CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering themawijziging Bodem - versie 09-12-2025.pdf

Commissie Samen wonen RK 8 januari 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Vaststellen wijziging omgevingsplan voor bodemactiviteiten5.077 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MOTIVERING Behorend bij het raadsbesluit ‘wijziging omgevingsplan gemeente Ridderkerk voor bodemactiviteiten’ Versie 09-12-2025

Gemeente Ridderkerk

Inhoud 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.

Aanleiding voor dit wijzigingsbesluit Doel en oogmerken van deze omgevingsplanwijziging Gezonde bodem Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Beschermen van de fysieke leefomgeving Milieubelastende activiteiten Onderzoeken inleveren in bestandsformaat XML Relatie met bruidsschatregels Milieubeoordeling Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid Participatie

2

1.

Aanleiding voor dit wijzigingsbesluit

Sinds 1 januari 2024 heeft Ridderkerk een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zijn regels opgenomen van de bestemmingsplannen en een groot aantal Rijksregels voor bouwen en milieu (de bruidsschat). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar één gebiedsdekkend omgevingsplan, waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving een plek moeten krijgen.

Thematische wijziging Bodem Deze eerste wijziging van het omgevingsplan Ridderkerk is een thematische wijziging, waarbij er regels over activiteiten in de bodem aan het omgevingsplan worden gewijzigd en toegevoegd. Het thema bodemkwaliteit wordt integraal benaderd. Dit betekent dat alle regels die aan bodemkwaliteit raken direct zijn meegenomen (met uitzondering van regels over lozingen). Het gaat daarbij om regels en beleid die gaan over de chemische (en in mindere mate fysische) kwaliteit van grond en bagger en de chemische kwaliteit van grondwater. Het betreft regels uit de bruidsschat, de instructieregels van het Rijk, instructieregels uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (wijzigingsbesluit 19 november 2024) en beleid uit de Omgevingsvisie Ridderkerk en de Regionale Nota Bodembeheer Barendrecht en Ridderkerk van 7 juni 2021 (hierna: Nota Bodembeheer). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet bodembescherming vervallen. Deze wijziging in de wetgeving betekent enerzijds dat de gemeenten meer ruimte krijgen om een eigen invulling te geven aan de regelgeving rond bodemkwaliteit en bodembescherming. Anderzijds zorgt deze wetswijziging ook voor enkele leemten in de regelgeving. Met de Omgevingswet wordt de regelgeving voor bodem gedeeltelijk gedecentraliseerd en krijgen gemeenten de ruimte om af te wijken en maatwerk toe te passen.

Daarmee krijgen gemeenten de mogelijkheid het bodembeleid in lijn te brengen met de lokale situatie en ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit. Gemeenten kunnen aanvullende eisen opnemen of juist regels versoepelen. Deze regels moeten door gemeenten in het omgevingsplan worden opgenomen. Het aanvullen of afwijken van Rijks- of provinciale regels voor bodem kan via een maatwerkregel. Dit is vergelijkbaar met gebiedsspecifiek beleid uit het Besluit bodemkwaliteit. Er zijn wel voorwaarden verbonden aan deze beleidsvrijheid. Zo moeten gemeenten voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu is het wenselijk de ontstane leemten in de regelgeving op te vullen. Het gaat hierbij om regels die extra bescherming bieden en bestaande gemeentelijke regels met betrekking tot bodemkwaliteit. Deze gemeentelijke regels zijn niet in het Besluit activiteiten leefomgeving of de bruidsschat opgenomen. Daarom vinden we het belangrijk aanvullende regels voor bodemactiviteiten op te nemen. Dit wijzigingsbesluit voorziet daarin. Binnen het regionale project ‘Eenheid in Beleid’ zijn deze regels afgestemd met DCMR en de regiogemeenten, om een lappendeken aan regels te voorkomen.

