Ontwerpadvies honingraatbalkons Ridderkerk Bureau Polderman.pdf
Tekst van het document
HONINGRAATBALKONS, RIDDERKERK Ontwerpadvies 17 maart 2026
COLOFON ONTWERPADVIES Object: Honingraatbalkons, Ridderkerk Adressen:
Mr. Kesperweg 2-156, Jhr. Van Karnebeekweg 8-42, Baron Mackaystraat 2-48, Dr. Colijnstraat
27-39 en 48-58, Mr. Thorbeckestraat 2-46 en Jhr. De Savornin Lohmanstraat 3-25 en 27-49.
In de huidige toestand gaat het om 313 balkonrelingen (oorspronkelijk: 372 relingen)
Monumentstatus:
Geen formele status, complex heeft een ‘hoge cultuurhistorische waarde’ in de
‘cultuurhistorische waardenkaart woongebieden Ridderkerk’, door Stichting Dorp, Stad &
Land, 2017
OPDRACHTGEVER Naam:
Gemeente Ridderkerk
Contactpersoon:
Mevr. L. Ooms
Adres:
Koningsplein 1
2981 EA Ridderkerk
ADVISEUR Naam:
Bureau Polderman B.V.
cultuurhistorie | restauratie | architectuur
Team:
ir. Sophie Koopman – restauratiearchitect en onderzoeker
Ing. Rutger Polderman – bouwhistoricus BNB
Adres:
Eendrachtsweg 67
3012 LG Rotterdam Telefoon:
010-4363250
E-mail: sophie@bureaupolderman.nl
VERSIE Status:
definitief 3.0
Datum:
17 maart 2026
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
2
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING
4
2. HISTORISCH KADER
6
2.1 De landelijke ontwikkeling van de naoorlogse woonwijk 2.2 De ontwikkeling van naoorlogs Ridderkerk 2.3 Het ensemble van J.H.L. Giesen in Ridderkerk-West 2.4 Na de oplevering
3. CONTEXTUELE EN STRUCTURELE ANALYSE
18
3.1 De balustraden in de stedenbouwkundige structuur 3.2 De opzet en samenstelling van de balustraden 3.3 Analyse van het schadebeeld
4. KERNWAARDEN EN UITGANGSPUNTEN
25
4.1 Kernwaarden 4.2 Vertaling naar uitgangspunten
5. ONTWERPADVIES IN SCENARIO’S
28
5.1 Totstandkoming van de ontwerpen 5.2 Scenario 1: de basis 5.3 Scenario 2: verbetering
BIJLAGEN Bronvermelding
33
Redengevende beschrijvingen
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
3
1 INLEIDING BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
4
Aan diverse straten in Ridderkerk-West zijn blokken van portiekflats en rijwoningen uit 1955-1956 aanwezig, die voorzien zijn van karakteristieke balkons met in de vorm van een honingraat opengewerkte betonnen balustraden (zie afbeelding rechts voor overzicht en aantallen balkons). De ensembles zijn niet als monument beschermd, maar hebben wel een hoge cultuurhistorische waarde, zoals omschreven in de door stichting Dorp, Stad & Land opgestelde ‘cultuurhistorische waardenkaart van de woongebieden Ridderkerk’ uit 2017. Bij een recente opname V: 12/12, A: 18/18 V: 12/12, A: 18/18
is door een in opdracht van de VVE werkende aannemer geconstateerd dat de balustraden onveilig lijken. Ook zijn een afwijkende vorm en opzet. Omdat het geheel een hoge cultuurhistorische waarde heeft, is dit geen wenselijke situatie. De gemeente heeft de VVE laten weten dat het vervangen van de balustraden vergunningsplichtig is met het oog op deze waarde - en vermoedelijk ook de constructieve veiligheid. Daarbij is er behoefte aan een eenduidige oplossing, die overal op dezelfde wijze toepasbaar is en de uniformiteit binnen de blokken borgt. De gemeente
V: 6/6
V: 18/18, A: 27/27
er schades geconstateerd en zijn in het verleden om onbekende redenen reeds balustrades (deels) vervangen, in
Ridderkerk heeft daartoe Bureau Polderman gevraagd een ontwerp op de stellen voor een dergelijke oplossing.
transformatiekader zich op als sturend en kaderstellend document, waaruit uit een tweetal ontwerpvoorstellen voortvloeien. Het document zoekt hiermee aansluiting bij de “handreiking Transformeren met Cultureel Erfgoed” van RCE.
V: 9/10
ontwikkeling. Hieraan kan op verschillende wijzen gestalte worden gegeven. In dit specifieke geval werpt het
V: 6/6
transformatiekader. Het transformatiekader verbindt erfgoedwaarden aan uitgangspunten voor nieuwe ruimtelijke
V: 24/24, A: 24/36
Om tot een oplossing te komen, is ervoor gekozen te beginnen met het opstellen van een zogenoemd
V: 8/8
V: 5/6
In het transformatiekader worden daartoe de belangrijkste kwaliteiten van het ensemble en de balkonrelingen
worden. Het transformatiekader beoogt echter ook aan te geven waar de uitdagingen liggen. Tot slot wordt geïdentificeerd welke ruimte er is om, met behoud van de kernwaarden, aanpassingen te doen aan de balkons en wordt daarvoor een voorstel gedaan.
V: 7/7 V: 6/6
worden aangeduid als “kernwaarden”. Deze kwaliteiten moeten bij de voorgenomen aanpassingen behouden
V: 18/18, A: 26/27
geïdentificeerd die samen de kern vormen van de cultuurhistorische waarde die het object vertegenwoordigt. Deze
V: 7/7
Leeswijzer
de ruimtelijke kenmerken in de huidige toestand. Hiertoe vindt een contextuele analyse (de wijk als geheel en het raakvlak met de stedenbouwkundige kwaliteit) en een analyse van de balustraden (technische opet en samenstelling) plaats, in woord en beeld verduidelijkt. De historische, contextuele en structurele analyse resulteren gezamenlijk
V: 10/10
worden geduid. In het daarop volgende hoofdstuk wordt de bouwgeschiedenis gekoppeld aan een analyse van
V: 6/6
historisch kader voor het betreffende ensemble, waarbij de visie van de architect en de gerealiseerde toestand
V: 0/18, A: 0/27
Het vertrekpunt voor het transformatiekader en de ontwerpvoorstellen wordt gevormd door het opgestelde
V: 18/18, A: 27/27
in een concluderende vaststelling van de kernwaarden. Daarop aansluitend wordt een concreet transformatiekader uitgewerkt, waarin de kansen en beperkingen van de te wijzigen balkonrelingen worden besproken, in relatie tot de kernwaarden. Als laatste zullen twee ontwerpscenario’s worden besproken, die zullen worden getoetst aan het transformatiekader. Tevens wordt een kostenraming voor elk van deze scenario’s opgesteld. Op basis hiervan zullen
Type A: hoge bebouwing, portiekwoningen, balustraden voor en achter
aanbevelingen worden gedaan.
Type B: lage grondgebonden bebouwing, balustraden alleen voor
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
totaal:
nu 313 x
vroeger 372 x 5
2
collectie Het Nieuwe Instituut
HISTORISCH KADER Het ensemble woonblokken met een balkonreling in honingraatstructuur is te vinden in Ridderkerk-West, een van
zin worden besproken, waarna de totstandkoming van de wijk wordt besproken. Vervolgens zal het oorspronkelijke
de naoorlogse uitbreidingswijken van Ridderkerk. Omdat de opzet van de wijk zijn oorsprong vindt in nationale
ontwerp van de woonblokken worden besproken, waarbij extra aandacht uit zal gaan naar de opbouw en
ontwikkelingen, zullen eerst de achterliggende stedenbouwkundige gedachten van wederopbouwwijken in algemene
materialisering van de honingraatbalkons.
