Oosterpark - bijlagen toelichting 1-6.pdf
Tekst van het document
OOSTERPARK Ridderkerk bestemmingsplan 23 mei 2024
1/2
DATUM KENMERK
23-05-2024 NL.IMRO.0597.BP2023Oosterpark-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER
BP Oosterpark Ridderkerk ir. L.C. Snel
OPDRACHTGEVER Gemeente Ridderkerk PROJECTNUMMER 20230612 AUTEUR STATUS
2/2
M. van der Berg, MSc Ter vaststelling
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave Bijlagen toelichting Bijlage
1 Quickscan Flora en Fauna
Bijlage
2 QRA
Bijlage
3 Aanvullend ecologisch onderzoek
Bijlage
4 Stikstofmemo en Aeriusberekeningen
Bijlage
5 Archeologisch vooronderzoek geluidsscherm
Bijlage
6 Archeologisch vooronderzoek sportcomplex
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Quickscan Flora en Fauna
Bijlage 2 QRA
Adviesgroep AVIV BV Wethouder Beversstraat 185 7543 BK Enschede
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Project Datum
214453 29 april 2021
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Project
214453
Datum
29 april 2021
Auteurs
B.A. Overvelde A.J.H. Schulenberg
Versie nr.
2
Opdrachtgever
RHO adviseurs Weena 505 3013 AL Rotterdam
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Inhoudsopgave 1 Inleiding ______________________________________________________ 4 2 Normstelling externe veiligheid ___________________________________ 5 2.1 Risicobenadering ____________________________________________ 5 2.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen ___________________________ 5 2.3 Besluit externe veiligheid transportroutes _________________________ 8 3 Uitgangspunten risicoberekening ________________________________ 11 3.1 Plangebied en omgeving _____________________________________ 11 3.2 Hogedruk aardgasleidingen ___________________________________ 11 3.3 Rijksweg A15 en A16 _______________________________________ 12 3.4 Bebouwing ________________________________________________ 13 4 Resultaten aardgasbuisleidingen ________________________________ 14 4.1 Plaatsgebonden risico _______________________________________ 14 4.2 Groepsrisico_______________________________________________ 15 4.3 Belemmeringenstrook _______________________________________ 16 5 Resultaten A15/A16 ____________________________________________ 17 5.1 Plaatsgebonden risico _______________________________________ 17 5.2 Groepsrisico_______________________________________________ 17 5.3 Plasbrandaandachtsgebied ___________________________________ 19 6 Conclusies ___________________________________________________ 20 6.1 Aardgasbuisleidingen _______________________________________ 20 6.2
A15/A16 __________________________________________________ 20 Referenties _____________________________________________________ 21 Bijlage 1. Gegevens bebouwing ____________________________________ 22 Bijlage 2. Carola-rapportage _______________________________________ 25
3
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
1 Inleiding Door de recente kaalslag vanwege de essenkap is het Oosterpark niet meer het park, zoals de gemeente en haar inwoners dat voor ogen heeft. Het park wordt ervaren als kaal en onverzorgd. De gemeente wil door de (her)inrichting van het Oosterpark de recreatie- en natuurwaarden verhogen. Hiervoor worden enkele sloten gedempt en er worden mogelijkheden geboden om meer water te realiseren. De hoofdwatergangen zoals deze nu aanwezig zijn worden daarbij niet gewijzigd. Daarnaast zijn enkele overige ontwikkelingen in het park voorzien. De parkeervoorziening nabij de Pelikaan wordt gesaneerd en de parkeercapaciteit bij het sportcomplex en de kinderboerderij wordt uitgebreid. Per saldo wijzigt de totale parkeercapaciteit niet. De honk- en softbalvereniging Rowdies wil uitbreiden middels het verplaatsen van zijn velden en de bouw van een nieuw clubgebouw. Het sportcomplex wordt in zuidelijke richting uitgebreid. Op de locatie van het huidige noordoostelijke veld (softbalveld) komt de uitbreiding van de parkeerplaats te liggen. In het noordoosten komt dan het softbalveld te liggen en in het zuidoosten het honkbalveld. De kinderboerderij en het pannenkoekenhuis zijn in de toekomst voornemens om beperkt uit te breiden. In totaal wordt er circa 500 m 2 extra uitbreidingsruimte geboden in het voorgenomen plan.
Tot slot is de gemeente voornemens een geluidscherm aan te leggen langs de A15 om de geluidsoverlast in de wijk Drievliet te verminderen. Het Oosterpark ligt binnen het invloedsgebied van meerdere risicobronnen waaronder aardgasbuisleidingen en de A15/A16 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor een goede ruimtelijke onderbouwing dienen de risico’s betreffende externe veiligheid in kaart te worden gebracht. In deze rapportage worden de resultaten van de risicoberekeningen gepresenteerd.
4
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
2 Normstelling externe veiligheid 2.1
Risicobenadering Het risico voor personen die verblijven in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen wordt gevat onder het begrip externe veiligheid (EV). De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor dergelijke activiteiten in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de activiteit en kwetsbare functies in de omgeving. Of een functie kwetsbaar of beperkt kwetsbaar is, is te vinden in het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) [1]. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoorgebouwen. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder andere verspreid liggende woningen, sporthallen en bedrijfsgebouwen. Met het GR wordt geëvalueerd of als gevolg van een ongeval een groot aantal slachtoffers kan vallen, doordat een grote groep personen blootgesteld wordt.
2.2
Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht [2]. Hieronder is kort de toetsing aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico geschetst.
