CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Oosterpark - bijlagen toelichting 1-6.pdf

Commissie Samen wonen RK 15 mei 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: Vaststelling groencompensatieplan "Kwaliteitsimpuls Oosterpark" en vaststelling bestemmingsplan Oosterpark (2023)13.771 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk 3

1

INLEIDING In het Oosterpark in de gemeente Ridderkerk (Figuur 1), provincie Zuid-Holland, staan grote veranderingen voor de komende jaren gepland. Langs de snelweg A15 is een geluidsscherm gepland, waarvoor een groot aantal bomen moet wijken. Daarnaast heeft de gemeenteraad ingestemd met de uitbreiding van de sportvelden in het oostelijke deel van het park. Ter compensatie van het verlies aan natuurwaarden door deze ruimtelijke ontwikkelingen is een herinrichtingsplan voor het park opgesteld. Dit heeft tot doel om de natuurwaarden en recreatieve kwaliteit te verbeteren. Deze veranderingen in het park hebben effect op de planten en dieren die hier leven. Daarom is onderzoek verricht naar beschermde soorten van de Wet natuurbescherming. In 2020 is een verkennend onderzoek, zogenaamde quick scan, uitgevoerd (Elzerman 2020a). Op basis van een uitgebreide analyse van de beschikbare gegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), gebiedskennis van de auteur en een veldbezoek zijn de potenties voor beschermde soorten in beeld gebracht. In het park waren jaarrond beschermde nesten van roofvogels bekend. Voor de ruimtelijke ontwikkelingen was het van belang om het actuele gebruik van de nestlocaties te onderzoeken. Daarnaast biedt het park potenties voor vleermuizen, maar was van deze zoogdieren juist nauwelijks informatie beschikbaar.

Daarom werd in de quick scan geadviseerd om het gebiedsgebruik in kaart te brengen. Het voorliggende rapport presenteert de resultaten van het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van roofvogels en gebiedsgebruik door vleermuizen.

Figuur 1. De ligging van het Oosterpark in Ridderkerk is aangegeven met een rood kader.

4

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED EN VOORGENOMEN

ONTWIKKELINGEN

2.1

Oosterpark Ridderkerk Het Oosterpark is een stadspark aan de zuidrand van Ridderkerk (Figuur 1). Het vormt een groene buffer tussen de woonwijk Drievliet en de snelweg A15. Het park is in fases aangelegd in de jaren zeventig. Binnen het gebied zijn twee stijlen van inrichting te zien. Het westelijke deel is ingericht volgens de Engelse landschapsstijl. Hier is een afwisseling van bosvakken, gazons met vrijstaande bomen, kleine waterpartijen en een kronkelende padenstructuur. Het oostelijke deel wordt juist gekenmerkt door rechte lijnen en strakke overgangen tussen bosvakken en gazon. Dit deel van het park is meer ingericht als een productiebos. Centraal in het gebied liggen een recreatieplas, kinderboerderij en pannenkoekenhuis. Andere bebouwing in het gebied bestaat uit een tuincentrum (Bloemenjungle), enkele woningen en sportvelden met kantines en kleedkamers. ’s Nachts is het Oosterpark grotendeels onverlicht. Rond de sportvelden branden op enkele avonden per week de lichtmasten. Verder is alleen een deel van het fietspad aan de oostrand van het gebied ‘s nachts verlicht. In de rapportage van de quick scan staat een uitgebreide beschrijving van het Oosterpark (Elzerman 2020a).

Figuur 2. Typerend beeld van het westelijke deel van het Oosterpark: kronkelende paden, afwisseling van open gazons en gesloten bosvakken (05-07-2020).

2.2

Figuur 3. Het oostelijke deel van het Oosterpark kenmerkt zich juist door strakke lijnen van paden en bosranden. Hier een foto van een bosvak dat enkele jaren geleden gedund is (05-07-2020).

Ruimtelijke ontwikkelingen Voor de komende jaren staan twee grote ruimtelijke ontwikkelingen in het Oosterpark gepland (Figuur 4). Het gaat om de uitbreiding van de sportvelden en plaatsing van een geluidsscherm langs de snelweg. De sportvelden liggen in het oostelijke deel van het park. Het plan is om de huidige sportvelden aan de zuidkant uit te breiden en tot een honkbal- en softbalveld aan te passen. Binnen de huidige sportvelden vindt een herschikking plaats, zodat een logische indeling van het sportcomplex ontstaat. Rond de sportvelden blijft aan alle kanten een bosstrook die de terreinen moet afschermen van de omgeving om lichthinder en geluidsoverlast te voorkomen. Door de