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
6
2.1 DE LANDELIJKE ONTWIKKELING VAN DE NAOORLOGSE WOONWIJK Het ensemble uit dit onderzoek is gelegen in de typische naoorlogse woonwijk Ridderkerk-West. De totstandkoming van deze wijk en het ensemble hangen samen met ontwikkelingen op zowel het gebied van demografie en politiek als opvattingen over stedenbouw en architectuur. In heel Nederland was er na de Tweede Wereldoorlog een groot tekort aan woningen, omdat veel bebouwing verloren was gegaan tijdens de oorlog. Tegelijkertijd groeide de bevolking, vanwege de politieke stabiliteit en toenemende welvaart. Er was daardoor veel behoefte aan ruimte voor extra woningen, die vanwege de krapte in de grote steden ook werd gezocht in de nabijgelegen kleinere gemeenten. Hierdoor ontstonden er op circa 10 tot 20 kilometer buiten de grote steden diverse middelgrote satellietsteden. Hier werden kwalitatieve woningen gebouwd, die goed ontsloten waren vanwege de benodigde connectie met de grote steden. Dit soort wijken werd ook wel omschreven als groeikernen, die het principe van ‘gebundelde deconcentratie’ volgden. De overheid stelde hiermee mensen in staat uit de stad weg te trekken naar de aangewezen groeikernen, waardoor enerzijds de grote steden werden ontzien en anderzijds de groene omgeving rondom de steden vrijgehouden werd van bebouwing.
Om de gebundelde deconcentratie in goede banen te leiden werden er wetten opgesteld, die feitelijk een formalisatie waren van de praktijk tijdens de eerste jaren na de oorlog. In de eerste Wet op de Ruimtelijke Ordening uit 1962, maar ook de daarop volgende Nota’s van 1965, 1973 en 1988, werd een beleid opgesteld dat inzette op de bouw van zoveel mogelijk woningen met behulp van niet-traditionele bouwmethoden, zodat de woningnood binnen 10 jaar verholpen zou zijn. De overheid stimuleerde effectief bouwen actief door subsidieprogramma’s op te zetten, waarbij het bouwen met bouwsystemen en gestandaardiseerde elementen werd bevorderd. Hierdoor werd de kwaliteit van het bouwmateriaal beton steeds beter en efficiënter, nadat deze al sterk ontwikkeld was aan begin van de eeuw door verdichtingstechnieken (schokken of trillen), en ontstonden er betonsystemen, zoals het beroemde ERA-systeem van Cornelis van Eesteren. In dezelfde periode werden er meer van dit soort systemen ontworpen. Het werd hierdoor
Visualisatie van de groeikernen, met Ridderkerk aangeduid als groeigebied (uit Tweede Nota Ruimtelijke Ontwikkeling uit 1966)
gemakkelijker voor gemeenten, stedenbouwkundigen, bouwers en woningbouwverenigingen om samen snel goede woningen te realiseren. De planmatige en grootschalige bouw van woningen in deze periode kreeg (inter)nationaal veel bewondering. Resultaat van dit beleid op het gebied van de stedenbouw en architectuur Het beleid vertaalde zich in wat nu modernistische opvattingen over stedenbouw en architectuur kunnen worden genoemd. De ontwikkelingen op beide vlakken gingen hand in hand: waar de stedenbouw steeds efficiënter en rationeler werd, werd de architectuur dat ook. Gesteld kan worden dat deze ontwikkelingen hun oorsprong hadden aan het begin van de 20e eeuw. Vanaf de jaren ’10 werden stedelijke blokken steeds vaker per blok ontwikkeld, in tegenstelling tot de periode daarvoor waar vaak individueel per kavel door particulieren werd gebouwd. Dit ontwikkelen per blok werd gedaan door de ook in die tijd ontstane woningbouwverenigingen, die zich inzetten voor de realisatie van kwalitatieve woningen voor de arbeidersklasse, aan de hand van de eisen van de eerste Woningwet uit 1902. Doordat de blokken als één geheel werden ontwikkeld, werden de dan nog gesloten bouwblokken uniformer en steeds functioneler. BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
Strokenbouw Links: strokenbouw langs wegen (geel), met achter de bebouwing collectief groen in Moerwijk in Den Haag (Google Maps) Rechts: een deel van Overschie in Rotterdam, waar portiekflats recht langs de wegen (rood) zijn gebouwd in stroken (Google Maps)
7
Na de Tweede Wereldoorlog was er zoals reeds vermeld opnieuw behoefte aan veel nieuwe woningen. De eerste gebouwen met gestapelde woningen, in de vorm van portiekflats, ontstonden in deze periode, omdat in deze vorm en dankzij de ontwikkelingen op het gebied van materiaalgebruik in de vorm van beton het meest efficiënt woningen toegevoegd konden worden. Steeds vaker werden de woongebouwen in de vorm van het open bouwblok toegepast. Hierbij werd de bebouwing, in plaats van aan straten zoals bij gesloten bouwblokken, vrij(er) in de ruimte geplaatst. De bebouwing is bij een open bouwblok van meerdere kanten toegankelijk en zichtbaar en staat vaak in een openbaar of collectief toegankelijke groene omgeving. De eerste open bouwblokken na de Tweede Wereldoorlog zijn voornamelijk in stroken gebouwd langs wegen in de wijk (ca. 1935-1970), aansluitend bij de daarvoor gangbare manier om steden in te richten. De stroken van open bouwblokken zijn wel naast wegen gelegen, maar hebben rondom een groene omgeving. Voorbeelden hiervan zijn
Stempelbouw Links: deel van de wijk Poelenburg in Zaandam, met herhaalde stempels bebouwing (gele ensembles), zowel uitgevoerd in de vorm van eengezinswoning als portiekwoningen (onderlegger Google Maps) Rechts: Nieuwland in Schiedam, waarbij de compositie in bebouwing (rood) gestempeld herhaald wordt (onderlegger Google Maps)
de wijk Moerwijk in Den Haag of het Rotterdamse Overschie. Daarna volgde de ontwikkeling waarin het maken van stempels in woonwijken gangbaarder werd (ca. 1945-1970). De stempels gaven de bewoners een opdeling van hun wijk in kleinere eenheden, die telkens stedenbouwkundig gezien herhaald werden. Per stempel zijn er bouwblokken in verschillende richtingen geplaatst en zijn de bouwblokken zowel laag als hoger uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn de wijk Poelenburg in Zaandam of Nieuwland in Schiedam. Geleidelijk vormden de stempels steeds meer hoven (ca. 1950-1970), de derde typologische hoofvorm, waarbij meerdere open bouwblokken zo werden gepositioneerd dat er een intiemer ‘binnengebied’ ontstond. De hoven, vaak een mix tussen lage en middelhoge bebouwing, werden vervolgens meerdere keren herhaald. Binnenin de hoven kon de ruimte groen zijn, maar er werden hier ook geregeld zaken als ontsluiting en parkeren opgelost, zodat de ruimte
Hovenbouw Links: Crabbehof in Dordrecht, waarbij het hof (gele pijlen) wordt gevormd door een mix van hoge en lage bebouwing (Google Maps) Rechts: hoven in de Hatert in Nijmegen, waarbij alle blokken middelhoog zijn uitgevoerd en samen een groen hof (rode pijl) omsluiten (onderlegger Google Maps)
buiten de hoven zo open, en vaak ook zo groen mogelijk kon blijven. De open bouwblokken in de vorm van hoven zijn terug te vinden in bijvoorbeeld de wijken Crabbehof in Dordrecht en de Hatert in Nijmegen. Als laatste ontstond de typologie van vrijstaande hoogbouw (ca. 1960-1975), waarin de principes van het open bouwblok en de modernistische ontwerpprincipes in optimale vorm gecombineerd werden. Het blok zelf werd georganiseerd door efficiënte en afgescheiden verkeersstromen voor auto’s, voetgangers en fietsers. De bebouwing bestond grotendeels uit galerijflats en was hoog en grootschalig. Het blok stond vrij in de omgeving en was zo efficiënt mogelijk gebouwd, zonder opsmuk toe te voegen, waardoor feitelijk het minimaal mogelijke werd gerealiseerd. Het meest bekende voorbeeld van de typologie vrijstaande hoogbouw is de Bijlmer in Amsterdam, maar ook de wijk Overdie in Alkmaar is een voorbeeld van de typologie. Vrijstaande hoogbouw Links: de Bijlmer in Amsterdam, waar de kenmerkende honingraatstructuur van galerijflats nog afleesbaar is, ondanks de sloop van een deel van de wijk (onderlegger Google Maps) Rechts: drie galerijflats (rood) in Overdie in Alkmaar, die vrij in de ruimte staan (onderlegger Google Maps)