2.2.1
Plaatsgebonden risico In het kader van de risicobenadering moet de vraag worden beantwoord of er sprake is van een relatief hoog risico. Afhankelijk van de kenmerken van de buisleiding en de specifieke gevaren voor de omgeving, kan een zekere scheiding tussen buisleidingen en werk- en woongebieden gewenst zijn. Bij deze vraagstelling worden de risiconormen gehanteerd, die door de rijksoverheid zijn vastgesteld. Voor nieuwe buisleidingen is in het Bevb de eis opgenomen dat deze zodanig aangelegd moeten worden conform de best beschikbare technieken dat de PR 10-6 contour zo veel mogelijk binnen de belemmeringenstrook komt te liggen. Deze plicht rust op de exploitant van de leiding. Deze eis geldt ook als een bestaande leiding wordt vervangen. Zo wordt deze strenge norm voor het plaatsgebonden risico van toepassing op nieuwe situaties. Het ontstaan van nieuwe knelpunten wordt daarmee voorkomen en het ruimtebeslag van nieuwe buisleidingen wordt beperkt tot de belemmeringenstrook. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is ook van toepassing op bestaande buisleidingen. Dit levert in bepaalde gevallen bij bestaande bebouwing 1 binnen de 1
Onder bestaande bebouwing wordt verstaan fysiek aanwezige bebouwing en geprojecteerde bebouwing die is toegestaan op basis van een vastgesteld bestemmingsplan of vrijstellingsbesluit
5
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
risicocontour van de buisleiding een knelpunt op. Daar waar kwetsbare objecten zoals woningen en scholen binnen de risicocontour PR 10-6 liggen, gaat een wettelijke saneringsplicht gelden. De leidingexploitant is hierop aanspreekbaar en neemt binnen een overgangstermijn zodanige saneringsmaatregelen dat er sprake is van een acceptabele situatie. Voor de initiatiefnemer van het ruimtelijk plan geldt dat er geen nieuwe kwetsbare bestemmingen gerealiseerd mogen worden binnen de 10-6 contour van het plaatsgebonden risico indien aanwezig, en dat deze contour een richtwaarde is voor beperkt kwetsbare bestemmingen. Binnen de belemmeringenstrook mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gerealiseerd. De belemmeringenstrook en de buisleidingen moeten in het bestemmingsplan worden aangegeven. Het Bevb verwijst voor de (niet limitatieve) lijst van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten naar het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). 2.2.2
Groepsrisico Bij het beoordelen van het GR wordt het (lokale) bevoegd gezag de mogelijkheid geboden om gemotiveerd van de oriëntatiewaarde voor het GR af te wijken. Er moet sprake zijn van een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging, waarin moet zijn aangegeven waarom in het specifieke geval daarvan is afgeweken. De beslissing om van de oriëntatiewaarde af te wijken is vatbaar voor beroep. Het GR wordt voor het gehele relevante gebied berekend. Door middel van bron- of ruimtelijke maatregelen kan mogelijk dat risico worden gereduceerd. Daar waar het gaat om het stellen van randvoorwaarden in de ruimtelijke ordening wordt het afwegingsgebied echter gemaximaliseerd tot de grens waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen overlijdt (1%-letaliteitszone). Het GR geeft voor dit gebied aan welke bebouwingsdichtheid nog acceptabel is, gelet op de voorgestelde oriëntatiewaarde. In het aangegeven gebied is bebouwing dus wel toegestaan maar is de dichtheid van bebouwing soms gelimiteerd. Bij de toetsing moet worden bezien of de kans per kilometer buisleiding op een bepaald aantal slachtoffers groter is dan de oriëntatiewaarde. De oriëntatiewaarde geldt voor zowel bestaande als nieuwe situaties. De regeling over het groepsrisico in het Bevb vertoont duidelijk overeenkomst met de regelingen in het Bevi.
Het uitgangspunt is dat er een verplichting geldt om het groepsrisico mee te wegen en te verantwoorden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, inpassingsplan of omgevingsvergunning (projectbesluit) dat betrekking heeft op het invloedsgebied van een geprojecteerde of bestaande buisleiding. De toetsing aan de oriëntatiewaarde vindt op dezelfde manier plaats als hierboven geschetst. De verantwoording van het groepsrisico is op onderdelen iets anders geformuleerd en kent in bepaalde gevallen een vereenvoudiging.
6
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Verantwoording groepsrisico Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding, of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, wordt tevens het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding verantwoord. In de toelichting van dit besluit wordt dan vermeld: a. de aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken; b. het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 104 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar; c. indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding die dat risico mede veroorzaakt; d. andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan; e. de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst; f.
de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; g. de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Voorafgaand aan de vaststelling van een besluit als bedoeld in het eerste lid stelt het voor dat besluit bevoegde gezag het bestuur van de regionale brandweer in wiens regio het gebied ligt waarop dat besluit betrekking heeft, in de gelegenheid advies uit te brengen in verband met het groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid.
Beperkte verantwoording Het Bevb introduceert een nieuwe onderverdeling van situaties waarin een ‘volledige’ verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording (art. 12, lid 3): 1. Indien het ruimtelijk besluit betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding (in geval van toxische stoffen tussen de 1% letaliteitszone en de afstand waarop het plaatsgebonden risico gelijk is aan 10 -8).
7
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
2. a. als het groepsrisico onder 0.1 keer de oriëntatiewaarde blijft; b. als het groepsrisico minder dan 10% toeneemt. In een beperkte verantwoording van het groepsrisico hoeven slechts vier zaken aan de orde te komen, namelijk: a. b. c. d.
De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleidingen. De hoogte van het groepsrisico. De bestrijdbaarheid. De zelfredzaamheid.
Een nadere beschouwing van risicoreducerende maatregelen en ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico is in dat geval niet nodig.
2.3
Besluit externe veiligheid transportroutes Het transport van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de regels opgenomen voor de ruimtelijke ordening [2]. Voor infrabesluiten zijn de regels vastgelegd in de Beleidsregels EV-beoordeling Tracébesluiten (de Beleidsregels) [3]. Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. Het doel van het Basisnet is het vastleggen en waarborgen van een duurzame balans tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ruimtelijke omgeving en de veiligheid van mensen die wonen en werken langs de route. Het Basisnet stelt grenzen aan het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, vaarwegen en spoorlijnen alsmede aan ruimtelijke ontwikkelingen langs die wegen, vaarwegen en spoorlijnen. Voor elke weg, spoorlijn en vaarweg die deel uitmaakt van het Basisnet, is vastgesteld hoeveel risico het vervoer van gevaarlijke stoffen over die weg, spoorlijn of vaarweg maximaal mag veroorzaken.
De basisnetroutes en deze zogenoemde “risicoplafonds” zijn vastgelegd in de regeling basisnet [4].
2.3.1
Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Het PR leent zich daarmee goed voor het vaststellen van een veiligheidszone tussen een route en kwetsbare
8
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
bestemmingen zoals woonwijken. In tabel 1 wordt weergegeven welke normen voor het plaatsgebonden risico van toepassing zijn. Type object
Omgevingsbesluit
Kwetsbare objecten
Grenswaarde PR 10-6
Beperkt kwetsbare objecten
Richtwaarde PR 10-6
Tabel 1.
Normen plaatsgebonden risico
De grenswaarde moet te allen tijde in acht worden genomen, het bevoegd gezag mag niet van de grenswaarde afwijken. Voor de richtwaarde geldt dat uitsluitend in geval van zwaarwegende belangen (zoals economische) daarvan mag worden afgeweken. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes dienen de afstanden rechtstreeks getoetst te worden aan de risicoplafonds zoals die zijn vastgesteld in de Regeling Basisnet [4]. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van andere dan de basisnetroutes dienen de afstanden getoetst te worden aan de berekende 10 -6 contour van het plaatsgebonden risico. In veel gevallen is een risicoberekening niet nodig en kan worden volstaan met het toepassen van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) [5].