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk 5

uitbreiding van de sportvelden verdwijnen enkele bosvakken. Het ‘essenlaantje’ ten oosten van de sportvelden blijft behouden. Langs de gehele zuidrand van het Oosterpark komt een geluidsscherm om de geluidsoverlast van bewoners in de wijk Drievliet te verminderen. Het tracé van het geluidsscherm was ten tijde van deze rapportage vastgesteld ten zuiden van de hoofdwatergang in het park. Plaatsing op grondgebied van Rijkswaterstaat is niet toegestaan, maar de gesprekken hierover liepen ten tijde van deze rapportage nog. In het westelijke deel van het park is al een geluidsscherm aanwezig, waarop het nieuwe geluidsscherm moet aansluiten. Voor de aanleg van het geluidsscherm verdwijnen enkele honderden bomen. Hoeveel bomen exact gekapt moeten worden is nog niet duidelijk. Dit wordt bepaald door de werkwijze van de aannemer en het exacte tracé van dhet geluidsscherm. Waar mogelijk worden bestaande bomen verplaatst naar een andere plek in het park. Na realisatie zal het geluidsscherm aan de zijde van het park op zoveel mogelijk plekken voorzien worden van nieuwe bomen en struiken. Dit moet het geluidsscherm onttrekken aan het zicht en verlies aan groen deels compenseren. Naast de grootschalige ingrepen worden in het park op diverse plekken ook kleinschalige aanpassingen uitgevoerd om het gebied te verbeteren voor de biodiversiteit en recreatie.

Het verlies aan bomen door de uitbreiding van de sportvelden en aanleg van het geluidsscherm zal grotendeels binnen het Oosterpark gecompenseerd worden. Dit betekent dat enkele honderden nieuwe bomen aangeplant zullen worden. De huidige bosranden worden over het algemeen strak beheerd waardoor een abrupte overgang van bomen naar gazon is. Om meer structuur en variatie te creëren worden mantelzomen aangelegd. Het maaibeheer worden aangepast om tot een meer bloemrijk grasland te komen. Het wateroppervlak wordt uitgebreid door de hoofdwatergang te verbreden en nieuwe wateren aan te leggen. Langs de oevers komen meer mogelijkheden voor oeverplanten. De lengte aan natuurvriendelijke oevers wordt vergroot. Dit komt ook de waterkwaliteit ten goede, wat al jarenlang een probleem vormt. Voor de recreatie worden maatregelen genomen als de aanleg van een nieuwe brug over de hoofdwatergang, verplaatsing van het hondenstrandje, de aanleg van een laan met fruitbomen waar bezoekers fruit kunnen plukken en aanpassing in de padenstructuur voor meer variatie. De planning is om alle bovenstaande ontwikkelingen in de komende tien jaar uit te voeren.

Figuur 4. Overzicht van de toekomstige inrichting van het Oosterpark (oktober 2023, gemeente Ridderkerk).

6

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk

3

METHODIEK Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van roofvogels en gebiedsgebruik door vleermuizen vormt een aanvulling op de quick scan (Elzerman 2020a). In de quick scan zijn alle beschikbare gegevens van natuurwaarden in combinatie met een bezoek aan het park geanalyseerd. Hierbij kon het voorkomen van overige strikt beschermde soorten van de Wet natuurbescherming worden uitgesloten. De onderzoeken naar roofvogels en vleermuizen kennen elk een eigen aanpak.

3.1

Vleermuisonderzoek

3.1.1 Vleermuisonderzoek Over het gebiedsgebruik van het Oosterpark door vleermuizen was voor het onderzoek nog nauwelijks iets bekend. In de NDFF stonden slechts enkele waarnemingen (Elzerman 2020a). Aangezien niet alleen de dieren zelf beschermd zijn door de Wet natuurbescherming (art. 3.5), maar ook enkele essentiële onderdelen van het leefgebied, was het van belang om een goed beeld te krijgen van het gebruik van het park. Het onderzoek is uitgevoerd van augustus 2020 tot en met juli 2021. In eerste instantie was het onderzoek opgezet volgens de richtlijnen uit het Vleermuisprotocol 2017 (Vleermuisvakberaad NGB & Zoogdiervereniging 2017). Per 1 januari 2021 trad echter een nieuwe versie van het Vleermuisprotocol in werking (GaN, Zoogdiervereniging & NGB 2021). De onderzoeksopzet is daarop aangepast waar dat nodig was. Uit de NDFF-gegevens en Natuurwaardenkaart van de gemeente Ridderkerk (Elzerman 2013 met aanvullingen uit 2014-2018) werd het voorkomen van de volgende soorten verwacht: Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii en Laatvlieger Eptesicus serotinus. Deze drie soorten komen algemeen voor binnen de gemeente. Van soorten, die het Oosterpark als leefgebied kunnen hebben en een enkele maal in Ridderkerk waargenomen zijn, werd de kans op een verblijfplaats zeer klein geacht.