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
8
2.2 DE ONTWIKKELING VAN NAOORLOGS RIDDERKERK De ontwikkeling van de naoorlogse stedenbouwkundige typologiën is ook afleesbaar in de uitbreidingswijken van Ridderkerk. Zowel de oorspronkelijke lintbebouwing, strokenbouw, stempelbouw, hovenbouw als hoogbouw zijn toegepast bij de groei van Ridderkerk en het ontwerp van nieuwe wijken. De uitbreiding van Ridderkerk wordt daarom chronologisch besproken, waarbij het ensemble uit dit onderzoek telkens met een zwarte cirkel is aangeduid. Ridderkerk was rond de eeuwwisseling te typeren als een dorpskern, waar verschillende lijnen van lintbebouwing samenkwamen. Na 1920 werden de eerste uitbreidingen gerealiseerd, doordat de groeiende industrie van de haven en de toename van werk in de scheepsbouw ervoor zorgden dat er meer werkgelegenheid was in de streek. Voor deze werknemers werden arbeiderswoningen gebouwd, zoals in het gebied rondom de Talmastraat (geel) aan een van de linten richting het centrum ,door woningstichting Patrimonium,. Slikkerveer (rood) werd als dorp met diverse linten aan dezelfde, lage bebouwing gesticht. voor 1945 (topotijdreis.nl)
eind jaren ‘50 (topotijdreis.nl)
eind jaren ‘60 (topotijdreis.nl)
eind jaren ‘80 (topotijdreis.nl)
begin jaren ‘00 (topotijdreis.nl)
nu (topotijdreis.nl)
Na de oorlog werd de lintstructuur van Ridderkerk uitgebreid met een aantal wijken, allereerst in de richting van het westen met uitbreidingswijk Ridderkerk-West. De wijk werd gebouwd aan de straten met arbeiderswoningen uit de jaren ‘20. De wijk bestaat voor een groot deel uit eengezinswoningen, maar ook hogere bebouwing kwam voor, die veelal in stroken en stempels werden gerealiseerd. De wijk werd voorzien van clusters met voorzieningen. Het ensemble uit dit onderzoek maakt deel uit van deze eerste westelijke uitbreidingen. Ten westen van Ridderkerk werd de bestaande straatweg in deze periode ook opgewaardeerd tot Rijksweg (groen) . Ook Slikkerveer groeide verder, met vooral lintbebouwing met eengezinswoningen. In de jaren ‘60 zetten de uitbreidingen zich voort richting het zuiden, met de wijk Ridderkerk-Oost, en een vergroting van Slikkerveer aan de westzijde. Er werden veel lage eengezinswoningen gebouwd, vaak in een stedenbouwkundige structuur met stempels in de vorm van hoven. Aan de randen was de bebouwing van grotere schaal. Aan het einde van de jaren ‘80 is te zien dat ook de wijk Drievliet is gebouwd, ten zuidoosten van de oorspronkelijke kern. Nabij de A15, die inmiddels steeds groter en breder was geworden, werd veel groen itoegepast, waarin hoogbouw werd geplaatst.
Verder van de snelweg bestond de wijk voornamelijk uit lage bebouwing in een vertakkende structuur, zogenaamde bloemkoolwijken. Waar Ridderkerk in zijn oorsprong bestond uit lintbebouwing in een open polderlandschap, is te zien dat in de jaren ‘00 en in de huidige toestand bijna de hele polder is ingevuld met bebouwing. De industrie aan de waterzijde van Ridderkerk is hierbij sterk gegroeid, evenals de bedrijfsgebouwen ten zuiden van het knooppunt van de A15. Daarnaast zijn de woonwijken ook niet meer goed van elkaar te onderscheiden, omdat deze volledig aan elkaar zijn gegroeid.
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
9
De wijk Ridderkerk - West Het ontstaan van de wijk Ridderkerk-West begon, zoals hierboven ook al gesteld, in de jaren ‘20 met de bouw van een aantal straten met arbeiderswoningen rond de Talmastraat. De straat werd verbonden met de Ringdijk, waarlangs lintbebouwing te vinden was en die leidde naar de oorspronkelijke dorpskern van Ridderkerk. Na de oorlog werd deze groep arbeiderswoningen uitgebreid met meer lage bebouwing, evenwijdig aan de Talmastraat. Aan het begin van de jaren ‘50 werd de uitbreiding aanzienlijker en werd de strokenbouw geïntroduceerd. Hogere bebouwing met portiekwoningen werden geplaatst langs de wegen en een locatie met voorzieningen (een school)
stempels, eind jaren ‘50, begin jaren ‘60
voorzieningen, begin ‘50
werd voorzien ten noorden van de nieuwe wijk. Ook is te zien dat op dit moment de waterstructuur van de polder de locatie van de straten niet langer meer bepaalde, maar dat de nieuwe uitbreidingen worden afgestemd op de ten zuiden van de nieuwe wijk gelegen waterweg de Blaak. Er ontstaat daardoor een knik in de stedenbouwkundige structuur. In het midden van de jaren ‘50 werd het ensemble rondom de Docter Colijnstraat ontworpen, waarbij de westelijke uitbreiding in de polder werd voortgezet. Dit ensemble ging deels door met de strokenbouw uit het begin van de jaren ‘50, maar introduceerde ook de samenvoeging van hogere bouwblokken met lage, eengezinswoningen. Om
ensemble, stroken/ stempel/hof, midden jaren ‘50
strokenbouw, portieken, begin jaren ‘50
lage bebouwing, deels jaren ‘20, deels begin jaren ‘50
de twee samen te brengen werden hoven toegevoegd, waaromheen de lage bebouwing gesitueerd werd. Vervolgens werd dit ensemble tweemaal herhaald, waardoor het geheel ook als stempel kan worden gezien. Zo ontstond een unieke stedenbouwkundige opzet, waarbij stroken-, stempel- en hovenbouw werden gecombineerd om hoge en lage bebouwing samen te brengen. Ten westen van dit ensemble werd de wijk in het begin van de jaren ‘60 voortgezet, waarbij werd gebouwd met
stempels, begin jaren ‘60
oorspronkelijke dorpskern
stempelbouw. Hogere blokken rondom een open en groen terrein werden hierbij herhaald. Al met al kan geconcludeerd worden dat in de wijk Ridderkerk-West de westelijke beweging en ontwikkeling in
De wijk Ridderkerk-West omstreeks het eind van de jaren ‘50 (topotijdreis.nl)
stedenbouwkundige principes nauw te volgen is. Ook kan het ensemble van dit onderzoek worden gezien als een samenkomst van verschillende typologiën, die een brug vormt tussen zowel het deel uit het begin van de jaren ‘50, als het deel uit het begin van de jaren ‘60.
De polder, net voor de stichting van de Meester Kesperweg op deze locatie in 1950 (collectie Stichting Oud Ridderkerk)
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
10
2.3 HET ENSEMBLE VAN J.H.L. GIESEN IN RIDDERKERK-WEST Het ensemble rondom de Doctor Colijnstraat, dat centraal staat in dit onderzoek, is ontworpen door architect J. H. L. Giesen (Jan Hendrik Lutherus, 1903-1980) in de periode december 1954 tot maart 1955. Over deze architect is relatief weinig overgeleverd, waardoor bijvoorbeeld zijn gevolgde opleidingen niet bekend zijn. Wel is bekend dat hij samen met generatiegenoten Piet Zanstra (1905-2003) en Karel Sijmons (1908-1989) in 1932 het architectenbureau Zanstra, Giesen en Sijmons oprichtte. De drie waren lid van de Groep ‘32, een groep van jonge architecten die gezamenlijk een nieuw standpunt innamen ten opzichte van de visie van de eerder opgerichte groepen Architectura en Amicitia, De 8 en Opbouw. Groep ‘32 zocht naar meer esthetiek binnen het ontwerp dan in de stroming het Nieuwe Bouwen (en daarmee Architectura en Amicitia) gangbaar was, en zij wilden dit op een meer praktische wijze benaderen, ten opzichte van de volgens hun te wetenschappelijke aanpak van De 8 en Opbouw. Aangezien het Bureau Zanstra, Giesen en Sijmons in hetzelfde jaar was opgericht, volgden zij de filosofie van Groep ‘32. Hun belangrijkste en meest bekende werk, tevens beschermd als rijksmonument, is een blok met atelierwoningen aan de Zomerdijkstraat in Amsterdam gebouwd tussen 1932 en 1934.