2.3.2
Groepsrisico Indien een plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning in elk geval ingegaan op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die transportroute, en Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die transportroute een ramp voordoet. Als het groepsrisico door een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een transportroute meer dan 10% toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en groter is dan 10% van de oriëntatiewaarde dient het groepsrisico te worden verantwoord. Dit wordt ook wel aangeduid als de verantwoordingsplicht groepsrisico. In de motivering bij het betrokken besluit moeten ten minste de volgende gegevens worden opgenomen: 1°.
de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en 2°. de als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft;
9
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de vooren nadelen daarvan.
Oriëntatiewaarde
Figuur 1.
Voorbeeld groepsrisico transportroute
Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde activiteit, kortom de kans op een ramp. Het aantal personen dat in de omgeving van de route verblijft, bepaalt mede de hoogte van het GR. Het GR wordt weergegeven in een zogenaamde fN-curve, op de verticale as staat de cumulatieve kans per jaar f op een ongeval met N of meer slachtoffers en op de horizontale as het aantal slachtoffers. Figuur 1 geeft een voorbeeld. Het groepsrisico wordt bepaald per kilometer route en vergeleken met de oriëntatiewaarde. Deze waarde helpt het bevoegd gezag bij de afweging of de kans op een ramp opweegt tegen het maatschappelijk voordeel van het voorgenomen besluit. Het begrip oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag gemotiveerd kan besluiten een hogere kans op een ramp te accepteren.
10
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
3 Uitgangspunten risicoberekening 3.1
Plangebied en omgeving Figuur 2 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van de beschouwde risicobronnen.
Figuur 2.
Plangebied en risicobronnen
3.2
Hogedruk aardgasleidingen
3.2.1
Carola Het risico door hogedruk aardgasleidingen wordt berekend met Carola versie 1.0.0.52 parameterbestand 1.3. De berekening wordt uitgevoerd met de volgende gegevens: Het interessegebied. Leidingdatabestand van de leidingeigenaar, in dit geval Nederlandse Gasunie. Het aantal personen dat langs de leiding blootgesteld wordt aan de gevolgen van een ongeval met de leiding.
3.2.2
Interessegebied Het interessegebied is het gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling langs een buisleiding geprojecteerd is of waar een aanpassing van een bestaande of een nieuwe buisleiding gepland is [2]. Met behulp van het interessegebied selecteert de leidingeigenaar de relevante gegevens die benodigd zijn voor de berekening.
11
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
3.2.3
Leidingdatabestand Het leidingdatabestand bevat alle buisleidingdelen, met de bijbehorende leidingspecifieke parameters, die zich binnen een afstand van ten minste 1 km + 2 maal de maximale effectafstand van het interessegebied bevinden. Enkele kenmerken van de voor het plangebied relevante aardgasleidingen worden getoond in tabel 2.
Beheerder
Leidingnr.
Diameter [inch]
Druk [bar]
Afstand 100% letaliteit [m]
Afstand 1% letaliteit [m]
Gasunie
W-507-01
12
40
65
140
Gasunie
W-530-01
12
40
65
140
Gasunie
W-530-01
12
40
40
75
Tabel 2.
3.3
Kenmerken hogedruk aardgasleidingen
Rijksweg A15 en A16 Het risico van het transport van gevaarlijke stoffen is berekend met het risicoberekeningsprogramma RBM II, versie 2.3 [7]. De berekening wordt uitgevoerd conform de Hart [5]. Voor de berekening zijn de volgende gegevens nodig: De transportintensiteit gevaarlijke stoffen. Trajecteigenschappen zoals de uitstromingsfrequentie, de kans per kilometer dat een tankauto met gevaarlijke stoffen betrokken raakt bij een ongeval zodanig dat er uitstroming van de stof optreedt. Het aantal personen dat langs de route blootgesteld wordt aan de gevolgen van een ongeval. De bevolkingsdichtheden worden aangegeven in vlakken met een uniforme dichtheid per vlak. Per vlak kan het veronderstelde aantal personen in de dag- en de nachtsituatie opgegeven worden. De meteorologische gegevens. Gekozen is voor weerstation Rotterdam.
3.3.1
Transportintensiteit Voor de transportintensiteit wordt uitgegaan van 17000 transporten GF3 (brandbare gassen zoals LPG) voor wegvak Z55 en 18000 transporten GF3 voor wegvak Z75 zoals voorgeschreven in bijlage 1 van de regeling Basisnet [4]. Figuur 2 toont de wegvakken. Wegvak Z55 is gemodelleerd als de twee verbindingsbogen tussen de A15 en de A16. Standaard wordt aangenomen dat 61% van het transport overdag tussen 8:00 en 18:30 uur en alleen gedurende de werkweek plaatsvindt.
12
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
3.3.2
Trajecteigenschappen De A15/A16 is gemodelleerd als een autosnelweg. Conform de Hart [5] wordt gerekend met de standaard ongevalsfrequentie van 8.3 10-8 /vtg.km (voertuigkilometer). Omdat voor een deel van het te beschouwen traject de beide rijbanen meer dan 25 m uit elkaar liggen, zijn de twee rijrichtingen afzonderlijk gemodelleerd. Het aantal transporten is gelijk verdeeld over de rijrichtingen. De volgende werkwijze is toegepast [5]. Allereerst is het groepsrisico van de totale route en de ligging van de kilometer met het hoogste groepsrisico bepaald door het groepsrisico van de beide trajecten te berekenen. Vervolgens is de lengte van beide trajectdelen ingekort tot 1 km met als middelpunt de ongevalspunten met de grootste bijdrage aan het groepsrisico uit de eerder berekende km met het hoogste groepsrisico, waarna het groepsrisico nogmaals berekend is. Het groepsrisico van beide rijrichtingen tezamen dat nu berekend wordt, de totale route, is het groepsrisico dat vergeleken dient te worden met de oriëntatiewaarde. Dit wordt schematisch toegelicht in figuur 3.
km hoogste GR
1. Bepaling ligging km hoogste GR
Figuur 3.
3.4
2. Berekening totale GR beide trajectdelen
Werkwijze groepsrisicoberekening gescheiden rijbanen
Bebouwing De bebouwing en de hiermee gepaard gaande aanwezigheid van personen binnen het invloedsgebied van de aardgasbuisleiding en het wegvakken is opgevraagd via de BAGpopulatieservice [6]. Informatie over de huidige en toekomstige invulling van het plangebied is aangeleverd door de opdrachtgever. De gehanteerde uitgangspunten en modellering van de omgeving worden in meer detail beschreven in bijlage 1.
13
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
4 Resultaten aardgasbuisleidingen 4.1
Plaatsgebonden risico Figuur 4, 4 en 5 tonen het plaatsgebonden risico van de aardgasleidingen en het plangebied. De berekeningen hebben niet geleid tot een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het Oosterpark.
Figuur 4.
Plaatsgebonden risicocontouren aardgasleiding W-507-01
Figuur 5.
Plaatsgebonden risicocontouren aardgasleiding W-530-01
14
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Figuur 6.