Het gaat daarbij om Watervleermuis Myotis daubentonii, Rosse vleermuis Nyctalus noctula en Gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus. Verblijfplaatsen in bomen zijn niet bekend in Ridderkerk. De dichtstbijzijnde verblijfplaatsen van deze soorten bevinden zich in Rotterdam en de Alblasserwaard (NDFF, Broekhuizen et al. 2016). Het vleermuisonderzoek richtte zich in algemene zin op het gebiedsgebruik door alle soorten vleermuizen. Het onderzoek moest in kaart brengen welke soorten vleermuizen door het jaar heen in het Oosterpark rondvliegen. Een gebied kan een functie bevatten die essentieel onderdeel vormt in het leven van de vleermuis. Het gaat om verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vaste vliegroutes. Het onderzoek richtte zich op het ‘groene deel’ van het park. De gebouwen, zoals de kantines bij de sportvelden, de kinderboerderij en het tuincentrum Bloemenjungle, zijn niet onderzocht. Om de beschermde functies voor de verschillende soorten goed te onderzoeken is de volgende opzet gekozen: Verblijfplaatsen Gedurende het jaar maken vleermuizen gebruik van verschillende typen verblijfplaatsen. Een verblijfplaats kan meerdere functies hebben gedurende het jaar, maar de verblijven kunnen zich ook op verschillende locaties bevinden.

De kraamkolonies van de meeste Ruige dwergvleermuizen liggen bijvoorbeeld in Oost- en Noord-Europa, terwijl ze in Nederland komen bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk 7

voor het paarseizoen en overwintering (Dietz et al. 2007). Deze soort kent dus een voor- en najaarsmigratie zoals ook bij trekvogels. Het onderzoek naar verblijfplaatsen strekte zich daarom uit over de gehele actieve periode van vleermuizen. In totaal werden zes inventarisatierondes uitgevoerd verspreid over de periode mei tot en met september (Tabel 1). Tabel 1. Datum en weersomstandigheden van de inventarisatierondes van het vleermuisonderzoek in het Oosterpark. Datum 12-08-2020 09-09-2020 30-09-2020 31-05-2021 29-06-2021 13-07-2021

Bewolkingsgraad 6/8 (sluier) 4/8 6/8 3/8 8/8 8/8

Temperatuur 27 oC 17 oC 17 oC 19 oC 17 oC 18 oC

Wind 2 Bft. NO 2 Bft. N 2-3 Bft. Z 2 Bft. O 2 Bft. W 3-4 Bft. W

Neerslag Geen Geen Geen Geen Geen Geen

De inventarisatierondes zijn uitgevoerd met vier onderzoekers. Alleen het eerste bezoek is uitgevoerd met drie onderzoekers en de laatste ronde met vijf personen (Tabel 2). Alle onderzoekers gebruikten een batdetector (Petterson D240x). Daarnaast werden per inventarisatie twee Batloggers (Elekon Batlogger M) gebruikt. Een Batlogger neemt continu vleermuisgeluiden op alle frequenties op, waardoor iedere roepende vleermuis wordt vastgelegd. De opnames maakten het mogelijk om naderhand determinatie te controleren. Bij het laatste bezoek werd ook een Batlogger (Elekon Batlogger A) onder een brug opgehangen om de doorkomst van Watervleermuis en andere soorten te meten. Naast geluidsopname-apparatuur werden elk bezoek ook warmtebeeldcamera’s (Pulsar XP28) en zaklampen gebruikt om een goed beeld te krijgen van grote concentraties individuen of andere specifieke situaties nader te bekijken. Begin maart 2021 zijn alle bomen, die mogelijk gekapt worden, onderzocht op holtes en andere potentiële verblijfplekken van vleermuizen. Er zat toen nog nauwelijks blad aan de bomen, waardoor de stammen en takken goed te controleren waren. Potentiële verblijfplekken zijn vastgelegd met gps-coördinaten. In het voorjaar en de zomer zijn deze bomen tijdens het onderzoek met batdetectors specifiek onderzocht op uitvliegers en zwermende vleermuizen.

Daarnaast zijn de bomen gecontroleerd met een endoscoop op aanwezigheid van vleermuizen en sporen die wijzen op het gebruik als verblijfplaats, zoals keutels. Tabel 2. Bezoektijden, tijdstip van zonsondergang/-opkomst en de onderzoekers per inventarisatieronde van het vleermuisonderzoek in het Oosterpark. Datum

Bezoektijden

12-08-2020 09-09-2020 30-09-2020 31-05-2021 29-06-2021 13-07-2021

21:08 – 01:08 22:00 – 01:10 19:30 – 22:30 21:45 – 01:45 02:20 – 05:25 21:45 – 00:45

Zonsondergang/opkomst 21:09 20:08 19:18 21:49 05:23 21:55

Waarnemers S.D. Elzerman, T. Seip & D. v.d. Sluis A De Baerdemaeker, J. v.d. Beek, S.D. Elzerman & D. v.d. Sluis J. v.d. Beek, S.D. Elzerman, S. Harhangi, & D. v.d. Sluis K. v.d. Berg. E. van Doorn, S.D. Elzerman & T. Seip K. v.d. Berg. E. van Doorn, S.D. Elzerman & T. Seip K. v.d. Berg. E. van Doorn, S.D. Elzerman, T. Hammouta & T. Seip