Het bureau bleef bestaan tot 1954, waarna de drie architecten individueel verder gingen. Giesen vestigde zich hierbij in Laren (Noord-Holland) en legde zich toe op de ontwikkeling en toepassing van de zogenoemde Atlassteen, die hij had uitgevonden. De atlassteen Al in 1951 is de eerste tekening van Giesen te vinden van de atlassteen; een nieuw bouwmateriaal waarbij op een efficiënte manier, zowel op het gebied van materiaal als van arbeid, gebouwen konden worden gerealiseerd. Op deze
De Atelierwoningen aan de Zomerdijkstraat in Amsterdam van Zanstra, Giesen en Sijmons, 1932-1934 (foto Jan Derwig 2006, van architectuurgids.nl)
manier wilde Giesen bijdragen aan de wederopbouw van Nederland na de oorlog. De atlassteen moet worden gezien als een bouwsysteem van omgekeerde Y-vormige stenen uit een mengsel van klinkerisoliet en cement, die zonder mortel op elkaar gestapeld konden worden omdat de bovenzijde naadloos aansluit op de steen erover. Daarnaast kon de steen op zijn kant worden gemetseld, in een niet-constructieve en meer decoratieve toepassing, waardoor een honingraatstructuur ontstond. De steen had een afmeting van 32,3 bij 15,7 cm en een dikte van 25,6cm en door middel van verschillende vormstukken konden ook kolommen, hoeken, kozijnen en bevestigingen van vloeren op de wand worden gerealiseerd. Voordat de atlasstenen op de markt kwamen, onderzocht Giesen de stenen uitgebreid en liet hij deze op allerlei fronten testen. De stenen werden getest op druksterkte, middels proeven en de bouw van een tweetal woongebouwen in Rijswijk (tevens opgeleverd in 1956, aan de Populierlaan en de Sir Winston Churchilllaan, inclusief de kenmerkende ‘honingraat’-balkons) met de atlasstenen, en op thermische eigenschappen, waaruit bleek dat de thermische isolatie erg uniform en vergelijkbaar met metselwerk in dezelfde dikte was. Door middel van praktijk- en laboratoriumproeven werd de atlassteen ook beoordeeld als vorstbestendig en bestendig tegen vocht en regen.
In samenwerking met T.N.O kwam naar voren dat ook de brandveiligheid in orde was. Door een extern ingenieursbureau werd daarnaast geconcludeerd dat er tot 40% sneller gemetseld kon worden, dat er veel specie bespaard kon worden ten opzichte van traditioneel metselen en dat de constructie een stuk lichter uitgevoerd kon worden. De atlassteen ontwierp Giesen waarschijnlijk op persoonlijke basis, gezien op de schetsen alleen zijn individuele handtekening is weergegeven. Ook ontwierp hij een fabriek voor de stenen, waarvan de tekeningen in het Nieuwe Instituut bewaard zijn, en vroeg hij voor de steen een octrooi aan. Vervolgens werd er een los bedrijf, N.V. NIVAS (Ned. Industrie ter Vervaardiging van Atlasstenen) opgericht om de stenen te gaan ontwikkelen en gebruiken. BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
De twee proefblokken uit atlassteen in Rijswijk, opgeleverd in 1956, ongeveer gelijktijdig met de blokken in Ridderkerk en met de kenmerkende balkons (Google Maps)
11
Links en midden: ongedateerde schetsen van Giesen van een voorloper van de atlassteen (collectie Het Nieuwe Instituut) Rechts: het logo van de atlassteen, nadat hier een octrooi voor was aangevraagd en Atlas N.V. was opgericht (collectie Het Nieuwe Instituut)
Links: een schets van de verschillende toepassingen van atlassteen, inclusief de verbindingsstukken, 1951 (collectie Het Nieuwe Instituut) Rechts: de verder uitgewerkte en definitieve 3D weergave van een muur uit Atlassteen, ca. 1955 (collectie Gemeente Ridderkerk)
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
Een metselaar demonstreert het bouwen met Atlasstenen in de Ahoyhal tijdens een beurs, 1956 (collectie Stadsarchief Rotterdam)
12
Ontwerp van de blokken in Ridderkerk J.H.L. Giesen ontwierp als zelfstandig architect in Ridderkerk een ensemble met 17 bouwblokken. In de wijk werden twee types stroken voorzien: een hoger, drielaags bouwblok met appartementen, ontsloten met een portiek, met per woning drie slaapkamers en twee loggia’s; een aan de voorkant en een aan de achterkant. De appartementen werden geplaatst op een plint met bergingen (type B) of garages (type A). Het andere type bouwblok was laag van karakter en bestond uit tweelaagse grondgebonden gezinswoningen. Aan de voorzijde was op de verdieping een balkon voorzien. In een eerdere variant was er ook een tweede type lage bebouwing, waarbij er een boven- en benedenwoning was (type D), maar dit type viel al vroeg in het proces af. In de stedenbouwkundige structuur werden de hoge blokken langs de randen van het ensemble geplaatst, waarna de secundaire wegen de lage bouwblokken ontsloten. De lage bouwblokken vormen samen een intiem hof. In het ensemble is veel aandacht voor het collectieve groen, zowel voor de hoge bouwblokken, als in het centrale hof. De zorgvuldig geplaatse hagen, bomen, grasvelden en routing door de wijk vormen daarmee samen met de bouwblokken een herkenbare en kwalitatieve compositie. Deze compositie werd vervolgens twee keer (nagenoeg) gespiegeld herhaald, waardoor de typologische stempelvorm ontstaat.
Het uiteindelijke resultaat zorgt voor een bijzondere combinatie van stedenbouwkundige vormen van stroken, stempels en hoven. N
De gebouwen werden in hun geheel opgetrokken in atlassteen. Het betreft de tweede keer dat atlasstenen voor woningbouw werden toegepast, waarbij moet worden gesteld dat de twee woonblokken in Rijswijk nagenoeg tegelijkertijd werden gerealiseerd, en dat de schaal van toepassing in Ridderkerk veel grootschaliger was met zeventien bouwblokken in plaats van twee. De buitenmuren, woningscheidende en dragende wanden en de
Situatietekening van de te realiseren bouwblokken, waarbij type A en B portiekwoningen met drie bouwlagen betreffen (type A met garage in plint, type B met garage), en type C lage eengezinswoningen betreffen. Uiteindelijk zijn alle hoge blokken als type B uitgevoerd, en zijn twee bouwblokken type C gedraaid gerealiseerd met de voordeur aan het groene plein (geel), 1955 (collectie Het Nieuwe Instituut)
schoorstenen werden uitgevoerd in de atlassteen, terwijl de overige binnenwanden met simpele gipswanden werden gemaakt. De vloer van de loggia’s en de trappen werden als prefab betonnen elementen aangeleverd en het dak was opgebouwd uit houten balken, dakbeschot en gootlijsten. De ramen en deuren waren ook in hout gerealiseerd. Het geheel was op betonnen palen en stroken gefundeerd. De balkonreling was opgebouwd uit een stalen bovenreling, met in het geval van de balkons van de lage woningen een stalen frame, en op zijn kant geplaatste en opgemetselde atlasstenen. Door de vorm van de stenen ontstond het honingraatpatroon, een van de esthetische toevoegingen die door het materiaal mogelijk waren. Ook op een ander vlak was er ruimte voor esthetiek, namelijk in de mogelijkheid om de atlasstenen in verschillende kleuren uit te voeren, en daarmee geleding aan de gevels te geven. Te zien is dat de plint van de bouwblokken in een donkere, zwarte atlassteen is uitgevoerd, de basisgevel in een omberkleurige steen, en de verdiepingslijn bij de lage blokken is aangegeven met een rij grijsgroenen atlasstenen. Op de kopse kanten van drie bouwblokken is met de verschillende kleuren atlasstenen een muurkunstwerk opgenomen (roze). Na de indiening in maart 1955 werd de bouwvergunning verleend door de gemeente Ridderkerk op 18 mei 1955.