4.2
Plaatsgebonden risicocontouren aardgasleiding W-530-07
Groepsrisico Het groepsrisico is berekend voor zowel de huidige als de toekomstige situatie. Tabel 3 toont het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde voor de drie aardgasleidingen. In de tabel is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor < 0.01 betekent dat het groepsrisico meer dan 100 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde.
Situatie
Factor t.o.v. OW W-507-01
W-530-01
W-530-07
Huidig
< 0.01
< 0.01
-
Toekomstig
< 0.01
< 0.01
-
Tabel 3.
Groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde (OW)
Het groepsrisico van alle drie aardgasleidingen is in zowel de huidige als de toekomstige situatie minder dan 10% van de oriëntatiewaarde en wijzigt niet door het planvoornemen. Bij aardgasleiding W-530-07 is er geen sprake van een groepsrisico, dat wil zeggen, bij een frequentie van 1 10-9 (kans 1 op de miljard) is het aantal slachtoffers kleiner dan 10. Figuur 7 toont het groepsrisico van de aardgasleidingen W-507-01 en W-530-01. De groepsrisico curves van de huidige en toekomstige situatie liggen exact over elkaar heen. In bijlage 2 is het door Carola automatisch gegenereerde rapport voor de toekomstige situatie opgenomen met daarin de gedetailleerde uitkomsten van de berekeningen.
15
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Figuur 7.
4.3
Groepsrisico huidig en toekomstig W-501-07 (links) en W-530-01 (rechts)
Belemmeringenstrook Aan weerszijden van aardgasleidingen geldt een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud aan de leiding. Binnen deze strook mogen geen nieuwe bouwwerken opgericht worden [2, 3]. Voor leidingen met een druk van maximaal 40 bar, zoals hier het geval, meet de belemmeringenstrook 4 m vanuit het hart van de buisleiding. Binnen de belemmeringenstrook worden geen bouwwerken opgericht.
16
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
5 Resultaten A15/A16 5.1
Plaatsgebonden risico In bijlage 1 van de regeling Basisnet zijn voor wegen behorende tot het Basisnet afstanden vastgelegd voor de zogeheten veiligheidszone (de 10-6 plaatsgebonden risicocontour) [4]. Voor wegvak Z55 is deze afstand 66 m, voor wegvak Z75 is dat 63 m, beide gemeten vanuit het midden van de weg. Omdat wegvak Z55 gemodelleerd is als twee verbindingsbogen, geldt in dat geval de helft van de PR-afstand, zijnde 33 m. Figuur 8 toont de indicatieve ligging van de PR 10-6 contour. Deze reikt tot over de zuidelijke strook van het plangebied Daarbinnen bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten.
Figuur 8.
5.2
Plaatsgebonden risico A15/A16
Groepsrisico Figuur 9 toont de groepsrisicocurven voor de huidige en de toekomstige situatie. Tabel 4 toont de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Er is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 0.027 betekent bijvoorbeeld dat het groepsrisico meer dan 35 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde.
Situatie
Factor t.o.v. OW
Huidig
0.027
Toekomstig
0.027
Tabel 4.
Groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde (OW)
17
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Uit figuur 9 en tabel 4 blijkt dat het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. De wijzigingen binnen het plangebied zijn niet van invloed op het groepsrisico.
Figuur 9.
Groepsrisico A15/A16 Huidige situatie Toekomstige situatie
Figuur 10 en 11 vatten het berekeningsresultaat op een andere wijze samen. Het gedeelte van het traject dat het kilometervak met het maximale groepsrisico omvat, is weergegeven met een lichtblauwe kleur. Geel gemarkeerd zijn de ongevalspunten die de grootste bijdrage leveren aan het groepsrisico.
Figuur 10.
Bepaling ligging hoogstscorende km, huidige situatie
18
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Figuur 11.
5.3
Groepsrisico hoogstscorende km, huidige situatie
Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) is een gebied tot 30 m van de weg waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de buitenste kantlijn van de rechterrijstrook. Voor de A15/A16 geldt een plasbrandaandachtsgebied [4]. Figuur 12 toont de (indicatieve) grens van het PAG. Een klein deel van het plangebied ligt daarbinnen. In dat deel bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten.
Figuur 12.
Grens PAG
19
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
6 Conclusies 6.1
Aardgasbuisleidingen Plaatsgebonden risico De berekeningen hebben ter plaatse van het plangebied niet geleid tot een PR 10 -6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico van de aardgasleidingen is in de huidige en toekomstige situatie kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Er kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De onderdelen waaruit deze verantwoording dient te bestaan, worden beschreven in paragraaf 2.2.2. Voor aardgasleiding W-530-07 is geen sprake van een groepsrisico. Een verantwoording is daarom niet nodig. Belemmeringenstrook Binnen de belemmeringenstroken bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten.
6.2
A15/A16 Plaatsgebonden risico Binnen PR 10-6 contour bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten. Groepsrisico In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het PAG bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten.
20
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Referenties 1.
Ministerie VROM
2004
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Stb. 2004, 250
2.
Ministerie I&M
2014
Besluit externe veiligheid transportroutes Stb. 2013, 465
3.
Ministerie I&M
2015
Beleidsregels EV-beoordeling Tracébesluiten Stct. 2014, 25839
4.
Ministerie I&M
2014
Regeling Basisnet Stct. 2014, 8242
5.
Ministerie I&M
2017
Handleiding risicoanalyse transport, versie 1.2
6.
Impuls Omgevings Veiligheid
2021
BAG-Populatieservice. Versie 2021-01 http://populatieservice.demis.nl/
7.
Ministerie I&M
2014
RBM II versie 2.3
21
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Bijlage 1. Gegevens bebouwing 1.1.
Plangebied
De wijzigingen binnen het plangebied beperken zich tot de sportvelden in het oostelijke deel en de kinderboerderij centraal in het plangebied. Figuur 13 toont de wijzigingen in het oostelijke deel. Voor de sportvelden is uitgegaan van 30 personen per hectare die elke dag vier uur in de dagperiode aanwezig zijn en twee uur in de nachtperiode. In het clubgebouw van de honkbalvereniging bevinden zich volgens de BAG-populatieservice 86 personen overdag en 61 in de avond en nacht. In de toekomstige situatie is het gebouw in zuidelijke richting verplaatst, naast het de nieuwe locatie van het honkbalveld. Het veronderstelde aantal personen wijzigt niet.
Sportveld Sportveld Sportveld
Sportveld
Figuur 13.
Clubgebouw en sportvelden
Figuur 14 toont de ligging van de kinderboerderij. Volgens de BAG-populatieservice bevinden zich daar 23 personen overdag en 16 in de avond- en nachtperiode. Het huidige vigerende bebouwingsoppervlak is 394 m2. De maximale bebouwingstoename is 500 m2. Dit leidt tot in totaal 52 personen overdag en 36 personen in de avond- en nachtperiode in de toekomstige situatie.
22
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Figuur 14.
1.2.