Essentieel foerageergebied Het gebruik van het Oosterpark als jachtterrein door vleermuizen werd geïnventariseerd door bij elk bezoek het gehele park te doorkruisen. In een rustig wandeltempo liepen de onderzoekers via verschillende routes door het gebied. Met behulp van Batloggers werden automatisch alle geluiden van vleermuizen opgenomen. Door de spreiding van de inventarisatierondes over het jaar en bezoeken op verschillende momenten van de nacht is een algemeen beeld verkregen van de foerageeractiviteit. Het gehele park is bij alle bezoeken doorkruist, waardoor het gehele gebied verspreid over het jaar evenredig bezocht is. Concentraties aan waarnemingen geven de plekken in het park weer die veel bezocht werden door vleermuizen. Met behulp van een warmtebeeldcamera werd op plekken met hoge concentraties aan vleermuizen gekeken of het aantal individuen te bepalen was.

8

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk

Vaste vliegroutes Lijnvormige landschapselementen, zoals bomenrijen en watergangen, kunnen vleermuizen gebruiken ter oriëntatie (Limpens et al. 1989). Als bepaalde vliegroutes structureel gebruikt worden als verbinding tussen verblijfplaats en foerageergebied dan kunnen ze een essentiële functie hebben. In dat geval is het begeleidende landschapselement wettelijk beschermd. Om te onderzoeken of binnen het park vaste vliegroutes aanwezig zijn, is van alle passerende vleermuizen het tijdstip en de vliegrichting genoteerd. Op 30 september 2020 en 13 juli 2021 is vanaf zonsondergang op een aantal punten in het park gepost om passerende vleermuizen te tellen. De onderzoekers stonden opgesteld langs de noordrand van het park waar de brede watergangen uit de woonwijk Drievliet op het park uitkomen, de bomenrij langs het fietspad aan de oostkant van de sportvelden en langs de brede watergang die langs de oost- en zuidrand van het park loopt. Deze watergangen en bomenrijen worden aangetast door de aanleg van het geluidsscherm en/of de uitbreiding van de sportvelden. Analyse geluidsopnames en interpretatie Determinatie van de vleermuisgeluiden, die met Batloggers waren vastgelegd, is achteraf uitgevoerd met behulp van de softwareprogramma’s BatExplorer 2.0.

(Elekon AG 2018) en Batsound 4.01 (Pettersson Elektronik 2008) en op basis van vooraf gestelde akoestische kenmerken (Barataud 2015, Russ 2012, Skiba 2009). In veel gevallen is het niet mogelijk om op basis van losse opnames individuen van dezelfde soort te onderscheiden. Exacte aantallen vleermuizen kunnen dan ook niet gegeven worden. Concentraties van geluidsopnames laten wel zien op welke plekken een vleermuis langdurig rondvloog of waar meerdere individuen gelijktijdig aanwezig waren. Deze plekken zijn blijkbaar aantrekkelijk voor vleermuizen. Het kan hierbij gaan om bijvoorbeeld een plek met veel voedsel of een verblijfplaats. Het gehele park is evenredig bezocht, dus plekken met hoge concentraties aan waarnemingen worden meer gebruikt door vleermuizen dan andere delen met weinig geluidsopnames. Deze concentraties van vleermuizen zijn middels ‘heat maps’ van waarnemingen geanalyseerd. Hiervan zijn verspreidingskaarten gemaakt met het softwareprogramma QGis (versie 3.16).

Figuur 5. Spectrogram van een jagende Watervleermuis, Ruige dwergvleermuis en Gewone dwergvleermuis. De fijne blauwe streepjes links in beeld vormen een feeding buzz (het moment dat de vleermuis een prooi pakt). De verticale strepen rechts in beeld vormen het patroon als de Watervleermuis rondvliegt boven het water. Opname van 13 juli 2021.

3.1.2 Onderzoek roofvogels met jaarrond beschermd nest Voor het onderzoek naar roofvogels met een jaarrond beschermd nest is geen landelijk onderzoeksprotocol. Voor de onderzoeksopzet is gebruikgemaakt van het Kennisdocument van de Buizerd (BIJ12 2017), Handleiding veldonderzoek Roofvogels (Bijlsma 1997) en de telrichtlijnen voor nestonderzoek van Sovon Vogelonderzoek Nederland (2021). Het onderzoek bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk 9

richtte zich op nesten van Buizerd Buteo buteo, Sperwer Accipiter nisus, Boomvalk Falco subbuteo en Ransuil Asio otus. Tabel 3. Weergave van de broedseizoenen per vogelsoort met de planning van de inventarisatierondes. 2021

Maa.

Kraaiennesten

Bezoek 1

Buizerd

Bezoek 1

Apr.

Mei

Jun.

Bezoek 2

Bezoek 3

Sperwer

Bezoek 1

Bezoek 2

Bezoek 3

Ransuil

Bezoek 1

Bezoek 2

Bezoek 3

Bezoek 1

Bezoek 2

Boomvalk

Jul.