Het plan werd echter nog vereenvoudigd door slechts twee typologiën (de hoogbouw met garages (type A) verviel) toe te passen. Over het bouwen met atlassteen werd een extra uiteenzetting toegevoegd in een aanvraag op 14 juli 1955. Ook dit werd vergund en de eerste -bijzondere- steen werd door de burgemeester gelegd op 17 november 1955. Het geheel werd gebouwd door het Haagse Bouw- en Aannemingsbedrijf J. Huizer en werd in 1956 opgeleverd. Perspectieftekening van de woonblokken in Ridderkerk uit 1955 (uit ‘Het Vrije Volk’ van 29 maart 1955)
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
13
Hoge blokken - type A/B
Lage blokken - type C
De voorgevel (collectie gemeente Ridderkerk)
De voorgevel (collectie gemeente Ridderkerk)
De achtergevel (collectie gemeente Ridderkerk)
De achtergevel (collectie gemeente Ridderkerk)
De plattegrond (collectie gemeente Ridderkerk)
De plattegrond (collectie gemeente Ridderkerk)
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
14
De doorsnede over het lage blok. Het principe is hetzelfde bij het hoge blok (collectie gemeente Ridderkerk)
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
Mackaystraat in 1970 (collectie Stichting Oud Ridderkerk)
15
De Meester Kesperweg richting het zuiden in 1960 (collectie Stichting Oud Ridderkerk)
De Dokter Colijnstraat richting het oosten in 1965 (collectie Stichting Oud Ridderkerk)
De Meester Kesperweg richting het noorden in 1970 (collectie Stichting Oud Ridderkerk)
De Jonkheer van Karnebeekweg richting de Meester Thorbeckestraat in 1970 (collectie Stichting Oud Ridderkerk)
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
16
2.4 NA DE OPLEVERING Na de oplevering van de bouwblokken in Ridderkerk (en de twee blokken in Rijswijk) is er waarschijnlijk geen ander gebouw meer gerealiseerd met atlasstenen. In een evaluatie van het bouwproject van de directeur Gemeentewerken van Rijswijk uit 1956 werd beschreven dat alle technische zaken, zoals isolatie- en constructieve waarden en waterkerendheid, conform de berekeningen bleken te zijn, maar dat de beloofde arbeidsbesparing in de praktijk niet was gebleken. Er werd gesteld dat dit wellicht door geregelder toepassing van de atlasstenen nog wel gunstiger uit zou kunnen pakken. Deze efficiëntieslag is echter nooit gerealiseerd en het werd stil op het gebied van atlasstenen; de stenen werden alleen nog terloops in een krantenartikel van september 1956 genoemd. Het is niet exact duidelijk wat de reden hiervoor was. Het zou kunnen dat de gelijkwaardig ten opzichte van regulier metselwerk presenterende atlasstenen, in combinatie met de niet veel efficiënter gebleken bouwtijd, slechts een erg beperkte vooruitgang bleken en dat de
Het tussen 1960-1970 aangebrachte gaas achter de balkons
De optopping van de lage woningen in de jaren ‘80 of ‘90
toepassing daarom niet voor de hand lag. Waarschijnlijk nam rond deze periode ook de ontwikkeling van prefab betonnen elementen een enorme vlucht, en kon het individueel metselen van stenen hiermee qua efficiëntie niet concurreren. Wijzigingen aan het ensemble Sinds de oplevering zijn er aan de buitenzijde van de bouwblokken een aantal zaken gewijzigd. Alle balkons kregen op een onbekend moment tussen 1960 en 1970 dik gaas met een vierkant grid aan de binnenkant gemonteerd, waarschijnlijk voor het voorkomen van de overklimbaarheid en de verbetering van de
Een van de trapjes richting de tuin, die de balustrade doorbreekt
De verlengde woonkamer en nieuwe gevel, waardoor de reling verviel
doorvalveiligheid. Het is aannemelijk dat dit bij alle woningen is toegepast, omdat het ensemble als geheel toen in bezit was van een woningcoörporatie. Inmiddels is bij een deel van de woningen het gaas weer verwijderd. In de jaren ‘80 of ‘90 is een groot deel van de lage grondgebonden woningen in het ensemble met een verdieping verhoogd. Dit is gedaan door het plaatsen van een uniform puntdak, bekleed met pannen en houten betimmeringen. De optoppingen zijn allemaal op dezelfde wijze uitgevoerd, enkel de kleuren verschillen, wat erop wijst dat de optoppingen gelijktijdig en volgens hetzelfde ontwerp zijn uitgevoerd. Op een aantal plekken in het ensemble is het honingraat/atlasbalkon op enig moment gewijzigd. Het resulteert erin dat op dit moment zeven woningen op de begane grond een trappetje naar de tuin hebben, die de balustrade van het balkon onderbreekt. Bij vier woningen is het honingraat/atlasbalkon verdwenen en bij 11 woningen is de balustrade komen te vervallen omdat er een uitbreiding van de woonkamer, en daarmee een nieuwe gevel, is gemaakt.
De voorzijde van de Meester Kesperweg 2-36 met glazen relingen en kunststof kozijnen
De achterzijde van de Meester Kesperweg 2-36 met glazen relingen en kunststof kozijnen
In 2009 zijn alle honingraat/atlasrelingen van de Meester Kesperweg 2-36 aan de voor- en achterzijde vervangen door glazen balustraden. Tevens zijn de houten kozijnen bij dit blok vervangen door kunststof exemplaren. BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
17
3 CONTEXTUELE EN STRUCTURELE ANALYSE In dit hoofdstuk zal de huidige toestand van de honingraatbalkons nader worden geanalyseerd. De analyse gaat in
componenten zijn samengesteld. Als laatste wordt het huidige schadebeeld in beeld gebracht, waarbij duidelijk wordt
op de stedenbouwkundige rol die de relingen vervullen op de grotere schaal van de gehele wijk, alsmede op de
gemaakt wat de meer en minder urgente schades zijn en op welke schaal deze voorkomen. Het hoofdstuk vormt
structurele analyse van de balkons zelf. Hierin wordt geduid uit welke componenten de relingen bestaan en hoe deze
samen met het historische kader de aanloop naar de hierna volgende kernwaarden, het concrete transformatiekader en de hieruit volgende ontwerpvoorstellen.
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
18
3.1 DE BALUSTRADEN IN DE STEDENBOUWKUNDIGE STRUCTUUR De wijk met honingraatbalkons vormt een opvallend ensemble binnen de relatief anonieme verdere naoorlogse wederopbouwarchitectuur uit de omgeving in Ridderkerk. De reden daarvoor is allereerst gelegen in de stedenbouwkundige opzet, die contrasteert met de omliggende hogere, strokenbouw. De bebouwing van het ensemble is aan de randen hoog uitgevoerd en er zijn twee binnenpleinen met lagere bebouwing rondom en scheef geplaatste straten toegevoegd. Ook is er veel groen en is de gehele wijk uit hetzelfde, ten opzichte van andere gebouwen afwijkende materiaal (de atlasstenen), gebouwd. Daarnaast zijn er op drie ‘entreepunten’ van de wijk muurkunstwerken op de kopse gevels toegevoegd, bestaande uit gekleurde atlasstenen. Wat echter het meest opvalt
Voorbeelden van andere, relatief anonieme wederopbouwarchitectuur uit de directe omgeving (Google Maps)
zijn de honingraat- of atlassteenbalkons, die bij elke woning ongeacht de schaal terugkomen. De vormgeving van de balustraden verleent een bepaalde mate van identiteit aan de buurt. Deze ontstaat door de kenmerkende vormgeving van de op zijn kant geplaatste atlasstenen, waardoor de honingraat ontstaat. Er ontstaat zo een verbijzondering van de wijk ten opzichte van de omliggende wederopbouwarchitectuur. Opvallend is om te zien dat de identiteit van het blok vrijwel volledig verdwijnt als de honingraatbalkons worden verwijderd. Dit is gebeurd bij het blok aan de Meester Kesperweg 2-36, waardoor dit blok nu opgaat in de relatief anonieme vormgeving van het tegenoverliggende blok. De buurt als geheel wordt daarnaast als samenhangend ervaren door de aanwezigheid van de honingraatbalkons. Alle woningen, ongeacht grootte of locatie, bevatten minimaal één honingraatbalustrade waardoor een visuele, overal terugkerende samenhang ontstaat. De samenhang wordt versterkt door de integrale toepassing van de atlassteen als bouwmateriaal van de gevels. Omdat deze stenen in de gestapelde toepassing een stuk minder in het oog springen, zorgt de op de kant geplaatste toepassing bij de relingen echter voor veel meer samenhang. Door de creatie van identiteit en samenhang in de wijk ontstaat een menselijke schaal binnen de relatief hoge en anonieme wederopbouwarchitectuur.