Kinderboerderij
Omgeving
Aardgasleidingen Figuur 15 toont de bebouwing binnen het invloedsgebied van de aardgasleidingen. De aanwezigheidsgegevens zijn verkregen via de BAG-populatieservice [6]. Voor de berekening met het rekenprogramma Carola is een gridgrootte van 5 m gehanteerd. De onderstaande bestanden met aanwezigheidsgegevens zijn geleverd. Per bevolkingstype is in de bestandsnaam de dag- en nachtaanwezigheid gegeven, bijvoorbeeld voor wonend_vakantiehuis is de aanwezigheid overdag 50% en ’s nachts 100%. bijeen_sport_cel_zkh-dag100-nacht80 (totaal 1032 personen) industrie-dag100-nacht30 (totaal 164 personen) kantoor_kliniek_onderwijs_winkel-dag100-nacht0 (totaal 718 personen) wonend_vakantiehuis-dag50-nacht100 (totaal 4482 personen)
Wegvakken Binnen een zone van 355 m rond de A15 en A16 is de bebouwing en de hiermee gepaard gaande aanwezigheid van personen opgevraagd via de BAG-populatieservice. Figuur 16 toont de geleverde bebouwing. Voor de omzetting naar het bevolkingsbestand voor RBM II zijn de drempelwaarden voor alle functies verlaagd naar 10 personen per pand. Boven deze waarde worden panden geleverd in afzonderlijke vlakken met meer dan 10 personen,
23
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
beneden deze waarde worden personen verdeeld over een bevolkingsgrid met een gridgrootte van 50x50 m. Voor overige instellingen zijn de standaardwaarden gehanteerd.
Figuur 15.
Plangebied en toegevoegde bebouwing
Figuur 16.
Plangebied en toegevoegde bebouwing
24
Externe veiligheid / Oosterpark te Ridderkerk
Bijlage 2. Carola-rapportage
25
Inhoud 1 Inleiding ................................................................................................................. 2 2 Invoergegevens ....................................................................................................... 3 2.1 Interessegebied ................................................................................................ 3 2.2 Relevante leidingen ........................................................................................... 3 2.3 Populatie.......................................................................................................... 5 3 Plaatsgebonden risico ............................................................................................... 7 3.1 Figuur 3.1 Plaatsgebonden risico voor 7178_leiding-W-507-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie .............................................................................................. 7 3.2 Figuur 3.2 Plaatsgebonden risico voor 7178_leiding-W-530-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie .............................................................................................. 7 3.3 Figuur 3.3 Plaatsgebonden risico voor 7178_leiding-W-530-07-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ..............................................................................................
8 4 Groepsrisico screening .............................................................................................. 9 4.1 Figuur 4.1 Groepsrisico screening voor 7178_leiding-W-507-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie .............................................................................................. 9 4.2 Figuur 4.3 Groepsrisico screening voor 7178_leiding-W-530-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 10 4.3 Figuur 4.5 Groepsrisico screening voor 7178_leiding-W-530-07-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 11 5 FN curves .............................................................................................................. 12 5.1 Figuur 5.1 FN curve voor 7178_leiding-W-507-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie voor de kilometer tussen stationing 0.00 en stationing 1000.00 ..................... 12 5.2 Figuur 5.2 FN curve voor 7178_leiding-W-530-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie voor de kilometer tussen stationing 4740.00 en stationing 5740.00 ................ 12 5.3 Figuur 5.3 FN curve voor 7178_leiding-W-530-07-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie voor de kilometer tussen stationing 0.00 en stationing 50.00 .........................
12 6 Referenties ............................................................................................................ 13
1 Inleiding In CAROLA berekeningen wordt gebruik gemaakt van de parameters conform de Handleiding Risicoberekeningen Bevb [1]. Achtergrondinformatie over de berekeningen kan worden gevonden in [2, 3, 4, 5].
Overzicht van de elementen die in een QRA gerapporteerd moeten worden. Onderwerp
1
2
3
Algemene rapportgegevens Administratieve gegevens: naam en adres van de leidingexploitant(en) (volgens Bevb) naam en adres van de opsteller van de QRA Reden opstellen QRA Gevolgde methodiek rekenpakket met versienummer parameterbestand met versienummer Peildatum QRA datum van de berekening datum van aanmaak van de buisleidinggegevens Algemene beschrijving van de buisleiding(en) Gegevens buisleiding naam buisleiding diameter druk eventuele mitigerende maatregelen Ligging van de leiding, aan de hand van kaart(en) op schaal. leiding noordpijl en schaalindicatie Beschrijving omgeving Omgevingsbebouwing en gebiedsfuncties
Vertrouwelijk/
Aangeleverd
Openbaar
door CAROLA
Openbaar
Deels
Openbaar Openbaar
Nee Nee Ja
Openbaar Ja Nee Openbaar Ja Ja Ja Ja Openbaar Ja Ja Openbaar Ja indien ingevoerd
bestemmingsplannen al dan niet gedeeltelijk binnen de PR 10-6-contour en het invloedsgebied Actuele topografische kaart
4
Een beschrijving van de bevolking rond de buisleiding, onder opgave van de wijze waarop deze beschrijving tot stand is gekomen (o.a. incidentele bebouwing, lintbebouwing) Mogelijke gevaren van buiten de buisleiding die op de buisleiding effect kunnen hebben (risicoverhogende objecten, buurbedrijven/ activiteiten, vliegroutes, windturbines) Gebruikt weerstation Beschrijving per leiding van mogelijke risico’s voor de omgeving Samenvattend overzicht van de resultaten van de QRA, waarin tenminste is opgenomen: Kaart met het berekende plaatsgebonden risico, met contouren voor 10-4, 10-5, 10-6, 10-7 en 10-8 (indien aanwezig) FN-curve, voor zowel huidige als toekomstige situatie, met het groepsrisico voor de kilometer buisleiding met de grootste overschrijding van de oriënterende waarde. Op de horizontale as van de grafiek met de FN-curve wordt het aantal dodelijke slachtoffers uitgezet, op de verticale as de cumulatieve kans tot 10-9 per jaar FN-datapunt waarbij de maximale overschrijding van de oriëntatiewaarde optreedt, inclusief de factor van de overschrijding Grafiek met de screening van het groepsrisico Beschrijving of er kwetsbare bestemmingen en/of beperkt kwetsbare bestemmingen binnen de PR contour van 10 -6 per jaar zijn Voorgestelde preventieve en repressieve maatregelen die in de QRA zijn meegenomen
Openbaar Openbaar
Ja indien ingevoerd Nee
Openbaar
Nee
Openbaar
Ja
Openbaar
Ja
Openbaar
Ja
Openbaar
Ja
Openbaar
Ja
Openbaar Openbaar