Aug.

Bezoek 3

Aan de start van het broedseizoen, in maart 2021, zijn alle aanwezige grote nesten in kaart gebracht en met gps-locatie vastgelegd. Het ging om grote nesten, zoals die van Zwarte kraai Corvus corone en Ekster Pica pica. Boomvalk en Ransuil kunnen de nesten van deze kraaiachtigen gebruiken om op te broeden. Daarnaast waren enkele nestlocaties van Buizerd en Sperwer uit de afgelopen jaren bekend. De aanwezigheid van deze nesten is toen ook gecontroleerd. Gedurende het broedseizoen is het park meerdere malen geïnventariseerd op roofvogels (Tabel 4 en Tabel 5). De broedperiodes van deze roofvogels verschillen, maar overlappen elkaar. De totale broedtijd strekt zich uit van maart tot en met augustus. De inventarisaties zijn zo verdeeld dat binnen de broedperiode van elke soort tenminste drie bezoeken werden gebracht (Tabel 3). Wanneer tijdens het vleermuisonderzoek roofvogels werden waargenomen dan zijn deze ook genoteerd. Dit gold met name voor de Boomvalk die in de schemering actief kan zijn en de Ransuil die ’s nachts actief is. Tabel 4. Bezoekdata, weersomstandigheden en doel van de inventarisatieronde voor het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten in het Oosterpark. Datum Bewolkingsgraad 03-03-2021 3/8 (sluier) 30-03-2021 0/8 22-04-2021 5/8 25-05-2021 7/8 29-06-2021 8/8 19-07-2021 4/8 27-08-2021 4/8

Temperatuur 8 oC 10 oC 7 oC 8 oC 17 oC 20 oC 16 oC

Wind 1-2 Bft. W 1 Bft. ZO 1 Bft. N 1-2 Bft. W 2 Bft. W 1 Bft. O 1-2 Bft. NW

Neerslag Geen Geen Geen Geen Geen Geen Langstrekkende buien

Doel Bomencontrole Broedvogelinventarisatie Broedvogelinventarisatie Broedvogelinventarisatie Broedvogelinventarisatie Broedvogelinventarisatie Avondcontrole Boomvalk

De inventarisaties zijn lopend uitgevoerd door één ecoloog met behulp van een verrekijker (Swarovski EL 10x50). Bekende en potentiële nesten zijn gedurende het broedseizoen bekeken om te bepalen of ze gebruikt werden. Geschikt biotoop binnen het park is geïnventariseerd op aanwezigheid van roofvogels en sporen die wijzen op een territorium, zoals plukplaatsen met prooiresten (Bijlsma 1997). Van alle waargenomen roofvogels is per individu het gedrag en waar mogelijk leeftijd en geslacht genoteerd. Tabel 5. Datum, bezoektijden, tijdstip van zonsopkomst/-ondergang en waarnemer per inventarisatieronde voor het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten in het Oosterpark. Bezoeknr. 1 2 3 4 5 6 7

10

Datum 03-03-2021 30-03-2021 22-04-2021 25-05-2021 29-06-2021 19-07-2021 27-08-2021

Bezoektijden 12:30 – 15:30 06:30 – 11:45 06:10 – 10:20 07:00 – 09:45 05:20 – 06:20 14:45 – 16:00 19:30 – 21:30

Zonsopkomst/-ondergang n.v.t. 07:19 06:28 05:33 05:23 05:43 / 21:49 20:38

Waarnemer(s) S.D. Elzerman S.D. Elzerman S.D. Elzerman S.D. Elzerman S.D. Elzerman S.D. Elzerman S.D. Elzerman

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk

4

RESULTATEN ONDERZOEK

4.1

Vleermuisonderzoek Ecologie vleermuizen Vleermuizen bezetten gedurende het voorjaar en de zomer hun kraamkolonies en zomerverblijven. In de kraamkolonies worden de jongen grootgebracht en in de zomerverblijven zitten de vleermuizen zonder jongen (Limpens et al. 1997). Zodra de jonge vleermuizen zelf kunnen vliegen verlaten ze de kraamkolonie. Gedurende de zomer verspreiden ze zich in de omgeving over meerdere kleine verblijfplaatsen. Deze blijven bezet tot in het najaar. Vanaf de nazomer gaan de mannetjes baltsen om vrouwtjes te lokken. Dan worden de paarverblijfplaatsen betrokken (Limpens et al. 1997). Naarmate de herfst vordert verplaatsen ze zich meer naar een plek waar de winter doorgebracht gaat worden. Dit kan in de nabije omgeving zijn of op een hele andere locatie. De Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii kent bijvoorbeeld een najaars- en voorjaarsmigratie vanuit Oost-Europa zoals ook bekend is bij trekvogels (Dietz et al. 2007). Het baltsgedrag verschilt per soort. Een mannetje Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus vliegt in de paartijd normaal gesproken baltsend rond zijn paarverblijf. De actieradius van een baltsend mannetje rond het paarverblijf kan tot 300 meter zijn in de bebouwde kom (Sachteleben & von Helversen 2006). Het is daarom lastig vast te stellen waar de exacte locatie van de verblijfplaats is.

De meeste Ruige dwergvleermuizen roepen daarentegen vanuit het paarverblijf om vrouwtjes te lokken (Furmankiewicz 2005). Algemeen beeld vleermuisonderzoek In totaal zijn zeven soorten vleermuizen gedurende het onderzoek vastgesteld. Er zijn geen soorten waargenomen die alleen over het gebied vlogen zonder binding met het gebied te vertonen. Gewone dwergvleermuis is met afstand de meest waargenomen vleermuis in het Oosterpark. De soort is goed voor 89,2% van alle geluidsopnames van vleermuizen. Daarnaast is de Ruige dwergvleermuis ook regelmatig gehoord (6,5% van de opnames). Vooral in de maanden juli tot en met september was deze soort aanwezig. Dit komt overeen met het algemene voorkomen van de Ruige dwergvleermuis in Nederland (Limpens et al. 1997). Vanaf de zomer arriveren de eerste mannetjes vanuit Oost-Europa. Gedurende het najaar is de presentie het hoogst. De overige soorten werden in zeer kleine aantallen waargenomen (Tabel 6). Hoewel de Laatvlieger Eptesicus serotinus gezien wordt als een vrij algemeen voorkomende soort in Ridderkerk (Elzerman 2013), werd de soort slechts een beperkt aantal keer gehoord in het Oosterpark. De waarnemingen concentreerden zich vooral tijdens de bezoeken op 12 augustus 2020 en 13 juli 2021. Verrassend was daarentegen het aantal waarnemingen van Watervleermuizen Myotis daubentonii.

In de zomer en het najaar werden bij elke inventarisatie één of meerdere exemplaren waargenomen. Gedurende de kraamperiode ontbrak de soort in het gebied. Niet eerder is het voorkomen van de Watervleermuis in Ridderkerk gedurende een langere periode van het jaar vastgesteld. Drie soorten zijn incidenteel vastgesteld. Op 12 augustus 2020 zijn één of enkele Rosse vleermuizen Nyctalus noctula opgenomen (6 opnames). De waarnemingen lagen verspreid door het oostelijke deel van het park (Figuur 9). Boven de recreatieplas en de hoofdwatergang aan de zuidrand van het park is de Meervleermuis Myotis dasycneme enkele keren vastgesteld. Het gaat om de bezoekrondes op 30 september 2020 en 29 juni 2021 (14 opnames). Op 12 augustus en 30 september 2020 is de zeldzame Kleine dwergvleermuis Pipistrellus pygmaeus waargenomen. Een klein aantal opnames (N=4) kon niet tot op soortniveau gedetermineerd worden. Tijdens de inventarisatie in mei 2021 werd de minste activiteit van vleermuizen vastgesteld. Bovendien was de soortendiversiteit toen ook het laagst. Het betroffen dit vrijwel uitsluitend

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk 11

Gewone dwergvleermuizen (98,7%). De meeste vleermuizen werden in het najaar waargenomen. In absolute zin vliegen in die periode van het jaar de meeste vleermuizen rond. De jongen van dat jaar kunnen in het najaar zelfstandig rondvliegen. Bovendien wordt de Nederlandse vleermuispopulatie aangevuld met vleermuizen uit Noord- en Oost-Europa die hier komen overwinteren. De hoogste diversiteit aan soorten werd vastgesteld op 12 augustus 2020 (6 soorten). Tabel 6. Het aantal opnames per soort tijdens elke inventarisatieronde. Ppip = Gewone dwergvleermuis, Pnat = Ruige dwergvleermuis, Eser = Laatvlieger, Mdau = Watervleermuis, Mdas = Meervleermuis, Nnoc = Rosse vleermuis, Ppyg = Kleine dwergvleermuis, overig = ongedetermineerde opnames. Datum 12-08-2020 09-09-2020 30-09-2020 31-05-2021 29-06-2021 13-07-2021 Totaal % van het totaal