In het Transitieplan Ridderkerk 2024 is aangegeven dat we voor het verhuizen van de bruidsschatregels voor bodem nog ruim de tijd hebben (tot 2032). Omdat de wens bestaat een aantal bruidsschatregels te laten vervallen, is besloten direct alle regels voor het onderwerp bodembeheer (in paragraaf 22.2.7.2 vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en paragraaf 22.3.7 Bodembeheer) te verhuizen naar het permanente deel van het omgevingsplan. Daarmee worden dus de eerste bruidsschatregels verplaatst naar een definitieve plek binnen het omgevingsplan. De Regionale Nota Bodembeheer Barendrecht en Ridderkerk van 7 juni 2021 is met dit wijzigingsbesluit ingetrokken voor het deel Ridderkerk. Bij het voorliggende wijzigingsbesluit hoort een motivering. Daarin wordt gemotiveerd waarom de beoogde wijziging van het omgevingsplan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. In deze motivering wordt hier nader op ingegaan.

Wat hoort niet bij deze wijziging? Onderwerpen die wel te relateren zijn aan Bodem & Ondergrond, maar niet gaan over de chemische en fysische kwaliteit van grond, bagger of grondwater, maken geen onderdeel uit van deze wijziging. Voorbeelden van deze onderwerpen zijn Water en Bodem Sturend, bodemdaling en maatregelen in de ondergrond voor klimaatadaptatie. Deze onderwerpen zijn wel beschouwd in de Omgevingsvisie, maar vragen in veel gevallen nog om nadere uitwerking om te komen tot regels in het Omgevingsplan. Gezien de actuele, landelijke ontwikkelingen ten aanzien van het toepassen 3

van bouwstoffen en thermisch gereinigde grond, zijn voor deze activiteiten vooralsnog geen regels opgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan.

2.

Doel en oogmerken van deze omgevingsplanwijziging

Het doel van deze omgevingsplanwijziging voor bodemkwaliteit is het zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving, waarbij het gebruik en de bescherming van de bodem en de ondergrond in balans zijn. Een duurzaam gebruik van de bodem (grond en grondwater) dient mogelijk te zijn. Zowel voor de huidige generatie als voor toekomstige generaties. De bestaande chemische kwaliteit van de bodem mag op gebiedsniveau niet verslechteren en dient aan te sluiten bij de functie van de locatie. In het omgevingsplan zijn oogmerken ten aanzien van de bodemkwaliteit opgenomen. De oogmerken vormen het kader voor de regels en sluiten aan bij de doelen van de Omgevingswet. De oogmerken voor bodemkwaliteit zijn: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; d. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; e. het doelmatig beheer van afvalstoffen; f. het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen; g. het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen; h. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.

3.

Gezonde bodem

Gezien de in het omgevingsplan opgenomen oogmerken moet de bodemkwaliteit in voldoende mate aansluiten bij de functie van de locatie. Hierbij is de nadruk gelegd op gevoelige gebruiksfuncties waar dit extra aandacht behoeft, zoals woongebieden (al dan niet met een moestuin) of plaatsen waar kinderen spelen (speelplaatsen of buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven). Dit maakt dat regels over waarden voor een toelaatbare bodemkwaliteit of terugsaneerwaarden bij saneren zijn aangepast. Dit vertaalt zich in de regels in: a. afwijking van de regels ten aanzien van de toelaatbare waarde voor de concentraties lood en asbest in de bodem; b. aanvulling op de regels ten aanzien van de toelaatbare kwaliteit voor de concentraties PFOS, PFOA en overige PFAS in de bodem; c. strengere normen bij het saneren van asbest, lood, PFOS, PFOA en overige PFAS.

Toelichting lood De wettelijke normen voor lood die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet in lijn met de laatste inzichten van het RIVM en de GGD over de risico’s van lood voor de gezondheid. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor jonge kinderen. De gemeente Ridderkerk volgt dan ook het rapport van RIVM en advies van de GGD voor locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem, zoals een tuin of andere buitenruimte bij een woning, moestuin, speelplaats, kinderdagverblijf of school. Voor deze locaties hanteert de gemeente een van het Besluit activiteiten leefomgeving afwijkende, strengere waarden voor lood. • •

RIVM Rapport 2015-0204. Diffuse loodverontreiniging in de bodem. Advies voor een gemeenschappelijk beleidskader. Otte P, Bakker MI, Lijzen JPA, Versluijs CW, Zeilmaker MJ; en GGD Rotterdam-Rijnmond, Toetsingskader actuele gezondheidsrisico’s bij bodemverontreiniging (werkdocument), datum 1 september 2025

Toelichting asbest De wettelijke normen voor asbest die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet in lijn met het door Ridderkerk en andere regiogemeente gevoerde beleid. De in de voorliggende wijziging opgenomen waarden voor asbest zijn strenger dan de waarden die hierin zijn opgenomen. Deze strengere waarden voor asbest 4

komen voort uit de voormalige Nota Bodembeheer en sluiten ook aan bij het basisdocument voor Eenheid in beleid van de Rijnmondgemeenten.