Ja Nee
Openbaar
Ja
Pagina 2 van 13
2 Invoergegevens De risicoberekeningen die in dit rapport zijn beschreven zijn uitgevoerd met CAROLA versie 1.0.0.52. De gehanteerde parameterfile heeft versienummer 1.3. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van de meteorologische gegevens van het weerstation Rotterdam. De gebruikte ruwheidslengte is 0,1 meter. In dit hoofdstuk worden de verschillende invoergegevens nader gespecificeerd in de navolgende secties. 2.1 Interessegebied Het interessegebied is weergegeven in figuur 2.1 Figuur 2.1 Interessegebied voor de uitgevoerde risicoberekeningen
2.2 Relevante leidingen Op basis van het gespecificeerde interessegebied zijn de volgende aardgastransportleidingen meegenomen. Voor dit onderzoek is alleen de gearceerd weergegeven leiding relevant. De overige leidingen worden niet verder behandeld in dit rapport Eigenaar
Leidingnaam
Diameter [mm]
Druk [bar]
Datum aanleveren gegevens
N.V. Nederlandse Gasunie
7178_leiding-A517-deel-1
762.00
66.20
22-03-2021
N.V. Nederlandse
7178_leiding-A-
762.00
66.20
22-03-2021
Gasunie
518-deel-1
N.V. Nederlandse
7178_leiding-A-
1067.00
66.20
22-03-2021
Gasunie
555-deel-1
N.V. Nederlandse
7178_leiding-A-
1066.80
66.20
22-03-2021
Gasunie
555-deel-2 Pagina 3 van 13
Eigenaar
Leidingnaam
Diameter
Druk
Datum aanleveren
[mm]
[bar]
gegevens
323.90
40.00
22-03-2021
N.V. Nederlandse
7178_leiding-W-
Gasunie
507-01-deel-1
N.V. Nederlandse Gasunie
7178_leiding-W507-02-deel-1
168.30
40.00
22-03-2021
N.V. Nederlandse Gasunie
7178_leiding-W530-01-deel-1
323.90
40.00
22-03-2021
N.V. Nederlandse Gasunie
7178_leiding-W530-02-deel-1
323.80
40.00
22-03-2021
N.V. Nederlandse
7178_leiding-W-
323.90
40.00
22-03-2021
Gasunie
530-02-deel-2
N.V. Nederlandse
7178_leiding-W-
168.30
40.00
22-03-2021
Gasunie
530-07-deel-1
N.V. Nederlandse
7178_leiding-W-
406.40
40.00
22-03-2021
Gasunie
530-09-deel-1
De exploitant specifieke factoren voor casuïstiek (cluster 1b), actief rappel (cluster 1C) en mitigerende maatregelen corrosie staan beschreven in Tabel 11 van Module B van de Handleiding Risicoberekeningen Bevb [1]. De leidingen zijn gevisualiseerd in figuur 2.2. Figuur 2.2 Buisleidingen aanwezig in de omgeving van het interessegebied
Voor de in bovenstaande tabel opgenomen leidingen zijn geen risico mitigerende maatregelen verdisconteerd in de bijbehorende risicoberekeningen.
Pagina 4 van 13
2.3 Populatie De ingevoerde populatie is weergegeven in figuur 2.3 Figuur 2.3 Bevolking meegenomen in de risicoberekeningen
Populatietype
Polygoonpunten
Populatiepolygoon
Wonen Werken Evenement De percentages in de kolom “Percentages Personen” in onderstaande tabellen hebben achtereenvolgens de betekenis: • % aanwezig gedurende de dagperiode/ • % aanwezig gedurende de nachtperiode/ • % buiten gedurende de dagperiode/ • % buiten gedurende de nachtperiode/ • % overdag aanwezig gedurende het jaar/ • % ’s nachts aanwezig gedurende het jaar. Populatiepolygonen Type
Aantal
Dichtheid
Vervangmodus
Percentage Personen
Evenement
30
Toevoegen Nieuw
100/ 100/ 7/ 1/ 0/ 0
Evenement
30
Toevoegen Nieuw
100/ 100/ 7/ 1/ 0/ 0
30
Evenement
Toevoegen Nieuw
100/ 100/ 7/ 1/ 0/ 0
Werken
86
Toevoegen Nieuw
100/ 71/ 7/ 1/ 100/ 100
Wonen
52
Vervangen bestaand
100/ 70/ 7/ 1/ 100/ 100
Pagina 5 van 13
Populatiebestanden Pad
Type
Aantal
Percentage Personen
bijeen_sport_cel_zkh-dag100-
Werken
1032
100/ 80/ 7/ 1/ 100/ 100
industrie-dag100-nacht30.txt
Werken
164
100/ 30/ 7/ 1/ 100/ 100
kantoor_kliniek_onderwijs_winkel-
Werken
718
100/ 0/ 7/ 1/ 100/ 100
Wonen
4482
50/ 100/ 7/ 1/ 100/ 100
nacht80.txt
dag100-nacht0.txt wonend_vakantiehuis-dag50nacht100.txt
Pagina 6 van 13
3 Plaatsgebonden risico Voor de in voorgaande hoofdstuk genoemde leidingen is het plaatsgebonden risico bepaald. Voor elk van de leidingen wordt het plaatsgebonden risico weergegeven als iso-risicocontouren op een achtergrondkaart. 3.1 Figuur 3.1 Plaatsgebonden risico voor 7178_leiding-W-507-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
3.2 Figuur 3.2 Plaatsgebonden risico voor 7178_leiding-W-530-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
Pagina 7 van 13
3.3 Figuur 3.3 Plaatsgebonden risico voor 7178_leiding-W-530-07-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
1E-7 1E-8
Pagina 8 van 13
4 Groepsrisico screening Om in één oogopslag een indruk te krijgen van het groepsrisico wordt het groepsrisico gescreend alvorens voor specifieke segmenten FN-curves te visualiseren. Voor elk van de leidingen wordt per stationing de overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico weergegeven. Deze is berekend door rondom elk punt op de leiding één kilometer segment te kiezen die gecentreerd ligt ten opzichte van dit punt. Voor deze kilometer leiding is een FN-curve berekend en voor deze FN-curve de overschrijdingsfactor. De overschrijdingsfactor is de verhouding tussen de FN-curve en de oriëntatiewaarde. Daarmee is de overschrijdingsfactor een maat die aangeeft in hoeverre de oriëntatiewaarde wordt genaderd of overschreden. Een overschrijdingsfactor kleiner dan 1 geeft aan dat de FNcurve onder de oriëntatiewaarde blijft. Bij een waarde van 1 zal de FN-curve de oriëntatiewaarde raken. Bij een waarde groter dan 1 wordt de oriëntatiewaarde overschreden. 4.1 Figuur 4.1 Groepsrisico screening voor 7178_leiding-W-507-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
De maximale overschrijdingsfactor van deze kilometer leiding wordt gevonden bij 13 slachtoffers en een frequentie van 2.27E-009. De maximale overschrijdingsfactor voor dit tracé is gelijk aan 3.837E-005 en correspondeert met die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 0.00 en stationing 1000.00. Voor deze kilometer leiding is de FN-curve opgenomen in het volgende hoofdstuk. De betreffende kilometer leiding is gevisualiseerd in figuur 4.2. Figuur 4.2 Kilometer leiding behorende bij de maximale overschrijding van de FNcurve voor 7178_leiding-W-507-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
Pagina 9 van 13
4.2 Figuur 4.3 Groepsrisico screening voor 7178_leiding-W-530-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
De maximale overschrijdingsfactor van deze kilometer leiding wordt gevonden bij 52 slachtoffers en een frequentie van 3.59E-008. De maximale overschrijdingsfactor voor dit tracé is gelijk aan 9.708E-003 en correspondeert met die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 4740.00 en stationing 5740.00. Voor deze kilometer leiding is de FN-curve opgenomen in het volgende hoofdstuk. De betreffende kilometer leiding is gevisualiseerd in figuur 4.7. Figuur 4.4 Kilometer leiding behorende bij de maximale overschrijding van de FNcurve voor 7178_leiding-W-530-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
Pagina 10 van 13
4.3 Figuur 4.5 Groepsrisico screening voor 7178_leiding-W-530-07-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