De individuele blokken van de honingraatbalkons geven geleding en tactiliteit aan de verdere simpele gevels, waardoor de schaal van de bouwblokken tastbaar blijft. De beleving van de menselijke schaal wordt verder versterkt door de bijzondere stedenbouwkundige opzet van de wijk.
Door de honingraat/atlasbalkons onderscheidt het ensemble zich van de omliggende wijken, de verschillende blokken worden samengebracht
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
19
3.2 DE OPZET EN SAMENSTELLING VAN DE BALUSTRADEN De balustraden van de honingraat- of atlasbalkons bestaan uit de volgende onderdelen: op de kant gemetselde atlasstenen, die door hun configuratie samen een honingraatstructuur maken. een balkon bestaat uit drie lagen atlasstenen in de hoogte.
-
de lengte van de relingen verschilt: de lage woningen hebben een breedte van 1o stenen, de hoge woningen
BALKON - variant 2 A
-
50
•
55
•
120
hebben aan de voorzijde 11, en aan de achterzijde 28 stenen. bovenop de atlasstenen is een liggend U-profiel geplaatst, met daarop een ronde buis met met een viertal
-
de reling zit bij de hoge bebouwing op alle plekken middels een aangelast verbindingsstuk vastgebout aan
de -
wanden waartussen de reling is geplaatst.
de reling is bij de lage bebouwing doorgezet in een stalen frame aan weerszijden van de atlasstenen, die
vervolgens tegen de gevel aan vastgebout is.
de gemetselde atlasstenen en de stalen bovenreling vormen samen de constructieve elementen. De atlasstenen
3680 A
•
830
verschillende kleurstellingen.
1000
bevestigingen. De onderdelen van deze bovenreling zijn aan elkaar gelast en het geheel is geschilderd in per blok
geven hierbij de massa, die op de plek wordt gehouden doordat zij aan de onder- en zijkanten zijn gemetseld, VOORAANZICHT - variant 2
maar ook door de aan de wanden bevestigde stalen regel.
• •
de totale hoogte van de reling is 950 mm. de gehele reling is geplaatst op een prefab betonnen balkonplaat, waarbij een kleine afgeschuinde verhoging is opgenomen in het beton, waarop de blokken vervolgens zijn gestapeld.
•
op enig moment in de jaren ‘60 of ‘70 zijn de balkons voorzien van een gaas aan de achterzijde. Het gaas is gelast aan een frame, dat vervolgens aan de bovenzijde van de reling is bevestigd. De bevestiging is verschillend uitgevoerd: het frame is onder het U-profiel geschoven, of ertegenaan vastgezet. Daarnaast is het gaas met enkele spijkers aan de atlasstenen vastgezet, vooral om te zorgen dat het gaas niet gaat klapperen. Atlasstenen - gestapeld voor muren
Atlasstenen - op de kant gemetseld voor de balkons
BALKON
45
70 50
A
830
950
DO
3680 A
Aanzicht vanaf de straatkant - schaal 1:10 VOORAANZICHT
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
20
MA
Proje
A
Het honingraat- of atlasbalkon vanaf de voorzijde (vanaf de straatzijde)
3680 A
Het honingraat- of atlasbalkon vanaf de achterzijde (vanaf de balkonkant)
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
DOORSNEDE A-Abalkon - schaal 1:10 Doorsnede over het 21
Een van de balkons vanaf de buitenzijde
Langs de balkonkant
Een van de balkons vanaf de balkonzijde
Langs de straat- of buitenkant
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
Detail van de gemetselde atlasstenen en het hiervoor geplaatste gaas
22
3.3 ANALYSE VAN HET SCHADEBEELD Gevaarlijk
Bij de inspectie ter plaatse is het schadebeeld van de honingraat- of atlasbalkons nader in beeld gebracht. Het is immers zaak om vast te stellen wat de concrete aanleiding is om te stellen dat de balustraden niet (meer) veilig zijn,
1
om vervolgens de problematiek op te kunnen lossen.
3
De grootste problematiek van de balkons, en de meeste schade, is te vinden aan de stalen relingen, dat wil
2
4
zeggen het liggende U-profiel, de daarop bevestigde buis als bovenreling en de bevestiging van dit geheel aan de wanden. Deze stalen componenten vertonen op bijna alle locaties corrosie (1). Hierbij is de corrosie rondom de
5
verbindingspunten tussen de reling en de wand veel voorkomend en het meest problematisch, omdat de stalen reling zorgt voor de stabiliteit en de verankering van de gehele balustrade. Er dient rekening mee gehouden te worden dat de reling geschilderd is met Chroom-6 houdende verf (2), hetgeen een probleem kan vormen wanneer de reling wordt geschuurd. Omdat alle balkons deze stalen relingen hebben (op een enkele verdwenen reling na (4)) met het geschetste schadebeeld, is het probleem vrij urgent.
Sporadisch
Veelvoorkomend
6
Daarnaast zijn er ook een aantal gebreken geconstateerd aan de atlasstenen zelf. Over het algemeen kan echter geconcludeerd worden dat de technische staat van de stenen nog als redelijk te beoordelen is. Op relatief veel plekken is te zien dat het voegwerk tussen de stenen wat uitgesleten is (6), en bij een aantal balkons zijn enkele atlasstenen gebroken (5), maar veelal is de samenhang in de balustrade nog intact. Bij slechts één woning is een deel van de stenen verdwenen, en bij een aantal woningen zijn deze weggehaald om een trap richting het groen te
8
plaatsen (3). Het probleem in beide gevallen is dat de stenen hiermee hun samenhang onderling en met de stalen
7a 7b
reling zijn verloren, waardoor de relingen instabiel zijn geworden.
9 Het in de jaren ‘60 of ‘70 aangebrachte grid achter de balustrade zelf is in veel gevallen nog in redelijke staat. Te
Ongevaarlijk
zien is wel dat de bevestiging aan de bovenregel soms te wensen overlaat, met name omdat de bovenregel in slechte staat is. De spijkers die worden gebruikt om het gaas strak langs de stenen te houden zijn wel overal sterk gecorrodeerd (9). Op enkele plekken is het grid niet meer aanwezig, waardoor de reling weer overklimbaar is (8). Tot slot zijn er twee aspecten die juridisch gezien voldoen aan de gestelde eisen in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) voor bestaande bouw, maar waarbij het in de praktijk de vraag is of de balustraden op deze aspecten voldoende veiligheid bieden.Het eerste aspect is de huidige hoogte van de balustrade, die met 95cm hoogte voldoet aan het BBL (minimaal 90 cm). In de praktijk blijkt echter dat de bewoners de reling als laag ervaren (7a), waarbij er op meerdere plekken constructies en plantenbakken op op de reling bevestigd zijn om deze op te hogen. Het andere aspect betreft de constructieve stabliliteit van de balustrade, zodat deze niet kan bezwijken bij belasten (7b). Bij nieuwbouwwoningen wordt dit getest aan de hand van de zogenaamde “zandzakslingerproef”
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
verroeste stalen reling, verbinding wand soms weg mogelijk Chroom 6 reling -> alleen gevaarlijk bij schuren / aanpassen (deel) atlasstenen verdwenen/weggehaald stalen regel verdwenen gebroken atlasstenen voegwerk tussen stenen uitgesleten a. de reling heeft een hoogte van 0,95m , maar voelt laag b. het niet-bezwijken van de reling voldoet, maar is twijfelachtig grid is niet aanwezig spijkers die grid bevestigen aan stenen verroest, bevestiging niet degelijk
(een zandzak met een bepaald gewicht wordt volgens een vastgestelde afstand tegen de balustrade geslingerd). Omdat het hier om bestaande bouw gaat, mag de bestaande kwaliteit van de reling worden aangehouden als maatgevend. Het is echter wenselijk dat de balustrade voldoende veiligheid biedt; het is de vraag of de bestaande balustrade voldoende bestand is tegen bezwijken indien er iemand met enig gewicht tegen de reling aan zou vallen. BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
23
7
7
1
2
2
7
1
1
6
2 5
7
5
2 6 1 5
3
9
6 5
7
4
2
7
8
1. 2. 3.
verroeste stalen reling, verbinding wand soms weg mogelijk Chroom 6 reling -> alleen gevaarlijk bij schuren (deel) atlasstenen verdwenen/weggehaald
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
3
1 2
4. 5. 6. 7.
stalen regel verdwenen gebroken atlasstenen voegwerk tussen stenen uitgesleten a. de reling heeft een hoogte van 0,95m
2
8. 9.