Toelichting PFOS, PFOA en overige PFAS In Nederland is de bodem op verschillende plekken verontreinigd met PFAS. Het Rijk heeft echter voor PFAS vooralsnog geen wettelijke interventiewaarden vastgesteld. Daarom heeft het RIVM Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) voor PFOS, PFOA en overige PFAS afgeleid. Een INEV is vergelijkbaar met de interventiewaarden in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij concentraties onder de INEV's zijn geen ontoelaatbare negatieve gezondheidseffecten te verwachten. De gemeente Ridderkerk kiest er voor om, net als andere gemeenten en vooruitlopend op landelijke wettelijke normen, de INEV's als ‘lokale’ normen voor PFAS vast te stellen. Hiermee kunnen ernstige gezondheidsrisico’s worden voorkomen en is de bodem beter beschermd. Daarnaast gebruiken we ook het advies van de GGD Rotterdam-Rijnmond over risicogrenzen bodem voor PFAS. Voor de gezondheidskundige risicobeoordeling van PFAS in bodem gebruikt de GGD de gezondheidskundige risicogrenzen op basis van 50% Toelaatbare Dagelijkse Inname (TDI). De GGD adviseert om deze ook toe te passen in nieuwe situaties, zoals bij herinrichting van een gebied. Op dit advies sluiten we aan. • •

4.

RIVM, Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater, publicatiedatum 5 maart 2020, Versie: 20200302v10 GGD Rotterdam-Rijnmond, Toetsingskader actuele gezondheidsrisico’s bij bodemverontreiniging (werkdocument), datum 1 september 2025

Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

In hoofdstuk 3 van het omgevingsplan worden gebieden aangewezen met een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Een gebiedsaanwijzing is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met dit omgevingsplan zijn zes gebieden aangewezen voor het thema bodem: − het bodembeheergebied; − drie bodemfunctieklassengebieden Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie; − het herkomstgebied zone Nieuw Reijerwaard; − het toepassingsgebied zone Nieuw Reijerwaard. De gebiedsaanwijzingen zijn geometrisch begrensd en krijgen daarmee een juridische status. Het bodembeheergebied van de gemeente Ridderkerk beslaat in principe haar hele ambtsgebied, met uitzondering van de waterbodems (o.a. de Waal, de Noord, de Nieuwe Maas, de griend ten zuiden van de jachthaven en de Crezéepolder). Het beheer van de waterbodem is een verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat en Waterschap Hollandse Delta en maakt derhalve geen onderdeel uit van het bodembeheergebied. Naast het aanwijzen van het bodembeheergebied moet de indeling in bodemfunctieklassen worden vastgesteld, zo wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. Voor Ridderkerk zijn dit de bodemfunctieklassegebieden ‘Landbouw/Natuur’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’.

De aanwijzing van het herkomst- en toepassingsgebied zone Nieuw Reijerwaard is gedaan om grondverzet binnen dit gebied mogelijk te houden. Binnen dit gebied is een diffuse verontreiniging met drins (bestrijdingsmiddelen) aangetoond. Maar hergebruik binnen het gebied levert geen risico’s op. De specifieke regels voor het grondverzet met drinshoudende grond gelden daarom alleen binnen dit aangewezen gebied.

5.

Beschermen van de fysieke leefomgeving

In hoofdstuk 4 van het omgevingsplan worden de komende jaren regels opgenomen om de fysieke leefomgeving te beschermen. Deze wijziging ziet toe op het toevoegen van regels over bodem. Aan hoofdstuk 4 worden de afdelingen 4.1 (Algemene regels) en 4.2 (Bodem) toegevoegd. In afdeling 4.1 zijn specifieke artikelen voor bodem toegevoegd over het toepassingsbereik, de oogmerken, voor wie de regels gelden en regels over de specifieke zorgplicht.

5

In de afdeling 4.2 zijn vier paragrafen toegevoegd: 4.2.1 ‘Bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bouwen’; 4.2.2 ‘Grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bouwen’; 4.2.3 ‘Speelplaats, moestuin of volkstuin aanleggen of in gebruik nemen’, en 4.2.4 ‘Bodemgevoelige locatie gebruik wijzigen’. De regels in deze afdeling sluiten aan bij de ambities en doelen voor het aspect bodem uit de Omgevingsvisie Ridderkerk. Deze regels vinden hun grondslag in de bruidsschat, instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, instructieregels uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en in de voormalige Nota Bodembeheer. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid van personen tegen bodemverontreiniging.

Paragraaf 4.2.1 Bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bouwen Het grootste deel van de regels over het bouwen op verontreinigde grond volgt uit instructies uit het Besluit kwaliteit leefomgeving of vervangt de artikelen van de bruidsschat. Het betreft grotendeels een beleidsneutrale toevoeging van regels. Er zit een leemte in het stelsel in de Omgevingswet voor toelaatbare kwaliteit van de bodem. Er kan namelijk wel gebouwd worden op sterk verontreinigde grond wanneer de betreffende stof niet in de stoffenlijst van het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomen. Daarom zijn met deze wijziging in afwijking van dit besluit in het omgevingsplan regels gesteld over de waarden voor een toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood en asbest. In aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving zijn ook regels gesteld over de waarden voor een toelaatbare kwaliteit van de bodem voor PFOS, PFOA en overige PFAS. Bij overschrijding van deze waarden geldt een saneringsplicht, voordat gebouwd mag worden. Voor lood en asbest sluit dit aan bij het beleid uit de voormalige Nota Bodembeheer. Voor de stofgroep PFAS is dit een beleidsrijke aanvulling. Zie voor een toelichting ook hoofdstuk 3 uit deze motivering. Voor de vergunningvrije bouwactiviteit uit de bruidsschat is een meldplicht toegevoegd om informatie te krijgen over de bodemgesteldheid.

Daarnaast is het vangnetartikel overgenomen om ook bij het aantreffen van andere niet genoemde stoffen in te kunnen grijpen. Het doel is om eenzelfde beschermingsniveau (voor mens en milieu) te borgen zoals onder de voormalige wetgeving.

Paragraaf 4.2.2 Grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bouwen De regels voor bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie volgen uit de instructieregels van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Het betreft dus grotendeels een beleidsneutrale toevoeging van regels.

Paragraaf 4.2.3 Speelplaats, moestuin of volkstuin aanleggen of in gebruik nemen Deze paragraaf is toegevoegd om regels te kunnen stellen bij de aanleg of het in gebruik nemen van een speelplaats, moestuin of volkstuin aan de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor de stoffen lood, asbest, PFOS, PFOA en overige PFAS. Zie voor een toelichting ook hoofdstuk 3. Voor de aanleg of het gebruik van deze locaties is meestal geen vergunning nodig maar kunnen er wel risico’s optreden. Door deze activiteit meldingsplichtig te maken, vergroten we de mogelijkheden om te sturen op gezondheid en veiligheid.

Paragraaf 4.2.4 Bodemgevoelige locatie gebruik wijzigen In deze paragraaf zijn de kwaliteitseisen die gelden voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ook van toepassing verklaard wanneer er een bodemgevoelige locatie ontstaat zonder dat er gebouwd wordt. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer een kantoorgebouw wordt getransformeerd naar een gebouw met een woonfunctie met tuinen. De kwaliteit van de grond moet passend zijn bij de functie, ook voor de stoffen lood, asbest, PFOS, PFOA en overige PFAS. Zie voor een toelichting ook hoofdstuk 3 uit deze motivering.

6.