De maximale overschrijdingsfactor van deze kilometer leiding wordt gevonden bij 0 slachtoffers en een frequentie van 0.00E+000. De maximale overschrijdingsfactor voor dit tracé is gelijk aan 0.000E+000 en correspondeert met die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 0.00 en stationing 50.00. Voor deze kilometer leiding is de FN-curve opgenomen in het volgende hoofdstuk. De betreffende kilometer leiding is gevisualiseerd in figuur 4.6. Figuur 4.6 Kilometer leiding behorende bij de maximale overschrijding van de FNcurve voor 7178_leiding-W-530-07-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
Pagina 11 van 13
5 FN curves Voor elk van de eerder genoemde leidingen is het groepsrisico berekend. Een samenvatting van de resultaten hiervan is gegeven in het voorgaande hoofdstuk; in dit hoofdstuk wordt voor elk van de leidingen de daadwerkelijke FN-curve gegeven van de (in termen van groepsrisico) “slechtste” kilometer van het betreffende tracé. 5.1 Figuur 5.1 FN curve voor 7178_leiding-W-507-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie voor de kilometer tussen stationing 0.00 en stationing 1000.00
5.2 Figuur 5.2 FN curve voor 7178_leiding-W-530-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie voor de kilometer tussen stationing 4740.00 en stationing 5740.00
5.3 Figuur 5.3 FN curve voor 7178_leiding-W-530-07-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie voor de kilometer tussen stationing 0.00 en stationing 50.00
Pagina 12 van 13
6 Referenties [1]
Handleiding Risicoberekeningen Bevb. Versie 1.0. 20 december 2010.
[2]
Risicomethodiek aardgastransportleidingen. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Brief 390/06 CEV Lah/pbz-1191. 6 november 2006.
[3]
Risicomethodiek aardgastransportleidingen. Ministerie van VROM. Brief 2006.334302. 7 december 2006.
[4]
Laheij GMH, Vliet AAC van, Kooi ES. Achtergronden bij de vervanging van zoneringafstanden hogedruk aardgastransportleidingen van de N.V. Nederlandse Gasunie. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. RIVM-rapport 620121001/2008. 2008.
[5]
M. Gielisse, M.T. Dröge, G.R. Kuik. Risicoanalyse aardgastransportleidingen. N.V. Nederlandse Gasunie. DEI 2008.R.0939. 2008.
Pagina 13 van 13
Bijlage 3 Aanvullend ecologisch onderzoek
Onderzoek naar beschermde soorten van de Wet natuurbescherming in het Oosterpark in Ridderkerk Vleermuizen Roofvogels met jaarrond beschermd nest
S.D. Elzerman bSR-rapport 441 2023
Colofon rapportnummer
441
projectnummer
2375
titel
Onderzoek naar beschermde soorten van de Wet natuurbescherming in het Oosterpark in Ridderkerk.
auteur(s)
S.D. Elzerman
opdrachtgever
J. Bos Gemeente Ridderkerk
status
Definitief, versie 3.1, oktober 2023
afbeeldingen
Bureau Stadsnatuur, alle rechten voorbehouden
kaartmateriaal
PDOK/BRT; auteursrecht voorbehouden.
Deze uitgave kan geciteerd worden als: Elzerman, S.D. 2023. Onderzoek naar beschermde soorten van de Wet natuurbescherming in het Oosterpark in Ridderkerk. Rapportnr. 441. Bureau Stadsnatuur, Rotterdam. © Bureau Stadsnatuur, augustus 2023 Bureau Stadsnatuur, Westzeedijk 345, 3015 AA, Rotterdam www.bureaustadsnatuur.nl | info@bureaustadsnatuur.nl Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. bSR kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
INHOUD
Samenvatting ............................................................................................. 2 1
Inleiding ........................................................................................... 4
2
Beschrijving plangebied en voorgenomen ontwikkelingen .................. 5
2.1
Oosterpark Ridderkerk ....................................................................................... 5
2.2
Ruimtelijke ontwikkelingen .................................................................................. 5
3
Methodiek ........................................................................................ 7
3.1
Vleermuisonderzoek........................................................................................... 7 3.1.1 3.1.2
Vleermuisonderzoek.......................................................................................................... 7 Onderzoek roofvogels met jaarrond beschermd nest ............................................................ 9
4
Resultaten onderzoek ...................................................................... 11
4.1
Vleermuisonderzoek......................................................................................... 11
4.2
Onderzoek roofvogels met jaarrond beschermd nest ........................................... 16
5 Toetsing effect van de voorgenomen ontwikkelingen op de beschermde soorten .................................................................................................... 20 5.1
Uitbreiding sportvelden .................................................................................... 20
5.2
Plaatsing geluidsscherm.................................................................................... 21
5.3
Herinrichting park............................................................................................ 23
6
Conclusie ........................................................................................ 26
6.1
Bevindingen uit het onderzoek .......................................................................... 26
6.2
Te verwachten effecten op beschermde soorten ................................................... 27
6.3
Vervolgstappen en aanbevelingen ..................................................................... 28
Literatuur ................................................................................................. 30 Bijlage 1 – Compenserende maatregelen en toekomstige inrichting Oosterpark (versie juli 2023) ........................................................................................ 1
bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk 1
SAMENVATTING
De geplande ruimtelijke ontwikkelingen in het Oosterpark hebben effect op de aanwezige planten en dieren in het gebied. Vanaf het najaar van 2020 tot het najaar van 2021 is het voorkomen van beschermde soorten van de Wet natuurbescherming door Bureau Stadsnatuur in kaart gebracht. Het onderzoek richtte zich met name op het gebiedsgebruik door vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van roofvogels. Niet alleen de dieren zelf, maar ook hun nesten, verblijfplaatsen en essentiële gebiedsfuncties zijn beschermd door de Wet natuurbescherming (Wnb). Indien dergelijke beschermde situaties negatief beïnvloed worden door de ruimtelijke ontwikkelingen dan kan een ontheffing nodig zijn en/of mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk zijn. Het onderzoek naar roofvogels en uilen leverde drie jaarrond beschermde nesten op. In de meest zuidelijke bomenrij van het park was een nest van Buizerds aanwezig. In dit territorium wordt al enige jaren gebroed. Op twee plekken werden nesten van Sperwers gevonden. Eén nest bevond zich in een bosvak nabij de Bloemenjungle en het andere nest zat in het bosvak ten westen van de kinderboerderij. Beide territoria zijn al jaren bezet. Bij de grote zwemvijver werd eenmaal een roepende jonge Ransuil gehoord. Het is onbekend of de jonge uil al kon vliegen.