# Opnames 597 591 507 158 451 434 2287 100,0%

Ppip

Pnat

Eser

Mdau

Mdas

Nnoc

Ppyg

Overig

552 564 422 156 433 316 2443 89,2%

13 22 63 2 5 74 179 6,5%

15 0 1 0 0 26 42 1,5%

8 5 9 0 0 14 36 1,3%

0 0 6 0 13 0 19 0,7%

6 0 0 0 0 0 6 0,2%

3 0 1 0 0 0 4 0,1%

0 0 5 0 0 4 9 0,3%

Verblijfplaatsen In het vroege voorjaar zijn alle bomen, die mogelijk gekapt worden, gecontroleerd op holtes, scheuren en andere potentiële verblijfplekken voor vleermuizen. Daaruit kwam een beperkt aantal geschikte bomen naar voren (Figuur 6). Gedurende het vleermuisonderzoek zijn hier geen aanwijzingen gevonden voor verblijfplaatsen. Vleermuisgedrag dat hierop wijst, zoals vleermuizen die een boomholte in- of uitvliegen, baltsende of zwermende dieren, is niet waargenomen. Het najaar vormt de paartijd voor vleermuizen. Dan baltsen mannetjes om vrouwtjes naar paarverblijven te lokken. Dit doen de mannetjes in of nabij de paarverblijven. Baltsende vleermuizen vormen dus een belangrijke aanwijzing voor een verblijfplaats in de nabije omgeving. Gedurende het najaar zijn echter geen baltsende vleermuizen waargenomen in het park. Al met al zijn gedurende het gehele onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor een verblijfplaats in één van de bomen in het park. Alle vleermuizen verblijven vermoedelijk in de woonwijken.

Figuur 6. Voorbeeld van een boomholte in abeel dat een potentiële verblijfplaats voor vleermuizen vormde.

12

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk

Figuur 7. Overzicht van alle waargenomen vleermuizen gedurende het gehele onderzoek in het Oosterpark.

Gebruik van het park als foerageergebied In het gehele park zijn vleermuizen waargenomen tijdens het onderzoek. De waarnemingen zijn echter niet evenredig verdeeld over het park. Sommige delen werden meer gebruikt door vleermuizen dan andere plekken. Alle waargenomen vleermuissoorten jagen op vliegende insecten (Dietz et al. 2007). Concentraties van vleermuizen vormen daarmee een indicatie voor voedselrijke plekken in het park. Als alle waarnemingen van alle inventarisatierondes gestapeld worden dan levert dat het beeld op in Figuur 7. De kaart vormt geen weergave van het aantal individuen, maar geeft een beeld van plekken die veel gebruikt worden door vleermuizen. In grote delen van het park zijn vleermuizen waargenomen, maar niet overal. De meeste vleermuizen vlogen rond bij de hoofdwatergang langs de oost- en zuidrand van het park. Tijdens de inventarisatierondes werden hier tot wel 10 Gewone dwergvleermuizen en 2 Watervleermuizen gelijktijdig vastgesteld. Aan beide zijden van de hoofdwatergang staan hier grote bomen (voornamelijk abelen). Met hun grote boomkronen vormen ze een soort tunnel dat ’s nachts de warmte langer vasthoudt en dekking biedt tegen wind en regen (Figuur 17). Hierdoor vliegen hier waarschijnlijk meer insecten dan op open plekken. Dat maakt het erg aantrekkelijk voor vleermuizen. Ook langs de noordrand van het park zijn veel vleermuizen waargenomen.

In tegenstelling tot de hoofdwatergang ging het niet om grote concentraties, maar om individuen die langdurig foerageerden. Opvallend is het gebrek aan waarnemingen in het centrale deel van het gebied. Tussen de dichte bosvakken vlogen weinig vleermuizen rond. Vermoedelijk hebben deze bosvakken een te dichte vegetatiestructuur voor de vleermuizen om tussendoor te vliegen. Bij open plekken tussen de bosvakken, zoals in het oostelijke deel van het park, zijn namelijk wel meerdere jagende vleermuizen tegelijkertijd waargenomen. In het gedeelte tussen het tuincentrum Bloemenjungle en het middelste parkeerterrein zijn veel compacte bosvakken met bomen. Enkele greppels (met onderhoudsstrook) en paden vormen de enige scheidingen tussen de bosvakken. Hier vlogen weinig vleermuizen rond. Het ging hier per inventarisatieronde om enkelingen. Ten bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk 13

westen van de recreatieplas wordt het park gekenmerkt door de Engelse landschapsstijl. Hierdoor kent dit deel van het park een afwisseling van open en besloten delen. Deze inrichting maakt het voor vleermuizen aantrekkelijk om een groter deel van het park te benutten als jachtgebied. De spreiding aan waarnemingen is hier dan ook groter dan in het centrale deel van het park. Tussen de waargenomen soorten zitten geen specialisten die in bossen jagen. Het zijn uitsluitend soorten die langs bosranden, in open gebied of boven water foerageren (Limpens et al. 1997). Binnen bosvakken werden dan ook geen jagende vleermuizen waargenomen. De dichtheid van de bosvakken maakt een deel van het park ongeschikt als jachtterrein. Boven het evenemententerrein werd weinig gejaagd door vleermuizen. Het grote, open grasveld kent een monotone vegetatie van voornamelijk Engels raaigras Lolium perenne dat meerdere keren per jaar gemaaid wordt. Er groeien weinig bloemen die insecten aantrekken, waardoor hier voor vleermuizen weinig te halen valt. Bij de sportvelden werden ook nauwelijks vleermuizen waargenomen. Hoewel de sportvelden niet doorkruist zijn door de onderzoekers, was het wel mogelijk om vanaf de randen te luisteren of hier vleermuizen rondvlogen. Alleen als de sportvelden niet in gebruik waren vloog hier een enkele Gewone dwergvleermuis over.

De sterke verlichting van de sportvelden is hier debet aan. De meeste vleermuissoorten vermijden sterk verlichtte plekken (Stone et al. 2015). De essenlaan aan de oostkant van de sportvelden werd wel druk bezocht. Hier was het ’s nachts dan ook geheel donker. De lichthinder beperkte zich tot de sportvelden zelf. Er is geen verschil gevonden in het gebiedsgebruik tussen de seizoenen. De verspreiding van de vleermuizen is gedurende het jaar in grote lijnen hetzelfde. In het voorjaar vlogen minder vleermuizen in het Oosterpark dan in de zomer en herfst, maar gedurende het jaar waren dezelfde delen van het park favoriet bij de vleermuizen.

Figuur 8. Overzicht van alle waargenomen dwergvleermuizen in het Oosterpark.

14

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk

Wanneer onderscheid gemaakt wordt naar soort dan is het vooral interessant om naar de minder algemene vleermuissoorten te kijken. De verspreiding van de Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis bepaalt voor een groot deel het algemene verspreidingsbeeld dat hiervoor beschreven is (Figuur 8). Twee soorten, die vooral boven open gebied en boomtoppen jagen, zijn Laatvlieger en Rosse vleermuis. De waarnemingen van beide soorten liggen verspreid over het gehele park. Ze lijken geen voorkeur te hebben voor een bepaald gedeelte van het park. Alleen in juli 2021 werden twee of meer Laatvliegers waargenomen die langere tijd in een vast gedeelte van het park aan het jagen waren. Ze vlogen heen en weer boven het wandelpad aan de zuidrand van het park (Figuur 9). Hier staan veel grote abelen die met hun boomkronen een soort donkere tunnel vormen. De overige waarnemingen hebben betrekking op individuen die boven de bosvakken foerageerden, maar hier zaten ook passanten tussen die geen binding met het park hadden.

Figuur 9. Overzicht van alle waarnemingen van Laatvlieger en Rosse vleermuis in het Oosterpark.

Watervleermuis en Meervleermuis zijn beide sterk gebonden aan water. Ze jagen vrijwel uitsluitend boven het water, waarbij Meervleermuis over het algemeen een voorkeur heeft voor grotere waterpartijen (Limpens et al. 1997). Dat is ook terug te zien in het park (Figuur 10). Meervleermuis is alleen boven de recreatieplas en de hoofdwatergang waargenomen, terwijl de Watervleermuizen uitsluitend boven watergangen vlogen. Met name de hoofdwatergang aan de zuidkant van het park was een drukbezochte plek. Het ging per bezoek om kleine aantallen. Er zijn maximaal twee Watervleermuizen gelijktijdig waargenomen.

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk 15

Figuur 10. Overzicht van de waargenomen Watervleermuizen en Meervleermuizen in het Oosterpark.

Vliegroutes Vleermuizen kunnen zich via vaste vliegroutes verplaatsen tussen verblijfplaats en foerageergebied. Hierbij kunnen bomenrijen en watergangen dienen als begeleidend landschapselement. Binnen het park zijn hier geen aanwijzingen voor gevonden. Langs de randen van bosvakken en boven de hoofdwatergang zijn weliswaar veel vleermuizen waargenomen, maar het betroffen hier zowel passerende dieren als individuen die aan het jagen waren. Het park vormt als geheel een foerageergebied voor de vleermuizen. Daarmee is het al de eindbestemming voor een vliegroute. De bomenlaan langs het fietspad aan de oostkant van de sportvelden is hier ook een voorbeeld van. Hier zijn veel vleermuizen waargenomen, die de bomenrij zowel gebruiken als vliegroute en als foerageergebied (Figuur 7). Vanuit de woonwijk Drievliet zijn ook geen vaste vliegroutes richting het Oosterpark vastgesteld. De singels met groenstrook, die van noord naar zuid als blauwgroene aders door de woonwijk lopen, vormen in theorie aantrekkelijke verbindingen met het park. Mogelijk dat vleermuizen hier wel gebruik van maken, maar er is geen concentratie aan passanten vastgesteld. De vleermuizen leken op willekeurige plekken vanuit de woonwijk naar het park te vliegen en vice versa.

4.2

Onderzoek roofvogels met jaarrond beschermd nest Tijdens het roofvogelonderzoek zijn vier soorten dagroofvogels en twee soorten uilen in het Oosterpark waargenomen. Buiten de vier soorten met een jaarrond beschermd nest (Buizerd, Sperwer, Boomvalk en Ransuil) zijn ook andere roofvogelsoorten waargenomen, te weten Torenvalk Falco tinnunculus en Bosuil Strix aluco.

16

bSR-rapport 441 – Wnb-onderzoek Oosterpark Ridderkerk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1069/documents/37653