Milieubelastende activiteiten

Hoofdstuk 7 van het omgevingsplan gaat over milieubelastende activiteiten. Met dit wijzigingsbesluit zijn aan dit hoofdstuk twee nieuwe afdelingen toegevoegd met algemene bepalingen (7.1) en regels over bodembeheer (7.3). Deze regels vormen enerzijds een beleidsneutrale omzetting of aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving, anderzijds bevat 6

hoofdstuk 7 maatwerkregels waarmee wordt afgeweken van specifieke bodemregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Afdeling 7.1 In afdeling 7.1 is een paragraaf toegevoegd met regels die gelden voor alle milieubelastende activiteiten (7.1.1). Hier zijn artikelen toegevoegd over voorrangsbepalingen, het toepassingsbereik, de oogmerken, voor wie de regels gelden, regels over de specifieke zorgplicht, regels over maatwerkvoorschriften en regels over het aanleveren van gegevens.

Afdeling 7.3 In deze afdeling zijn negen paragrafen ingevuld met inhoudelijke regels: 7.3.1 Algemene regels 7.3.2 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume tot en met 25 m3 7.3.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3 7.3.4 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3 7.3.5 Bodem saneren 7.3.6 Bodem saneren ter uitvoering van een bronaanpak bij een significante grondwaterverontreiniging 7.3.7 Nazorg na saneren van de bodem of bij toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem 7.3.9 Grond of baggerspecie toepassen 7.3.11 Activiteit op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico De regels in deze afdeling sluiten aan bij de ambities en doelen voor het aspect bodem uit de Omgevingsvisie Ridderkerk. Deze regels vinden hun grondslag in de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, de bruidsschat, de instructieregels uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en in de voormalige Nota Bodembeheer. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid van personen tegen bodemverontreiniging. Paragraaf 7.3.1 Algemene regels In deze paragraaf zijn twee registers aangewezen.

Een register met ‘verdachte bodemlocaties’, ‘locaties waar in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden’ en ‘locaties waar in het verleden bodemonderzoek is verricht’. Dit is een onderdeel van het gedeelde Bodeminformatiesysteem Nazca, opgezet door DCMR, provincie Zuid-Holland en regiogemeenten. Dit register bevat alle bekende informatie over verdachte locaties, historische bodemactiviteiten en bodemonderzoeken uit voorgaande jaren. Een register met ‘historische locaties met onaanvaardbare risico’s, ‘locaties nazorg afdeklaag’ en ‘locaties nazorg tijdelijke beschermingsmaatregelen’. Dit register is een onderdeel van de viewer Bodem en Ondergrond op de website van DCMR. Dit bevat locaties waar een besluit is genomen waaruit blijkt dat een ernstige verontreiniging aanwezig is die niet met spoed gesaneerd hoeft te worden. Daarnaast bevat het register locaties waar als saneringsaanpak een afdeklaag is aangebracht. Ook zijn locaties opgenomen bij een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet, waar de bron van de verontreiniging niet is weggenomen maar waar blootstelling aan de verontreiniging wordt voorkomen door het treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen. De registers worden beheerd door DCMR namens het college van burgemeester en wethouders, zijn voor eenieder toegankelijk en worden actueel gehouden.

Er is gekozen voor registers om de actualisatie van de informatie dynamisch te kunnen uitvoeren en daarbij niet afhankelijk te zijn van een wijziging omgevingsplan. De frequentie van actualisatie van de registers ligt veel hoger, dan de frequentie van wijzigingen van het omgevingsplan.

7

Paragraaf 7.3.2 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume tot en met 25 m3 In aanvulling op de vervallen en verplaatste bruidsschatregels voor deze activiteit is bij de opslag van grond voorgeschreven om maatregelen te nemen ter voorkoming van verwaaiing van de (verontreinigde) grond en om tegen te gaan dat onbevoegden in contact kunnen komen met die grond. Overeenkomstig met het beleid uit de voormalige Nota Bodembeheer is ook bij de uitvoering van deze activiteit voorgeschreven dat aannemers en milieukundig begeleiders voldoende gecertificeerd zijn om dit werk uit te voeren. Voor deze activiteit is, in aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving, een informatieplicht opgenomen. Hiermee kan de gemeente toezicht houden op nieuwe activiteiten of veranderingen. Voor de start van deze activiteit ontvangt de gemeente graag het uitgevoerde voorafgaand bodemonderzoek, zodat de kwaliteit van de bodem geregistreerd kan worden binnen de gemeentelijke organisatie en er ook meteen getoetst kan worden.