Daarmee is het ook onbekend of het jong geboren is in het park of in een achtertuin in de wijk Drievliet. Voor de start van het vleermuisonderzoek was weinig bekend over het gebiedsgebruik door deze nachtactieve dieren. De verwachting was wel dat het park van grote waarde is voor de vleermuizen in Ridderkerk. Het onderzoek bevestigde dit beeld. Gedurende het gehele jaar maakten tientallen vleermuizen gebruik van het gebied. Ze gebruikten het park hoofdzakelijk om voedsel te verzamelen. De meest waargenomen soort was de Gewone dwergvleermuis, die algemeen voorkomt in Nederland. Ook de Ruige dwergvleermuis is veel waargenomen. Met name in het najaar wanneer deze soort vanuit Oost-Europa en Rusland naar Nederland migreert om hier te overwinteren. Een derde soort, die regelmatig is vastgesteld, betreft de Watervleermuis. Deze vleermuis is slechts in kleine aantallen waargenomen, maar het was wel de eerste keer dat Watervleermuizen als vaste bezoekers aan Ridderkerks grondgebied zijn vastgesteld. Verder zijn incidenteel Laatvlieger en Rosse vleermuis waargenomen. De verdeling van de vleermuizen over het gebied was niet gelijkmatig en varieerde gedurende de tijd van het jaar. Sommige delen van het park waren duidelijk favoriet bij de vleermuizen.
Boven de brede watergang aan de zuidkant van het park, in open plekken tussen de bosvakken en boven de fiets-/wandelpaden vlogen veel vleermuizen rond. Boven het water, in de luwte van bosranden en rond de boomkronen zijn vaak concentraties van vliegende insecten te vinden. Met name boven de brede watergang aan de zuidkant van het park, waar de grote abelen met hun kronen een soort tunnel vormen vlogen veel vleermuizen. Dit kan aangemerkt worden als een essentieel onderdeel van het foerageergebied (=voedselgebied). Soms maken vleermuizen gebruik van vaste vliegroutes om zich te verplaatsen van hun verblijfplaats naar het voedselgebied. Een bomenrij of watergang kan hierbij een begeleidend landschapselement vormen. Als dit weggehaald wordt dan kunnen vleermuizen zich moeilijker oriënteren in het landschap. In het uiterste geval kan dit leiden tot het verlaten van een verblijfplaats, wat een negatief effect op de soort vormt. In het park zijn geen vaste vliegroutes vastgesteld. De vleermuizen maken weliswaar veel gebruik van bomenlanen, zoals het essenlaantje ten oosten van de sportvelden, en bosranden om zich langs te verplaatsen. Deze structuren vormen echter ook onderdelen van hun foerageergebied. Ze vormen geen verbindende schakels, maar een eindbestemming.
Afhankelijk van de soort en tijd van het jaar kunnen vleermuizen gebruikmaken van bomen en gebouwen om in te verblijven. Deze verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. In het park zijn geen verblijfplaatsen in bomen vastgesteld. Mogelijk is een gebrek aan geschikte boomholtes hier
2
bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk
debet aan. De sportaccommodaties, kinderboerderij, Bloemenjungle en de woningen in het park zijn niet onderzocht. Op basis van het ecologisch onderzoek zijn de volgende beschermde situaties vastgesteld: • • •
Jaarrond beschermd nest van een Buizerd Twee jaarrond beschermde nesten van Sperwers Essentieel foerageergebied voor vleermuizen
De aanleg van het geluidsscherm langs de A15 zal leiden tot een grootschalige bomenkap, waardoor het nest van de Buizerd verdwijnt en het foerageergebied van vleermuizen ernstig wordt aangetast. De bosvakken rond beide nesten van Sperwers worden niet aangetast door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. De uitbreiding van de sportvelden heeft alleen beperkt negatief effect op de omvang van het foerageergebied van vleermuizen. Boven de sportvelden zijn tijdens het onderzoek nauwelijks vleermuizen waargenomen. Vleermuizen mijden de felle verlichting van de sportvelden. De uitbreiding van de sportvelden heeft tot gevolg dat een bosvak gekapt wordt. De jaarrond beschermde nesten van de roofvogels worden niet aangetast door deze ruimtelijke ontwikkeling. De herinrichting van het park kan tot een negatief effect leiden als een grote hoeveelheid bomen wordt gekapt. Deze ontwikkeling biedt echter ook kansen om het park aantrekkelijker te maken voor vleermuizen. Voor het verwijderen van het buizerdnest en de aantasting van het essentiële foerageergebied van vleermuizen moet een ontheffing op de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De aanvraag moet onderbouwd worden met een overtuigende argumentatie ten aanzien van de belangen die de ruimtelijke ontwikkelingen dienen.
Bovendien moeten alternatieven geboden worden om het negatieve effect op de beschermde soorten te verkleinen en te compenseren. De herinrichting van het park biedt hiervoor mogelijkheden, zoals de plaatsing van kunstnesten voor de Buizerd. Het creëren van mantelzomen, het vergroten van het aanbod aan nectarplanten, vergroten van de afwisseling in het gebied met open plekken en gesloten bosvakken en de aanleg van water met natuurvriendelijke oevers heeft tot doel om het voedselaanbod voor de vleermuizen op peil te houden. Daarnaast kunnen ook andere dieren en planten hiervan profiteren. De exacte maatregelen moeten in overleg met de gemeente nader uitgewerkt worden. Het is niet uitgesloten dat de huidige inrichtingsplannen van het park op sommige punten gewijzigd moeten worden om voldoende compensatie te bieden. De wettelijke beoordelingstermijn van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is maximaal 20 weken, maar kan in de praktijk langer duren. Tot het moment dat de ontheffing verleend is mogen werkzaamheden, die een negatief effect hebben op beschermde situaties, niet uitgevoerd worden. De ontheffing wordt in de provincie Zuid-Holland (bevoegd gezag) aangevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden.