatschappelijke instellingen, in welke vorm dank ook, daaronder ook inwonersparticipatie en overheidsparticipatie begrepen; - uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke instellingen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Hoofdstuk 2. Kaders en uitgangspunten Artikel 2. Doelstelling Het doel van deze verordening is: a. duidelijkheid geven over het proces van participatie en de voorwaarden; b. de samenwerking tussen bestuursorgaan en inwoners, maatschappelijke instellingen en ondernemers versterken; c. de kwaliteit van beleid of plannen vergroten; d. de samenleving binnen de gemeente versterken en betrokkenheid van inwoners vergroten. Artikel 3.
Reikwijdte Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of participatie wordt toegepast. Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht. Er vindt in ieder geval geen participatie plaats als: a. het om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject of een ondergeschikte herziening van die trajecten of het beleid gaat; b. participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is; c. de uitkomst van participatie vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht; d. de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen; e. sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; f. het om interne organisatorische aangelegenheden van de gemeente gaat; g. het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat. Artikel 4.
Zorgplicht bestuursorgaan Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat: a. inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen tijdig worden betrokken; b. inzichtelijk is hoe het proces van participatie eruit ziet; c. de voor het proces van participatie benodigde stukken openbaar zijn voor zover wettelijke voorschriften zich niet tegen openbaarmaking verzetten en de planning beschikbaar is; d. duidelijk is waar inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen terecht kunnen met vragen of klachten over het proces van participatie; e. na afloop kenbaar is hoe het proces van participatie is verlopen, wat de uitkomsten waren en hoe deze uitkomsten een plaats hebben gekregen. Hoofdstuk 3 - Inwonersparticipatie Artikel 5. Plan voor inwonersparticipatie 1. Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, aan de hand van het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid Nota Betrokken Samenleving, een plan met het proces en de planning van de inwonersparticipatie op en maakt dit binnen twee weken na vaststelling openbaar. 2. Het plan bevat in elk geval: a. het onderwerp van het participatieproces; b. het doel van de participatie; c. wie aan het participatieproces kunnen deelnemen; d.
de inhoudelijk, financiële en/of procedurele kaders voor de participatie (inclusief besluitvorming) en de wijze waarop deze kaders vooraf met de deelnemers worden gecommuniceerd; e. de planning van de participatie; f. de vorm van de participatie, waarbij het bestuursorgaan een keuze maakt uit tabel 1 opgenomen participatievormen of een combinatie van deze vormen; en g. de wijze waarop de resultaten van het participatietraject zullen worden meegenomen. Tabel 1: Bewoners, ondernemers, etc. De gemeente Zelf organiseren Organiseren en voeren zelf projecten uit. Ondersteunt of faciliteert, in overleg en al naar gelang mogelijkheden en behoeften van alle betrokkenen. Meebeslissen Zijn medeverantwoordelijk voor de beslissingen. Laat (deel)beslissingen over aan inwoners, binnen vooraf door de gemeente gestelde kaders. Coproductie Werken intensief met de gemeente mee aan plannen of beleid. Bepaalt de kaders en werkt vervolgens intensief met inwoners samen. Besluitvorming over gemeentelijke inzet van middelen en bevoegdheden is voorbehouden aan het gemeentebestuur. Adviseren Genereren ideeën en oplossingen voor een goed advies binnen een beleidsthema. Vraagt op door gemeente afgebakende thema’s advies aan inwoners. Weegt adviezen van alle belanghebbenden en maakt afwegingskaders inzichtelijk. Besluitvorming is voorbehouden aan gemeentebestuur.