Paragraaf 7.3.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Vanwege het ontbreken van waarden voor PFOS, PFOA en overige PFAS in het Besluit activiteiten leefomgeving zijn deze ook van toepassing verklaard op deze paragraaf. Zie voor een toelichting ook hoofdstuk 3 uit deze motivering. In aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving is een informatieplicht opgenomen. Deze is ingesteld zodat de gemeente toezicht kan houden op nieuwe activiteiten of veranderingen. Bij deze activiteit ontvangt de gemeente graag het uitgevoerde voorafgaand bodemonderzoek, zodat de kwaliteit van de bodem geregistreerd kan worden binnen de gemeentelijke organisatie en er ook meteen getoetst kan worden. In aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels gesteld voor het gescheiden houden én tijdelijk uitnemen van grond. De aanvullingen gelden voor partijen grond die asbest, exoten (flora) of meer dan 20 procent bodemvreemd materiaal bevatten of partijen die bestaan uit meerdere grondlagen. Deze regels zijn een voortzetting van het beleid uit de voormalige Nota Bodembeheer met als argument dat bodemvreemd materiaal, asbest en exoten (als de Japanse Duizendknoop) niet in de bodem horen. Het apart houden van verschillende grondsoorten is van belang wanneer de grond wordt afgevoerd.

In aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving is bij de opslag van grond voorgeschreven om maatregelen te nemen ter voorkoming van verwaaiing van de (verontreinigde) grond en om te voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met de grond. In aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving is een artikel opgenomen waarin wordt geregeld dat het mogelijk maakt om grond terug te plaatsen, zonder exact het ontgravingsprofiel aan te houden. De gedachte hierbij is dat in deze situatie weinig tot niets verandert aan de milieubelasting op een bepaalde locatie, omdat de grond in stedelijk gebied vaak al gemengd is. Deze regel is in lijn met de voormalige Nota Bodembeheer.

Paragraaf 7.3.4 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Vanwege het ontbreken van waarden voor PFOS, PFOA en overige PFAS in het Besluit activiteiten leefomgeving zijn deze ook van toepassing verklaard op deze paragraaf. Zie voor een toelichting ook hoofdstuk 3. In aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels gesteld voor het gescheiden houden én tijdelijk uitnemen van grond. De aanvullingen gelden voor partijen grond die asbest of exoten (flora) of meer dan 20 procent bodemvreemd materiaal bevatten, partijen die bestaan uit meerdere grondlagen of een mobiele verontreiniging bevatten. Deze regels zijn een voortzetting van het beleid uit de voormalige Nota Bodembeheer met als reden dat bodemvreemd materiaal, asbest, exoten (als de Japanse Duizendknoop) en mobiele verontreinigingen niet in de bodem horen. Het apart houden van verschillende grondsoorten is van belang, zodat deze niet vermengd raken en de oorspronkelijke bodemopbouw bij terugplaatsen intact wordt gehouden.

Paragraaf 7.3.5 Bodem saneren In afwijking van het Besluit activiteiten leefomgeving is een maatwerkregel opgenomen in het omgevingsplan waarin wordt geregeld dat het aanbrengen van een afdeklaag als saneringsaanpak bij een vluchtige, uitdampende stof in de bodem, niet meer mogelijk is. Dit omdat met een afdeklaag de vluchtige stof nog steeds uit kan dampen en een risico kan vormen voor de mens.

8

Door het verwijderen van de verontreiniging wordt het risico op uitdamping, en op gezondheidsrisico's als gevolg daarvan, geminimaliseerd. Een andere verandering die in het omgevingsplan is vastgelegd gaat over het saneren van de bodem door het verwijderen van een verontreiniging met asbest, lood, PFOS, PFOA of overige PFAS. Bij een saneringsaanpak moet de verontreiniging worden teruggebracht totdat de waarde van de betreffende stof gelijk is aan of kleiner is dan de waarde die voor die locatie en bodemfunctieklasse geldt (de terugsaneerwaarden). Onder de Omgevingswet gelden de oude waarden voor lood en asbest. Deze normen bieden echter onvoldoende bescherming om een gezonde leefomgeving te waarborgen voor met name kinderen. Er zijn geen waarden vastgelegd voor PFOS, PFOA en overige PFAS. Daarom zijn in afwijking van het Besluit activiteiten leefomgeving terugsaneerwaarden gesteld voor lood en asbest. Daarnaast zijn in aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving terugsaneerwaarden gesteld voor PFOS, PFOA en overige PFAS. Voor lood en asbest sluit dit aan bij het beleid als vastgesteld in de voormalige Nota Bodembeheer. Voor de stofgroep PFAS is dit een beleidsrijke aanvulling. Zie voor een toelichting ook hoofdstuk 3.