b. het niet-bezwijken van de reling voldoet, maar is twijfelachtig grid is niet aanwezig spijkers die grid bevestigen aan stenen verroest, bevestiging niet degelijk 24
4 KERNWAARDEN EN UITGANGSPUNTEN Volgend op voorgaande analyses zijn de drie belangrijkste kernwaarden geformuleerd, die samen de honingraatbalkons
de uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen aan de balkons en dienen zij als toetsend instrument voor de
typeren en de betekenis ervan inzichtelijk maken. De kernwaarden vatten samen als het ware de ‘ziel’ van het
ontwerpvoorstellen op het gebied van cultuurhistorie.
object samen en zijn de belangrijke dragers van de cultuurhistorische waarde van de balkons. Hiermee vormen zij BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
25
4.1 KERNWAARDEN Kernwaarde 1: het pionieren tijdens de wederopbouw Het ensemble, opgebouwd uit Atlasstenen van architect J.H.L. Giesen, vormt een fysieke herinnering aan de pioniersgeest na de Tweede Wereldoorlog. Door de schaarste van materialen en de enorme woningnood ontstond een zoektocht naar manieren om het bouwproces efficiënter te maken. De atlasstenen zijn zo’n uitvinding, waarvan de toepassing, zoals wel vaker bij pionieren het geval is, al snel werd ingehaald door andere uitvindingen en waardoor uiteindelijk geen latere toepassing van de stenen meer heeft plaatsgevonden. De architect Giesen, die trots was op de uitvinding, wilde door middel van de toepassing van de stenen in de balkons de bijzondere vorm ook nadrukkelijk laten zien. Als laatste kan worden gesteld dat het bij dit pionierproces vaak lastig bleek om vormgevingstechnisch kwaliteit aan bouwwerken toe te voegen. De atlasstenen geven die ruimte echter wel, waardoor met weinig middelen wel een bijzonder en in het oog springend geheel kon worden gemaakt.
de atlassteen als pioniersvorm tijdens de wederopbouw
Kernwaarde 2: placemaking De op de kant gemetselde atlasstenen in de balustraden zijn de meest in het oog springende en beeldbepalende elementen in de wijk, waardoor een bepaalde mate van samenhang ontstaat. Hierdoor was het mogelijk om binnen de enorme hoeveelheid relatief anonieme wederopbouwarchitectuur deze plek herkenbaar te maken en kwaliteit toe te voegen. De atlasstenen zijn essentieel om deze ‘placemaking’ te bereiken.
de atlassteen als fysieke representatie van placemaking
Kernwaarde 3: deel van het geheel In zowel het bouwblok, maar ook in de balustrade geldt dat altijd het bouwblok, de atlassteen, herkenbaar blijft als onderdeel van het geheel. Door de specifieke vorm van de individuele stenen, die vervolgens op verschillende manieren gestapeld worden, ontstaat het decoratieve patroon. Echter blijft altijd het individuele bouwblok de basis van de hoofdvorm. de atlassteen als deel van het geheel in verschillende stapelwijzen
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
26
4.2 VERTALING NAAR UITGANGSPUNTEN Vanuit kernwaarde 1 ‘het pionieren tijdens de wederopbouw’ De atlasstenen representeren in algemene zin de pioniersdrift tijdens de wederopbouw. Omdat de atlasstenen maar op twee plekken in Nederland zijn toegepast, namelijk in twee woonblokken in Rijswijk, en de gehele in dit onderzoek centraal staande wijk in Ridderkerk, is het bouwmateriaal zeldzaam te noemen. De honingraatof atlasbalkons hebben hierbij extra waarde omdat zij de atlasstenen zichtbaar maken, in tegenstelling tot de buitenmuren waar de atlasstenen ook voor andere materialen kunnen worden aangezien. Vanwege het belang wat de stenen hebben voor het laten zien van dit verhaal van de pioniersdrift is het zaak om vanuit kernwaarde 1 in te zetten op behoud van het oorspronkelijke materiaal. Omdat het hier juist gaat om het bouwmateriaal zelf en deze het meest zichtbaar is in de balustraden, is het niet wenselijk om - wanneer dit niet absoluut noodzakelijk is - het fysieke materiaal te vervangen.
Vanuit kernwaarde 2 ‘placemaking’ De honingraat- of atlasbalkons vormen het meest sprekende attribuut bij het geven van identiteit en herkenbaarheid aan de wijk. Door de toepassing van de balustraden onderscheidt de buurt zich van omliggende wederopbouwwijken en ontstaat er een menselijke schaal. Opvallend is het feit dat zowel de hoge bouwblokken met appartementen, als de lage blokken met eengezinswoningen, hetzelfde balkon hebben, waarmee de relatie daartussen fysiek wordt gemaakt. Deze uniformiteit is dan ook van groot belang: ook bij toekomstige ingrepen is het zaak om overal eenzelfde uniforme aanpak in de gehele wijk te hanteren.
Vanuit kernwaarde 3 ‘deel van het geheel’ Het stapelen van elementen, die vervolgens samen de gevels van de gebouwen, of de reling van het balkon vormen, is kenmerkend voor de toepassing van atlassteen. Bij toekomstige ingrepen moet daarbij dit principe aangehouden worden van individuele elementen, die samen een geheel vormen. Voor de balkons houdt dit concreet in dat bij aanpassingen het principe van het samenstellen met blokken, die samen als geheel worden bekroond met een horizontaal element het uitgangspunt moet zijn. Eventuele aanpassingen zijn mits noodzakelijk voorstelbaar in de elementen zelf of de omkadering, zo lang als deze wel nog individueel afleesbaar kunnen blijven.
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
27
5 ONTWERPADVIES IN SCENARIO’S In dit hoofdstuk worden twee ontwerpscenario’s gepresenteerd voor ingrepen aan de honingraat- of atlasbalkons in
waarde, het schadebeeld en de haalbaarheidsaspecten worden besproken die tot verschillende afwegingen en
Ridderkerk. Allereerst wordt de totstandkoming van de scenario’s nader toegelicht, waarbij zowel de cultuurhistrische
daaruitvolgend de scenario’s hebben geleid. De ontwerpvarianten worden vervolgens in woord en beeld nader toegelicht.
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
28
5.1 TOTSTANDKOMING VAN DE ONTWERPEN Zoals reeds gesteld in de ‘Cultuurhistorische waardenkaart Woongebieden Ridderkerk’ door Dorp, Stad & Land in de wijk ondanks het ontbreken van een formele monumentstatus te typeren als objecten met een hoge of
Conserveren/ onderhoud Repareren
zeer hoge cultuurhistorische waarde. Daarom is het wenselijk daarmee zorgvuldig om te gaan en voor ingrepen
Vernieuwen
(2027), en nader uitgediept in de voorgaande hoofdstukken, zijn de honingraat- of atlasbalkons van de woonblokken
uit te gaan van de leidende principes van de zogenoemde “restauratieladder”, opgesteld door de Stichting
Imiteren
Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Hierin wordt de voorkeursvolgorde voor ingrepen aan een
Verbeteren
cultuurhistorisch waardevol object vastgelegd in onderstaande hiërarchie van restauratiecategorieën, waarbij de regel boven uit oogpunt van onderhoud en restaureren steeds de voorkeur heeft boven de ondergenoemde regel. Welke
Kopiëren
De restauratieladder voor objecten met cultuurhistorische waarde (bron: Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg)
restauratiecategorie van toepassing is, hangt af van de fysieke samenhang en de cultuurhistorische waardenstelling van het betreffende bouwdeel. In deze hiërarchie gaan conserveren, onderhoud en repareren voor vernieuwen. Het
-
Procesmatige uitdagingen zijn aanwezig doordat alle woningen in het bezit zijn van individuele eigenaren,
materiaal is immers de fysieke drager van de historische waarde. Als conserveren of onderhoud onvoldoende is, gaat
waarbij een deel is aangesloten bij VVE’s. Deze grote hoeveelheid aanspreekpunten en eigenaren zorgt
men over tot repareren. Indien onderdelen niet meer gerepareerd kunnen worden gaat men over tot vernieuwen.
ervoor dat sommige scenario’s veel duurder kunnen uitvallen, of praktisch gezien niet haalbaar blijken in de
Bij vernieuwen bestaan drie opties: kopiëren, imiteren en verbeteren. Als traditionele technische middelen niet
uitvoering.
toereikend blijken om het object te restaureren (kopiëren), dan is het aanvaardbaar om een beroep te doen op bewezen moderne conserverings- en constructie-methoden (imiteren). Het verbeteren van (onderdelen van) het
De gekozen ontwerpen
werk is alleen van toepassing indien een gebruikersdoel hierom vraagt.