Raadplegen Geven hun mening of kennis over een beleidsonderwerp. Vraagt de mening van inwoners over een onderwerp, bijvoorbeeld de keuze tussen twee oplossingen. Besluitvorming is voorbehouden aan het gemeentebestuur. Informeren Nemen kennis van de informatie. Informeert inwoners over proces en inhoud van haar plannen. 3. Als het college de besluitvorming over beleid voor de gemeenteraad voorbereidt, stelt het college het plan op en informeert het de gemeenteraad over de inhoud. Artikel 6. Inspraak De participatievorm raadplegen kan bestaan uit een inspraakprocedure. Als een bestuursorgaan in het kader van de inwonersparticipatie voor inspraak kiest of als inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt. Artikel 7. Eindverslag inwonersparticipatie 1. Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag van de inwonersparticipatie op en maakt dit binnen twee weken na vaststelling openbaar. 2. Het eindverslag geeft in elk geval inzicht in het proces, de uitkomsten van het proces en wat er met de uitkomsten is gedaan. 3. Als het college op grond van artikel 5, derde lid het plan voor de inwonersparticipatie heeft opgesteld, stelt het college ook het eindverslag op en informeert de gemeenteraad over de inhoud.
Hoofdstuk 4 – Overheidsparticipatie Artikel 8. Verzoek toepassing overheidsparticipatie 1. Inwoners en maatschappelijke instellingen kunnen bij het college een verzoek om overheidsparticipatie indienen. 2. Het verzoek bevat: a. een omschrijving van de overheidsparticipatie die de indiener voor ogen heeft; b. de reden dat de indiener het verzoek indient; en c. het resultaat dat de indiener beoogt. 3. Bij een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht bevat het verzoek daarnaast: a. wat de betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener met de taak is; b. welke kosten of middelen er volgens de indiener aan het verzoek verbonden zijn; c. hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak wil waarborgen. 4. De indiener maakt voor het verzoek gebruik van het door het college vastgestelde formulier. 5. Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen. Artikel 9. Beoordeling verzoek 1. Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover. 2. Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor. 3. Onverminderd artikel 3, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek om overheidsparticipatie af als: a. het verzoek of de doelstelling daarvan in strijd is met wet- en regelgeving of het algemeen belang; b.
het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid; c. het verzoek niet voldoet aan de in artikel 8, tweede en derde lid gestelde eisen. 4. Onverminderd het in het derde lid bepaalde, wijst het bestuursorgaan een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht af als: a. het initiatief een winstoogmerk heeft; b. het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de toepassing van het uitdaagrecht niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn; c. als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt. 5. Het bestuursorgaan kan een verzoek om overheidsparticipatie in ieder geval afwijzen als: a. er sprake is van onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij omwonende of andere belanghebbenden; b. het initiatief naar het oordeel van het bestuursorgaan op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is; c. het initiatief overwegend het privébelang van de indiener dient, zonder een positieve bijdrage te leveren aan de lokale samenleving; d. het een onderwerp betreft waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van Algemene wet bestuursrecht openstaat of onderwerpen waarover de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel over uit te spreken. 6. Het bestuursorgaan reageert binnen vier weken op het verzoek.
Het bestuursorgaan kan deze termijn met vier weken verdagen. 7. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing binnen twee weken openbaar, voor zover wettelijke voorschriften zich niet tegen openbaarmaking verzetten. Artikel 10. Uitvoering overheidsparticipatie Als het bestuursorgaan het verzoek om overheidsparticipatie toewijst, maakt het met de indiener afspraken over: a. het proces, het resultaat en de looptijd van de overheidsparticipatie; b. het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie; c. het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende de uitvoering van de overheidsparticipatie; d. de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de uitvoering van de overheidsparticipatie; en e. de evaluatie van de uitvoering van de overheidsparticipatie. Artikel 11. Eindverslag overheidsparticipatie 1. Nadat overheidsparticipatie heeft plaatsgevonden kan een eindverslag van de overheidsparticipatie worden opgesteld. 2. Een eindverslag geeft in elk geval inzicht in het proces, de uitkomsten van het proces en de uitkomsten van het proces en de verhouding tussen de uitkomsten en het beoogde doel. 3. Het bestuursorgaan maakt voorafgaand aan de uitvoering afspraken met initiatiefnemer over het opstellen van een eindverslag.
Hoofdstuk 5 - Slotbepalingen Artikel 12. Participatie evaluatie/monitoring De raad wordt jaarlijks geïnformeerd over gevoerde participatietrajecten middels een raadsinformatiebrief. Artikel 13. Nadere regels college Het college kan over participatie nadere regels vaststellen. Artikel 14. Hardheidsclausule Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt. Artikel 15. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Inspraakverordening gemeente Ridderkerk 2009 wordt ingetrokken. 2. De Inspraakverordening gemeente Ridderkerk 2009 blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart. Artikel 16. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Ridderkerk. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 oktober 2026. De raad voornoemd, De griffier, De voorzitter mr. O. Vliegenthart dhr. C.A. Oosterwijk Toelichting Algemene toelichting Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203, hierna: de wet).
Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, en de uitvoering en evaluatie daarvan, te vergroten door inwoners hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan, van belang dat gemeenten inwoners vroegtijdig en zorgvuldig betrekken bij vraagstukken. Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten moeten inwoners op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet). In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor gemeenten is om inwoners bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. De wet beoogt in de tweede plaats dus dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn. Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht.
Uit artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop gemeenten inwoners bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid betrekken, maar aan inwoners en maatschappelijke instellingen ook de mogelijkheid moeten bieden zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat gemeenten in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waaronder inwoners en maatschappelijke instellingen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dit betreft zowel het uitvoeren van de eigen taken van de gemeenten (artikel 150, derde lid, onder a), als het uitvoeren van de taken die aan de gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b). Dit laatste voor zover dat niet in strijd is met de wet. Invulling participatieverordening In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor participatie gemeenten precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn gemeenten ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan gemeenten om een afweging te maken hoe zij de participatieverordening precies in willen vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen de gemeente, en onder de inwoners, ten aanzien van participatie zijn.
Daarnaast zal een gemeente echter ook rekening moeten houden met de kosten of andere middelen die met de uitvoering van de verordening gemoeid zijn en wat de uitvoering van de verordening van de ambtelijke organisatie vraagt. Bijvoorbeeld als het aankomt op de houding en het gedrag, maar ook als het op de planning van besluitvormingsprocessen aankomt. Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de inwoners, organisaties en andere belanghebbenden binnen de gemeente zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. In deze verordening zijn daartoe de spelregels voor inwonersparticipatie opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop inwoners, organisaties en andere belanghebbenden op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces worden betrokken. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet versterking participatie op decentraal niveau waarbij artikel 150 Gemeentewet is gewijzigd, heeft de gemeenteraad samen met college van burgemeester en wethouders de Nota Betrokken Samenleving in 2024 opgesteld. In de Nota Betrokken Samenleving staan de hoofdlijnen van de visie op participatie. Daarbij is aangegeven op welke niveaus participatie kan plaatsvinden en wat de werkwijze is bij verschillende soorten initiatieven.
Verder is er een wens om ook initiatieven vanuit inwoners en maatschappelijke instellingen zoveel mogelijk te omarmen. Daartoe wordt ook overheidsparticipatie, dus de situatie waarin de gemeente op initiatief van inwoners en maatschappelijke instellingen wordt betrokken bij plannen die inwoners en maatschappelijke instellingen hebben, in de verordening gefaciliteerd. Onderdeel van die overheidsparticipatie is ook het uitdaagrecht zoals dat vanaf 1 januari 2025 in de Gemeentewet verankerd is. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waaronder overheidsparticipatie plaats kan vinden en de verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de burgemeester, op grond van artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet, een zorgplicht heeft. Hij moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken en de kwaliteit van procedures op het vlak van participatie. Aansprakelijkheid en aanbesteding Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten.
Dat betreft in elk geval het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht. Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Of het aanbestedingsrecht in de weg staat aan de toepassing van het uitdaagrecht zal per geval beoordeeld moeten worden. Bij deze beoordeling zijn het Inkoopbeleid gemeente Ridderkerk en de bepalingen over de Europese Drempelwaarden uit paragraaf 2.1.1.1. van de Aanbestedingswet 2012 van toepassing. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Zo kan een gemeente de aanbesteding op het uitdaagrecht laten aansluiten. Hoe dit precies vorm moet krijgen zal per geval moeten worden bepaald. Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht ziet op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente.
Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van het uitdaagrecht met de inwoners of maatschappelijke instellingen afspraken over maakt, zoals wat de betrokken partijen moeten doen om bepaalde risico’s te verkleinen. Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de inwoners en maatschappelijke instellingen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners en maatschappelijke instellingen afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen. Participatie op grond van de andere wetten, zoals de Omgevingswet In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvatten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de participatieverordening zich niet voor leent is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet.
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Definities Beleid Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan. Inwonersparticipatie In de verordening zijn alle vormen van participatie waarbij de gemeente het initiatief neemt om inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip inwonersparticipatie geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Maatschappelijke instellingen Op grond van de wet kunnen ook maatschappelijke instellingen om toepassing van het uitdaagrecht vragen. In de wet is echter geen definitie van dit begrip opgenomen. Het is dus aan de gemeente om deze groep af te bakenen. In deze verordening is ervoor gekozen de nadruk te leggen op de lokale binding.
Onder maatschappelijke instellingen vallen organisaties die als doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Ondernemingen zonder winstoogmerk kunnen daar ook onder vallen als zij een lokale binding hebben. Ondernemers in algemene zin echter niet. Er moet een maatschappelijke component zijn. Er kan bij maatschappelijke instellingen onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen of stichtingen, woongroepen, buurtpreventieteams, vrijwilligersorganisaties, buurtcomités en inwonerscollectieven. Overheidsparticipatie Dit begrip is de tegenhanger van het begrip inwonersparticipatie waarbij inwoners en maatschappelijke instellingen het initiatief nemen. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Onder overheidsparticipatie valt ook het uitdaagrecht. Uitdaagrecht Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners en maatschappelijke instellingen een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen. Participatie Omdat insteek van de verordening is zowel inwonersparticipatie als overheidsparticipatie te omarmen en te faciliteren, is ook een overkoepelend begrip voor inwoners- en overheidsparticipatie opgenomen.
Dit brengt tot uitdrukking dat het in beginsel niet uitmaakt of het initiatief voor de participatie bij de gemeente of bij de inwoners en maatschappelijke instellingen ligt. Artikel 2. Doelstelling Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke instellingen en bestuursorganen. Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van de participatie. Het doel van de verordening zoals dat in dit artikel is omschreven, biedt een kader bij het maken van die keuzes. Artikel 3. Reikwijdte Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of participatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie verplicht. Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, maar ook als er voor het bestuursorgaan heel weinig ruimte is gelaten om (beleids)keuzes te maken of als het interne en bestuurlijke aangelegenheden van de gemeente betreft. In die gevallen heeft participatie geen toegevoegde waarde.
Opmerking verdient dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering of evaluatie. Als er een beroep op een uitzonderingsgrond wordt gedaan en er van participatie wordt afgezien, dan moet dat worden onderbouwd. Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan Op het bestuursorgaan rust de taak om participatie zoveel mogelijk te faciliteren. Daarom is in deze verordening expliciet een zorgplicht opgenomen. Waarbij het bestuursorgaan ervoor zorgt dat inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen tijdig worden betrokken, weten hoe het proces eruit ziet en na afloop kenbaar is hoe het proces van participatie is verlopen. De voor het proces benodigde stukken openbaar zijn en duidelijk is waar inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen terecht kunnen met vragen of klachten over het proces van participatie. Artikel 5. Plan voor inwonersparticipatie In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan een plan voor de inwonersparticipatie moet opstellen. Dit zorgt dat er duidelijkheid is over het proces, het doel en de vorm van de participatie.
De vorm van een participatieplan is vrij. Het plan kan onderdeel zijn van een voordracht, projectplan of beleidsstuk, maar ook een losstaand document is mogelijk. De gekozen vorm sluit aan bij de inhoud, het thema en de omvang van het project of beleidsvoornemen. Hierdoor kan per situatie een vorm worden gekozen die het beste past en het meest doelmatig is. Van belang is vooral dat inzichtelijk is waar het participatieplan te vinden is en het duidelijkheid biedt. In het tweede lid is bepaald welke informatie het plan moet bevatten en worden de verschillende participatievormen toegelicht. De definitie van de participatievormen sluit aan op de Nota Betrokken Samenleving. Verder is geregeld dat het college voor het opstellen van het plan zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat. Artikel 6. Inspraak Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van participatie plaatsvinden. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen.
Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt dat het doel is om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen, de uitkomsten hiervan te legitimeren, de rechten en belangen van burgers te beschermen en beleid met andere overheden te coördineren. De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast. Artikel 7. Eindverslag inwonersparticipatie Op grond van dit artikel moet het bestuursorgaan, nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden, een eindverslag daarvan opstellen. Dit eindverslag kan worden opgenomen in een losstaand document, maar kan ook een onderdeel van een voordracht of een passage in een brief zijn. Verder is in het derde lid geregeld dat het college voor het opstellen van het verslag zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat. Artikel 8. Verzoek om toepassing overheidsparticipatie Overheidsparticipatie begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college.
Hiervoor is gekozen zodat het indienen van een verzoek laagdrempelig is en ook centraal ontvangen wordt. Dit kan een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht betreffen of een ander initiatief. In het verzoek moet in ieder geval de overheidsparticipatie omschreven worden die de indiener voor ogen heeft, de reden waarom de indiener dit voor ogen heeft en het resultaat dat de indiener wil bereiken. Voor een verzoek dat betrekking heeft op de toepassing van het uitdaagrecht is meer informatie nodig om het verzoek te kunnen beoordelen. Daarom is in het derde lid opgenomen welke informatie extra nodig is wanneer het een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht betreft. Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Artikel 9. Beoordeling verzoek Het college neemt alle verzoeken om overheidsparticipatie in ontvangst en zendt deze door aan het bevoegde bestuursorgaan. Het bevoegde bestuursorgaan moet het verzoek onder bepaalde omstandigheden afwijzen. In dat verband is een aantal afwijzingsgronden opgesomd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid. In het vierde lid zijn afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht.
Verder is er een aantal omstandigheden genoemd waaronder het bestuursorgaan het overheidsparticipatieverzoek kan afwijzen. Het is dan aan het bestuursorgaan om een afweging te maken welke belangen zwaarder wegen. In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Het bestuursorgaan moet de reactie onderbouwen en ook openbaar maken. Artikel 10. Uitvoering overheidsparticipatie Als het verzoek om overheidsparticipatie wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan schriftelijke afspraken met de indiener over de overheidsparticipatie en ook welke stappen er volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Het ligt voor de hand deze afspraken vast te leggen in een overeenkomst. Artikel 11. Eindverslag overheidsparticipatie Nadat overheidsparticipatie is uitgevoerd kan een eindverslag van de overheidsparticipatie worden opgesteld. Een eindverslag voor overheidsparticipatie is dus niet verplicht. Indien een eindverslag wordt opgesteld moet deze tenminste inzicht geven in het proces, de uitkomsten van het proces en de verhouding tussen de uitkomsten en het beoogde doel. Voorafgaand aan de uitvoering bepalen het bestuursorgaan en de initiatiefnemer of er een eindverslag wordt opgesteld en zo ja, wie de verantwoordelijkheid draagt voor het opstellen van dat eindverslag. Aangeraden is om deze afspraken schriftelijk vast te leggen. Artikel 12.
Participatie evaluatie/monitoring Doel van dit artikel is dat de gemeente inzichtelijk maakt hoe de participatieprocessen verlopen zijn. Jaarlijks wordt de gemeenteraad middels een Raadsinformatiebrief (RIB) geïnformeerd over de gevoerde participatie. Artikel 13. Nadere regels college Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen en bepaalde artikelen uit de verordening nader uit te werken. Artikel 14. Hardheidsclausule Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel onderbouwen waarom het afwijkt. Artikel 15. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Met deze bepaling wordt de bestaande Inspraakverordening gemeente Ridderkerk 2009 ingetrokken. De datum waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking treedt, de datum inwerkingtreding is geregeld in artikel 16. De inspraakverordening gemeente Ridderkerk 2009 blijft van toepassing op de voorbereiding van beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart. Artikel 16.
Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.