Paragraaf 7.3.6 Bodem saneren ter uitvoering van een bronaanpak bij een significante grondwaterverontreiniging Deze regels volgen uit de instructieregels van de provinciale omgevingsverordening.

Paragraaf 7.3.7 Nazorg na saneren van de bodem of bij toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem Deze regels zijn beleidsneutraal overgenomen uit de bruidsschat en instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.3.9 Grond of baggerspecie toepassen De regeling voor het toepassen van grond en baggerspecie was voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit met een uitwerking in de voormalige Nota Bodembeheer. Die regeling is met deze wijziging grotendeels beleidsneutraal overgenomen in het omgevingsplan. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat maatwerkmogelijkheden om af te wijken van de kwaliteitseisen voor bepaalde stoffen opgenomen in bijlage IIA of om voor bepaalde stoffen eisen toe te voegen. Voor de volksgezondheid zijn strengere normen voor lood, asbest, PFOS, PFOA en overige PFAS in het omgevingsplan opgenomen. Zie voor een toelichting ook hoofdstuk 3. Deze normen gelden ook voor het toepassen van grond en baggerspecie. In de voormalige Nota Bodembeheer is als gemeentelijk beleid vastgelegd dat bij het toepassen van grond of baggerspecie de bodemkwaliteit de bodemfunctie volgt. Deze regel blijft van kracht en is beleidsneutraal overgezet in deze paragraaf. In de bodem van het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard worden regelmatig lage gehalten drins (bestrijdingsmiddelen) aangetroffen. Als gevolg daarvan is hergebruik van de grond, op basis van het Besluit bodemkwaliteit, binnen dit bedrijventerrein niet toegestaan.

De oorzaak van de bestrijdingsmiddelen in de grond is het langjarige gebruik van het gebied als tuinbouwgrond en kassengebied. Met deze wijziging is het al sinds 2014 bestaande hergebruiksbeleid overgenomen uit de voormalige Nota Bodembeheer. Daarmee kan, op aanvaardbare wijze, hergebruik van de grond binnen het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard als gebiedseigen grond worden toegestaan. In aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving is een meldplicht toegevoegd aan deze paragraaf voor activiteiten voorafgaand aan een grootschalige bodemtoepassing. En is in aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving een informatieplicht toegevoegd voor activiteiten tijdens en na een grootschalige bodemtoepassing. Dit maatwerk is ingevoegd op basis van ervaringen uit het verleden van regiogemeenten. Bij een grootschalige bodemtoepassing bleek dat niet altijd helder is welke grond is toegepast, waar dit is toegepast en hoe en door wie dit wordt beheerd. Met deze meld- en informatieplichten krijgen we hier meer inzicht in.

Paragraaf 7.3.11 Activiteit op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico In de bruidsschat en in de instructieregels van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Deze bruidsschatregels en instructieregels zijn één-op-één overgenomen. 9

7.

Onderzoeken inleveren in bestandsformaat XML

De Omgevingsregeling kent artikelen waar gevraagd wordt om bodemonderzoek in te leveren in bestandsformaat PDF. In het omgevingsplan zijn deze regels aangevuld met een artikel waarin gevraagd wordt de bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML in te leveren. De gemeente kan deze dan direct in haar bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze verplichting op termijn ook in de regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

8.

Relatie met bruidsschatregels

Met deze omgevingsplanwijziging zijn verschillende regels over de bodemkwaliteit uit de bruidsschat geschrapt. Het gaat om regels in de paragrafen 22.2.7.2 (vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken) en 22.3.7 (Bodembeheer). Deze zijn beleidsneutraal overgenomen, tenzij hiervoor anders aangegeven.

9.