De twee uitgewerkte scenario’s zijn geïnspireerd op de restauratieladder, waarbij de concrete uitwerking is afgestemd op de hiernaast genoemde balans tussen de cultuurhistorische waarde, het schadebeeld en de haalbaarheid. Het
Naast het principe van de restauratieladder geldt voor het totstandkomen van ontwerpscenario’s voor de honingraat-
eerste scenario, repareren met imitatietechnieken, moet worden gezien als het basisscenario: hierin wordt het
of atlasbalkons in Ridderkerk dat er een balans moet worden gevonden tussen de volgende drie aspecten:
absoluut noodzakelijke beschreven wat moet worden uitgevoerd om de technische staat weer in orde te maken. Het
•
Het respecteren van de cultuurhistorische waarden, en dus aansluiten bij de kernwaarden
tweede scenario, gebaseerd op verbeteren in de restauratieladder, gaat een stapje verder, en zet in op het verbeteren
Zoals in het vorige hoofdstuk nader toegelicht moeten de drie uitgangspunten vanuit de kernwaarden zoveel als
van de juridisch veilige maar praktisch twijfelachtige aspecten van de balustrade. Beide scenario’s sluiten aan op het
mogelijk worden gerespecteerd:
schadebeeld, zijn goed haalbaar qua kosten en proces en respecteren alle gestelde kernwaarden.
-
De pioniersdrang met het inzetten op behoud van het fysieke materiaal
-
Placemaking door het zorgen dat over de gehele wijk een uniforme oplossing wordt gekozen, zowel in het
De afgevallen ontwerpen
heden als in de toekomst
Verschillende ontwerpen zijn bij dit onderzoek, maar ook in uitgevoerde toestand in de wijk, de revu gepasseerd,
Deel van het geheel, door de balustrade te zien als een samenstelling van losse blokken, met een separate
zoals het plaatsen van een balustrade met planken of spijlen (zoals bij enige eengezinswoningen in de wijk), glazen
reling verbonden tot één geheel.
balustraden (zoals bij het blok aan de Meester Kesperweg 2-36) of ontwerpen met stalen platen met perforaties.
-
•
De scenario’s laten aansluiten op het schadebeeld
Allereerst zijn deze opties niet wenselijk omdat zij niet aan de kernwaarden kunnen voldoen: over het algemeen
Bij de toekomstige ingrepen moet worden gedaan wat nodig is om de problemen zoals hiervoor beschreven op
gezien doet geen van deze opties recht aan de bijzonderheid van de atlassteen-balustraden; de ziel verdwijnt
te lossen. Een bijkomstigheid is dat het schadebeeld per balkonreling verschillend is, hetgeen ervoor zorgt dat
hiermee uit de wijk. Er is geen samenstelling van individuele blokken mogelijk, en de opties zijn niet innovatief
het wenselijk is de scenario’s ook hierop aan te laten sluiten.
•
Het garanderen van een haalbare oplossing Haalbaarheid omvat in dit geval een aantal zaken: -
Het is onwenselijk om onnodige ingrepen te doen waardoor de bewoners te maken krijgen met kosten die vanuit het schadebeeld niet nodig zijn.
-
De schade is niet overal in dezelfde mate aanwezig. De scenario’s moeten aansluiten op het relevante balkon.
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
om te refereren aan de pioniersdrang. Tegelijkertijd sluiten de opties niet aan op het schadebeeld, waarbij het cultuurhistorisch waardevol materiaal zal verdwijnen zonder dat dit absoluut noodzakelijk is, en krijgen bewoners te maken met kosten die niet gemaakt hoeven te worden. Dit is tegelijkertijd de reden waarom de vscenario’s niet uitgaan van integrale vernieuwing. Een andere belangrijke reden voor het afvallen van bovenstaande opties zit in de haalbaarheid. Door het grote aantal individuele eigenaren is de kans groot dat de uniformiteit en herkenbaarheid van de wijk verloren gaan. Individuele eigenaren zullen allemaal op andere momenten overgaan tot vervanging, waardoor de samenhang en herkenbaarheid verdwijnen en verschillen gaan ontstaan. 29
5.3 SCENARIO 1: DE BASIS Dit ontwerp schetst de basismaatregelen die nodig zijn om de balustraden weer in orde te maken. Doordat
Vervangen regelwerk BALKON
70 50
A
de maatregelen kleinschalig (alleen het noodzakelijke en daarmee betaalbaar) en per woning toepasbaar zijn 45
(afhankelijk van het betreffende schadebeeld) heeft het ontwerp een grote haalbaarheid. Daarnaast worden de cultuurhistorische waarden van de balustrade maximaal behouden: zoveel mogelijk van het fysieke materiaal blijft
DO
830
bevelen om dit basisscenario toe te passen op alle bestaande honingraat- of atlasbalkons.
950
bestaan en de balustraden worden conform het oorspronkelijke ontwerp in de gehele buurt behouden. Het is aan te
Welke maatregelen worden genomen:
•
Het volledig vervangen van het stalen regelwerk aan de bovenzijde (appartementen) en boven- en zijkanten (eengezinswoningen) Het bestaande regelwerk, inclusief verbindingen met de wanden, verwijderen
-
Een nieuwe bovenregel uit staal maken, conform het bestaande ontwerp met dezelfde maatvoering
-
De bovenregel opnieuw vastzetten aan de wanden
-
Het regelwerk schilderen in de gehele wijk met een uniforme kleurstelling. De oorspronkelijke kleur moet
3680 A
-
Nalopen en herstellen atlassteVOORAANZICHT
(Opnieuw) aanbrengen grid
nen, waar nodig stenen vervangen
MA
nader bepaald worden middels een eenvoudig kleurhistorisch onderzoek bij de huidige reling
•
Het herstellen van de atlasstenen, en waar nodig vervangen -
Proje
Nalopen en herstellen van het voegwerk van het hele balkon, om zo te garanderen dat alle stenen goed
Ond
vastzitten -
Gebroken stenen vervangen door nieuw te maken stenen, conform bestaand. Omdat het oorspronkelijke bouwmateriaal (klinkerisoliet) niet meer gemaakt wordt, zal in beton de oorspronkelijke textuur en
Datu
Kostenindicatie
kleurstelling zo nauwkeurig mogelijk benaderd moeten worden. Hiervoor moet één leverancier worden gekozen en deze imitatiesteen dient te worden gebruikt bij het herstel.
•
Het waar nodig aanbrengen van een nieuw stalen grid, conform bestaande detaillering, ten behoeve van het voorkomen van overklimbaarheid van de reling -
Het grid waar nodig herstellen of opnieuw bevestigen.
-
Bevestigen conform bestaand aan de bovenregel
BUREAU POLDERMAN | 970 Honingraatbalkons, Ridderkerk | ontwerpadvies
Werk
Wat Verwijderen regelwerk Nieuwe bovenregel Vastzetten en plaatsen Schilderwerk Nalopen atlasstenen Vervangen stenen Herstellen grid Bereikbaarheid Opslagen aannemer Totaal exc. btw
Unitprijs 1 pst 3,7 m1 3,7 m1 3,7 m1 2u 1 st 1 pst 1 pst 20%
Eenheidsprijs € 125,00 € 55,00 € 45,00 € 55,00 € 150,00 € 75,00 € 500,00
TOTAAL € 150,00 € 462,50 € 203,50 € 166,50 € 110,00 € 150,00 € 75,00 € 500,00 € 363,50 € 2.181,00
30
5.4 SCENARIO 2: VERBETERING Verbeteren regelwerk, ophogen naar 1,0 m
In dit scenario worden een aantal maatregelen aanvullend op scenario 1 voorgesteld om de veiligheid van de BALKON - variant 2 50
A
balustraden te verbeteren, ondanks dat deze in de huidige toestand voldoen aan wet- en regelgeving. Wederom
55
120
blijven de maatregelen toepasbaar op individuele woningen en het bijbehorende schadebeeld, en kan de keuze voor scenario 1 en scenario 2 ook per woning worden gemaakt zonder dat dit afdoet aan de beeldkwaliteit van het