Milieubeoordeling

De Omgevingswet verplicht de gemeente om na te gaan of de regels van een wijziging van het omgevingsplan tot nadelige milieueffecten kunnen leiden. Is dat het geval, dan is een milieueffectrapportage (plan-mer) verplicht. Artikel 16.36 van de Omgevingswet wijst gevallen aan waarin het bevoegd gezag bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan verplicht is een plan-mer te doorlopen. Het artikel geeft ook aan in welke gevallen het bevoegd gezag kan volstaan met een plan-mer-beoordeling. Deze wijziging voorziet niet in een geval zoals opgenomen in artikel 16.36 van de Omgevingswet. De regels in deze wijziging hebben ook geen nadelige, maar juist gunstige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een plan-mer of een plan-mer-beoordeling is daarom niet nodig.

10. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid De voorgestelde regels maken geen activiteiten mogelijk die verplichten tot kostenverhaal, als bedoeld in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. De uitvoering van deze regels leidt naar verwachting niet tot extra kosten voor de gemeente. Aan de ene kant komen er lasten bij door het invoeren van nieuwe vergunningplichten en vragen naar aanvullende informatie. Aan de andere kant zijn indieningsvereisten versoepeld, regels geschrapt en zijn activiteiten uitgezonderd van een maatwerkbesluit. Hiervoor is geen besluit nodig aangezien het direct is toegestaan. Waar de regeldruk toeneemt, weegt het belang van deze regels voor een gezonde en veilige bodem zwaarder. Het instellen van nieuwe informatie- en meldingsplichten leidt in beperkte mate tot extra kosten voor de inzet van DCMR. DCMR voert deze taak in mandaat uit voor de gemeente. Vooralsnog wordt geen effect verwacht op de begroting. Handhaving op het grootste deel van de gestelde regels is gemandateerd aan DCMR. DCMR is nadrukkelijk bij de totstandkoming van de regels betrokken.

11. Participatie Bij besluitvorming over de vaststelling van deze wijziging moet de gemeenteraad laten weten hoe inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken. Ook moet vermeld worden wat we met de resultaten van participatie hebben gedaan. Dit staat in artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit en wordt de motiveringsplicht genoemd. Bij het raadsvoorstel over de vaststelling van deze wijziging wordt een uitgebreid participatieverslag gevoegd dat daar invulling aan geeft. Hieronder een korte samenvatting daarvan. Vooroverleg over het concept-ontwerpwijzigingsbesluit In het kader van participatie zijn de volgende partijen bij de voorbereiding van deze wijziging betrokken. • Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR) • Provincie Zuid-Holland 10

• Waterschap Hollandse Delta (WSHD) • GGD Rotterdam-Rijnmond • Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) • Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid • N.V. Nederlandse Gasunie West • Oasen N.V. • Stedin B.V. • Nederlandse Aardolie Maatschappij – NAM BV • Beleidsplatform Natuur, Milieu en Duurzaamheid Deze partijen zijn gekozen vanwege hun deskundigheid op het gebied van bodemactiviteiten of vanwege hun directe belang of (mede)verantwoordelijkheid voor een goede bodemkwaliteit. De reacties hebben tot een beperkt aantal tekstuele aanpassingen geleid. De resultaten van de participatie zijn verwerk in een participatieverslag. Dit participatieverslag is als bijlage opgenomen bij het raadsvoorstel over de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan voor bodemactiviteiten. Zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpwijzigingsbesluit Op 18 september 2025 is de formele voorbereidingsprocedure conform Afdeling 3:4 Algemene wet bestuursrecht gestart met een bekendmaking in het Gemeenteblad. Vanaf 22 september 2025 tot en met 3 november 2025 heeft het ontwerpwijzigingsbesluit zes weken ter inzage gelegen. Iedereen kon gedurende de inzagetermijn reageren op het ontwerpwijzigingsbesluit door een zienswijze in te dienen. Er is één reactie ontvangen. In de nota Zienswijzen is deze reactie beantwoord. Ook is vermeld of de reactie heeft geleid tot aanpassing van het omgevingsplan.

De nota Zienswijzen maakt als bijlage deel uit van het voorstel aan de hand waarvan de gemeenteraad besluit over de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan voor bodemactiviteiten.

11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1236/documents/42452